download document(DOC)

Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2014–2015
30 079
VMBO
31 497
Passend onderwijs
Nr. 53
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN
WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 december 2014
1. Extra kansen creëren voor jongeren in een kwetsbare positie
Het kabinet investeert de komende jaren fors in de kwaliteit van het
onderwijs. Zo krijgen jongeren betere kansen om kennis en vaardigheden
te verwerven die de steeds meer veeleisende en dynamische arbeidsmarkt vragen. Voor een klein deel van de jongeren die tot de doelgroepen
van het mbo behoren, brengt dit echter nieuwe uitdagingen met zich
mee.1 In deze brief leest u over mijn inzet voor deze groep, waarbij de
talenten van deze jongeren leidend zijn.
Het gaat om ongeveer 30.000 jongeren per jaar die vanwege een
bijzondere thuissituatie, gedragsproblemen of specifieke leerbehoeften
kwetsbaar zijn om uit te vallen zonder afgeronde opleiding of goed
arbeidsperspectief. Zij bevinden zich op het snijvlak van onderwijs,
arbeidsmarkt en (jeugd)zorg en hebben extra aandacht nodig om goed te
worden voorbereid op de toenemende eisen die de samenleving, het
onderwijs en de arbeidsmarkt aan hen stellen.
Ik heb de afgelopen maanden tal van inspirerende voorbeelden gezien
van onderwijsinstellingen, gemeenten, werkgevers en partijen in de
jeugdhulpverlening die voor deze jongeren extra kansen creëren. Dat
doen zij enerzijds door goed samen te werken en anderzijds door uit te
gaan van wat leerlingen wél kunnen, in plaats van hen af te rekenen op
wat ze nog niet kunnen. Zo bieden deze organisaties op maat extra
ondersteuning of passen zij onderwijs, werk en zorg aan op de specifieke
behoeften van de doelgroep.
1
kst-30079-53
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2014
Tot deze doelgroepen, en daarmee ook de doelgroepen van deze brief, behoort ongeveer 2%
van de leerlingen in het voortgezet onderwijs (vo), voortgezet speciaal onderwijs (vso),
praktijkonderwijs (pro) of middelbaar beroepsonderwijs (mbo) op niveau 1 en 2. Zie ook bijlage
2, raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
1
In Schiedam heb ik bijvoorbeeld gezien hoe het Life College met veel
persoonlijke aandacht en een positieve benadering jongeren die zijn
uitgevallen in het vmbo of mbo een nieuwe kans geeft om een diploma te
halen. In Drenthe verbetert jeugdhulporganisatie Yorneo samen met het
Drenthe College het pedagogisch klimaat op school. En in de regio
Parkstad slaagden partijen erin om, in het kader van de Aanpak Jeugdwerkloosheid, ruim 400 jongeren in de klas te krijgen of aan een baan te
helpen waardoor de jeugdwerkloosheid met ruim 30% daalde.
In deze brief deel ik een aantal van deze goede voorbeelden. Om te
inspireren en om van te leren, zodat de goede voorbeelden van vandaag
de standaard van morgen zijn. Deze goede voorbeelden laten bovendien
zien dat er al veel mogelijk is als betrokkenen hun maatschappelijke
verantwoordelijkheid nemen en bereid zijn om samen te werken. Met een
aantal gerichte maatregelen wil ik deze goede praktijken verder aanjagen
en verspreiden zodat ik de risico’s op uitval voor jongeren in een
kwetsbare positie verder beperk en de waarborgen voor passende
begeleiding versterk.2
Ik bied leerlingen en hun ouders meer houvast door een recht op toelating
tot het mbo te introduceren en geef scholen, mbo-instellingen en
gemeenten extra ruimte om maatwerktrajecten aan te bieden. Ook zorg ik
ervoor dat regionale samenwerking tussen gemeenten, onderwijsinstellingen, jeugdzorg en werkgevers verder wordt verbeterd. Door de
specifieke talenten en leerbehoeften van jongeren voorop te stellen, houd
ik kwetsbare groepen beter binnenboord en valt niemand tussen wal en
schip.
Deze extra inzet komt bovenop de succesvolle aanpak van voortijdig
schoolverlaten en de introductie van passend onderwijs. Divers onderzoek
laat zien dat dit een inspanning is die loont. Niet alleen voor de jongeren
en hun directe omgeving, maar ook voor de samenleving als geheel:
minder werkloosheid, minder uitkeringen, minder gebruik van zorgvoorzieningen en minder aanraking met de justitiële keten.3 Vele gesprekken
met leerlingen, professionals en bestuurders in het onderwijs, de
jeugdzorg en gemeenten hebben de urgentie hiervan, in het licht van de
aanstaande veranderingen op de arbeidsmarkt, in het zorgdomein en in
de sociale voorzieningen, bovendien onderstreept.4
Met deze brief geef ik invulling aan de toezeggingen in mijn eerdere
brieven «Startkwalificatie met perspectief, voor iedereen een passende
plek»5 en «Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo».6
Ook wordt met deze brief tegemoet gekomen aan de toezegging van de
Staatssecretaris om te kijken naar de lijst van afwijzingsgronden in het
ondersteuningsprofiel van een mbo-school. Ik ga voorts in op het advies
van de Onderwijsraad, «Meer kansen voor kwetsbare jongeren»7 , op het
rapport «Kind van de Rekening» dat een groep bestuurders uit het
2
3
4
5
6
7
In contextkader 1 geef ik een aantal voorbeelden van jongeren voor wie de maatregelen in dit
plan van aanpak specifiek zijn bedoeld. Zij behoren tot de doelgroep die ik jongeren in een
kwetsbare positie noem, of kortweg «kwetsbare jongeren».
Levin (2009). The payoff to investing in educational justice.
Ecorys (2009). Maatschappelijke kosten baten analyse vsv.
CPB (2013). De prijs van gelijke zorg. CBS/KLPD (2014). Vsv’ers verdacht van een misdrijf naar
leerjaar/niveau.
Zie bijlage 1 voor een overzicht van onze gesprekspartners, raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl
Tweede Kamer (2013–2014). Startkwalificatie met perspectief, voor iedereen een passende plek.
Kamerstuk 26 695, nr. 94.
Tweede Kamer (2013–2014). Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo.
Kamerstuk 31 524, nr. 207.
Onderwijsraad (2013). Meer kansen voor kwetsbare jongeren.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
2
onderwijs, zorg en de arbeidstoeleiding onlangs uitbracht en op
elementen uit het Onderwijsraadrapport «Samen voor ononderbroken
schoolloopbaan». 8 Op dat laatste rapport ontvangt u nog een gezamenlijke reactie met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, omdat dit rapport ook over jeugdhulpverlening gaat. Tot slot
adresseer ik de motie Smits, die gaat over de jongeren die de entreeopleiding niet afmaken en daarmee een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben.9
2. Probleemanalyse & Doelgroep
De arbeidsmarkt kenmerkt zich door een groeiende vraag naar flexibel
inzetbare arbeidskrachten.10 Zelfs eenvoudig werk wordt steeds ingewikkelder.11 En door automatisering en globalisering ontstaat druk op het
middensegment van de arbeidsmarkt.12 Mede door de financiële crisis
zoeken bovendien meer mensen werk dan er banen zijn. Jongeren hebben
een eigen verantwoordelijkheid en zullen soms zelf een stapje extra
moeten doen om zich een goede arbeidsmarktpositie te verwerven. Maar
er is ook sprake van verdringing, en daarmee van druk op het aantal
beschikbare banen voor lager opgeleiden. Het bieden van voldoende
arbeidsperspectief voor jongeren in een kwetsbare positie blijft daarom
een voortdurend punt van aandacht.
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt stellen het onderwijs voor
specifieke uitdagingen. Het kabinet investeert daarom fors in de kwaliteit
van het onderwijs. In het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs loopt de investering op tot structureel € 1,2 miljard. Jongeren
hebben ook zelf een verantwoordelijkheid. Om meer zelfstandig, weerbaar
en wendbaar te worden, moeten zij voldoen aan hogere eisen en zullen zij
soms een stapje extra moeten doen om zich een goede arbeidsmarktpositie te verwerven.
Tegelijkertijd zie ik dat het een kleine groep jongeren nu niet altijd lukt om
vanuit het onderwijs zelfstandig zijn weg te vinden naar duurzame
arbeidsparticipatie. De oorzaken hiervoor kunnen onder meer in de
volgende factoren liggen:13
• Een opeenstapeling van emotionele problemen en/of gedragsproblemen die (deels) voortkomen uit de privésfeer van leerlingen.
• Onvoldoende voorbereiding op, en onrealistische verwachtingen van,
de arbeidsmarkt. Dat komt mede doordat loopbaanoriëntatie niet altijd
voldoende deel uitmaakt van het curriculum in het voortgezet
onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.
• Onvoldoende (leer)werkplekken. Potentiële aanbieders van een
leerwerktraject zijn niet altijd bekend met de mogelijkheden en
voorwaarden om leerwerkplek te worden.
• Onvoldoende begeleiding op en naar de werkvloer.
• Onvoldoende samenwerking tussen de betrokken partijen, doordat er
soms onduidelijkheid over elkaars verantwoordelijkheden bestaat. Dat
8
Onderwijsraad (2014). Samen voor een ononderbroken schoolloopbaan.
Tweede Kamer Kamerstuk 33 187.
10
WRR (2013). Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland.
11
Onderwijsraad (2013). Meer kansen voor kwetsbare jongeren.
12
Zie de antwoord op vragen van de leden Jadnanansing en Vermeij (beiden
PvdA) over het verdwijnen van banen op niveau van mbo-2/3 (Aanhangsel Handelingen II
2014/15, nr. 39)
Zie ook Frey & Osborne (2013). The future of employment: How susceptible are jobs to
computerization?
13
Deze oorzaken zijn tijdens verschillende bijeenkomsten genoemd door de betrokkenen die in
het kader van deze brief hebben meegedacht en meegepraat. Zie voor een overzicht van de
bijeenkomsten en betrokkenen bijlage 1.
9
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
3
gebeurt vooral als jongeren overstappen tussen onderwijsinstellingen,
of van het onderwijs naar de arbeidsmarkt.
Recent onderzoek ondersteunt deze analyse. Zo heeft het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo) gewezen op het grote belang van
vroegtijdige betrokkenheid van loopbaanbegeleiders en het aansluiten
van het onderwijsaanbod bij de vraag van werkgevers.14 Een inventarisatie van de VNG maakte hiernaast duidelijk dat een gezamenlijke agenda,
plus een heldere bestuurlijke regie en structuur in de regio, eveneens
belangrijke ingrediënten zijn van een succesvolle begeleiding van
kwetsbare jongeren.15 De G4 en G32 benadrukten in het verlengde
hiervan afzonderlijk dat een helderder verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de domeinen onderwijs, gemeente en andere betrokken partijen
wenselijk is. De G32 benadrukte verder het belang van een sluitend
regionaal netwerk voor kwetsbare jongeren waarbij steden vanuit hun
gemeentelijke regierol samenwerken met het onderwijsveld, werkgevers
en de preventieve jeugdzorg om te voorkomen dat jongeren tussen wal en
schip vallen.16 Hierbij moet volop ruimte zijn voor individuele begeleiding
van jongeren en de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt
versterkt worden.
Ook het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) heeft in haar rapport
«Arbeidstoeleiding kwetsbare jeugd» het belang benadrukt van individuele coaching en ondersteuning van jongeren. Hierbij moet in de
opleiding voldoende aandacht zijn voor het leren in de praktijk, het
ontwikkelen van basisvaardigheden, loopbaanoriëntatie, deskundige
begeleiding van ketenpartners en ouders, en het matchen van leerlingen
en werkgevers. Werkzaamheden zouden aan de leerling kunnen worden
aangepast.17 Vanzelfsprekend zijn ook jongeren zelf verantwoordelijk om
hun leven goed op orde te krijgen.
Naast recent onderzoek en de gesprekken met professionals uit het
onderwijs, bedrijfsleven en de jeugdzorg, sterken meldingen van jongeren
die dit jaar niet zijn toegelaten op de mbo-opleiding waarvoor zij zich
aanmeldden, mij in de overtuiging dat extra helderheid nodig is over wie
wanneer voor welke jongere verantwoordelijk is.18 Leerlingen hebben
behoefte aan veel duidelijker communicatie. Ze hebben ook het recht om
te weten waar ze aan toe zijn. Voor jongeren (en hun ouders) blijft nu
geregeld onduidelijk op welke grond zij niet worden toegelaten tot een
opleiding. Ik vind het onaanvaardbaar wanneer een jongere een afwijzingsbericht krijgt en vervolgens aan zijn of haar lot wordt overgelaten. Dit
heb ik ook aangegeven in mijn reactie op de recente uitzending van het
tv-programma Nieuwsuur, waarin aandacht werd besteed aan jongeren
die niet waren toegelaten tot een mbo-opleiding.19
De maatregelen in deze brief zijn gericht op ongeveer 2% van het totale
aantal deelnemers in het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en praktijkonderwijs (zie bijlage 2). Deze 30.000 jongeren hebben
een verhoogd risico om geen diploma of startkwalificatie te halen of om
14
15
16
17
18
19
ECBO (2013). Regionale samenwerking in goede banen; 6 goede voorbeelden.
VNG (2013). Adviesgids samen voor jongeren.
G32 (2014) Position paper G32. Een stedelijke visie op een toekomstbestendig mbo. Ook voor
jongeren in een kwetsbare positie.
NJI (2014). Arbeidstoeleiding kwetsbare jeugd.
In het lopende schooljaar gaat het om ongeveer 130 meldingen.
Zie ook de antwoorden op Kamervragen van de heer Van Dijk (7/10/2014)(Aanhangsel
Handelingen II 2014/15, nr. 186) en de antwoorden op Kamervragen van mevrouw
Jadnanansing (7/10/2014)(Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 187
Zie tevens ResearchNed en KPC groep (2014). Evaluatiemaatwerktrajecten vmbo
Kamerbrief over weigeren jongeren door roc’s (7/10/2014)(Kamerstuk 31 524, nr. 216)
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
4
geen passende plek op de arbeidsmarkt te vinden.20 Enkele duizenden
vallen jaarlijks blijvend uit, hoewel we een groeiend aantal schoolverlaters
terug naar school weten te krijgen. Met de maatregelen in deze brief wil ik
daarom bereiken dat meer jongeren, ondanks hun kwetsbare positie,
alsnog een diploma of startkwalificatie halen en, ook wanneer dit niet
haalbaar is, een zo goed mogelijke plek op de arbeidsmarkt krijgen.
De maatregelen in deze brief zijn daarmee specifiek gericht op jongeren
die schoolbaar en leerbaar zijn, en zijn dus niet op jongeren die niet te
motiveren zijn om naar school te gaan of op jongeren die door verschillende gemeentelijke regelingen bediend worden omdat ze geen onderwijs
kunnen volgen.21
Contextkader 1: Voorbeelden van jongeren in een kwetsbare
positie22
Chantal (19) werd op jonge leeftijd zwanger. Ze kon haar zwangerschap niet combineren met een bbl-opleiding op mbo 3-niveau
waarvoor ze vier dagen in de week in de horeca werkte. Op haar
werk werd ze gepest en voelde ze zich niet welkom. Ze stopte met
haar opleiding, beviel van een dochter en zag geen mogelijkheid om
terug naar school te gaan. Dat veranderde toen ze door het jongerenloket in haar woonplaats werd aangeraden om zich aan te melden
voor een speciaal programma van een aoc in de buurt. Hier is voor
tienermoeders zoals Chantal een kinderdagverblijf binnen de school
beschikbaar en krijgen jonge moeders opvoedingsondersteuning.
Daardoor volgt Chantal nu weer een opleiding en verwacht ze
binnenkort een startkwalificatie te halen.
Hans (18) heeft het Syndroom van Asperger. Daarom heeft hij extra
aandacht en begeleiding nodig op school. Hans heeft zijn
vmbo-diploma gehaald en meldde zich aan voor een opleiding
watermanagement bij een mbo-instelling. De mbo-instelling stelde
echter na een intakeprocedure vast dat de opleiding voor Hans niet
geschikt was. Hans wist niet waar hij nu naar toe moest gaan. De
ouders van Hans waren het niet eens met de beslissing van de
mbo-instelling en Hans voelde zich afgewezen vanwege zijn
ondersteuningsbehoefte. Uiteindelijk schreef Hans zich tegen zijn zin
in voor een andere opleiding, bij een andere mbo-instelling.
Jasper (16) woont met zijn moeder in Rotterdam. Op het vmbo
worstelde hij met zijn emoties en had hij last van woedeaanvallen.
Op school ging het daarom niet goed. In klas 3 liep hij weg van
school nadat hij zich onterecht beschuldigd voelde van een
geweldsincident. Hij zat ruim drie maanden thuis. Na de zomervakantie meldde hij zich aan voor een speciale «startklas» van een
mbo-instelling in de buurt. Hier kreeg hij in kleine groepjes veel
begeleiding en persoonlijke aandacht en voelde hij zich veel beter
20
21
22
Dit aantal is gebaseerd op gegevens over doorstroom in schooljaar 2011/2012 en uitval. Zie
bijlage 2 voor een nadere omschrijving van de doelgroepen, raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl
Bij de begrippen «leerbaar» en schoolbaar» wordt een onderscheid gemaakt tussen leerlingen
die kunnen leren, dat wil zeggen hiertoe cognitief in staat zijn («leerbaar») en leerlingen die
willen leren («schoolbaar»), dat wil zeggen het gedrag vertonen dat noodzakelijk is om binnen
een onderwijsinstelling een opleiding te kunnen volgen. Bij niet-schoolbare leerlingen gaat het
bijvoorbeeld om jongeren die heftige problemen veroorzaken binnen de school en onmogelijk
te motiveren zijn voor een opleiding. Om de andere leerlingen te beschermen moeten scholen
soms concluderen dat leerlingen vanwege hun gedrag niet schoolbaar zijn.
De jongeren in deze voorbeelden bestaan echt. Wel zijn hun namen soms gefingeerd of details
weggelaten om privacy redenen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
5
begrepen. Daardoor ging zijn motivatie enorm vooruit. Zijn
studieresultaten zijn nu zo goed dat hij binnen een jaar zowel een
entreeopleiding als een mbo-2 opleiding verwacht af te ronden. De
school is heel flexibel en past het onderwijsprogramma aan op
Jasper’s leerbehoefte. Volgend schooljaar begint hij aan een
opleiding op mbo-4 niveau.
3. Maatregelen
De kern van de maatregelen in deze brief is om voor kwetsbare jongeren
de risico’s op uitval te beperken en de waarborgen voor passende
begeleiding te versterken. Hierbij staat het belang van de jongere voorop
en de regio centraal.
Veel onderwijsinstellingen, gemeenten, zorgorganisaties en regionale
werkbedrijven werken momenteel al hard om een succes te maken van de
decentralisaties van passend onderwijs, de participatiewet en de
jeugdzorg. Juist in deze lokale dynamiek liggen mogelijkheden om voor
kwetsbare jongeren extra kansen te creëren door de overgangen tussen
het onderwijs en de arbeidsmarkt, en de samenwerking met onder meer
jeugdzorg te optimaliseren.
Ik bied hierbij volop ruimte voor maatwerk, ondersteun lokale goede
praktijken, maar stel landelijke kaders om voor alle jongeren gelijke
kansen te bieden. Ook de Onderwijsraad benadrukt dat jongeren en hun
concrete problemen centraal moeten staan en dat er ruimte voor pioniers
moet zijn om het lokale probleemoplossend vermogen optimaal te
benutten. Die ruimte wil ik geven.
Voor jongeren in een kwetsbare positie zoals Chantal, Hans en Jasper (zie
contextkader 1) leidt dit tot betere kansen op goede loopbaanoriëntatie en
begeleiding in het vo en mbo, een soepelere overgang tussen onderwijsvormen of naar de arbeidsmarkt en meer mogelijkheden voor maatwerk
in de entreeopleiding en niveau-2 van het beroepsonderwijs. Daarmee
komen een diploma, een baan en een duurzaam perspectief op
maatschappelijke participatie voor hen en andere kwetsbare jongeren
dichterbij.
De maatregelen die ik beschrijf zijn er zodoende op gericht om:
• Jongeren die geen startkwalificatie kunnen halen een zo goed mogelijk
perspectief te bieden op duurzame arbeidsinzetbaarheid en maatschappelijke participatie.
• Jongeren die cognitief in staat zijn om een startkwalificatie te halen,
maar voortijdig dreigen uit te vallen, extra ruimte voor maatwerk en
ondersteuning te bieden zodat zij hun startkwalificatie alsnog behalen.
Het beperken van de risico’s op uitval en het versterken van de
waarborgen voor passende begeleiding werk ik in drie samenhangende
pakketten met maatregelen nader uit:
1) Maatregelen voor het verbeteren van de aansluiting tussen vmbo,
pro, vso en mbo.
2) Maatregelen om extra ruimte voor maatwerk te bieden in entreeopleidingen en op mbo 2-niveau.
3) Maatregelen voor een sluitend vangnet in de regio.
Bijlage 4 toont een overzicht van alle goede voorbeelden en maatregelen
die ik in de drie pakketten hieronder beschrijf23.
23
Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
6
Maatregelpakket 1: Verbeteren van de aansluiting tussen vmbo,
pro, vso en mbo
Goede voorbeelden
De Overstap in de Stedendriehoek
Vo-scholen, mbo-instellingen en de gemeenten in de Stedendriehoek
Apeldoorn, Zutphen en Deventer werken samen in het project «de
Beroepskolom-Stedendriehoek». Een goede aansluiting van het vo
op het mbo helpt om leerlingen een bewuste en goed begeleide
route te laten volgen in hun opleidingscarrière en om teleurstellingen te voorkomen.
De Beroepskolom-Stedendriehoek richt zich onder andere op:
•
•
•
De mogelijkheid voor derdejaars vo-leerlingen in de theoretische
en gemengde leerweg om een dag kennis te maken met één van
bijna 100 middelbare beroepsopleidingen in de regio.
Extra aandacht voor leerlingen die meer ondersteuning nodig
hebben in de aansluiting op en tijdens de opleiding.
Een digitaal volgsysteem, genaamd «De Overstap». Potentiële
uitvallers worden vaak al in het nog lopende schooljaar opgespoord en begeleid naar een passende vervolgopleiding.
Decanen en leerplichtambtenaren kunnen zo voorkomen dat
leerlingen na het halen van hun vmbo-diploma stoppen met
onderwijs.
Train-de-Trainer voor Loopbaanbegeleiding op AOC Terra
Agrarisch Opleidingscentrum (AOC) Terra is een van de onderwijsinstellingen die al vanaf de start in 2010 deelneemt aan het stimuleringsproject Loopbaanbegeleiding (LOB) in het mbo. Twee docenten
volgden een speciale training en trainen nu collega’s op het mbo en
op vmbo-scholen in de regio. Het gaat hierbij vooral om het aanleren
van gespreksvaardigheden. «Als er iets mis ging, wilden we vroeger
allereerst weten wat de leerling fout had gedaan,» zegt één van de
docenten. «Daarmee doe je hem of haar tekort. Het was ook te
situatiegericht, waardoor ik het gevoel had dat we niet echt hulp
boden. Nu zijn we ons ervan bewust dat het veel beter is om juist het
goede te benadrukken. En daarna te kijken wat de verbeterpunten
kunnen zijn.»
Eén van de docenten herinnert zich een leerling aan het einde van
zijn opleiding, die was weggestuurd bij zijn stage. In gesprekken had
hij alleen maar gehoord wat er fout was gegaan. De loopbaanbegeleiders op AOC Terra besloten het gesprek anders in te steken. «Ik
vroeg hem wat hij allemaal goed had gedaan, wat zijn begeleider
goed had gedaan. Waarom het dan toch stuk gelopen was. Of de
jongen dat eerlijk vond of niet,» herinnert één van de loopbaanbegeleiders. Zo kwam het gesprek op hoe we dingen praktisch konden
verbeteren. In plaats van een draai om de oren kreeg de jongen een
handreiking: dit zijn jouw kwaliteiten, dit kun je nu anders doen. Dus
werk daaraan. De jongen is uiteindelijk met een diploma van school
gegaan.24
24
Zie voor meer praktijkvoorbeelden van succesvolle loopbaanbegeleiding de website van het
Stimuleringsproject LOB: http://www.lob4mbo.nl/thema/praktijk-voorbeelden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
7
Voor welke kwetsbare jongeren heeft dit maatregelenpakket effect?
U Jongeren die de overstap maken van het vmbo (beroepsgerichte
leerweg waaronder leerwerktrajecten), praktijkonderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs (profiel: vervolgonderwijs en arbeidsmarktgericht) naar het middelbaar beroepsonderwijs
Welke maatregelen tref ik?
•
•
•
Ik leg wettelijk vast dat mbo-instellingen aansluiting zoeken bij het
overleg dat gemeenten en samenwerkende vo-scholen voeren in het
kader van passend onderwijs en de jeugdwet. Zo versterk ik de
waarborgen voor continuïteit in de begeleiding van leerlingen die
overstappen van het v(s)o naar het mbo.
Ik introduceer een verplichte vervroegde aanmelddatum voor de
overgang naar het mbo.
Ik ondersteun de verbetering van loopbaanoriëntatie en professionalisering van de intakeprocedure bij mbo-opleidingen.
Kwetsbare jongeren hebben veel baat bij continuïteit in de begeleiding als
zij overstappen naar een ander onderwijstype, bijvoorbeeld van het vmbo
naar het mbo. Zoals de Onderwijsraad constateert in zijn advies «Samen
voor een ononderbroken schoolloopbaan» is een voorwaarde voor
continuering van een passend onderwijs-zorgaanbod dat er afstemming
en samenwerking plaatsvindt tussen mbo-instellingen, het aanleverend
onderwijs, jeugdzorg en gemeenten. Omdat mbo-instellingen vooralsnog
niet verplicht zijn om deel te nemen aan het overleg tussen gemeenten en
de samenwerkingsverbanden in het voortgezet onderwijs, kan voor
jongeren en hun ouders onduidelijkheid ontstaan, bijvoorbeeld over de
manier waarop zorg en begeleiding worden gecontinueerd op de nieuwe
school.
De meeste mbo-instellingen zien al de meerwaarde om aangesloten te zijn
bij het overleg tussen gemeenten, v(s)o-scholen en hulpverleningsinstanties. Dit blijkt ook uit de voortgangsrapportages over de invoering van
passend onderwijs. In 27% van de gevallen blijken mbo-instellingen
echter (nog) niet formeel te worden betrokken bij deze overlegstructuur.25
Ik wil ervoor zorgen dat alle mbo-instellingen voldoende zicht hebben op
het beleid van gemeenten, het jeugdhulpaanbod, en de wederzijdse
verantwoordelijkheden. Ik leg daarom in wetgeving vast dat
mbo-instellingen standaard worden aangesloten op het verplichte overleg
van gemeenten en v(s)o-scholen over de ondersteuningsplannen van
leerlingen in het passend onderwijs en de gemeentelijke jeugdplannen,
voor zover die het onderwijs raken. Door de inzet van onderwijsondersteuning en zorg af te stemmen, kunnen scholen, mbo-instellingen en
gemeenten een integraal onderwijs-zorgaanbod bieden dat uitgaat van de
behoeften van jongeren.
Deze wettelijke verplichting tot overleg biedt ook kansen voor kwetsbare
jongeren die tijdelijk onderwijs volgen op een school die is verbonden aan
een justitiële jeugdinrichting of aan een jeugdzorgplusinstelling. Voor
deze jongeren is het vinden van een vervolgplek in het reguliere onderwijs
vaak moeilijk. De school die is verbonden aan een justitiële inrichting en
de school of mbo-instelling waar de jongere naar toe gaat, moeten
hierover samen afspraken maken. Zo wordt continuïteit in de begeleiding
van kwetsbare jongeren met een zorg- en ondersteuningsbehoefte beter
25
Vijfde voortgangsrapportage Passend Onderwijs (2014), p. 16.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
8
gewaarborgd en verbetert de aansluiting van het v(s)o op het mbo voor
deze groep.
Verbeteren van intakeprocedure
Ook het verder verbeteren van de intakeprocedure op mbo-instellingen
kan hieraan bijdragen. Daarom introduceer ik net als in het hoger
onderwijs, ook in het mbo een verplichte vroege aanmelding in het
voorjaar. Door een duidelijke deadline krijgt loopbaanoriëntatie in het
vo-curriculum een betere plaats en een heldere einddatum. Vo-scholen
moeten voor hun leerlingen in de bovenbouw een reëel perspectief
schetsen voor vervolgonderwijs of arbeidsmarktparticipatie.
Mbo-instellingen krijgen zo beter de ruimte om hun intakeprocedure goed
vorm te geven. Leerlingen en hun ouders weten bovendien op tijd waar ze
aan toe zijn. De verplichte vroege aanmelding wordt in een wetsvoorstel
vastgelegd, dat ik uitwerk in overleg met de VO-Raad en de MBO Raad.
Het is de bedoeling dat de wet van kracht wordt in het schooljaar
2016/2017.
Bij een goede intake wordt in ieder geval vastgesteld of een jongere
leerbaar en schoolbaar is en welke opleiding hij of zij als eerste voorkeur
heeft. Daarna kunnen vo-scholen en mbo-instellingen beschikbare
informatie delen en kan het onderwijs- en arbeidsmarktperspectief van
leerlingen worden vastgelegd.
Hiervoor worden al goede stappen in gezet. In vso en praktijkonderwijs
krijgen alle leerlingen bijvoorbeeld een ontwikkelingsperspectief. Daarin
wordt op basis van kenmerken en behoeften van de leerling een realistische uitstroombestemming vastgelegd. Daarnaast ontvangen leerlingen
in het vso, profiel arbeidsmarktgericht, een overgangsdocument, waarin
de ondersteuningsbehoefte van de leerling staat. In het uitstroomprofiel
«vervolgonderwijs» krijgen leerlingen een onderwijskundig rapport.
Zoals aangegeven in de beleidsreactie op het Onderwijsraadadvies
«Overgangen in het Onderwijs» heeft de Staatssecretaris bovendien met
de VO-raad afgesproken dat leerlingen bij hun vo-diploma een «plusdocument» krijgen.26 Daarin kunnen vaardigheden worden opgenomen die
leerlingen hebben ontwikkeld in de beroepsgerichte programma’s van het
vmbo. Deze documenten bieden een goede basis voor een zorgvuldige en
professionele intakeprocedure op de mbo-instelling en voor passende
begeleiding door toekomstige werkgevers.
Goede loopbaanoriëntatie
Om de kwaliteit van de intakeprocedure te verbeteren en de waarborgen
voor plaatsing in een passende opleiding te versterken, is ook goede
loopbaanoriëntatie nodig, waarbij jongeren een realistisch onderwijs- en
arbeidsmarktperspectief krijgen. Goede loopbaanoriëntatie kan
voorkomen dat jongeren een verkeerde studiekeuze maken, uitvallen of
uit beeld raken.
Daarom loopt het project Stimulering Loopbaanoriëntatie in het vo en
mbo. Het project besteedt expliciet aandacht aan beleid en visieontwikkeling op loopbaanontwikkeling door scholen, deskundigheidsbevordering van decanen en docenten en de rol van ouders bij studie- en
loopbaankeuzes van leerlingen. Ook is er aandacht voor het verbeteren
van de studie- en loopbaanbegeleiding van kwetsbare jongeren die
overstappen naar een ander schooltype en voor professionalisering van
26
Kamerstuk 33 750 VIII, nr. 117
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
9
de intakeprocedure van nieuwe leerlingen door mbo-instellingen. In 2015
vindt besluitvorming plaats over een eventuele vervolginzet op loopbaanoriëntatie, waarbij de positie van kwetsbare jongeren nadrukkelijk de
aandacht heeft.
Doorlopende leerlijnen en betere aansluiting op arbeidsmarkt
Ook bij de aansluiting tussen het voortgezet (speciaal) onderwijs en
middelbaar beroepsonderwijs hebben de Staatssecretaris en ik specifiek
oog voor de behoeften van kwetsbare jongeren. In het voortgezet speciaal
onderwijs zijn bijvoorbeeld gedifferentieerde uitstroomprofielen
gecreëerd voor vervolgonderwijs, dagbesteding en arbeidsmarkt. Met die
profielen kunnen scholen leerlingen doelgerichter voorbereiden op hun
toekomst. Ook bestaan aangepaste leerroutes in het voortgezet onderwijs
en middelbaar beroepsonderwijs, die maatwerk bieden voor jongeren
voor wie de overstap naar een mbo-instelling (te) groot is. Zo is het
mogelijk om een entreeopleiding te volgen aan een vmbo-instelling en
kunnen leerlingen een entreeopleiding op het praktijkonderwijs (pro) en
voortgezet speciaal onderwijs volgen.
«Het Segment», een school voor praktijkonderwijs in Gouda, is één van de
pro-scholen die in samenwerking met een mbo-instelling een entreeopleiding verzorgt. Leerlingen van «Het Segment» die kunnen «doorleren»,
volgen in het vijfde leerjaar in het praktijkonderwijs een entreeopleiding
die wordt vormgegeven in nauwe samenwerking met roc ID-College. De
leerlingen volgen onderwijs in de vertrouwde omgeving van hun
pro-school. Examinering gebeurt onder verantwoordelijkheid van het roc.
Dit schooljaar startten bovendien de eerste leerlingen met nieuwe
doorlopende leerroutes van het vmbo naar het mbo. De leerlingen nemen
deel aan ongeveer 130 experimenten, verspreid over heel Nederland.
Deze doorlopende leerroutes (de vakmanschapsroute en de technologieroute) zijn een vervolg op het tijdelijke experiment vm2, dat liep tussen
2008 en 2013. Met de nieuwe doorlopende leerroutes kunnen scholen en
mbo-instellingen aantrekkelijker beroepsonderwijs bieden voor leerlingen
die al vroeg een duidelijke oriëntatie op een bepaalde beroepsrichting
hebben of voor leerlingen die zich in een kwetsbare positie bevinden,
maar met maatwerk toch een startkwalificatie kunnen halen. De experimenten met de vakmanschaproute en technologieroute worden met een
monitor gevolgd, op basis waarvan besluitvorming zal plaatsvinden over
het structureel maken van deze leerlijnen.
Voorts voorziet het wetvoorstel van de Staatssecretaris voor de nieuwe
vmbo-profielen in de mogelijkheid voor vo-scholen en mbo-instellingen
om hun onderwijsinhoud beter gezamenlijk vorm te geven. De huidige
beroepsgerichte programma’s maken plaats voor nieuwe profielen en
beroepsgerichte keuzevakken in het vmbo. Ook kunnen vmbo-leerlingen
een keuzevak gaan volgen op een mbo-instelling.
Met dit wetsvoorstel wordt expliciet de nadruk gelegd op de «v» van
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). In het vso en in het
praktijkonderwijs wordt zo goed mogelijk aangesloten op de behoeften
van individuele leerlingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen
leerlingen voor wie het pro of vso eindonderwijs is, en leerlingen die
wellicht een mbo-diploma kunnen halen.
Juist door experimenten en innovatieve trajecten toe te staan, ontstaat
veel kennis over succesfactoren bij de scholing en ondersteuning van
kwetsbare groepen. Eén les die ik alvast getrokken heb, is dat er ruimte
moet zijn voor regio’s om maatwerk te bieden. Kwetsbare jongeren zijn
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
10
niet in één hokje te passen. Er is dan ook geen oplossing die voor alle
jongeren werkt. Daarom wil ik regio’s stimuleren en waar nodig helpen
om een aanbod vorm te geven dat aansluit op de behoeften van de
regionale doelgroepen. Ik kom hierop terug in de uitwerking van
maatregelpakket 3.
Maatregelpakket 2: Extra ruimte voor maatwerk in entreeopleidingen en op mbo-2 niveau
Goede Voorbeelden
Drenthe College schakelt specialisten in
Het Drenthe College werkt sinds 2011 samen met jeugdhulporganisatie Yorneo om het pedagogisch klimaat op school te verbeteren.
Deze samenwerking leidt ertoe dat meer jongeren in de entreeopleiding passend onderwijs kunnen volgen en dat hun kansen op
uitval worden verkleind.
Yorneo stimuleert «positieve actie» van docenten. Het idee is dat
positief gedrag van docenten eraan bijdraagt dat ook studenten
positief gedrag laten zien.
Bij de opleiding Handel werd met steun van Yorneo bijvoorbeeld het
accent gelegd op de positievere basishouding van docenten richting
studenten, wat bijdroeg aan het enthousiasme van studenten. Ook
werden jongeren met problemen eerder geholpen door een
orthopedagoog. Docenten leerden inzien dat zij er primair zijn voor
het verzorgen van onderwijs en dat hulpverlening een apart vak is.
Zo krijgen jongeren sneller de hulp die ze nodig hebben.
In het kader van de invoering van passend onderwijs in het mbo is
het Drenthe College voornemens om de aanpak van positieve actie
te blijven gebruiken.
Wijkleerbedrijven bieden de helpende hand
In diverse gemeenten, waaronder Hengelo, Dordrecht en Zwijndrecht, is een wijkleerbedrijf opgezet dat is gericht op werkzaamheden, opleidingen en stages in de sectoren zorg en welzijn. Het
wijkleerbedrijf is een samenwerkingsverband van onder andere
mbo-instellingen, gemeenten en werkgevers. Met een wijkgerichte
aanpak kunnen bol- en bbl-leerlingen stage lopen en kleinschalig
onderwijs volgen op mbo-niveaus 1 en 2 buiten de muren van een
mbo-instelling. Door intensieve samenwerking (en deels bekostiging) van zorginstellingen, gemeenten en mbo-instellingen worden
deze leerlingen zeer intensief en individueel begeleid en geschoold.
Via het werkplein en de werkgevers worden banen op niveau 1 en 2
gevonden waaraan leerlingen gekoppeld worden. De leerlingtevredenheid en klanttevredenheid van wijkbewoners zijn hoog.
New Life Klassen op aoc Lentiz in Schiedam
New LIFE is een afdeling van aoc Lentiz LIFE College in Schiedam,
speciaal voor jongeren die door uiteenlopende problemen nog geen
startkwalificatie hebben gehaald. Bij New LIFE volgen jongeren een
opleiding op mbo 2-niveau en krijgen ze veel persoonlijke
begeleiding. Leerlingen hebben een eigen coach, er is begeleiding
van een maatschappelijk werker, een psycholoog en een verslavingsdeskundige. Ook kunnen leerlingen terecht met vragen over hun
persoonlijke financiën en is kinderopvang geregeld voor tiener-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
11
moeders. Docenten bellen persoonlijk met leerlingen die zich ziek
melden of om andere redenen niet op school komen. Zo kunnen
leerlingen hun leven weer op de rails krijgen en zich richten op het
halen van een diploma. Bij New LIFE heeft elke student een eigen
rooster en kunnen studenten op hun eigen tempo en niveau aan hun
toekomst werken.
Leerlingen beginnen in een «startklas». In deze klas werken ze onder
begeleiding van hun coach gedurende ongeveer drie maanden aan
hun persoonlijke ontwikkeling. Na de startklasfase bevorderen
leerlingen naar een «promotieklas». In de promotieklas gaan
leerlingen echt aan de slag met hun opleiding. Leerlingen gaan drie
dagen per week naar school en lopen twee dagen stage in de groene
detailhandel. Meestal duurt de promotieklas 20 weken. Na de
promotieklas halen leerlingen hun mbo-2 diploma.
Voor welke kwetsbare jongeren heeft dit maatregelenpakket effect?
U Deelnemers voor wie doorstroom naar mbo 2 bemoeilijkt wordt,
doordat zij moeite hebben met het vereiste niveau voor taal en
rekenvaardigheden.
U Deelnemers in de entreeopleiding die niet in staat zijn om een diploma
te halen, maar wel delen van kwalificaties.
U Deelnemers op mbo 2-niveau die moeite hebben met het halen van
een diploma en een verhoogd risico hebben om uit te vallen.
U Jongeren met een vmbo-diploma (ook uit het vso) die toegang hebben
tot een opleiding op mbo 2-niveau, maar niet weten welke opleiding
het beste bij hen past.
Welke maatregelen tref ik?
•
•
•
•
•
•
Ik stel de capaciteiten en leerbehoeften van leerlingen centraal door in
entreeopleidingen en op mbo-2 niveau een onderscheid te maken
tussen een diploma voor uitstroom naar de arbeidsmarkt en een
diploma voor wie verder kan leren.
Ik creëer ruimte voor scholen om binnen entreeopleidingen extra
keuzedelen aan te bieden die door gemeenten gefinancierd kunnen
worden, en om leerlingen die dreigen uit te vallen toch zo goed
mogelijk naar de arbeidsmarkt te begeleiden, ook als dat niet leidt tot
een diploma.
Ik verken met mbo-instellingen de wenselijkheid om, uit de regeling
voor schoolmaatschappelijk werk, middelen ook in te zetten voor het
vormgeven van een speciale schakelklas op mbo 2-niveau, waarin
leerlingen extra (loopbaan)begeleiding krijgen.
Ik maak de inspanningen van instellingen voor kwetsbare jongeren
zichtbaar. De inspectie gaat erop toezien dat instellingen het maatschappelijk resultaat zichtbaar maken van jongeren die succesvol naar
de arbeidsmarkt worden begeleid.
Samen met het SBB en de MBO Raad onderzoek ik de behoefte aan
een apart competentieprofiel voor praktijkopleiders van kwetsbare
groepen.
Samen met mijn collega’s spreek ik werkgevers aan op hun verantwoordelijkheid en op de afspraken uit het Sociaal Akkoord, om extra
arbeidsplaatsen beschikbaar te stellen aan mensen met een arbeidsbeperking.
Jongeren in een kwetsbare positie die de overstap maken naar het mbo
hebben een verhoogd risico om uit te vallen en hebben vaak meer
begeleiding nodig om een opleiding af te ronden. In mbo-1 opleidingen
voltooide in 2012 bijvoorbeeld 34% van de leerlingen in de beroepsoplei-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
12
dende leerweg niet een onderwijstraject, en 45% binnen de beroepsbegeleide leerweg. Leerlingen zelf noemen hiervoor schoolgerelateerde
oorzaken het vaakst als reden. Ze geven bijvoorbeeld aan dat «de
opleiding inhoudelijk tegenviel» of «te moeilijk» was.27 Ook op mbo
2-niveau is de uitval, ondanks de scherpe daling van het aantal voortijdig
schoolverlaters, nog te hoog.28 Samen met de mbo-instellingen blijf ik me
ervoor inzetten zoveel mogelijk jongeren zo goed mogelijk voor te
bereiden op de arbeidsmarkt.
Extra mogelijkheden om een diploma te halen
Voor kwetsbare jongeren zijn structuur en flexibiliteit belangrijk om hun
kansen te vergroten op het afronden van een opleiding en het vinden van
een passende baan. Ik wil scholen steunen om jongeren uit te dagen het
maximale uit hun mogelijkheden te halen. Met de maatregelen uit het
actieplan «Focus op Vakmanschap» en «Ruim baan voor vakmanschap» is
de weg ingezet naar een uitdagender en kwalitatief beter mbo. De eisen
voor leerlingen gaan omhoog, wat hard nodig is om jongeren goed voor
te bereiden op de arbeidsmarkt van de toekomst.
Ik wil echter van leerlingen niet méér vragen dan wat mogelijk is. Voor
kwetsbare jongeren werken hogere eisen soms eerder ontmoedigend dan
motiverend. Zij hebben moeite om bij het hogere niveau aan te haken en
daarom een verhoogd risico om af te haken. Het zou voor de arbeidsmarkt
een gemiste kans zijn, en voor jongeren teleurstellend, als zij, ondanks het
feit dat ze goede vakmensen zijn of kunnen worden, hun diploma niet
kunnen halen vanwege eisen in verband met doorstroom naar een hoger
onderwijsniveau, bijvoorbeeld omdat ze moeite hebben met het vereiste
niveau voor taal- en rekenvaardigheden.
Ik ben daarom van plan om voor kwetsbare jongeren een onderscheid te
maken tussen diploma’s voor leerlingen die uitstromen naar de arbeidsmarkt – een vakdiploma – en voor leerlingen die doorstromen naar een
hoger niveau binnen het onderwijs – een doorstroomdiploma. Het
vakdiploma is bedoeld voor goede vakmensen, die alle beroepsgerichte
onderdelen van hun opleiding succesvol hebben afgerond, maar (nog)
niet in staat zijn om te voldoen aan alle generieke eisen om door te
stromen naar een hoger onderwijsniveau.
Deze leerlingen kunnen uiteraard op een later moment alsnog de
generieke eisen behalen en doorstromen naar een hoger onderwijsniveau.
In de brief over een leven lang leren die u onlangs van mij heeft
ontvangen, zijn maatregelen aangekondigd om dit te stimuleren,
waaronder de mogelijkheid om als volwassene door de overheid erkende
certificaten te behalen voor onderdelen van bestaande kwalificaties in de
landelijke kwalificatiestructuur.29 In de brief over taal en rekenen die u nog
in december 2014 ontvangt, wordt nader ingegaan op het onderscheid
tussen een vakdiploma en een doorstroomdiploma.
Ik wil benadrukken dat het onderwijsaanbod van mbo-instellingen erop
gericht moet blijven om zoveel mogelijk leerlingen alle onderdelen van de
opleiding te laten halen, zodat zij met een doorstroomdiploma verder
kunnen leren. Er komen dan ook geen opleidingen die uitsluitend tot een
vakdiploma opleiden. Het uitgangspunt is en blijft dat leerlingen zowel de
27
28
29
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2013). Nieuwe voortijdig schoolverlaters.
Convenantjaar 2011–2012.
Ibid. Zie ook Onderwijsraad (2013). Meer kansen voor kwetsbare jongeren.
Deze certificaten vallen buiten de rijksbekostiging. Zie ook Kamerbrief leven lang leren
(31/10/2014).Kamerstuk 30 012, nr. 41)
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
13
beroepsspecifieke als generieke onderdelen van de opleiding halen. Met
de introductie van het vakdiploma wil ik echter leerlingen van wie tijdens
een opleiding blijkt dat zij goede vakmensen zijn of kunnen worden, maar
die (nog) niet kunnen voldoen aan alle generieke eisen, de erkenning
geven die ze verdienen. Dit zal hen beter motiveren om het maximale uit
zichzelf te halen. Ik zal monitoren in hoeverre de introductie van het
vakdiploma zich beperkt tot de groep leerlingen die écht niet in staat is om
deze generieke onderdelen te behalen. Hierbij zal ik transparant maken in
hoeverre mbo-instellingen erin slagen om leerlingen op een hoger niveau
te brengen ten opzichte van hun instroomniveau. Ik zal aan de Inspectie
vragen om de komende jaren erop toe te zien hoe mbo-instellingen
omgaan met de vakdiploma’s. Op termijn zal dit ook meegenomen
worden bij het belonen van studiesucces in het kader van de kwaliteitsafspraken.
Extra tijd en maatwerk voor jongeren in entreeopleidingen
Ongeveer 8% van de jongeren in een entreeopleiding slaagt er niet in om
deze binnen twee jaar te voltooien. Soms is dit omdat een leerling
simpelweg niet te motiveren is. In dat geval schrijft een mbo-instelling de
jongere uit en wordt de jongere als voortijdig schoolverlater bij de
gemeente gemeld. Voor leerlingen die wél gemotiveerd zijn, maar bij wie
het even tegenzit of voor wie leren geen vanzelfsprekendheid is, kan extra
tijd soms uitkomst bieden. Mbo-instellingen, gemeenten en werkgevers
kunnen voor deze specifieke groep afspraken maken om verlengde
inschrijving in een entreeopleiding als contractonderwijs te bekostigen,
dus zonder Rijksbekostiging. Dit is geen verplichting, maar wel een
mogelijkheid die ik extra onder de aandacht zal brengen van gemeenten
en werkgevers, bijvoorbeeld via de gesprekken die gevoerd worden voor
de werkagenda en de oprichting van regionale werkbedrijven (zie
contextkader 1).
Ook wijs ik erop dat door de gemeente bekostigde proefplaatsingen in de
entreeopleiding mogelijk zijn, zoals nu in de Achterhoek gebeurt. Verder
kunnen gemeenten en andere betrokken partijen een leerling die al een
entreeopleiding heeft afgerond in het kader van contractonderwijs
inschrijven voor een andere entreeopleiding die beter bij de leerling past.
Zo kunnen gemeenten voorkomen dat een jongere in een (duurdere)
uitkering belandt. Ook hiervoor geldt dat ik gemeenten en andere
betrokkenen graag de ruimte bied om samen met de jongere zelf de best
passende oplossing te organiseren en jongeren ook aan te spreken op
hun eigen verantwoordelijkheid.
In sommige gevallen moet onderkend worden dat jongeren in entreeopleidingen, ook met extra ruimte voor maatwerk en extra tijd, (tijdelijk)
onvoldoende perspectief hebben om aan alle opleidingseisen te voldoen.
Uiterlijk vier maanden na de start van hun entreeopleiding krijgen alle
leerlingen een bindend studieadvies. Bij onvoldoende studieresultaten
kan de mbo-instelling een leerling adviseren om een andere opleiding of
leerweg te kiezen, of om het onderwijs te verlaten. Ik onderschrijf de
stelling van de G32 dat we moeten voorkomen dat jongeren zonder
perspectief met een negatief studieadvies van entreeopleidingen worden
weggestuurd en ongekwalificeerd in de samenleving terecht komen.30
Ik wil mbo-instellingen daarom nadrukkelijk wijzen op mogelijkheden om
kwetsbare leerlingen die dreigen uit te vallen, maar nog voldoende
gemotiveerd zijn, met een alternatief onderwijsprogramma richting de
30
G32 (2014) Position paper G32. Een stedelijke visie op een toekomstbestendig mbo. Ook voor
jongeren in een kwetsbare positie.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
14
arbeidsmarkt te begeleiden, óók wanneer dit niet leidt tot een
(doorstroom)diploma.31 Dit is geen verplichting, maar een aanmoediging
om te denken en handelen vanuit het belang van kwetsbare jongeren.
Voor gemotiveerde leerlingen die moeite hebben met leren, structuur
missen of specifieke problemen hebben, kan een bijtijdse bijsturing van
het onderwijsprogramma, dat is gericht op hun specifieke mogelijkheden
en behoeften, namelijk kansen bieden om uitval en thuiszitten te
voorkomen. Deze kansen wil ik niet laten liggen.
Voor leerlingen die alle beroepsgerichte onderdelen succesvol hebben
afgerond, maar niet hebben voldaan aan de generieke eisen om door te
stromen naar mbo 2, creëer ik een diploma (het entree-basisdiploma)
waarmee deze groep kan instromen op de arbeidsmarkt.
Jongeren die zonder diploma dreigen uit te vallen, maar wel gemotiveerd
zijn, kunnen met hun begeleiders werken aan een leerwerkportfolio,
waarin zij op maat gemaakte leerdoelen en leeropbrengsten bijhouden en
met bewijsstukken vastleggen. Dit kan met schoolverklaringen of
certificaten voor het behalen van delen van kwalificaties, met cijferlijsten,
of met certificaten voor het behalen van keuzedelen binnen de
kwalificatiestructuur. Het uitgangspunt is optimale voorbereiding op een
baan door proactieve ondersteuning en door uit te gaan van wat een
leerling wél kan.
Extra ondersteuning voor jongeren in mbo-2 opleidingen
Er zijn jongeren die de overstap maken van het v(s)o of de entreeopleiding
naar een mbo 2-opleiding, en extra tijd nodig hebben om zich te oriënteren op hun arbeidstoekomst of dreigen uit te vallen. Voor deze
leerlingen benadruk ik het belang dat mbo-instellingen een schakelklas
vormgeven of dat zij andere vormen van intensievere begeleiding bieden.
Leerlingen zoals Jasper (zie contextkader 1, pagina 5) vertelden mij
hoeveel baat ze hebben gehad bij zo’n schakelklas, juist omdat zij door
een opeenstapeling van problemen of een onduidelijk toekomstperspectief niet direct konden instromen in een reguliere opleiding.
Ook de Onderwijsraad adviseert in zijn rapport «Meer kansen voor
kwetsbare jongeren» om voor deze jongeren op iedere mbo-instelling een
domeinbrede schakelklas te starten. Jongeren die dreigen uit te vallen op
niveau 2 of willen wisselen van opleiding, kunnen kiezen voor deze
schakelklas. Daar kunnen ze zich oriënteren op de diverse richtingen en
beroepen. De schakelklas fungeert zo als vangnet op niveau 2, maar kan
ook preventief worden ingezet voor kwetsbare jongeren uit de basisberoepsgerichte leerweg of leerwerktrajecten van het vmbo en het profiel
vervolgonderwijs in het vso. In de schakelklas zou veel aandacht moeten
zijn voor beroepsoriëntatie, basisvaardigheden en studievaardigheden.
Leerlingen weten zo beter waar ze aan beginnen en hebben meer bagage
om een reguliere opleiding af te ronden.
Om de totstandkoming van deze klassen financieel te ondersteunen, kijk ik
met de MBO Raad of het zinvol is om de regeling voor schoolmaatschappelijk werk (structureel € 15 miljoen per jaar) ook te richten op kwetsbare
jongeren in mbo 2. In combinatie met het geld voor begeleiding en
ondersteuning van kwetsbare jongeren op mbo 2-niveau en de plusvoorzieningen voor overbelaste jongeren (structureel € 30 miljoen per jaar)
zouden mbo-instellingen voldoende armslag moeten hebben om een
stapje extra te doen voor leerlingen die meer moeite hebben een diploma
te behalen. Ik zie dat dit op verschillende mbo-instellingen ook al gebeurt.
31
De rijksbekostiging voor dergelijke onderwijsprogramma’s betreft de bekostiging voor
beroepsbegeleide leerwegen in de entreeopleiding.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
15
Ik zie daarom geen aanleiding om de bekostiging van mbo-instellingen
(opnieuw) te herzien, zoals het rapport «Kind van de Rekening» voorstelt.
Wel zal ik, zoals de Onderwijsraad bepleit, de effecten van de invoering
van de nieuwe bekostiging in het mbo, die de doorstroom van leerlingen
van het mbo naar de arbeidsmarkt moet bevorderen, nauwlettend
volgen.32 Bij de midtermreview van de kwaliteitsafspraken zal ik daarnaast
kijken hoe de inspanningen van instellingen voor kwetsbare jongeren
optimaal zichtbaar gemaakt kunnen worden en kunnen worden beloond.
Ik houd vast aan het uitgangspunt dat alle jongeren met een
vmbo-diploma moeten instromen op mbo-2 niveau. Ik zien geen
aanleiding om leerlingen met een voltooide vmbo-opleiding (bb,
waaronder lwt) toegang tot de entreeopleiding te bieden, zoals de
Onderwijsraad voorstelt. Schakelklassen op mbo-2 niveau, en de
mogelijkheid om een vakdiploma te halen, bieden juist voor deze groepen
kansen. Ook zal ik doorgaan met het monitoren van de onderwijsloopbaan
van deze leerlingen. Als blijkt dat zij uitsluitend door toegang tot de
entreeopleiding in staat zijn om een beroepsopleiding te voltooien, zal ik
deze mogelijkheid verder verkennen.
Goede stages en leerwerkplekken
Om de arbeidsmarkttoeleiding voor kwetsbare jongeren zo effectief en
toegankelijk mogelijk in te richten, blijf ik me tot slot ervoor inspannen dat
er voldoende leer- en werkplaatsen beschikbaar zijn voor kwetsbare
jongeren. In verschillende regio’s bieden «wijkleerbedrijven» al nieuwe
kansen aan kwetsbare jongeren om in hun eigen buurt werkervaring op te
doen (zie «goede voorbeelden»). Ook hebben werkgevers met het Sociaal
Akkoord afgesproken om ruim 100.000 arbeidsplaatsen beschikbaar te
stellen aan mensen met een arbeidsbeperking.
Met de eenduidige erkenningsprocedure van de Stichting Samenwerking
Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) worden ook belangrijke stappen
gezet om ervoor te zorgen dat het aanvragen van erkenning geen obstakel
vormt voor een potentieel leerwerkbedrijf om een kwetsbare jongere uit
het mbo aan te nemen. Uiteraard moet aan alle kwaliteitsvoorwaarden
worden voldaan. Het gaat hierbij om werkzaamheden die passen bij de
opleiding, een (sociaal) veilige leerplaats en goede begeleiding, zowel
vanuit de werkgever als vanuit de school. De Onderwijsinspectie houdt
toezicht op de begeleiding vanuit de school.
Hiernaast wil ik samen met onderwijsinstellingen en werkgevers
onderzoeken in hoeverre er behoefte is om een apart competentieprofiel
te ontwikkelen voor de praktijkopleiders van kwetsbare jongeren. Hierin
zouden de begeleidingsvaardigheden voor de betreffende doelgroepen
extra aandacht moeten krijgen.
Maatregelpakket 3: Een sluitend vangnet in de regio
Goede Voorbeelden
Intensieve regionale samenwerking in de Achterhoek
Sinds 2012 is het Graafschap College deelnemer aan de voorloperaanpak Passend Onderwijs-Transitie Jeugdzorg. Het is een
intensieve samenwerking tussen de Achterhoekse gemeenten, het
32
Meer informatie over de modernisering van de bekostiging in het mbo, is te vinden op de
website van MBO15: http://www.mbo15.nl/node/328
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
16
UWV werkbedrijf en het Graafschap College. De gemeente
Doetinchem en het Graafschap College zijn de voortrekkers.
Aanleiding voor dit project is het feit dat jongeren en jongvolwassenen thuis zitten, zonder inschrijving bij een onderwijsinstelling en
zonder werk. Doel van het project is een gezamenlijke intake, waarin
de gemeentelijke kennis van arbeidstoeleiding en inkomensvoorzieningen, en de deskundigheid van het mbo inzake onderwijs,
gebundeld worden.
Tijdens de intake bepalen RMC/UWV en het Graafschap College
welke van 3 opties het meest geschikt lijkt voor een jongere: 1)
doorstromen naar werk, 2) een opleiding volgen of 3) een opleiding
volgen, maar met de inschatting dat het risico reëel is van voortijdig
schoolverlaten (VSV) of het niet-halen van een diploma.
Voor de laatste groep heeft men in het project de mogelijkheid van
een proefplaatsing van drie of vier maanden in het mbo gecreëerd,
die in principe moet leiden tot instroom in een opleiding. De student
staat tijdens de proefplaatsing niet ingeschreven in het mbo en de
proefplaatsing wordt bekostigd door de gemeente. Gedurende de
proefplaatsing krijgt de student een maatwerkprogramma aangeboden met daarin oriënterende activiteiten gericht op de beroepsopleidingen en programmaonderdelen waarin de student zijn of haar
mogelijkheden om zich te ontwikkelen kan laten zien (schoolbaarheid
aantonen).
[email protected]: Medische Advisering Ziek Gemelde Leerlingen in Brabant
[email protected] is een aanpak van bereiken, adviseren en begeleiden van ziek
gemelde leerlingen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs in West-Brabant. Hierbij werken onderwijsinstellingen, de
afdeling jeugdgezondheidszorg van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst en de afdeling leerplichtzaken intensief samen. De school
signaleert, de jeugdarts adviseert, de leerplichtambtenaar handhaaft.
De partijen sluiten een convenant, waarin de onderlinge afspraken
en verplichtingen staan beschreven. De school neemt het ziekteverzuimbeleid volgens [email protected] op in het schoolreglement. In dit
reglement wordt het bezoek aan de jeugdarts door de school
verplicht gesteld.
[email protected] helpt de doelgroep echt. Het ziekteverzuim is sinds de start
van de aanpak, bijna acht jaar geleden, met circa 50% gedaald.
Schoolmedewerkers, jeugdartsen en leerplichtambtenaren werken in
[email protected] intensief samen. Net als een bedrijfsarts biedt de jeugdarts
maatwerk voor een snelle terugkeer naar school. Zo krijgen moeilijk
bereikbare en kwetsbare jongeren eerder en beter hulp. Ze zijn korter
ziek en hebben een lager risico om uit te vallen.
Fier Fryslân: begeleiding en bevrijding van meisjes uit afhankelijkheidsrelaties
Fier Fryslân is een expertise- en behandelcentrum op het gebied van
geweld in afhankelijkheidsrelaties. Fier Fryslân vangt vooral meisjes
en jonge vrouwen op die willen ontsnappen aan mensenhandel,
pooiers, loverboys, eerwraak en ander vormen van geweld. Vanuit
heel Nederland komen meisjes en vrouwen voor opvang en
behandeling naar de locaties in Leeuwarden en Rotterdam. Daarbij
doet Fier er alles aan om deze jongeren naast hun behandeltraject
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
17
ook deel te laten nemen aan beroepsonderwijs, waarvoor wordt
samengewerkt met roc’s.
De Kapstok: leerwerktrajecten in het vso
De Kapstok Leerwerktrajecten maakt deel uit van scholengemeenschap Attendiz. Attendiz verzorgt met circa 25 scholen, (voortgezet)
speciaal onderwijs en ambulante begeleiding aan kinderen met een
extra zorgvraag in Twente en de Achterhoek.
De Kapstok heeft voor moeilijk bemiddelbare jongeren een
onderwijsprogramma ontwikkeld dat uitgevoerd wordt in speciaal
opgezette leerwerkplaatsen in de buurt. De Kapstok biedt de
jongeren door middel van een Arbeidsmarkt Gerichte Leerweg de
mogelijkheid om zich technische en sociale vaardigheden eigen te
maken en werkervaring op te doen. Tijdens het traject wordt ook
gewerkt aan een oplossing van de persoonlijke problematiek,
waaronder het vergroten van het zelfvertrouwen en het vertrouwen
in anderen. Hierdoor worden zij voorbereid op beter deel te nemen
aan het reguliere arbeidsproces of worden ze gemotiveerd om
(vervolg)onderwijs te volgen.
Voor welke kwetsbare jongeren heeft dit maatregelenpakket effect?
•
•
•
Jongeren die de overstap maken van het vmbo (basisberoepsgerichte
leerweg waaronder de leerwerktrajecten), praktijkonderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs (profiel: vervolgonderwijs en arbeidsmarktgericht) naar het middelbaar beroepsonderwijs.
Jongeren die de overstap maken van het vmbo (basisberoepsgerichte
leerweg waaronder de leerwerktrajecten), praktijkonderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs (profiel: vervolgonderwijs en arbeidsmarktgericht) naar de arbeidsmarkt.
Jongeren die uitvallen uit het mbo en uitstromen naar de arbeidsmarkt
of terug naar het onderwijs.
Welke maatregelen tref ik?
•
•
•
•
Ik introduceer in het mbo, vergelijkbaar met het hoger onderwijs, een
recht op toelating tot een mbo-instelling voor elke jongere met de
juiste vooropleiding, als die zich op tijd aanmeldt.
Ik verduidelijk de wettelijke taken van de rmc-regio’s op het gebied van
ondersteuning van jongeren uit het praktijkonderwijs en voortgezet
speciaal onderwijs.
Ik verduidelijk de wettelijke taken van rmc-regio’s om afstemming te
zoeken met regionale arbeidsmarktpartijen en stimuleer de aansluiting
van rmc-regio’s op andere regionale overlegstructuren in het onderwijs, de jeugdzorg en het arbeidsmarktdomein.
Ik ondersteun de rmc-regio’s met gegevens over de doelgroep en met
financiële middelen om kwetsbare jongeren te begeleiden.
Recht op toelating tot het mbo
Een voorwaarde voor goede steun voor kwetsbare jongeren is dat de
verantwoordelijkheden van scholen, mbo-instellingen, gemeenten,
werkgevers en andere partijen helder zijn. Juist voor de ondersteuning
van kwetsbare jongeren kan geen enkele betrokkene het alleen. Effectieve
regionale samenwerking is daarvoor noodzakelijk. Zo krijgt elke jongere
het onderwijs, de ondersteuning en het arbeidsperspectief waar hij of zij
recht op heeft.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
18
Er bestaat geen misverstand over dat schoolbare en leerbare jongeren
altijd op een mbo-instelling terecht moeten kunnen. In het primair en
voortgezet onderwijs bestaat openbaar onderwijs, waarvoor alle
leerlingen kunnen worden ingeschreven. Ook hebben scholen een
zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. In het
hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs geldt in principe een
toelatingsrecht voor iedereen met de juiste vooropleiding die zich tijdig
aanmeldt. Alleen voor specifieke opleidingen kan de toelating beperkt
worden.
In de wetgeving voor het mbo is vooralsnog alleen in algemene zin de
toegankelijkheid van het onderwijs verankerd en is geen toelatingsrecht
opgenomen. Dat kan in praktijk tot verwarring, onduidelijkheid of
onzekerheid leiden bij jongeren die voor een mbo-opleiding geweigerd
worden. Ik ga daarom in het mbo het recht op toelating voor leerlingen
met de juiste vooropleiding in de wet regelen. Dit betekent dat een
mbo-instelling in principe voor elke leerling die voldoet aan de vooropleidingseisen en zich op tijd aanmeldt een passend onderwijsaanbod moet
leveren. Het toelatingsrecht zal ik zoveel mogelijk in lijn brengen met het
toelatingsrecht in het hoger onderwijs. Ik zal hiervoor een wetsvoorstel
indienen.
Voor jongeren moet altijd duidelijk zijn waar ze aan toe zijn en welk
perspectief een onderwijsinstelling hun biedt. Het toelatingsrecht betekent
niet dat een mbo-instelling in alle omstandigheden voor alle deelnemers
onderwijs moet verzorgen, maar moet ervoor zorgen dat alle schoolbare
en leerbare leerlingen worden toegelaten. Een instelling kan besluiten om
een leerling niet in te schrijven of om de inschrijving te beëindigen als een
leerling de grondslag en doelstellingen van de instelling niet respecteert.
Ook kan het voorkomen dat een instelling vanwege teveel inschrijvingen
of vanwege de vraag van de arbeidsmarkt naar een specifieke opleiding,
een deelnemer niet kan plaatsen in de opleiding van zijn of haar eerste
voorkeur. In dat geval doet de mbo-instelling een voorstel voor een
passend alternatief.
Als voor specifieke opleidingen een dergelijke beperking van de toelating
geldt, is het belangrijk dat mbo-instellingen vooraf hun toelatingsbeleid
duidelijk kenbaar maken zodat hierover geen misverstand kan bestaan en
zowel leerlingen als ouders reële verwachtingen hebben over een
vervolgopleiding in het mbo. Jongeren die niet toelaatbaar zijn, moeten
door de mbo-instelling worden gemeld bij de contactgemeenten van de
rmc-regio. De inspectie zal erop toezien dat instellingen hun toelatingsbeleid op de juiste wijze hebben vormgegeven.
Een sluitend vangnet voor kwetsbare jongeren door regionale samenwerking
De zorg voor jongeren tot 23 jaar die geen onderwijs volgen en geen
startkwalificatie hebben, is belegd bij de regionale meld- en coördinatiepunten (rmc’s). Deze regionale samenwerking van gemeenten, onderwijsinstellingen en andere partijen bestrijdt voortijdig schoolverlaten en
ongeoorloofd verzuim in het voortgezet onderwijs en middelbaar
beroepsonderwijs. Binnen de rmc-regio is één gemeente aanspreekpunt
en eindverantwoordelijke: de contactgemeente. De samenwerkende
scholen en gemeenten spannen zich er voor in, samen met andere
betrokken partijen, om jongeren zonder startkwalificatie op school te
krijgen of te houden. Zij maken hierover concrete afspraken en leggen
deze vast.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
19
Ik wil de rmc-regio’s beter in staat stellen jongeren te volgen en te
begeleiden in een periode waarin ze niet naar school kunnen of willen.
Ook wil ik nadrukkelijker de verbinding met de arbeidsmarkt vastleggen.
Daarom verduidelijk ik de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van
scholen en gemeenten in de rmc-regio’s zoals deze zijn beschreven in de
rmc-wetsartikelen.
De rmc-regio’s hebben al de wettelijke taak om alle groepen kwetsbare
jongeren te bedienen, inclusief leerlingen uit het praktijkonderwijs en
voortgezet speciaal onderwijs. In de praktijk staat de zorg voor leerlingen
die uitvallen uit vmbo en mbo echter centraal. Gezien het belang van de
aanpak van vsv is hier ook actief op gestuurd. Nu verruim ik de focus om
ook kwetsbare jongeren uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal
onderwijs extra kansen te bieden, en voor hen een sluitend regionaal
vangnet te vormen. Dit zal ik expliciteren in de rmc-wetsartikelen.
In deze wetsartikelen zal ik ook benadrukken dat de rmc-regio’s
aansluiting zoeken bij regionale arbeidsmarktpartijen en de overlegstructuur van gemeenten en werkgevers binnen de regionale werkbedrijven van de arbeidsmarktregio’s. Dit overleg moet leiden tot concrete
afspraken en een regionaal uitvoeringsplan gericht op passende ondersteuning van alle groepen kwetsbare jongeren. Het helpt hierbij dat 25 van
de 39 contactgemeenten van de rmc-regio’s tegelijkertijd centrumgemeenten zijn van de arbeidsmarktregio. Dit biedt volop kansen om het
regionaal overleg voor kwetsbare jongeren goed vorm te geven en alle
betrokken partijen hierbij te betrekken.
Zoals ik bij maatregel 1 aangaf, zal ik ook regelen dat mbo-instellingen
standaard aansluiting krijgen bij het overleg tussen de samenwerkingsverbanden passend onderwijs en gemeenten.33
Met de verschillende, op elkaar ingrijpende en elkaar versterkende
vormen van regionale samenwerking en afstemming, ontstaan de
voorwaarden voor een sluitend vangnet voor alle kwetsbare jongeren.
Partijen kunnen effectief handelen als jongeren voortijdig zijn uitgevallen,
maar ook voorkomen dat jongeren bij de overstap naar een ander
onderwijstype of naar de arbeidsmarkt tussen wal en schip raken. Ik bied
regio’s de ruimte om de vormgeving van een sluitend regionaal vangnet,
binnen deze wettelijke kaders, zelf op te pakken en om de afspraken die
hiervoor nodig zijn helder vast te leggen.
Deze vrijheid is echter geen vrijbrief voor vrijblijvendheid. De norm is een
sluitend vangnet in elke regio en een passende plek voor elke jongere. Als
het verduidelijkte en verbrede wettelijk kader onvoldoende waarborgen
biedt, dan zal ik aanvullende maatregelen nemen en deze in de
rmc-wetsartikelen wettelijk vastleggen. Ik zal de vormgeving van regionale
samenwerking voor kwetsbare jongeren daarom nauwgezet monitoren,
bijvoorbeeld via de accountmanagers van het Ministerie van OCW, via
verantwoordingsinformatie over de besteding van middelen die contactgemeenten ontvangen voor het uitvoeren van hun wettelijke rmc-taken,
en via beleidsevaluaties.
33
In de nieuwe Jeugdwet staat dat gemeenten met het onderwijs oogo moeten voeren over de
jeugdplannen «voor zover deze gaan over de aansluiting met het onderwijs». Gemeenten en
onderwijs kunnen beslissen om een gezamenlijk proces af te spreken waarbij zowel de
jeugdplannen als de ondersteuningsplannen van het onderwijs in hetzelfde overleg worden
bespreken.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
20
In verschillende regio’s laten bevlogen wethouders, ondernemers,
professionals en soms de doelgroep zelf al zien dat samenwerken loont.
Eerder dit jaar onderstreepte de G32 in hun «position paper» ook het
belang dat steden hechten aan het zo goed mogelijk ontplooien van de
talenten van kwetsbare jongeren. Zo ondersteunen Individuele Traject
Begeleiders in de regio Twente kwetsbare jongeren intensief op het
gebied van onderwijs en werk, maar ook bij eventuele schuldsanering, het
zoeken van woonruimte, vrijetijdsbesteding of sport. Werkgevers die
werkplekken bieden, ontvangen onder voorwaarden een vergoeding voor
de begeleiding van een jongere voor de duur van een jaar. Ook moet het
bedrijf scholingsmogelijkheden bieden, die ervoor zorgen dat jongeren
een beroepskwalificatie kunnen halen.
In Arnhem bieden jongerencoaches die zelf tot de groep kwetsbare
jongeren behoorden bijvoorbeeld begeleiding aan jongeren die dreigen
vast te lopen. En de gemeente Den Bosch organiseert, met het jeugdwelzijnswerk en een roc, Trajecten op Maat (T.O.M.) voor de begeleiding van
jongeren naar school of werk. Ook het succesvolle project «Boris helpt je
aan een baan» heeft aangetoond hoe jongeren uit het pro en vso door
effectieve regionale samenwerking naar een baan toegeleid kunnen
worden en uitzicht krijgen op het behalen van branchecertificaten (zie
contextkader 3).
In de afbeelding hieronder is schematisch weergegeven welke mogelijkheden er voor kwetsbare jongeren zijn om een opleiding of baan te vinden
die bij hun behoeften en mogelijkheden aansluit.34 Ook is aangegeven
welke partijen hierbij zoal een rol spelen en hoe deze partijen samen een
regionaal vangnet vormgeven. Het schema beoogt niet om alle
(mogelijke) routes en trajecten aan te geven die kwetsbare jongeren
kunnen volgen, juist omdat voor deze groep veel verschillende combinaties van onderwijs en werk kunnen voorkomen. Belangrijk is om voor
kwetsbare jongeren al deze mogelijkheden zo goed mogelijk in te zetten
en hierover goede regionale afspraken te maken, waarbij in elk geval
scholen, gemeenten, arbeidsmarktpartijen, mbo-instellingen en jeugdzorg
betrokken zijn.
34
Een vergrote weergave van deze afbeelding is in bijlage 3 te vinden, raadpleegbaar via
www.tweedekamer.nl.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
21
Ondersteuning van regionale afspraken
Om de juiste maatregelen en afspraken te kunnen opstellen voor de
begeleiding van kwetsbare jongeren, moet voor een regio duidelijk zijn
om welke groep en subgroepen kwetsbare jongeren het gaat, hoe groot
de omvang hiervan is en welke inspanningen instellingen voor deze
doelgroep plegen. Daar help ik de regio’s bij. Door periodieke monitoring
wordt de ontwikkeling van deze groepen in de tijd zichtbaar gemaakt. Met
de aanpak van voortijdig schoolverlaten zijn hier ook al goede ervaringen
mee opgedaan.
De accountmanagers van OCW zullen zich ook expliciet voor de groep
kwetsbare jongeren inzetten. Dat doen ze niet alleen door het overleg
binnen de rmc-regio’s te bevorderen, maar ook door de verbinding te
leggen naar andere betrokken partijen uit de regio, zoals (jeugd)zorgverleners en werkgevers. De accountmanagers ondersteunen dat regionale
partijen samen ambitieuze afspraken maken voor kwetsbare jongeren en
spreken partijen aan op het naleven ervan. Hierbij maken ze gebruik van
de regionale cijfers over kwetsbare jongeren. De rol van de accountmanagers van het Ministerie van OCW wordt bij de uitvoering van de
maatregelen in deze brief nader uitgewerkt.
In aanvulling op de huidige monitoring van voortijdig schoolverlaten, wil
ik ook voortijdig schoolverlaters na uitval langer in beeld houden en hen
gerichter begeleiding bieden door gegevens over onderwijs van DUO en
over werk en uitkering van onder meer UWV en SUWI slim te combineren.
Ik stimuleer de rmc-regio’s om jongeren, nadat ze zijn uitgevallen, langer
te volgen. Met het project «vsv één jaar later» zijn hier al ervaringen mee
opgedaan. Regio’s krijgen zo goed zicht op de positie van voortijdig
schoolverlaters nadat ze zijn uitgevallen. Dat biedt kansen om deze
jongeren heel gericht te begeleiden terug naar een opleiding, naar werk of
een ander passend traject.
Om het maken van regionale afspraken verder te verbeteren, werk ik
samen met de MBO Raad, VO-raad, PO-raad (voor het vso), de inspectie
en DUO aan het wegnemen van eventuele resterende onduidelijkheden in
wet- en regelgeving. Ik merk nu namelijk dat instellingen soms het idee
hebben dat dingen niet mogen of niet kunnen, maar dat dit feitelijk wel
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
22
mogelijk is. Daarom werk ik aan een «Verhelderingsnotitie» om helderheid
te bieden over wat mag, kan en verwacht wordt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld ook om het bieden van helderheid over de manier waarop de
onderwijsinspectie bij mbo-instellingen het rendement en de kwaliteit van
het onderwijs beoordeelt in de entreeopleiding en mbo 2-opleidingen.
Ik steun het vormgeven van een sluitend vangnet voor kwetsbare
jongeren ook financieel met de volgende acties:
• Ik verhoog de specifieke uitkering voor de rmc-functie van thans € 32
miljoen per jaar. De specifieke uitkering is bedoeld om de wettelijke
taken gericht op het voorkomen en aanpakken van voortijdig schoolverlaten voor jongeren tot 23 jaar effectief uit te voeren. Gemeenten
verantwoorden de bestedingen jaarlijks via het Single Audit Single
Information systeem (SiSa). De extra middelen voor deze specifieke
uitkering worden gevonden binnen de OCW-begroting door een
herverdeling van de structurele regiomiddelen voor de aanpak van
voortijdig schoolverlaten ten gunste van de rmc-contactgemeenten. Dit
sluit aan bij de ontwikkeling dat gemeenten in het kader van «Aanval
op Schooluitval» in toenemende mate preventieve taken vervullen bij
de aanpak van voortijdig schoolverlaten, waardoor inzet van extra
middelen voor de rmc-functie passend is. Besluitvorming over de
financiële inzet die hiervoor nodig is, vindt plaats in de eerste helft van
2015 in het kader van afspraken over de borging van het vsv-beleid
vanaf schooljaar 2016/2017.
• In schooljaar 2015/2016 kijk ik naar de mogelijkheden om de regionale
vsv-gelden specifiek in te zetten voor het bieden van extra kansen aan
kwetsbare jongeren.
• Ik zal de mogelijkheid actiever onder de aandacht brengen om
middelen in het regionaal investeringsfonds voor het mbo in te zetten
voor de begeleiding van kwetsbare jongeren van de entreeopleiding
naar de arbeidsmarkt. Gemeenten, bedrijven en scholen kunnen
daardoor betere afspraken maken over kwetsbare jongeren.
• In de periode 2014 – 2020 zijn aanvragen mogelijk voor subsidie uit het
Europese Sociaal Fonds (ESF) ten behoeve van activering van
jongeren uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.
Inmiddels hebben alle 35 arbeidsmarktregio’s een ESF-aanvraag
ingediend.
• Ik ben van plan een pilotproject te starten, waarmee ik een aantal
regio’s de mogelijkheid bied om de regionale zorgmiddelen van
gemeenten en onderwijsinstellingen te bundelen en uit te keren aan de
contact- of centrumgemeente in een rmc-regio of arbeidsmarktregio.
Dat idee is gesuggereerd door de opstellers van het rapport «Kind van
de Rekening». Het samenwerkingsverband besluit in dit geval over de
allocatie van de zorgmiddelen, zoals nu ook door de samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs gebeurt. Ik vraag regio’s om met
voorstellen hiervoor te komen en om te laten weten welke factoren een
dergelijke samenwerking in de weg zouden kunnen staan.
Contextkader 2: Veranderende rollen en verantwoordelijkheden bij toeleiding naar werk
Participatiewet
Met de inwerkingtreding van de Participatiewet veranderen de rollen
en verantwoordelijkheden bij de begeleiding van kwetsbare jongeren
naar de arbeidsmarkt. Het onderwijs heeft nu nog vooral contact met
het UWV voor het begeleiden naar werk, onder meer via de
Wajong-netwerken. Vanaf 1 januari 2015 worden gemeenten
verantwoordelijk voor het activeren van kwetsbare jongeren die
voorheen in de Wajong zouden instromen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
23
De begeleiding en ondersteuning van kwetsbare jongeren naar een
positie op de arbeidsmarkt is een gezamenlijke opdracht voor lokale
en regionale partijen (het onderwijs, de gemeenten en de
werkgevers). Elke partij heeft zijn eigen verantwoordelijkheid.
Scholen hebben de verantwoordelijkheid om deze jongeren op te
leiden voor de arbeidsmarkt. Gemeenten hebben vanaf het moment
dat deze jongeren de school verlaten een rol bij het aan het werk
helpen van jongeren die ondersteuning nodig hebben. Werkgevers
bieden passend werk om deze jongeren een kans te geven op de
arbeidsmarkt. In het sociaal akkoord hebben werkgevers bovendien
afgesproken dat ze extra banen gaan creëren voor mensen met een
arbeidsbeperking: het gaat tot 2026 om 100.000 extra banen.
De overheid zorgt tot 2024 nog eens voor 25.000 banen extra. Deze
extra banen zijn bedoeld voor mensen die een Wajong-status
hebben, voor mensen die een indicatie hebben voor sociale
werkvoorziening en voor mensen uit de Participatiewet die niet in
staat zijn een inkomen op het niveau van het wettelijk minimumloon
te verdienen.
Momenteel werken gemeenten, UWV en sociale partners in de
arbeidsmarktregio’s aan de oprichting van 35 regionale Werkbedrijven. De werkbedrijven vormen de schakel tussen de mensen met
een arbeidsbeperking en de extra banen die werkgevers voor de
doelgroep hebben toegezegd.
De Staatssecretaris van SZW heeft onlangs tijdelijke middelen
beschikbaar gesteld aan de arbeidsmarktregio’s voor de inrichting
van de Werkbedrijven. Met deze middelen worden gemeenten
gefaciliteerd om samen met het UWV en sociale partners de
regionale uitvoering goed in te richten. Hierbij is ook betrokkenheid
van andere partijen, waaronder het onderwijs, van belang
Werkagenda: afspraken tussen Rijk, VNG en sectororganisaties
Door de decentralisaties van de Participatiewet, de Jeugdwet en de
ontwikkelingen in het onderwijs (passend onderwijs, kwaliteitsverhoging in het mbo) veranderen de rollen en verantwoordelijkheden
van de partijen in het veld. Samenwerking wordt hierdoor nog
belangrijker dan voorheen en biedt nieuwe kansen voor maatwerk.
Gelet op het belang van deze samenwerking voor de aansluiting van
onderwijs op de arbeidsmarkt, en daarmee het belang van
verbinding tussen de veranderingen in de verschillende domeinen,
zijn de sectorraden uit het onderwijs, de VNG en de betrokken
departementen (SZW, OCW en VWS) om tafel gegaan. Dit heeft
geleid tot afspraken voor een gezamenlijke werkagenda.
Doel van deze werkagenda is om partijen in de regio (scholen,
hulpverlening, gemeenten, werkgevers) zo te ondersteunen dat zij
hun eigen en gezamenlijke verantwoordelijkheid op regionaal niveau
goed kunnen invullen, en de aansluiting tussen onderwijs en
arbeidsmarkt voor jongeren in een kwetsbare positie verder
verbetert. Dit gebeurt onder meer door ondersteuningsvragen in de
regio op te halen en van antwoorden te voorzien en door kennis te
verzamelen en te verspreiden. In het kader van de werkagenda
hebben we ook een projectvoorstel van de VNG goedgekeurd
waarmee in verschillende pilotregio’s de samenwerking tussen
onderwijs, gemeenten en bedrijfsleven vraaggericht wordt versterkt.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
24
Dit voorstel kan rekenen op groot draagvlak van de betrokken
partijen.
Contextkader 3: Boris brengt je bij een baan
Het project «Boris brengt je bij ’n baan» wordt uitgevoerd door
Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) in
samenwerking met de PO-Raad en het Landelijk Werkverband
Praktijkonderwijs. Het heeft als doel om zoveel mogelijk jongeren uit
het pro en vso (arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel) aan het werk
te helpen. Voor deze jongeren wordt een effectieve route naar de
arbeidsmarkt gecreëerd door gebruik te maken van het systeem van
werkend leren in het mbo. Er worden voorzieningen ontwikkeld die
de methode van het werkend leren geschikt maken voor de
doelgroep. Het gaat om het ontwikkelen van maatwerktrajecten
gebaseerd op de kwalificatiestructuur van het mbo voor jongeren die
geen volledige kwalificatie kunnen behalen, en het certificeren van
het resultaat daarvan in afstemming met de branches.
De «Boris» route bestaat uit drie stappen:
1. Loopbaanoriëntatie, waarbij gebruikt wordt gemaakt van
bijvoorbeeld een kwalificatiescan en snuffelstages.
2. Een passende opleiding, resulterend in een portfolio dat aansluit
bij de kwalificatiestructuur en daardoor herkenbaar is voor
werkgevers.
3. Het vinden en houden van een werkplek, via erkende
leerwerkbedrijven.
4. Conclusie
De maatregelen in deze brief zijn niet bedoeld als definitief antwoord op
de uitdagingen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt voor kwetsbare
jongeren, maar beogen wel een sluitende aanpak voor kwetsbare
jongeren mogelijk te maken. Samen met onder meer onderwijsinstellingen en gemeenten span ik me ervoor in om de vele inspirerende
voorbeelden in deze brief tot nieuwe standaard te maken. Ik draag
daaraan bij door duidelijke kaders te stellen, verantwoordelijkheden
helder te beleggen, oog te houden voor de uitdagingen waar betrokkenen
aan werken en te blijven luisteren naar de jongeren zelf, hun ouders,
professionals en bestuurders.
Voor jongeren die onderwijs kunnen en willen volgen, bied ik met de
maatregelen in deze brief extra waarborgen zodat zij nog beter een
passende plek kunnen vinden. Ik neem de mogelijkheden en leerbehoeften van jongeren als vertrekpunt en zorg ervoor dat onderwijs en
werk hierop zo goed mogelijk aansluiten. Ik bied jongeren, scholen en
mbo-instellingen extra ruimte voor het vormgeven van maatwerktrajecten
en ondersteuning via gecombineerde leerroutes in vo en mbo, portfolio’s
in de entreeopleiding en schakelklassen op mbo-2 niveau. Zo krijgen
jongeren een opleiding die zo goed mogelijk aansluit bij wat ze kunnen en
wat ze nodig hebben om aan het werk te gaan.
Een voorwaarde hiervoor is het verder verbeteren van regionaal overleg
en samenwerking zodat een sluitend vangnet ontstaat en een goede
aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Ik verduidelijk
daarom de rmc-functie en zorg ervoor dat mbo-instellingen meedoen aan
het overleg dat vo-scholen en gemeenten voeren in het kader van
passend onderwijs en de Jeugdwet.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
25
Daar waar de maatregelen in deze brief aanpassing van wet- en regelgeving nodig maken, werk ik deze uit in voorstellen die u naar
verwachting in 2015 zullen bereiken. Bij de uitvoering van de maatregelen
in deze brief zal ik bovendien nauwgezet monitoren in hoeverre voor de
doelgroep van deze brief een sluitend regionaal vangnet tot stand komt en
welke eventuele vervolgstappen hiervoor nodig zijn. Deze brief vormt
daarmee het begin van een extra inzet voor kwetsbare jongeren en is
hiervan geenszins het slotakkoord.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker
Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 30 079, nr. 53
26