Archeologische vondsten in het veen

Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
Archeologische vondsten in het veen
Inhoudsopgave
Archeologische vondsten in het veen.................................................1
3 augustus 1775 Van verscheidene Plaatsen word gemeld ..........................3
1 oktober 1802 [195] (a) Het was ook in de nabijheid van Cuijk, ................3
10 april 1818 ZWOLLE, den 9 April...............................................3
17 oktober 1825 Een inwoner van Valognes (Manches), ............................4
4 februari 1837 Deurne 3 Februarij 1837. .......................................4
4 mei 1837 NEDERLANDEN. - In het laatst uitgekomen nommer ......................4
3 juni 1837 HAARLEM, 30 Februarij...............................................5
23 april 1839 Op de afdeeling der Germaansche en Noordsche oudheden nam, .......5
22 juni 1839 Oudheden...........................................................5
14 maart 1840 MUSEUM VAN OUDHEDEN TE LEIJDEN....................................6
12 mei 1840 [brief aan de burgemeester van Deurne]..............................6
29 juni 1840 Provinciaal Bestuur RANB 17 inv. nr. 12419.........................6
26 januari 1841 Bij de afdeeling der Germaansche en Noordsche oudheden, ........7
7 juli 1841 uit: Handelingen van het Provinciaal Genootschap van Kunsten....... .7
12 januari 1842 [...] Van den heer P. C. G. GUYOT, te Nijmegen, ...............12
25 februari 1842 M. P. O. P. Guyot à Nymègue d'une collection .................12
6 april 1842 — Uit Wijk bij Duurstede wordt ons ...............................13
20 januari 1843 Van de heer S. H. VAN DER NOORDAA ontvingen ...................13
14 april 1843 ASSEN, den 13 April..............................................13
1 januari 1844 Een merkwaardig stuk werd in 1844 in een moeras ................13
9 april 1847 Van den luitenant-kolonel jhr. VAN DER BRUGGHE VAN CROY, .........14
25 september 1848 Onze geleerde en werkzame oudheidkenner, ....................14
14 december 1849 - Onder de gemeente Haelen, nabij Roermond,...................15
1 januari 1850 [...] Uit zijn [=Limburgs] bodem................................16
11 april 1850 [...] Uit de opdelvingen en onderzoekingen.......................17
8 februari 1853 - Men meldt uit Sleen, 3 Febr. ...............................17
5 december 1856 Op MAANDAG 15 December 1856 en Vijf volgende dagen, ...........17
2 augustus 1862 - Bij het graven eener sloot (gröft) op Orland, ...............17
7 april 1863 Men meldt uit Westerbork dd. 2 April: ............................17
20 april 1863 Uit Stadskanaal wordt aan de Veend. Ct. .........................17
22 juni 1863 Dezer dagen werd door de gebr. Kok te Diever,.....................18
31 maart 1864 Voor de VADERLANDSCHE oudheden ..................................18
5 juli 1866 — Uit Groningen wordt van 27 Junij geschreven: ....................18
28 november 1874 OUDHEDEN......................................................18
30 januari 1875 - In de gemeente Obbicht zijn dezer dagen, ....................19
21 juni 1883 Bij het turfgraven in het veen van Vinelumovergaard...............19
21 februari 1887 Op tien minuten afstand ......................................19
29 december 1888 - Men meldt uit Vaals:........................................19
1 januari 1890 OUDHEIDKUNDIGE VERZAMELINGEN TE ROERMOND, VENLO EN MAASTRICHT . .19
In 1848 ondernam wijlen de Heer Janssen, conservator..........................19
A. KELTISCHE- EN GALLO-GERMAANSCHE VOORWERPEN.................................20
B. ROMEINSCHE VOORWERPEN......................................................21
Notities......................................................................25
1 maart 1890 Antiquiteiten.....................................................25
8 maart 1890 De catalogus der kunstvoorwerpen, ................................25
10 maart 1890 Twee zeer belangrijke veilingen .................................26
10 maart 1890 Dinsdagochtend Tien uur: VERKOOPING .............................26
14 maart 1890 De verzameling Limburgsche oudheden, ............................26
9 juni 1891 In het Ter Haarsche Veen, bij Ter Apel, ...........................26
13 juni 1891 Een arbeider te Smilde heeft Woensdag.............................26
23 maart 1893 - In het veen van Valte (Dr.) ...................................27
7 mei 1893 Tentoonstelling te Eindhoven........................................27
8 mei 1893 De arbeiders Andries Cats en Jurjen v. d. Berg, te Oosterwolde, . . . .28
29 mei 1895 EELDE, 28 Mei. Door den dienstknecht E. de Vries ..................28
2 augustus 1895 HAULERWIJK, 30 Juli. Voor eenige dagen werd ...................29
2 mei 1896 - Eenige turfgravers, die in de omstreken van Valtermond ...........29
26 januari 1897 - Donderdag morgen heeft men te Eelen .........................29
5 juli 1897 Te Beets (Fr.) is, op ongeveer drie voet diepte, ..................29
30 maart 1899 Te Emmer-Compascuum is op anderhalven M. diepte .................29
28 november 1900 Een "veenlijk” van vijftien eeuwen............................29
8 juni 1901 LEEUWARDEN, 7 Juni. Menschengeraamten..............................29
#287
1
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
11 juni 1901 Uit oude tijden...................................................30
4 februari 1905 Oudheden. — De Heer G. M. Kam, te Nijmegen, ...................30
12 maart 1907 Provinciaal Genootschap “Limburg.” Kring Venlo. ................30
27 augustus 1907 Opgravingen in Zuid-Limburg. .................................30
26 augustus 1908 DARP (Havelte), 24 Augs. De arbeider E. Trompetter............30
15 oktober 1909 Munt- en Penningveiling. ......................................31
13 november 1909 […] De Ruiterweg, reeds voor ongeveer 2000 jaar...............31
12 februari 1910 Romeinsche nederzetting. .....................................31
4 mei 1910 In het Buinerveen (Drente) komt bij het turfgraven..................32
15 juni 1910 [18 maart 2006 De vloek van de Romein]............................32
21 juni 1910 Te Helenaveen zijn bij het turfgraven gevonden een drietal .......32
2 juli 1910 Beschrijving door van Beurden in BUITEN............................33
27 april 1911 Romeinsche brug. – In het Buinerveen (Drente) ...................33
31 januari 1913 Een zeldzame kunstverzameling [#169]...........................34
27 maart 1914 Oude vondsten, stille getuigen. [#170]...........................36
19 mei 1914 Te Nieuw-Buinen is bij het turfgraven een menschenlijk gevonden, . .37
13 februari 1915 Museum van Oudheden in Drente.................................37
26 oktober 1915 - Door den landbouwer J. Sikken, tusschen Exloo en Valthe .... .37
29 mei 1917 BORGER, 29 Mei. De arbeider J. Kuipers vond bij het turfgraven . . . .37
1 juni 1917 Eigenaardige vondst. – Bij het turfgraven in het "bolveen".........37
27 mei 1919 – De turfgraver H. Kuiper te Weerdinge heeft bij het turfgraven. . . .37
21 mei 1921 LIJK GEVONDEN......................................................37
14 augustus 1921 HET DUVELKE VAN HET ZUIDEN....................................37
6 september 1921 – Naast de allernieuwste modellen en soorten klompen, ........41
10 maart 1923 Verzameling L. Vierordt..........................................41
4 juni 1925 – Bij het turfgraven in het zoogenaamde Strangerstukje te Valthe. . .41
24 juni 1925 "Het Volk" verneemt uit Ter Apel:.................................41
11 juni 1926 – Bij het turfgraven heeft een arbeider te Nieuwe Krim (D.) ......41
14 april 1929 Hellas en Rome...................................................41
4 mei 1929 [...] In Roermond nu had in het jaar 1874 ..........................41
12 juni 1929 EEXT, 11 Juni. Door den heer Hs. Brink zijn alhier ...............41
4 juni 1931 Een eeuwen oud geraamte............................................42
8 juni 1931 EEN GERAAMTE GEVONDEN. In het veen te Weerdinge....................42
6 juni 1932 ASSEN, 6 Juni. In het veen achter Witten (gem. Assen) .............42
11 juni 1932 GESCHIEDENIS VAN ASSELT...........................................42
16 december 1932 GESCHENKEN VOOR HET PROVINCIALE MUSEUM TE GRONINGEN...........42
26 april 1933 Oudheidkundige vondst............................................42
22 juli 1933 FRIDA, DE VERSCHOPPELING..........................................42
27 maart 1934 Oudheidkundige vondst............................................42
14 mei 1934 MERKWAARDIGE VEENVONDSTEN TE TAARLO (Dr.)..........................43
8 juni 1934 Oudheidkundige vondst..............................................43
20 oktober 1934 VELDNAMEN OM ROERMOND..........................................44
20 mei 1935 EEN BAARDMANSKRUIK.................................................45
23 juli 1935 HELENA EN GEHENNA. (Hedeler Draaklegende). Het Helenabeeld........45
1 februari 1936 Oudheidkundige vondsten te Horn................................45
10 april 1937 VAN HEIDENSCHE OFFERPLEK TOT BOERDERIJ. .........................46
25 augustus 1937 GEHEIMZINNIGE VONDST IN DE PEEL. .............................46
10 september 1938 PETRUS SCHREURS, 80 JAAR.....................................47
26 oktober 1938 EEN VEENLIJK GEVONDEN..........................................47
26 oktober 1938 Een z.g.n. veenlijk in Drente gevonden.........................47
26 oktober 1938 – Aan kanaal A te Emmererfscheiderveen ........................47
26 oktober 1938 DE VONDST VAN EEN VEENLIJK.....................................47
29 oktober 1938 HET TE EMMEN GEVONDEN VEENLIJK. ...............................48
3 november 1938 VEENLIJK WAS GEEN STRIJDER OF JAGER ...........................48
12 november 1938 Veenlijken....................................................49
4 april 1939 Het oude veenpad door Z.-O. Drenthe...............................50
25 mei 1939 Veenvondst te Taarlo...............................................50
1 februari 1941 DE WEG VAN OERTIJD TOT MIDDELEEUWEN............................51
DE OUDSTE WEGEN IN ONZE STREKEN...............................................51
DE EERSTE HANDEL..............................................................51
DE BRONSTIJD..................................................................52
VERDERE ONTWIKKELING VAN HET VERKEER..........................................52
KUNSTWEGEN DEZER OUDE TIJDEN..................................................53
DE VEENBRUGGEN................................................................53
ROMEINSCHE WEGEN..............................................................53
DE FRANKEN....................................................................54
#287
2
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
HOE SPOREN WIJ OUDE WEGEN OP?.................................................54
28 augustus 1942 Een Romeinsche luxe villa blootgelegd.........................54
22 mei 1942 Merkwaardige vondst. – Een dezer dagen vond dhr. W. V. ............55
11 juni 1943 UIT DE OUDE LANTSCHAP.............................................55
18 februari 1944 Merkwaardig pronkstuk ........................................55
1 januari 1945 De kantharos van Stevensweert -1-...............................57
28 augustus 1951 De kantharos van Stevensweert -2-.............................57
17 november 1951 De Kantharos van Stevensweert.................................58
7 december 1951 Veenlijk gevonden..............................................58
1 juli 1958 INSCRIPTIE PAS LATER ONTDEKT ......................................58
26 mei 1966 Dat geschiedt in Stevensweert zelfs ...............................58
29 maart 1961 Resten Romeinse veenbrug te Emmer-Erfscheidenveen................58
31 december 1964 Archeologische afdeling van het Fries niet vergeten...........59
31 december 1987 LETTERS UIT LOTTUM
J.E. BOGAERS............................59
19 mei 1990 Wetenschappelijke detective over de oorsprong .....................59
27 februari 1992 [...] Als bestuurslid van het Goud en ........................60
4 juli 2011 lemma in Wikipedia over Charles Guillon............................60
5
10
15
20
25
30
35
40
45
50
3 augustus 1775 Van verscheidene Plaatsen word gemeld
van zwaare Onweêren deezer dagen gevallen, onder anderen van Schyndel in de Meyery
van 's Bosch, in 't Quartier van Peelland, in dato 30 July: Gister namiddag circa 4
uuren, hadden wy alhier een allerysselykst Onweêr van Donder en Bliksem, verzeld met
zwaare Wind en Hagel, zynde den Hagel zo considerabel geweest, dat dezelve op
verscheidene Plaatsen 3 voet hoog geleegen heeft, daaronder zyn Steenen gevonden die
de grootte van Hoender- en Duiven Eijeren hadden, en waarvan nog heden middag op
verscheidene plaatsen Hagel gevonden word; hetzelve heeft considerable schaade
veroorzaakt zo aan te Veld staande Rogge, Haver, Boekweit, Garst en Hoppe, alsmede
aan het jonge Hout en Plantsoen, zynde voor het grootste gedeelte vernield en
verpletterd; ook zyn de Glassen in verscheiden Huizen, weke na de Wind zyde stonden,
geheel verbryzeld: Men heeft bevonden, dat zo dra de Hagelbuy geëindigd was, uit den
Grond een Damp of Rook oprees die een Zwavelagtigen reuk van zig gaf. Deeze droevige
gebeurtenis verwekt een algemeene verslagenheid onder de Ingezeetenen, daardien 'er
veelen zyn die hunnen geheelen Oogst daardoor verlooren hebben, en van Tuinvruchten
zyn berooft geworden.
1 oktober 1802 [195] (a) Het was ook in de nabijheid van Cuijk,
op den weg van Boxmeer naar Grave, dat op het zoogenaamde Bord of Boord, in October
van den jare 1802, eene hoogstbelangrijke medaille werd opgegraven, die alleen aan
innerlijke waarde van goud ruim negen-en-veertig guldens bedroeg; bij dezelve vond
men ook een oud zwaard, hetwelk echter zoo zeer door den roest verteerd was, dat het
bij de aanraking in stukken viel; eene urn van schoone ronde klei werd door de
arbeiders verbrijzeld, zij scheen niets anders dan asch bevat te hebben.
De bewuste medaille zelve had de grootte van een gewoon dubbeltje, en vertoonde aan
de regeter zijde het hoofd van Keizer ANTONIUS PIUS, hetwelk volmaakt geleek naar het
afbeeldsel van dien Caesar in het muntkabinet van SCHIJNVOET. Het randschrift was
voor een gedeelte zonder moeite te lezen. De keerzijde vertoonde eene beeldtenis,
denkelijk der overwinning, doch onduidelijk, even gelijk het randschrift. Om de
medaille was een gouden rand gesoldeert, zoo [196] dat zij in haar geheel de grootte
van een daalder had. De regter zijde was in drie kringen rondom den penning belegd
geweest met roode, witte en groene steentjes van glas, zijnde de grond er kastjes,
waarin zij gezet waren, gekleurd, zoo dat de steentje zich ook gekleurd vertoonden.
De keerzijde was met figuren belegd door eenen dikken gouddraad, die als een
kabeltouw zeer fraai bewerkt was. Rondom den rand waren achttien oogjes, door welke
nog een stuk van eenen lossen gouddraad liep. Op de keerzijde scheen er iets geweest
te zijn, waarmede en de medaille kon vastgespen, doch men kon zulks niet duidelijk
eer onderscheiden. [...]
10 april 1818 ZWOLLE, den 9 April.
Uit Oostvriesland wordt gemeld: in Julij des jaars 1817 werd bij Fridebnrg, in de
gemeente Eizel, bij bet turfgraven, midden in hel moeras, in de diepte van de
turfbedding, een menschelijk geraamte gevonden. Zijne kleeding en ligging gaven
blijken van zeer hoogen ouderdom. Het geraamte lag in eene met mos aangevulde holte
en werd door dwars over het ligchaam heengelegde sterke eiken palen neergedrukt. Het
gewaad bestond uit een grofharen, gevold en ongeweven doek zonder naden of knoopen;
het schooisel uit een stuk leder zonder naad of zoolen, maar alles uit ongelooid ruw
leder, waar aan nog roodachtigen koeharen te zien waren. [...]
#287
3
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
55
60
65
70
75
80
85
90
95
100
105
110
115
17 oktober 1825 Een inwoner van Valognes (Manches),
heeft eene belangrijke ontdekking van oudheden gedaan. Bezig zijnde met het graven
van eenen put in zijnen tuin, vond hij eenen grafsteen, welken men niet dan met veel
moeite konde losmaken. Bij de opening vond men een geraamte, hetwelk in elkander
viel. Een zilveren muntstuk hetwelk in den mond van het geraamte gevonden werd, doet
vermoeden, dat het een lijk van een Romeinsch veldheer, krijgsmakker van Cesar, ten
tijde der overwinning op de Galliërs, is, want op den eenen kant van de medaille
leest men Caes. Imp., en aan de andere zijde Vic. Gal. Aan de voeten van het geraamte
vond men eene zilveren doos, lang 1 voet en breed 8 duim, bevattende 150 medailles,
als 40 van brons, ter grootte van onze 2 stuiverstukken, 95 van zilver, even als onze
stukken van twee franks, en 15 van goud, ter grootte van onze stukken van vijf
francs. Deze medailles zijn versierd met de beeldtenissen van Cesar, Pompejus,
Mitridates, Cleopatra, Crassus, Spartacus, Sijlla, Anibal, Asdrubal, Scipio
Africanus, Phillippus van Macedonien, Pharnacus, Nicomede, Perpenna en Sertorius.
Voor vijftig jaren heeft men in deze streken reeds Romeisnche monumenten ontdekt, en
men meent dat aldaar het oude Crociatonum, hoofdstad van het volk Unelli, waarbij
Cesar een kamp had, gelegen is.
1 januari 1833 uit: Algemeen overzigt der Romeinsche oudheden in de NoordNederlanden, door Dr. N. WESTENDORP, 1846
[82] Bl. 17. Te Leende ontdekte een smid, in 1833, bij gelegenheid van veengraven, op
eene diepte van nagenoeg twaalf Rhijnlandsche voeten, drie Romeinsche penningen. van
geel koper, van de eerste grootte, voortreffelijk behouden, prijkende met de
borstbeelden en namen van AUGUSTUS CLAUDIUS en NERO.
4 februari 1837 Deurne 3 Februarij 1837.
Aan de Redactie van den Noord-Brabander. Sedert acht dagen levert de gemeente van
Deurne een bewijs op, dat ook dit gewest schatten in zich bevat, wat oudheid en
geschiedenis betreft, gerust met de andere deelen onzes lands gelijk kan gesteld
worden. De aandacht onzer Vaderl. geleerden wordt derhalve op het volgende gevestigd:
waardoor zij mogelijk in de gelegenheid gesteld zullen worden, niet alleen om hunne
collectien van antiquiteiten met belangrijke artikelen te vermeerderen, maar ook om
de geschiedenis met gewigtige bijdragen, dienst te bewijzen.
Door het corps offic. van het Regt. Huss. N°. 6 begonnen en door particulieren, in
hoop van schatten te vinden, voortgezet, is men hier bezig, met het opdolven eener
kamp of leger, of wel begraafplaats; denkelijk afkomstig, van eene door de Romeinen,
uit de Ardennen verdreven, en hier, achter de moerasgronden der Peel, verscholene
volksstam. Verscheidene urnen of potten van verschillende grootte, allen met asch van
verbrande ligchamen en kleine beentjes opgevuld, zijn reeds opgegraven; terwijl in
sommige stukjes van metaal en gedeelten van wapenen gevonden zijn. Deze potten zijn
door heuveltjes van differente hoogte bedekt, en die even als de potten, zekerlijk na
het aanzien en rang, dat de aldaar begravene bekleed heeft, in grootte en hoogte
hebben toegenomen. De pot is bijna gelijk eene kloot, eenigzins naar het boven- en
benedeneinde ovaal toeloopende, terwijl ze aan het boveneinde eene schuins opslaande
rand heeft, die genoegzaam dezelfde omtrek als de pot zelve zal hebben, en het deksel
dat in evenredigheid der pot zeer klein is, sluit goed en schijnt digt bestreken te
zijn. De grootste potten zullen eene diameter van 3 palmen hebben terwijl de kleinste
naauwelijks 1 a 1½ zullen reiken en de heuveltjes ook wel een verschil van bijna ééne
el zullen opleveren, daar men er vindt, die schier 2 en anderen die meer dan vijf
voeten hoog zijn. De potten zijn van potaarde (welke ook hier gevonden wordt)
gemaakt, en toonen aan dat zij de kunst van draaijen reeds tot eene aanmerkelijke
hoogte gebragt hadden.
P.
[elders nog:] - De aandacht onzer vaderlandsche geleerden en oudheidkundigen wordt op
deze ontdekking, die tot aanwinst voor hunne verzamelingen, of tot opheldring der
geschiedenis, van nut kan zijn, ingeroepen.
4 mei 1837 NEDERLANDEN. - In het laatst uitgekomen nommer
van het Nederlandsch Magazijn treft men een artikel aan over de onlangs opgedolven
urnen in Noord-Braband. Hetzelve houdt hoofdzakelijk in dat men onlangs in
onderscheidene onzer dagbladen, berigten vond wegens het opdelven van oudheden in de
gemeente Deurne, provincie Noord-Braband, en thans bij de Redactie van boven gemeld
magazijn eenige bijzonderheden nopens die opdelving zijn ingekomen, voornamelijk
hierop nederkomende: Een Ritmeester bij het regiment huzaren n°. 6, bij eene vroegere
gelegenheid, ontwaar geworden zijnde, dat eenige heuveltjes op de Kempensche heide,
#287
4
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
120
125
130
135
140
145
150
155
160
165
170
175
180
bij opdelving, bleken grafheuveltjes te zijn, en urnen of aschkruiken te bevatten,
kwam op het denkbeeld, dat eenige dergelijke heuveltjes, welke op de heide nabij
Deurne, zijn tegenwoordig kantonnement, aanwezig waren, tot dergelijke einden mogten
gediend hebben en oudheden bevatteden. Met toestemming des burgemeesters aldaar,
hebbende doen graven, vond men vijf urnen of asch-kruiken, welke bij opvolgende
delvingen vermeerderden, en thans reeds het getal van vijftig te boven gaan. Jammer
is het, dat de landlieden, hiervan gehoord hebbende, ook van hunne zijde aan het
graven gingen, in de hoop om schatten te vinden; de door hen opgedolvene urnen in
stukken sloegen of beschadigden; groot was de teleurstelling dezer lieden, toen zij
in dezelve niets dan asch en eenige half vergane kennelijke menschen-beenderen, als:
schedels, ribben, dijbeenderen enz. vonden. Niet één penning of muntstuk is
opgedolven; alleen een stukje metaal, hetwelk men meent voor een mondstuk van een
blaasinstrument te moeten houden. De gevonden urnen zijn van verschillende grootte,
doch alle van nagenoeg ééne gedaante, sommige van deksels voorzien. Het heide-veld,
waarin de urnen gevonden zijn, is omtrent vier bunders groot, de heuveltjes zijn vrij
regelmatig, doch het geheel terrein schijnt tot begraafplaats gediend te hebben,
dewijl men ook urnen buiten de heuveltjes en op eenigen afstand van dezelve heeft
gevonden. De urnen zijn meestal met eene laag houtskool bedekt; immers zoodra men
deze vindt, is men zeker nabij eene urn te zijn. Sommige zitten zoo hoog, dat men
boven in de asch de vezelworteltjes der gewone heide vindt; andere zijn dieper
gevonden, doch op ongelijke diepte. De zelfstandigheid, waaruit deze potten of urnen
zijn zamengesteld, is glad, gedegen, en van eene donker bruine kleur; geen
verglaassel is op dezelve zigtbaar, noch eenig in- of opschrift. Indien dezelve te
Deurne vervaardigd zijn, alwaar thans nog twee pottebakkerijen gevonden worden, dan
moet men bekennen, dat deze kunst aldaar in 10 of 15 eeuwen geene vorderingen gemaakt
heeft; wamt deze urnen zijn zuiverder en gladder bewerkt en met meer zorg behandeld
dan thans geschiedt. De opgravingen worden op sommige plekken nog voortgezet, doch
men vindt in de urnen, zoo als gezegd is, niets dan asch en de bovengemelde
menschenbeenderen.
3 juni 1837 HAARLEM, 30 Februarij
Uit de gemeente Deurne (Noord-Braband) wordt een berigt medegedeeld wegens het
ontdekken, in de nabijheid dier plaats, van een kampleger of wel begraafplaats; zoo
men denkt afkomstig van een ouden volksstam, die door de Romeinen uit de Ardennes
verdreven, willigt daar ter plaatse, achter de moerasgronden der Peel, eene veilige
wijkplaats zochten. De eerste ontdekking dier leger- of begraafplaats werd gedaan
door officieren van het in den omtrek gekantonneede regiment huzaren no. 6, en sedert
worden de opdelvingen door particulieren, in hoop van schatten te vinden, voortgezet.
Onder hetgeen tot dus ver gevonden is noemt men verscheidene urnen of potten van
verschillende grootte, allen met asch van verbrande lichamen en kleine beentjes
opgevuld; in sommige dier potten zijn, naar men meld, stukjes metaal en gedeelten van
wapenen gevonden. De genoemde potten zijn bedekt door heuveltjes van verschillende
hoogte, die, even als de potten waarschijnlijk naar het aanzien en den rang, welke de
daar begravene bekleed heeft, in grootte en hoogte hebben toegenomen. De potten zijn
van pot-aarde en goed gedraaid; de grootste hebben eene middellijn van 3, de kleinste
van ruim 1 palm; sommige heuveltjes zijn bijna 2, andere meer dan 5 voeten hoog.
23 april 1839 Op de afdeeling der Germaansche en Noordsche oudheden nam,
vooral in het afgeloopen jaar, wederom tot in rijkdom en verscheidenheid van
voorwerpen.
Door gunstige beschikking van het departement van Binnenlandsche zaken, werden ons
een aantal urnen toegezonden, die kort te voren te Deurne, in Noord-Braband, ontdekt
waren geworden; en werd het aantal nog vermeerderd door de opbrengst eener
opzettelijke daartoe verordende opdelving, door den burgemeester dier plaats, de heer
van Riet, aan het Museum ten geschenke gegeven.
22 juni 1839 Oudheden.
(Ingezonden)
Op den 7den junij 1839 is, bij het uitbaggeren in een turfveen, toebehoorende aan
DERK TE BOEKHORST, landman te Gendringen, provincie Gelderland, in een stuk grond op
den zoogenaamden Broërdijk, nabij het dorp Gendringen gelegen, ter diepte van elf
palmen, in vasten en ongeroerden turfgrond gevonden en uitgegraven een zeer zeldzame
bak, waaraan twee handvaten kunstmatig vastgehecht zijn, op ieder van welke zich
bevinden twee drakenkoppen, alles van bijzonder, onbekend metaal, geheel goudkleur en
met doorloopende vlammen. Zwaar 2 pond 9 ons, bovenruimte 3 palm 9 duim, inhoud 11
kannen.
#287
5
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
185
190
195
200
205
210
215
220
225
230
Het geheele model en maaksel, zoowel als het metaal, alle even vreemd, duidt aan, dat
deze bak uit de vroegere eeuwen herkomstig is; hetgeen te meer kan worden aangenomen,
wijl het bekend is, dat deze grond sedert eeuwen tot veen en moeras heeft gelegen,
zonder dat daaraan iets is vergraven of veranderd. In het vorige jaar heeft dezelfde
eigenaar, ook bij gelegenheid van turfgraven, bijna op dezelfde hoogte, in den grond
gevonden eenige stukken van kruiken en bakken, van aarde, ook van been. – De nu
gevonden bak is bij den eigenaar aanwezig en te zien.
14 maart 1840 MUSEUM VAN OUDHEDEN TE LEIJDEN.
[...] Van den heer S. H. van der Noordaa, te Dordrecht, twee tufsteenen vijzels met
stampers, in den omtrek van Deurne in Noord-Braband opgedolven; zijnde deze de eenige
voorwerpeu van die soort welke het Museum bezit, en die, voor zoo verre ons bekend
is, elders nog niet zijn voorgekomen. De nabijheid van de uitgebreide begraafakkers
aldaar, in de heide voor een paar jaren ontdekt, geven veel waarschijnlijkheid aan
het vermoeden dat èn die vijzels, èn de urnen die in zoo grooten getale in dien
omtrek voorkomen, tot denzelfden volksstam behooren, en leveren alsdan eene
allerbelangrijkste bijdrage tot de kennis van het huiselijk leven der oude
Germaansche volken, van wier huisraad, behalve in het noordelijk Europa, betrekkelijk
zoo weinig meer is overgebleven. [...]
12 mei 1840 [brief aan de burgemeester van Deurne]
Burgemeester van Deurne Liessel
Helmond, den 12 Mei 1840
De Heer Gouverneur dezer provincie (waarschijnlijk door het bestuur van het
genoodschap ter bevordering van wetenschappen en kunsten in Noord Braband daartoe
aangezocht) heeft mij een groot aantal vraagpunten ter beantwoording opgegeven
betrekkelijk oudheden in mijn District.
deze vragen, voor zoover zij de gemeente Deurne Liessel betreffen zijn de navolgende:
volgens een medegedeeld berigt zoude een landbouwer van de Mortel genaamd, een
romeinsch zwaard en een goude schild bezitten, welke in den peel zoude zijn
uitgegraven.
1°. Is dit werkelijk zoo? en in dat geval, wanneer en waar ter plaatse heeft men dat
zwaard en schild gevonden?
2°. Zoude er gelegenheid zijn om hetzelve voor de verzameling van oud en
zeldzaamheden van het provinciaal genoodschap van kunsten en watenschappen
aantekoopen?
3°. Zoo ja, tot welken prijs?
4°. Wanneer de eigenaar tot verkoop niet mogt kunnen besluiten, zoude hij dan die
voorwerpen tegen bewijs ter beoordeeling en afteekening willen overmaken?
5°. Is er gelegenheid om nog eenige der aldaar onlangs gevonden lijkurnen of andere
aldaar opgegraven merkwaardigheden te koopen?
6°. Hoe is de benaming der plaats waar die urnen opgegraven zijn?
Een eenigzins spoedig antwoord op deze vragen zal mij aangenaam zijn
D Distr.
29 juni 1840 Provinciaal Bestuur RANB 17 inv. nr. 12419
n° 1
Missive van 17 april ll n° 8.
/ Antwoord op de missive van
afdeeling kunsten en wetenschappen
/ 17 april ll no 8.
Helmond den 29 Juny 1840.
235
240
245
[Aan den gouverneur]
Bij de aangehaalde missive/missieve heeft UWEG mij eenige vraagpunten betrekkelijk
oude monumenten die zich in sommige gemeentens van mijn district/District zouden
bevinden, ter beantwoording opgegeven. Eenige dezer vraagpunten zoude ik dadelijk
hebben kunnen beantwoorden, [doch] tot het bekomen van inlichtingen heb ik de
gelegenheid mijner rondreize waar genomen, als wanneer de leden van den raad
vergaderd zijnde, ik vermeende beter te kunnen geinformeerd worden. Ik zal de volg
orde in acht nemen, zoo als zij in uwe missieve voorkomt.
[...]
Gemeente Deurne Liessel.
Naar het berigt Ik heb het berigt dat een landbouwer te Deurne Liessel in het bezit
zoude zijn van een oud romeinsch zwaard en een goud schild welk in den peel zoude
zijn uitgegraven, zeer betwijfeld, wijl ik er nooit iets van vernomen had. ook is mij
bij onderzoek verzekerd gebleken dat er niemand iets van weet. waarschijnlijk heeft
men dit verward met ?? het geen in de naburige gemeente Meyel heeft plaats gehad. In
#287
6
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
250
255
260
265
270
275
280
285
290
295
300
305
310
315
het jaar 1807 men heeft men aldaar een goud schild gevonden. voor eenige jaren te
Meyel zijnde heb ik mij naar het huis van den toenmaligen burgemeester Goossens
begeven om deze merkwaardigheid te zien. hij vertoonde mij een schild welk in den
peel in het jaar 1807 omtrent vijf voeten onder het onder de oppervlakte van den
grond in den peel bij gelegenheid eener turfgraving gevonden was, hetzelve was van
goud of althans zwaar verguld gedreven werk, op hetzelve waren hyroglyphen en andere
figuren van leeuwen, tijgers &c gedreven, en had de vorm van een halve maan, veel
gelekende naar een ringkraag zoo als de kapiteins der infanterie voor ? nog niet zeer
lang geleden op de borst droegen. de Heer van Keverberg, destijds sousprefet te
Cleef, had dit stuk mede naar Parijs genomen en na zijne terugkomst, volgens zeggen
van den Burgemeester veel geld voor geboden, doch men was het over den prijs niet
eens kunnen worden. Er zijn te Deurne geene lijkurnen meer verkrijgbaar. de Heer burgemeester zoude door
trachten er door graving er nog te krijgen, welke hij alsdan, indien dit gelukken
mogt gaarne zoude afstaan. De Districts Commissaris
/ DD.
Wesselman.
1 oktober 1840 [...] Alzoo bezit het Noord-Brabandsch genootschap reeds urnen van
drie Heidensche begraafplaatsen, als: van Deurne in 1837, van Genderen in 1839 en
van Gemonde in 1849 gevonden. [...]
26 januari 1841 Bij de afdeeling der Germaansche en Noordsche oudheden,
van den Generaal Majoor Rottiers, aan wiens ijver en zorg het Museum het bezit van
zoo vele Grieksche kunststukken te danken heeft, een bronzen Goden-beeldtje, in den
omtrek van Aken gevonden.
Van den heer P. O. P. Guyot, te Nijmegen, eene allerbelangrijkste verzameling van
bronzen en andere voorwerpen bij Deurne, in de provincie Noord-Braband, opgedoken, en
die voor het grootste gedeelte door den heer Ritmeester Baron van Voorst
bijeengebragt, en aan den heer Guyot afgestaan waren. Door deze aanzienlijke
aanwinst, vereenigd met de urnen en andere voorwerpen, waarvan wij in onze vorige
berigten (Staats-Courant 1838 en 1839) gewaagden, is het Museum thans in het bezit
gesteld van de voornaamste en zeldzaamste stukken, die bij de ontdekkiug te Deurne
gedaan, voorden dag zijn gekomen, en die, langs verschillende wegen, eindelijk
wederom bij elkander gebragt, een geheel vormen, dat tot de kennis van een der oude
volksstammen, die vroeger ons land bewoonden, eene zoo onverwachte als aanzienlijke
bijdrage leveren kan. In den Konst- en Letterbode 1838, Mei. pag. 379—395, zijn de
meeste der voorwerpen door den heer Conservator Dr. Janssen, beschreven.
7 juli 1841 uit: Handelingen van het Provinciaal Genootschap van Kunsten...
[159] BIJDRAGE TOT DE OUDHEIDKENNIS VAN NOORD-BRABAND.
[165] Van Ravestein stak ik over naar Batenburg, en bezag aldaar de grootsche en
waarlijk majestueuse bouwvallen der oude burgt deze stede, en keerde vervolgens naar
mijn gastvrij verblijf te Grave terug.
Reeds eenige jaren geleden had ik kennis gemaakt met den Heer D'AUMERIE,
Schoolopziener in het 3de schooldistrikt onzer Provincie, en onze ontmoeting gaf
onder andere gesprekken ook aanleiding, om over de Peel, de Palus, of het moerasland
der ouden te spreken. De Heer D'AUMERIE zeide mij, dat er nog eene oude kaart van de
Stad [166] Grave bestond, op welke ook de Peel voorkwam; en toen ik mijn verlangen
betuigde om dezelve te zien, beloofde ZEd. mij den bezitter derzelve, de Heer WALTER,
Wethouder te Grave, deswege te spreken. Met de meeste voorkomendheid ontving mij de
Heer WALTER ten zijnen huize, en was terstond gereed mij de kaart te toonen, die op
perkament geteekend, zich nog in zeer goede orde bevond. Ik deel bij deze het
opschrift er van mede:
""Kaart van de oculaire inspectie van Grave en omstreken, ook van de geprojecteerde
vaart uit de Peel (in 1617 door Jan Peters zoon Dou) bij Jan van Coll Uurmaker, en
landmeter te Nijmegen ao 1647 in Sept. en Dec.""
Het eigenlijke doel dezer kaart is, blijkens eene aanteekening op dezelve, geweest:
""om te zien, of men eenen bequamen weg mogt vinden, om uit Zijner Hoogheids Peel,
den turf op de Maas door schuiten te voeren.""
Voor zoo ver mij bewust is, is het bestaan dezer kaart onbekend; althans PARINGET
maakt er geene melding van: en misschien is zij ook in zoo verre niet onbelangrijk,
als op dezelve de grensscheiding voorkomt der Peel, tusschen Ravestein en het land
van Cuijk, ten minste achtte de overledene Luitenant-Generaal DE MAN ze van
genoegzaam gewigt, om dezelve, onder [167] vriendelijke vergunning van den eigenaar,
voor het Topografisch Bureau te doen kopieëren. [...]
#287
7
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
320
325
330
335
340
345
350
355
360
365
370
375
380
[176] Reeds vroeger had ik meermalen hooren spreken van urnen, potten, munt enz., die
men te Cuijk zoude hebben opgedolven; en toen ik er den Heer HAMELBERG, van Cuijk,
eens opzettelijk naar vroeg, verzekerde deze mij zulks niet alleen, maar verhaalde
bovendien, dat hij zelf in het bezit was van onderscheidene Romeinsche oudheden, die
hij in zijnen tuin had opgegraven, er bij voegende, dat hij niet twijfelde, of
dezelve [177] zouden op plaatsen waar nog niet gegraven was, nog meer gelijksoortige
opleveren.
[Hij gaat later bij hem op bezoek:] Het was de zesde Junij l.l. [beschouwingen over
de Batavieren e.d. volgen dan.]
[179] Hij alléén die met gevoel uit een geschiedkundig wijsgeerig oogpunt de
overblijfselen der oudheid, hoe geringschijnend ook, beschouwt, kan zich mijne
gewaarwordingen verbeelden, toe ik des anderendaags na mijne aankomst, de
studeerkamer mijns vriends binnen trad, en de door hem op eene tafel gerangschikte
urnen, kruiken, potten, schalen en munten, met eene menigte scherven, ijzerwerk enz.
ontdekte! Al deze voorwerpen waren door hem zelven uit zijnen tuin opgegraven, en
hoeveel kon ik denzelven nog niet verborgen liggen?! Zeker besloeg de oppervlakte van
den tuin meer dan eenen morgen lands, maar ook slechts een betrekkelijk gering
gedeelte van den grond, waar men verwachten konde iets aantetreffen, was opgedolven,
en hoeveel bleef er dan nog niet ter nasporing over.
Het zij mij geoorloofd, wat ik na eene oppervlakkige beschouwing der bij den Heer
HAMELBERG aanwezige oudheden opteekende, mede te deelen.
1°. Eene urn van fijne blaauwachtige klei, net bewerkt, echter zonder eenig sieraad,
behalve een paar kringen om de ogiefvormigen bovenrand, geheel gaaf en ongeschonden,
met uitzondering [180] eener kleine opening, die vermoedelijk bij het uitgraven door
de spade er in veroorzaakt is. Zij is hoog 23 en een halve duim, en de omtrek van den
buik 82 duim; de mond is 19 duim in doorsnede. Het deksel bestaat uit eene nog
fijnere geelachtige naar het roode zweemende kleisoort. Het kruikje dat naast de urn
werd uitgegraven, is van gele kleur en buitengewoon ligt, het heeft de hoogte van 9
duim, en de buik is op het dikste 40 duim.
Bij het opdelven der urn, stond boven op dezelve eene andere zeer kleine, insgelijks
van blaauwachtige klei, en even gelijk de groote met asch, beenderen en zand gevuld;
ongelukkiglijk konde zij niet dan gebroken uit den grond worden gehaald. Bevatte de
groote urn misschien het stof eener moeder, en de kleine de assche van haar kind?
Werden moeder en zuigeling misschien te gelijk door den dood weggerukt? en wilde men
beiden ook in het graf niet scheiden, daar zij zoo naauw in leven en sterven
vereenigd waren geweest? Ziet daar de gedachte die onwillekeurig bij mij oprees! – De
Heer HAMELBERG had de goedheid mij de groote urn met deksel en kruikje te vereeren,
een geschenk voorwaar, waarmede hij mij hooglijk verpligtte!
Men is het niet eens omtrent het gebruik dier kruiken of kruikjes, die men bij de
urnen gewoonlijk aantreft; de meening, dat men in [181] dezelve de tranen zoude
hebben verzameld, die de nabestaanden over hunne dooden stortten, vandaar de naam van
traanflesschen oorspronkelijk is, heeft men reeds lang te regt laten varen; indien ik
hier gissen mogt, zoude ik durven vragen: of zij niet misschienhet overschot bevat
hebben der welriekende oliën en wateren, waarmede de ouden gewoon waren de lijken te
besproeijen, en hetwelk men dan, als toch eigenlijk tot den doode behoorende, als
zijn eigendom tevens bij zijne assche plaatste? (a)
2°. Drie kruiken van verschillende grootte, en eene kan, allen van geele leur, Al
deze voorwerpen waren bij of op urnen aangetroffen, die door de drukking van den
grond gebroken, slechts in schervan er hadden kunne worden uitgehaald.
3°. Onderscheidene schalen insgelijks van verschillende grootte, en of van geele of
van roode kleur. De roode waren bijzonder glad en fijn, en uit de afschilfering van
een potje, dat waarschijnlijk als zalfpotje gebruikt is geweest, merkte ik op, dat de
klei (b) waaruit het gebakken was, [182] veel bleeker rood vertoonde, en dus het
hooger uitwendig rood er door verw was aangebragt. Ook dit potje gaf de Heer
HAMELBERG mij ten geschenke.
Bijzonder trok eene groote, eenigzins ruwe bewerkte geele schaal van een open tuitje
voorzien, mijne aandacht. Was zij misschien eene offerschaal geweest? of had men haar
onder het huisraad als drinkschaal gebezigd? – Binnen in eene schaal van middelbare
grootte, en van fijne roode kleiaarde, meende ik eerst te lezen: LENEVIT; later kwam
het mij echter voor, dat men er even goed LENTULI uit konde maken. Het was buiten
twijfel de naam des makers, of de fabriek waar de schaal gebakken was, en het is
bekend dat dergelijke opschriften aan de binnen- of buitenzijde dikwerf voorkomen,
vaak met bijvoeging der afgebrokene, soms geheel uitgedrukte woorden: fec. (fecit) en
off. (officina). (a)
4°. Eene kleine lamp van fijne geele gebakken klei. Het losse dekseltje was echter in
drie stukken gebroken, die men evenwel zonder veel moeite aan een konde lijmen. Het
#287
8
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
385
390
395
400
405
410
415
420
lampje kwam mij [183] voor van denzelfden vorm te zijn, als hetgene DE BAST, in zijn
Recueil d'Antiquités Romaines et Gauloises, planche IV, n°. XIV, heeft medegedeeld;
en van dezelfde grootte als hetgeen voorkomt op plaat XII, num. II, in het
lezenswaardige geschrift van L. J. F. JANSSEN, Conservator bij 's Rijks Museum te
Leijden: Gedenkteekenen der Germanen en Romeinen aan den linker Rhijnoever.
Maar waartoe dienden dan toch lampen in graven? Reeds meermalen werd deze vraag
gedaan en verschillend beantwoord; zouden zij ook misschien als zinnebeelden des
levens kunnen worden aangemerkt? Zouden zij ook misschien sijmbolen zijn geweets, des
geloofs aan de voortduring des dooden?
5°. Onderscheidene spijkers, met een stuk ijzer, doch bijna door het roest verteerd,
en naar welks gebruik ik niet gissen konde, evenmin als dat van een stuk koper, dat
bolvormig, omtrent twee duim lengte en een duim breedte had.
6°. Eene menigte aarden scherven, meestal geele, en van onderscheidene groote en
dikte. Onder dezelve bevond zich ook de hals eener kruik met twee ooren, hoedanige
men ook elders heeft gevonden; voorts eene scherf van zeer dun en bleek groen glas,
waarschijnlijk het overblijfsel eener reukflesch; men kon duidelijk zien dat het
[184] in den brand geweest was, want het was omgebogen, zoo als men dit bij gesmolten
glas meer aantreft; eindelijk, eene scherf van helder glas, dat vermoedelijk tot een
schoteltjes had behoord, gelijk ik dit uit den rand, die hol was, meende te mogen
opmaken.
Of al deze scherven tot urnen behoord hadden, was bij mij twijfelachtig: vermoedelijk
waren zij voor een groot gedeelte van aarden huisraad afkomstig; want, daar de ouden
bij de lijkverbandingen gewoon waren ook doodmalen te houden, en na den afloop
derzelve, de gebruikte schalen, potten, kannen en verder dischgereedschap ter
verbranding mede op den houtstapel wierpen: zoo kunnen daarvan ook ligtelijk de
menigvuldige scherven worden afgelei, die men bij, in of omtrent hunne graven
aantreft. Dat deze Heidensche doodmalen in de Epulae Sepulchrales der Christenen zijn
overgebleven, en hier en daar op het platte land nog blijven voortduren, mag ik als
bekend veronderstellen. (a)
7°. Drie munten, waarvan twee koperen en een zilveren. De legende der koperen munt
was zeer onduidelijk, op de eene meende ik echter te kunnen lezen ..DRIANUS; op de
andere was de letter uitgesleten; alleen had het exergue [185] op de keerzijde ROM.O,
dat is: Romae obsignata (te Rome gemunt). De zilveren munt was van ANTONIUS PIUS,
(gest. J. 161 na Chr.) de keerzijde was onleesbaar.
8°. Een bijzonder goed bewaard slangvormig lemmet eener spies, met de ijzeren punt
waarmede het in de lansschacht was bevestigd geweest. De geheele lengte bedroeg
anderhalven Rhijnlandschen voet. (a) Een bij uitstek fraai verguld beeldwerk
versierde de beide zijden van het lemmet, hetwelk ongetwijfeld aan eenen Romeinschen
Centurio behoord zal hebben, daar het te keurig is, dan dat hetzelve het wapentuig
van eenen gewoonen krijgsman (miles hastatus) zoude geweest zijn. Mijn vriend gaf mij
#287
9
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
425
430
435
440
445
450
455
460
465
470
475
480
485
ook de stelligste verzekering van het uit zijnen tuin te hebben opgedolven, ter
plaatse waar hij meer andere overblijfselen had ontdekt; hij voegde er bij, dat het
genoegzaam regtstandig stond in eene urne, bij welke ook een kannetje was, doch welke
beide voorwerpen door onvoorzigtigheid verbrijzeld werden. Moeielijk zal men in eenig
kabinet van Romeinsche oudheden een voorwerp aantreffen, merkwaardiger dan het hier
beschrevene. Ik meende hetzelve daarom [186] in eene bijgevoegde plaat aanschouwelijk
te moeten stellen.
Het zien van al deze merkwaardigheden, (en de Heer HAMELBERG had er veel meer
bezeten, die zijne vrijgevigheid van tijd tot tijd had weggeschonken) prikkelde
dubbel mijne begeerte, om zelf eene opgraving bijtewoonen in evengemelden
pastorijtuin, op plaatsen die men berekenen konde, dat nog niet omgewoeld geweest
waren.
De volgenden dag (7 Junij l.l.) werd aan mijn verlangen voldaan. De Heer HAMELBERG
ontbood zijnen gewonen arbeider, en met den Heer LOSGERT, begaf ik mij in gespannen
verwachting naar den tuin.
Voor ik echter iets van den uitslag onzer opgravingen melde, moet ik het volgende
laten voorafgaan.
Niet overal vindt men te Cuijk de Romeinsche overblijfselen, maar treft ze slechts
aan in eene smalle streep gronds, die zich van het zuiden naar het noorden, een
geheel eind wegs, door onderscheidene tuinen, velden en boomgaarden heen uitstrekt.
Liep dan hier langs eens de gewone weg, aan welken de Romeinen hunnen dooden
begroeven? wij weten toch, dat zij bij voorkeur langs de wegen hunne begraafplaatsen
kozen, en grafteekenen oprigtten voorzien van opschriften, die den naam des
gestorvenen in de [187] herinnering der voorbijgangers terug riepen; van waar de
uitdrukkingen: siste, et abi viator; aspice viator, en cave viater! (wandelaar sta
stil, ga voorbij; zie wandelaar, en wandelaar hoed u!) oorspronkelijk zijn? hebben
zij deze hunne vaderlandsche gewoonte ook in de door hen overgeheerschte gewesten
overgebragt? Allerwaarschijnlijkst is dit vermoeden, en wordt versterkt door de
opmerking, dat men op vele andere plaatsen Romeinsche grafteekenen langs de wegen
heeft aangetroffen. Het trotsche Mausolaeum van Igel, zeven uren van Luxemburg, op
den noorderoever der Moezel, aan den voet eens bergs, de opdelvingen die men in de
omstreken van Bavai, langs de groote wegen gedaan heeft, het ontdekken aldaar van
graven, urnen enz., de berigten van soortgelijke ontdekkingen langs de groote wegen,
die het land van Luik doorloopen, enz., staven dit vermoeden. (a) Het verdient dan
ook opmerking, dat men alleen in de bovengenoemde smalle landstreek van Cuijk, urnen,
potten, kruiken en munten aantreft, en men aldaar niet lang geleden een metalen
spiegel ontdekte, die in bezit van een der destijds gecantonneerde Officieren kwam,
welke men mij verzekerde, dat van tijd tot tijd eene geheele verzameling van
lijkbussen, schotels, potten en flesschen had verkregen, en ze wel verzorgd, [188] en
ingepakt in meer dan eene kist, naar Utrecht had verzonden. (a)
Doch op dat ik tot de opgraving terug keere, die ik zelf bijwoonde: zij greep plaats
eenige schreden bezijden het pastorijhuis, in een voetpad, dat hard betreen, tot dus
verre niet omgespit was geweest. De arbeider, met name H. SCHANENK, hield de regelen
van voorzichtigheid, welke hem werden voorgehouden, naauwkeurig in het oog, en men
kon duidelijk zien dat de man meermalen hetzelfde werk, met dezelfde bedoeling, had
bij de hand gehad. Eerst werd door het zoogenaamde erf, of vruchtbaren grond, in eene
lengte van vijf en eene breedte van vier voeten, heengegraven, tot dat men op het
eigenlijke zand kwam. Zoo lang wij echter, voor wij de zandlaag bereikten, geene
sporen zagen van zwartachtige strepen, (die zich vrij duidelijk van den vruchtbaren
grond onderscheidden) ontdekten wij volstrekt niets; maar naauwlijks ontmoette wij
dezelve, (en dit was weldra het geval) of wij zagen ook hier en daar houtskolen, en
vonden scherven en spijkers. Onze arbeider was ook reeds zoo bekend met deze
bijzonderheden, die hij de natuur! noemde, dat hij overal bij het zien van enkel
ongemengde aarde of zan, gedurig zeide: "dat is de natuur [189] niet!" maar ook
telkens, bij het aanschouwen der blaauw zwartachtige strepen uitriep: "hier ben ik
weer in de natuur!"
Meermalen mislukten ons onze proefnemingen, maar wij lieten daarom den moed niet
zinken, en deden slechts verder graven; hier en daar zagen wij dan de gewenschte
donkere zandstrepen, en ontdekten vele uitgebrande houtskolen, het overschotder
lijkstapels: weldra was ik zelfs in het bezit van onderscheidene verroeste spijkers,
en van eene menigte grootere en kleinere scherven van onderscheidene dikte, welke il
allen bijeen vergaderde, om er zoo mogelijk iets geheels uit zamentestellen. De urnen
of kruiken toch, waartoe zij behoord hadden, waren kennelijk door de zwaarte en
drukking van den grond gebarsten en uiteen geweken. Het gelukte mij echter het
bovenste gedeelte eener kruik met het ongeschonden oor optedelven, daar het overige
gedeelte derzelve slechts stuksgewijze kon worden bijeengezameld.
#287
10
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
490
495
500
505
510
515
520
525
530
535
540
545
550
555
Zoodra onze arbeider op eenig aardewerk stootte, hield hij op met graven, en ruimde
van onder af opwaarts den grond met zijn mes of met de hand voorzigtig weg, om het te
vinden voorwerp, kon het zijn, geheel te behouden. Dit mogt hem ergens nergens
gelukken; allerwege vonden wij kolen, spijkers, scherven (de laatste in overvloed),
[190] maar wat ik zoo gaarne gewild had, nergens een gaaf en ongeschonden voorwerp.
Hoezeer ik nu ook de stellige overtuiging had bekomen van het aanwezen van
Romeinsche (a) en andere overblijfselen te dezer plaatse, en in deze streken, wil ik
evenwel niet ontkennen dat de resultaten mijner nasporing niet zoo geheel beoedigend
waren, als ik mij had durven voorstellen; immers drie uren lang had ik mij reeds met
de opgraving onledig gehouden; en nog niets in zijn geheel ontdekt: doch terwijl de
ijverige SCHANENK voortgraaft, en zijnen gewonen uitroep "hier ben ik weder in de
natuur!" herhaalt, en op nieuwe scherven stoot, doorwoelt hij den zwartkleurigen
grond, om zoo mogelijk eene groote kruik, die zich met een ongeschonden hals en oor
voordeed, voorzigtiglijk er uit te halen, dan ook dit was te vergeefs, – de kruik was
in scherven slechts aanwezig, maar terwijl hij de scherven verzamelt, voelt hij iets
hards tusschen zijne vingeren, en op mijne vraag wat zulks ware, reikt hij mij met de
woorden: "'t is maar een oude duit" eene munt toe, welke ik na eene ligte wrijving,
door het groene koperroest heen, voor eene Romeinsche erkende, en op welke ik de
legende las:
TRAIANUS AUGUSTUS.
[191] De keerzijde vertoonde MARS, met opgeheven spies in zijne regter- en met een
schild in zijne linkerhand, tusschen het bekende S. C. (Senatus Consulto). (a)
Ik kan het genoegen niet beschrijven dat mij deze vond verschafte, en al leverden
andere opdelvingen, die wij in den namiddag op eene andere plaats beproefden, niets
anders dan de gewoone scherven en kolen op, zoo vergoedde de in mijn bijzijn gevonden
munt van de edelen TRAJANUS, den waardigen leerling van PLUTARCHUS, toch rijkelijk
alle aangewende moeite. De munt zelve is echter niet zeldzaam, en wordt meermalen
aangetroffen. (b)
Onze arbeider bemerkte hoezeer ik te vreden was, en scheen geene hoogte te kunnen
krijgen van mijne belangstelling in een oud verroest dik stuk kopergeld, dat in zijn
oog al niet meer dan een paar centen waard kon zijn. Dit deed hem dan ook zeggen: "ik
heb in mijnen mistput onlangs soortgelijk stuk kopergeld gevonden, en het zal nog wel
bij mij thuis zijn." Toen ik hem dringend verzocht mij hetzelve, tegen behoorlijke
vergoeding, aftestaan, kostte het hem [192] geene moeite, mij zulks terstond te
beloven, als hij het nog vinden konde. De Heer LOSGERT kwam mij echter voor, nam het
muntstuk verre boven de waarde, die SCHANENK er aan hechte, over, en verraste er mij
mede. Die verrassing was dubbel, want de munt was van meerder belang, dan ik in den
beginne vermoeden konde; ziet hier de legende:
C. CAESAR AUG GERMANICUS PON. M. TR. POT. (a)
dat is: Cajus, Caesar, Augustus, Germanicus, Pontifex Maximus Tribunitia Potestate,
(CAJUS CAESAR AUGUSTUS, de Germaan, Opperpriester, met de magt van Gemeensman). OP de
keerzijde ziet men VESTA, tusschen het gewoone S. C. De Godin zit op eenen zetel, zij
houdt in hare regterhand eenen schotel en in hare linker (doch min duidelijk) de
gouden spies, het zinnebeeld harer goddelijkheid. (b)
Daar deze zelfde munt ook door SMETIUS wordt beschreven, en door hem onder de
zeldzame wordt opgegeven, (c) wil ik het een en ander uit dezen beroemden
vaderlandschen oudheidkundigen ontleend, hier inlasschen. […]
[195] Tot mijn leedwezen kon mijn verblijf te Cuijk van geen zoo langen duur zijn,
als ik wel wenschte. Voor mijn vertrek gaf ik nog een kort bezoek aan den Heer OudHoofdambtenaar ROESSING, en trof aldaar nieuwe bewijzen aan van het antiquarisch
belang van Cuijk; immers toonde mij deze Heer een paar kruiken, weke bij het leggen
der grondslagen der pastorij waren opgegraven, en liet mij tevens onderscheidene
zilveren en koperen munten zien, die van tijd tot tijd in deze streken (a) waren
gevonden. Het vlugtige [196] bezoek dat ik afleidde, belette mij er naaauwkeurige
kennis van te nemen, hoe gaarne ik zulks bij meerdere tijdruimte ook gedaan zoude
hebben.
Deze 9 Junij l.l.verliet ik het merkwaardige [197] dorp, en keerde over Grave weder
naar mijne woonplaats terug. De aanteekeningen die ik op mijne kortstondige reize
gemaakt had, achttede ik van genoegzaam belang, om dezelve aan Uwe vergadering, als
eene Bijdrage tot de Oudheidkennis van Noord-Braband, medetedeelen, en het zal mij
verblijden, bij aldien dezelve aanleiding zullen geven aan de beminnars der oudheid,
tot verdere nasporingen in onze Provincie.
En er is alle grond van hope, dat die nasporingen tot de belangrijkste ontdekkingen
(a) zullen leiden, en rijke bijdragen leveren voor een "Museum van Germaansche en
Romeinsche Oudheden bij het Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in deze
#287
11
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]nsneteindhoven.nl
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
560
565
570
575
580
585
590
595
600
605
610
615
620
Provincie." Reeds verschafte Deurne, uit zijne Germaansche grafheuvelen, dergelijke
bijdragen aan het Museum te Leijden, (b) en wij mogen met bescheiden vertrouwen ons
tot de dankbare ontvangst van gelijksoortige voortbrengselen aanbevelen. En, mogt het
voorstel van den Heer Conservator des Leijdenschen Museums van oudheden, in den [198]
verleden jare aan het Koninklijk Nederlandsch Instituut gedaan, met eenen gunstigen
uitslag worden bekroond; mogt deze ijverige geleerde een werk ondernemen kunnen,
toegewijd aan de overblijfselen der oudheid in ons Koningrijk, in hetwelk deszelfs
gedenkstukken, overeenkomstig de vereischten der hedendaagsche aesthetische, en
historisch antiquarische kritiek, in eene sijstematische orde zouden worden bekend
gemaakt door afbeeldingen, in getrouwe afteekeningen of schetsen, toegelicht in eenen
korten en bondigen tekst, (a) dan twijfelen wij niet, of onze Noord-Brabandsche
oudheden zouden eens een aanzienlijk gedeelte uitmaken van een werk, naar welks
verschijning wij, in het belang der wetenschap, hartelijk verlangen.
[195] (a) Het was ook in de nabijheid van Cuijk, op den weg van Boxmeer naar Grave, dat op het
zoogenaamde Bord of Boord, in October van den jare 1802, eene hoogstbelangrijke medaille werd
opgegraven, die alleen aan innerlijke waarde van goud ruim negen-en-veertig guldens bedroeg;
bij dezelve vond men ook een oud zwaard, hetwelk echter zoo zeer door den roest verteerd was,
dat het bij de aanraking in stukken viel; eene urn van schoone ronde klei werd door de
arbeiders verbrijzeld, zij scheen niets anders dan asch bevat te hebben.
De bewuste medaille zelve had de grootte van een gewoon dubbeltje, en vertoonde aan de regeter
zijde het hoofd van Keizer ANTONIUS PIUS, hetwelk volmaakt geleek naar het afbeeldsel van dien
Caesar in het muntkabinet van SCHIJNVOET. Het randschrift was voor een gedeelte zonder moeite
te lezen. De keerzijde vertoonde eene beeldtenis, denkelijk der overwinning, doch onduidelijk,
even gelijk het randschrift. Om de medaille was een gouden rand gesoldeert, zoo [196] dat zij
in haar geheel de grootte van een daalder had. De regter zijde was in drie kringen rondom den
penning belegd geweest met roode, witte en groene steentjes van glas, zijnde de grond er
kastjes, waarin zij gezet waren, gekleurd, zoo dat de steentje zich ook gekleurd vertoonden.
De keerzijde was met figuren belegd door eenen dikken gouddraad, die als een kabeltouw zeer
fraai bewerkt was. Rondom den rand waren achttien oogjes, door welke nog een stuk van eenen
lossen gouddraad liep. Op de keerzijde scheen er iets geweest te zijn, waarmede en de medaille
kon vastgespen, doch men kon zulks niet duidelijk eer onderscheiden.
Ik ben deze bijzonderheid verschuldigd aan den Wel Eerw. Heer HANEWINCKEL, thans Emeritus
Predikant te Ravestein, die mij daarenboven het volgende meldde: ""Mijne beschrijving van dat
oud muntstuk, of van die medaille, is te vinden in het Mengelwerk der Alg. Vaderl.
Letteroefeningen van 1803, n°. V, bladz. 228-23. Omtrent deze beschrijving kwamen eenige
aanmerkingen van iemand, die zich teekende "Philarchaeus," in dezelfde Letteroefeningen, n°.
XI, waarop ik antwoordde in n°. XIV. Ook gaf de Heer W. H. J. VAN WESTREENEN eene Proeve ter
ontcijfering van het woord TRIDT, aldaar, bladz. 639, waarin de onkunde van Philarchaeus
treffend aangetoond, en mijne beschrijving verdedigd werd.
Ik had de medaille gekocht voor het kabinet van den Heer PIETER VAN DAMME, Directeur van het
Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, bij wien de Heer VAN WESTREENEN dezelve gezien had.""
Onze geleerde Bibliothecaris Dr. HERMANS, heeft uit de Vaderl. Letteroefeningen, de
merkwaardigste bijzonderheden opzigtelijk deze medaille medegedeeld, in zijn belangrijk
Geschiedkundig Mengelwerk over de Provincie Noord-Braband, eerste stuk, bl. 20 volg. Alles
doet mij vermoeden, dat dezelve als een eereteeken of pronkpenning gedragen is geworden; zij
is derhalve van de hoogste zeldzaamheid. Men zie over dergelijke pronkpenningen L. JOBERT,
kennis der aloude en hedendaagsche Gedenkpenningen, bladz. 38; waarschijnlijk bevindt zij zich
thans in het Koninklijk Kabinet te 's Hage. Men zie WESTENDORP Antiquiteiten, bl. 265.
12 januari 1842 [...] Van den heer P. C. G. GUYOT, te Nijmegen,
nog een aantal van tien urnen, potjes en schalen, te Deurne in Noord-Braband
gevonden; benevens zeven andere waarschijnlijk van den omtrek van Hunnebedden in
Drenthe afkomstig.
Van den Heer S. H. van der Noordaa te Dordrecht, nog een drietal kleine voorwerpen in
urnen te Deurne gevonden. [...]
25 februari 1842 M. P. O. P. Guyot à Nymègue d'une collection
très-remarquable de bronzes et d'autres objets trouvés près de Deurne dans le
Brabant-Septentrional et qui pour la plupart avaient été rassemblés par M. le
capitaine baron Van Vorst qui les remis à M. Guyot. Cette importante acquisition
jointe aux urnes et autres objets dont il a été rendu compte en 1838 et en 1839, met
le Musée en possession des principaux et des plus rares résultats de la fouille près
de Deurne. Toutes ces découvertes éparses, réunies maintenant, forment un ensemble
qui pourra jeter un grand jour sur la connaissance des anciens peuples qui ont habité
jadis notre pays. La plupart de ces objets sont décrits par M. le conservateur
Janssen dans le Kunst en Letterbode de 1838, pages 370-—395.
#287
12
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
625
630
635
640
645
650
655
660
665
670
675
680
685
6 april 1842 — Uit Wijk bij Duurstede wordt ons
het volgende van eene vereerende baud berigt:
»De opdelving van beenderen en daarmede die van oudheden, heeft genoegzaam
opgehouden. De aanzienlijke menigte en groote verscheidenheid van Romeinsche en
Germaansche overblijfsels, gedurende dezen winter hier opgehaald, zijn, op slechts
eenige stukken na, allen met de meeste zorgvuldigheid ingezameld en in bezit van den
WelEerw. Heer S. C. van der Veur, predikant te Zoelmond. Naar wij vernemen, beslaat
deze verzameling in koperen, marmeren en albasten beeldwerk, 30 zilveren en koperen
penningen, vier in steen gehouwen mortieren, 20 grooteen kleine potten, handmolens,
slingeren andere sleenen, kroezen, vormen, glaswerk, slijpsteenen, 10 steenen ballen,
8 steenen en beenen schijven, haarnaalden, in been en koper gewerkt gereedschap en
ornamenten, 90 sleutels, visch- en paardentuigen, wapenen, 10 bijlen en aksen,
offertuigen en een groot aantal messen en onbekende voorwerpen en werktuigen in
steen, ijzer en koper.
»Tevens vernemen wij, dat uit deze voorwerpen met genoegzame zekerheid, den oorsprong
dier plaats kan worden opgemaakt, en door der Heer van der Veur, gehouden wordt voor
eene offerplaats eenmaal op den oever van den Rijn gelegen. Gaarne zouden wij van dit
alles meer vernemen."
20 januari 1843 Van de heer S. H. VAN DER NOORDAA ontvingen
wij wederom een mortier van tufsteen, in den omtrek van Deurne gevonden.
14 april 1843 ASSEN, den 13 April.
Het berigt, dat bij Onstwedde-Horst in het veen, overblijfsels van een ouden houten
weg ontdekt zijn, herinnert de ontdekking van de Valtherbrug. Men weet, dat in
October 1818, door den toenmaligen Hoofd-Ingenieur Karsten, nabij Valthe onder de
gemeente Odoorn, eene houten brug of weg van tenminste drie uren lengte, eenige
voeten onder hoog veen bedolven, ontdekt werd. Uiteenloopend waren de gevoelens over
den oorsprong van dit reusachtig werk; de meesten hielden het voor eene door
Romeinsche legerbenden geslagene brug; het Koninklijk Nederlandsch Instituut
verklaarde het voor een werk der Drentsche landlieden, daargesteld om ten allen tijde
een geschikte weg naar het klooster te Apel te hebben; velen echter weigerden in de
uitspraak dier letterkundige vierschaar te berusten, en de zaak is nog niet
uitgemaakt. Welligt is men thans op het punt van een soortgelijk overblijfsel der
oudheid te ontdekken. Althans in die streek mag men, zoo ergens, verwachten
gedenkteekenen te zullen vinden van het voorledene, die de tijd vergat te sloopen; de
Valtherbrug, de overlevering, die daar het raadselachtig Hunsow plaatst, het
Weerdinger-Holt, dat in de tijden des Heidendoms een gewijd woud schijnt geweest te
zijn, de verhalen bij Picardt van daar opgedolven oudheden, wijzen ons op dien
uithoek als op een klassiek oord. Wij hopen in het belang der wetenschap, dat
opzettelijke nasporingen ons in de gelegenheid zullen stellen, om iets stelligers
daarover mede te deelen.
1 januari 1844 Een merkwaardig stuk werd in 1844 in een moeras
van de Peel, niet ver van het gehucht Maris gevonden, en bevindt zich thans in het
Leidsch Museum (Cat. ML, alsook Stark, dl. 1876 bl. 7-56; P 1881, 272-274; voorts
HKN) Het is een medaillon (afb. 149) van verguld zilver van ruim 21 cM. middellijn,
dat in vrij hoog relief een voorstelling vertoont van in het midden een man, die een
leeuw worgt, daaromheen dierengevechten, o.a. twee dieren, die elkander een runderkop
betwisten; in den rand met geciseleerde lijstjes zijn vier gaatjes aangebracht om het
medaillon misschien op een schild te hechten; in twee gaatjes zitten nog de nagels
met ronde kopjes. Naar den stijl der figuren oordeelt men het stuk van OostEuropeesche afkomst te zijn.
[hierbij behorende opmerking] Dr. H.C. Gallois maakte ons er op opmerkzaam, dat zich
in het Cabinet des Médailles te Parijs twee schijven bevinden, waarvan één slechts
fragmentarisch bewaard, die sterke overeenkomst vertoonen met het hier besproken
exemplaar. Hij wees ons ook op een opstel van Fr. Drexel in het Jahrbuch des
Kaiserlich deutschen Archäologischen Instituts, XXX (1915), S. 1 ff., volgens wien
deze schijven gemaakt zouden zijn in het begin van de eerste eeuw vóór Christus in de
omgeving van de Zwarte Zee, en op de beschouwing van M. Rostovtzeff in zijn boek
Iranians and Greeks (Oxford, 1922), p. 138 ss. Deze laatste, die in het
menschfiguurtje op het Leidsche stuk Hercules ziet, is van meening, dat de schijven
tusschen de derde en de eerste eeuw vóór Christus zijn ontstaan in Zuid-Rusland, als
het werk van Sarmatische kunstenaars. De drie schijven zijn afgebeeld bij Rostovtzeff
t.a.p., de Leidsche en alleen de gaaf bewaarde Parijsche ook bij Drexel.
#287
13
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
690
695
700
705
31 december 1844 ZILVEREN SIERSCHIJF
De vergulde zilveren sierschijf van Helden is omstreeks 1844 gevonden bij turfstekers
in Helden achter Maris in de Peel, en waarschijnlijk kort na de vondst door de eerste
eigenaar, de heer M. Engels toen burgemeester van Helden, geschonken aan de heer
notaris Guillon te Roermond, die met zijn dochter Elisabeth gehuwd was. Het lijkt wel
zeker te zijn dat het vondstbericht betrouwbaar is. Een studente heeft onlangs de
geschiedenis van de schijf en de archeologische context nagegaan. Dergelijke schijven
kunnen als borstschild van paardetuig hebben gediend. Wij moeten aannemen dat de
sierschijf oudtijds als offer in het veen is gelegd. Vergelijkbare stukken kennen we
vooral uit het mondingsgebied van de Donau, en in Zuid-Rusland, maar ook de
bodemplaat van de beroemde ketel van Gundestrup (Denemarken) is sterk verwante.
Een ander stuk bevindt zich in de Bibliothėque National te Parijs. Op 9 maart 1718
werd op het eiland Sark een der Kanaaleilanden een depot met 13 van dergelijke
schrijven [i.p.v. schijven!] en enkele andere voorwerpen gevonden, waarvan helaas
alleen de overigens zeer fraaie tekeningen bewaard zijn gebleven.
De schijven worden gedateerd in de late ijzertijd en liefst in de eerste eeuw vóór
Christus. De Westeuropese vondsten mogen we beschouwen als importen uit het
Donaugebied.
710
9 april 1847 Van den luitenant-kolonel jhr. VAN DER BRUGGHE VAN CROY,
eene bronzen zoogenaamde framea, van een oortje voorzien, en het fragment van eene
tweede dergelijke, beiden niet ver van het kasteel van Croy, in eene weide aan den
binnenweg op Helmond gevonden.
715
25 september 1848 Onze geleerde en werkzame oudheidkenner,
dr. L. J. F. Janssen, conservator bij het archeologisch kabinet te Leijden, heeft
dezer dagen een rapport aan den minister van binnenlandsche zaken ingezonden,
betreffende het vinden van belangrijke overblijfselen van eene houtenbrug, vlonder of
weg, in het hertogdom Limburg. Dit rapport (in zijn geheel medegedeeld door de
Staats-Courant van 20 September j. 1.) behelst hoofdzakelijk het volgende:
In de maand Augustus jl. in Limburg zijnde, heeft de heer Janssen vernomen, dat voor
eenigen tijd te Broeksittard, onder de aarde, overblijfselen eener houten brug
ontdekt waren. Onverwijld daarnaar onderzoek doende, heeft hij zich van de waarheid
daarvan overtuigd. Het broek, waarin hij de brug gevonden heeft, scheidt de gemeente
Broeksittard van het pruissische dorp Tudder; het is laag, moerassig en veenachtig.
en wordt in de lengte doorsneden door een beekje, Roodebeek genaamd; het is echter
begroeid met gras en gedeeltelijk ook beplant met boomen, en dient tot eene
gemeenschappelijke weide. In eene der laagste plaatsen van dit broek had men voor
eenigen tijd toevallig overblijfselen gevonden van de nu nadelen met zekerheid
ontdekte brug. Bij de thans door den heer Janssen gedane nasporingen, zijn die
overblijfselen gezuiverd van de ongeveer 2 palmen daarboven zittende aarde, en toen
is gebleken, dat de brug eene rigting had, dwars over het broek, noordwest ten
noorden en zuid-oost ten zuiden; lint hare breedte was 3,3 el. en dat zij bestond
deels uit eiken planken van 15 tot 20 d. breedte, deels uit gekloofde eikenboompjes
van 6 tot 8 d. dikte, geschraagd door twee eikenhouten onderleggers. Tusschen de
planken en boompjes waren, op ongeregelde afstanden van 1,75 tot 3 ellen, platte
eiken pinnen doorgeslagen, om het verschuiven der planken en andere belegstukken
tegentegaan. Onder de planken bevond zich eenig zand, somwijlen ook ruwe stukken
gehakt hout, om aan de oppervlakte der brug eene horizontale en tevens vastere
ligging te geven. De bewerking van het geheel was fiks en toonde beleid en overleg.
Langs beide kanten van de brug werd gevonden eikenhouten kribwerk, op sommige
plaatsen ter breedte van 4 ellen. Dit kribwerk scheen voornamelijk gediend te hebben,
om aan de hoofdbrug de vereischte vastheid te geven, maar kon ook aan voetgangers tot
een veilig pad verstrekt hebben. Het tot de brug en het kribwerk gebezigde hout werd,
gedroogd zijnde, zoo hard, dat het als volkomen gaaf aangemerkt kon worden. De bodem
onder de brug was te derrieachtig en nat, dan dat hij nader onderzocht kon worden.
— Ten gevolge van op verscheidene plaatsen gedane nasporingen, kan de lengte der
brug, voor zoo ver zij reeds ontdekt is, op 250 ellen geraamd worden.
Eene vergelijking van deze Broeksittardsche brug met de Drentsche veenbruggen
(beschreven o. a. in de Staats-Courant van 11 November en 4 December 1818) toont de
treffendste overeenkomst van beiden aan, zoo wel wat bouwstoffen en zamenstelling,
als wat breedte betreft (verg. Drentsche oudheden bl. 74); eene overeenkomst, zoo in
het oog loopende, dat men aan beiden slechts eene gelijke afkomst en oudheid kan
toekennen. — Zoo wel de nu ontdekte brug, als de Drentsche veenbruggen, is, volgens
het gevoelen van den heer Janssen van romeinschen oorsprong. — Bij zijne
720
725
730
735
740
745
750
755
#287
14
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
760
765
770
775
780
785
790
795
800
onderzoekingen heeft hij bevonden, dat de romeinsche weg, langs den regter Maasoever,
van Teodorum (Tudder) op Cortovallium (Kortenbach of Valkenburg), welke bij Tudder 6
palm onder de aarde lag en de breedte van 4,36 tot 4.56 el had, met de nu gevonden
houten brug in verband heeft gestaan, en hij houdt het er voor, dat deze laatste de
verlenging is van dien romeinschen weg door het Broeksittardsche-broek. Naauwelijks 5
minuten van de Tuddersche kerk, digt bij den romeinschen weg, heeft hij ook eene
hoogte opgemerkt van meer dan 300 vierk. Ellen, die bezaaid was met romeinsche
scherven; en waarin hij bij eene kleine opgraving reeds velerlei romeinsche
overblijfselen heeft gevonden. Hij vermoedt, dat die hoogte de standplaats van het
oude Teodorum is geweest.
1 januari 1849 zie voor informatie over de Zuidelijke Nederlanden:
ALOUDE GESCHIEDENIS DER BELGEN OF NEDERDUITSCHERS
DOOR Mr. P. BLOMMAERT
14 december 1849 - Onder de gemeente Haelen, nabij Roermond,
is eene plaats, Melenborg geheeten (eene verbastering welligt van Menenborg, een
kasteel der Menapiers), liggende langs den ouden Maas, en aan den anderen kant
belendende aan den ouden Romeinschen weg, die van Tongeren naar Nijmegen liep. Deze
plaats, waarschijnlijk vroeger eene versterkte Romeinsche legerplaats, heeft reeds
herhaalde malen de opmerkzaamheid der liefhebbers van oudheden tot zich getrokken. In
November jl. heeft dr. Jansen, conservator bij het museum te Leyden, er uitgravingen
doen verrigten op eene vrij groote schaal, waarbij gevonden zijn: een denarius van
Antoninus Pius, verscheiden koperen schrijfgriffels, brokken van aardewerk met den
naam van den fabrikant, en andere zeldzaamheden. Het onderzoek van dr Jansen naar de
plaatselijke gesteldheid, heeft hem geleid tot de bepaling der rigting van den ouden
Romeinschen weg en van deszelfs vertakkingen op Melenborg.
Maandag jl. heeft een landbouwer op dezelfde plaats een afgodsbeeld opgedolven van
Anubis, eene Egyptische godheid, in welke men Mercurius vereerde onder den vorm van
een hond; de vereering derzelve werd te Rome ingevoerd ten tijde der Keizers, even
als die van Isis en Senapis. Dit beeld (thans het eigendom van den Heer Slangen,
particulier ontvanger te Haelen), is gebeiteld van witachtigen vrij harden steen, en
heeft 60 Ned. duim hoogte en 15 duim in doorsnede; het lag 80 à 90 duim diep in den
grond.
Het is opmerkelijk, dat de hoogte van Melenborg veilig is voor het hoogste Maaswater,
en dat de gevonden voorwerpen, als spijkers, beenderen, kalk, net bepleisterd
muurwerk, enz., alle bedekt waren met eene laag zandachtige aarde van een Ned. el en
meer dikte, hetgeen doet denken dat bebouwde grond allengs hooger wordt.
1 januari 1850 uit: Découvertes d'antiquités dans le duché de Limbourg [1871]
[47] HELDEN. Dans les marais de cette commune, on a trouvé un médaillon en argent,
représentant un gladiateur à genoux en pressant un lion contre sa poitrine. Sur le
haut du médaillon se trouve un bélier entre deux lions, et en bas une tête de taureau
entre deux tigres. C'est une œuvre du temps de décadence. (Cabinet de M. Guillon a
Ruremonde.)
[197] Kessel fut le moyen àge une seigneurie importante comprenant dix-huit villages
et s'étendant entre le pays de Cuyck, la Meuse, le pays de Horne et le grand marais
de Peel. Les seigneurs portaient le titre de comte; [...]
#287
15
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
805
810
815
[1 januari 1865 uit: Bijdragen tot de geschiedenis van het tegenwoordige Hertogdom]
[135 2)] Tusschen Groot- en Klein-Melenborg (misschien Menapienborg) in, op den
ouden Romeinschen weg van Tongeren naar Nijmegen, werden in 1849 en vroeger,
verschillende Romeinsche oudheden opgegraven. Eenige koperen schrijfgriffels (stylus)
en een bas-relief in witachtigen steen hoog 60, dik 15 duim, verbeeldende de
afgetrokken huid van een leeuw of hond, is door ons in ruiling afgestaan aan den Heer
Guillon, Notaris en oudheidkundige te Roermond.
1 januari 1850 [...] Uit zijn [=Limburgs] bodem
zijn in vroegeren en lateren tijd tal van voorwerpen uit de steen, brons- en
ijzerperiode voor den dag gekomen. De wetenschappelijke onderzoekingen om daarvan op
#287
16
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
820
825
830
835
840
het spoor te komen, dagteekenen het eerst van omstreeks 1825. Deze werden door den
heer CHARLES GUILLON, notaris te Roermond, ingesteld. Een zeer bemiddeld man, legde
hij eene groote verzameling van oudheden aan, van allerlei soort en uit verschillende
tijdperken, die tot aan zijn overlijden op 10 Nov. 1873 geregeld werd aangevuld.
Later is zij door verkoop verspreid geraakt, maar de meeste voorwerpen uit de
voorhistorischen tijd hebben in het Rijksmuseum te Leiden gelukkig een onderkomen
gevonden. [...]
11 april 1850 [...] Uit de opdelvingen en onderzoekingen
onder toezigt van dr. JANSSEN, voor rekening der Regering, te Melenberg, onder de
gemeente Halen en Beugenem, in Limburg:
Eenige BOUWKUNDIGE FRAGMENTEN van behouwen steen, tegels van verschillende vormen en
WARMTEBUIZEN van gebakken aarde, fragmenten van SCHALEN, POTTEN, KRUIKEN en VAASJES
van gebakken aarde, met en zonder fabriekmerken; onder die merken CAJUS F, BASSUS F
OF MASCULI (of MASCUI) enz.; fragmenten van glazen KOMMEN en FLESSCHEN; bronzen en
ijzeren SCHRIJFSTIFTEN en HAARNAALDEN, GESPEN, MANTELHAKEN, BOREN, fragmenten van
ZWAARDEN, RINGEN, HAKEN enz., zilveren munt (denarius) van ANTONINUS PIUS en een
bronzen van de 2de gr. van FAUSTINA DE JONGERE. [...]
8 februari 1853 - Men meldt uit Sleen, 3 Febr.
In de nabijheid van Valthe, hebben eenige arbeiders uit het veen een voorwerp der
oudheid opgedolven, in een wiel, waaraan de spaken loodregt waren bevestigd. Ook in
het voorjaar heeft men voorwerpen gevonden, die van ouden datum dagteekenen en wel
ten Noorden van de alom bekende Romeinschen brug.
850
5 december 1856 Op MAANDAG 15 December 1856 en Vijf volgende dagen,
des Voor- en Namiddags, zal de Boekhandelaar G. THEOD. BOM, te Amsterdam, in ODEON
Publiek Verkoopen: het uitmuntende KABINET GEDENK- EN LEGPENNINGEN, EERE- en
DRAAGTEEKENEN, VROEDSCHAPS-, GILDE-, SCHUTTERS-, RELIGIEUSE-, VRIJMETSELAARS-, PRIJSen BRANDSPUITPENNINGEN. NOODMUNTEN EN MUNTEN, MUNT-, PENNING- EN WAPENKUNDIGE BOEKEN,
NAGELATEN DOOR WIJLEN DEN HEER S. H. VAN DER NOORDAA, Lid van verschillende Binnenen Buitenlandsche Letterk., Histor. en Oudheidkundige Genootschappen, te Dordrecht.
KIJKDAGEN: VRIJDAG en ZATURDAG 12 en 13 December. De CATALOGUS is op franco aanvrage
a 20 Cents te bekomen bij G. THEOD. BOM, Kalverstraat, E 10.
(19573)
855
2 augustus 1862 - Bij het graven eener sloot (gröft) op Orland,
is volgens de Courant van Drentheim, in een veengrond het geraamte gevonden van een
grooten walvisch. De plaats waar het gevonden werd, is 1000 ellen van de zee
verwijderd en 20 voet boven de oppervlakkte van het water verheven.
845
860
865
870
7 april 1863 Men meldt uit Westerbork dd. 2 April:
Onlangs vond men op Nieuweroord, in deze gemeente, bij het turfgraven onder de
veenlaag op het zand, twee vrij groote runderhoornen bij elkander. Aanmerkelijk
beschadigd, achtte men het de moeite niet waard die te bewaren.
De omstandigheid, dat zij op het zand lagen en door de veenlaag gedekt waren , deed
vermoeden , dat er bij den aanvang der veenvorming, reeds rundvee in deze streken
moest geweest zijn. Wanneer men aanneemt, dat met den Kimbrischen vloed de
veenvorming is aangevangen, dan zouden die hoornen nagenoeg 2000 jaren oud zijn.
Dat er in een veel later tijdperk een rund in die veenen verdwaald en omgekomen zou
wezen, valt bijna niet te denken, omdat de plaats, waar de hoornen gevonden zijn,
vrij ver van den vasten bodem verwijderd is, en dezelve ook, nadat de veenvorming
eenigen voortgang had gemaakt, moeijelijk op de zandlaag eene plaats zouden hebben
kunnen vinden.
De kern was vrij gaaf, het buitenste gedeelte eenigmate vergaan.
875
880
20 april 1863 Uit Stadskanaal wordt aan de Veend. Ct.
het volgende gemeld: Bij de vergraving van het veen van G. Schuur alhier, gelegen in
den Boerveenster mond, heeft men dezer dagen een zilveren lepel gevonden, onder eene
veenlaag van 9 voet. Aan het uiteinde is hij aan weerzijden van het getal 33
voorzien, waarom eene bloem is gewerkt. Het is niet onwaarschijnlijk, dat het cijfer
het jaartal van de bewerking aanduidt, want mogen ook zilveren tafelgereedschappen
door onze voorvaderen uit dien tijd niet of slechts hoogst, zelden zijn gebruikt, de
Romeinen, die ook deze streken niet onbezocht lieten, maakten niet alleen een
veelvuldig gebruik van dit edele metaal, maar hadden het in de ciseleerkunst ver
gebragt. Deze vondst levert, dunkt ons, ook weder een van de talrijke bewijzen op,
#287
17
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
885
890
895
900
905
910
915
920
925
930
935
940
945
dat de bodem hier in de grijze oudheid, zoo niet bewoond, dan toch wel bezocht is
geworden.
22 april 1863 N. B. Wij geven dit berigt, zoo als wij het vinden, doch merken er bij
aan, dat wanneer deze lepel, niet eene steel- of wijnlepel “trulla”, maar een
“cochlear” is, zij onmogelijk van het jaar 33, dus den tijd van keizer Tiberius, kan
dateren.
22 juni 1863 Dezer dagen werd door de gebr. Kok te Diever,
bij het turfgraven in het Oudendieverveld, ter diepte van 5 voet, tusschen veen en
zand, de wol van 2 schapen gevonden, welke nog zuiver gaaf en krachtig is bevonden.
Wie weet hoeveel jaren geleden deze dieren daarin zijn geraakt en onder het veen zijn
bedolven, want zelfs de beenderen waren geheel vergaan.
31 maart 1864 Voor de VADERLANDSCHE oudheden
werden onderscheidene aanwinsten gedaan. Met de hierboven vermelde Romeinsche
voorwerpen uit de nalatenschap van wijlen den heer S. H. VAN DER NOORDAA werden ook
eenige overgenomen, van de vroegere bewoners van ons Vaderland afkomstig: eene zeer
fraai gepolijste vuursteenen BIJL, 12 dm. lang; een ruw bewerkte BAL van trachiet, 4
dm. in doorsnede; eene URNE van gebakken aarde, gevuld met verbrande
menschenbeenderen, hoog 19 dm.; eene andere URNE, 18 dm. hoog, met de daarin gevonden
brokken van eene bronzen HAARNAALD; nog een drietal URNEN met verbrande beenderen en
overblijfsels van bronzen RINGEN enz.; de urnen van 10, 15.5 en 16 duim hoogte; twee
KOMMETJES, 9 en 7 dm.; 4 POTJES van verschillende vormen, 6 5 tot 9.5 dm. hoog; een
bekervormig VAATJE, 5.5 dm. hoog, en eenige brokstukken van potten. Al deze
voorwerpen, met uitzondering welligt van de WIGGE, waren in 1837 op de oude
begraafplaats te Deurne in Noordbrabant opgegraven; zij vormen nu met de stukken die,
ter zelfder plaats gevonden, in 1840 en 1841 door wijlen den heer P. O. G. GUYOT aan
het Museum geschonken werden, een aanzienlijk geheel.
[...]
Eenige MIDDELEEUWSCHE EN LATERE VOORWERPEN, afkomstig uit de ontgravingen voor de
legerplaats te Nijmegen, een paar trachietsteenen MORTIEREN met STAMPERS uit den
omtrek van Deurne afkomstig en tot de reeds meermalen genoemde nalatenschap van
wijlen den heer S. H. VAN DER NOORDAA behoorende; [...]
5 juli 1866 — Uit Groningen wordt van 27 Junij geschreven:
«Gisteren is door de arbeiders Frans Hidding en Jannes Wolberts, aan het Ter-ApelKanaal, in het veen, terwijl zij bezig waren met turfgraven, gevonden het lijk van
een manspersoon, dat vele jaren onder het veen schijnt te zijn bedolven geweest.
Vermeld lijk lag in de onmiddelijke nabijheid van den weg, in eene regie houding op
de onderste veenlaag, en was gewikkeld in een wollen kleed, waarop nog sporen van
strepen zigtbaar waren. Het vleesch was geheel en de beenderen bijna verteerd, doch
het vel, ofschoon bruin van kleur, was in zijn geheel, zoo zelfs, dat daaraan nog
alle vingers en teenen zigtbaar waren. Het aangezigt was door het uitgraven
beschadigd, doch het hoofdhaar was lang en de baard digt en zwaar. Op het lijk werden
gevonden twee stokken, die het waarschijnlijk tot draagbaar hadden gediend. Het is
mogelijk, dat dit het lijk is van een der kloosterlingen, die in vroegere jaren het
klooster Ter-Appel bewoonden. Het kleed geeft daartoe wel eenige grond. Door den
Rijks-Veldwachter brigadier titulair Heyt is een en ander onderzocht en daarvan aan
de bevoegde autoriteit kennis gegeven.
28 november 1874 OUDHEDEN.
De belangrijke verzamelingen van oudheden, kunstvoorwerpen, boeken en archieven,
nagelaten door den Heer G. Ch. H. GUILLON, in leven Notaris te Roermond, zullende ten
verzoeke van den heer Mr. C. Guillon, Procureur aldaar, ten overstaan van den te
Roermond residerenden Notaris MAX. CORNELIS, ten sterfhuize, op de volgende dagen,
iedere reis te beginnen des voormiddags ten 9 ure, openbaar verkocht worden, te
weten:
De Gothische kasten en andere voorwerpen van Kunst op maandag den 30 November
eerstkomende.
De schilderijen en gravuren op den 1sten en 2den December daaraanvolgende.
De Archieven op den 9 december en volgende dagen.
De prehistorische, Romeinsche, Germaansche en Frankische oudheden op den 11 Jan. 1875
en volgende dagen
De intaglio’s (intailles), Romeinsche munten en medailles, benevens de Middeleeuwsche
munten en andere penningen, op den 18 Januarij 1875 en volgende dagen.
#287
18
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
950
955
960
965
970
975
980
985
990
995
1000
Alle verzamelingen, met uitzondering der bibliotheek, zullen tegen contante betaling
en tien percent verhooging voor kosten, verkocht worden.
Voor de voldoening der boeken wordt drie maanden crediet verleend.
Aan heeren liefhebbers zal daags voor de pespectieve verkoopingen, van des
voormiddags 9 tot des namiddags 5 ure, de gelegenheid gegeven worden om de te
verkoopen verzameling te bezigtigen.
De vereenigde Catalogussen zijn tegen betaling van 60 cents verkrijgbaar bij den
uitgever dezer Courant, terwijl daarenboven voor aanvragen buiten Roermond het porto
der post bedraagt als volgt: voor Nederland en België 22, voor Duitschland 55 en voor
Frankrijk 56 cents.
Ter voldoening van koopprijs en porto worden postzegels aangenomen.
30 januari 1875 - In de gemeente Obbicht zijn dezer dagen,
naar men meldt, bij het uithalen van kiezel eenige potten te voorschijn gekomen, die
bevonden werden Romeinsche graf-urnen te zijn. Door broosheid zijn ze echter
gedeeltelijk uit elkander gevallen. Het belangrijkste van de vondst moet zijn een
groote glazen urn, van blaauwachtig glas, gevuld met eenige beenderen. Naast die
voorwerpen werden gevonden een stuk van een slot, alsmede eenige koperen voorwerpen,
zooals een groote speld, twee keurig bewerkte handvatten, gelijk men die aan kisten
ziet, twee ringen, waarvan de draad achtkantig is, en een holle plaat, voorstellende
een leeuwenhoofd, met een koperen ringetje in den muil.
21 juni 1883 Bij het turfgraven in het veen van Vinelumovergaard
in Denemarken werd een menschelijk geraamte gevonden in eene dierenhuid genaaid. Het
skelet werd op eene diepte van ongeveer twee el gevonden in een veengrond, die
vroeger niet was afgegraven. Op de dierenhuid zag men nog duidelijk sporen van het
haar, en het naaisel, dat met gedroogde darmen scheen verricht te zijn, was nog zoo
sterk, dat het nauwelijks was los te maken. De overheid gaf dadelijk bevel, het
turfgraven in de nabijheid van de plaats, waar het skelet gevonden was, te staken,
maar ongelukkig hadden de arbeiders, die niet vermoedden, wat de huid bevatte, het
skelet bijna geheel vernield, zoodat slechts de eene voet en eenige beenderen in
gaven toestand behouden zijn gebleven.
21 februari 1887 Op tien minuten afstand
van de bebouwde kom der gemeente Millingen ligt een stuk weiland, “de Eversberg”
genaamd. Volgens de meening van sommigen zou daar ten tijde van de Batavieren een
blokhuis hebben gestaan. Om die reden worden in dat stuk weiland in den laatsten tijd
herhaaldelijk uitgravingen gedaan, om den bodem te onderzoeken. Men vond er
menschenbeenderen, oorringen, zwaarden, steenen van grooten omvang en aarden potjes,
waarvan de meeste echter gebroken te voorschijn kwamen. Eenige dagen geleden vond men
ook het geraamte van een reusachtig mensch, wiens gebit nog geheel gaaf en volledig
was. In de onmiddellijke nabijheid van het geraamte lag een zwaard. Reeds vroeger
zijn eenige der gevonden voorwerpen door den weleerw. pastoor te Millingen, die de
werkzaamheden leidt, aan het Museum van Oudheden te Leiden afgestaan.
29 december 1888 - Men meldt uit Vaals:
In het naburige Burtscheid hebben werklieden, die bezig waren met het omspitten van
grond, ll. Vrijdag eene Romeinsche waterleiding blootgelegd.
Twee en twintig geheel gave tegels werden opgedolven, waaronder er worden
aangetroffen, die het opschrift dragen: LEG VI VIC P F (hetgeen beteekent: legio VI
victrix pia felix, vrij vertaald: het overwinnende, trouwe, en gelukkige zesde
legioen.
1 januari 1890
1005
1010
OUDHEIDKUNDIGE VERZAMELINGEN TE ROERMOND, VENLO EN MAASTRICHT
IN 1848
DOOR JOS. HABETS
ROERMOND, J. J. ROMEN EN ZONEN.
In 1848 ondernam wijlen de Heer Janssen, conservator
bij het koninklijk museum van Oudheden te Leiden, op last der regeering eene
kunstreis door Limburg. Het doel van dit bezoek was een verslag te geven over den
toestand der oudheidkundige monumenten van dit gewest en een onderzoek te doen naar
de rigting der oude romeinsche heerbanen, die deze provincie doorkruist hebben. De
Heer Janssen bezocht Tongeren, Maastricht, Roermond en Venlo. Hij verrigtte
opgravingen te Melenburg onder Buggenum en ondernam een uitstapje in de omstreken van
Arcen naar een paar versterkingen van aardewerk, die tot bescherming der Fossa
Eugeniana schenen gediend te hebben en vond aldaar in den omtrek, te Zand bij Pont,
#287
19
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1015
1020
1025
1030
1035
1040
1045
1050
1055
1060
1065
1070
1075
op pruissisch grondgebied, den romeinschen weg van Coriovallum op Xanten (Castra
Vetera) en een aantal romeinsche oudheden.
Uit zijn verslag nemen wij over wat hij opgeteekend heeft betrekkelijk de verzameling
uit den vóór-christelijken tijd van wijlen den Heer Charles Guillon te Roermond, als
ook eenige bijzonderheden over romeinsche voorwerpen, die zich destijds te Venlo en
te Maastricht op het stadhuis bevonden. Zie hier wat hij geboekt heeft betrekkelijk
de antiquiteiten van wijlen den Heer Guillon.
“Te Roermond bevindt zich een der rijkste verzamelingen van vaderlandsche oudheden,
die namelijk van den Heer Ch. Guillon, secretaris van de Kamer van Koophandel aldaar.
Als particuliere collectie van vaderlandsche oudheden, doet zij alleen in Romeinsche
oudheden onder, voor die van den Heer P. C. G. Guyoth te Nymegen, maar zij overtreft
deze ver in Gallo-Germaansche overblijfsels vooral in snijdende voorwerpen van steen
(1=1). Bovendien heeft zij het eigenaardige, van door den bezitter zelve en diens
broeder te zijn bijeengebragt, en dat, met uitzondering van penningen en van eenige
te Xanten gevonden voorwerpen, alles in het hertogdom Limburg gevonden is, en dat de
plaatsen waar het ontdekt is, naauwkeurig bekend zijn. Wie dus het karakter der in
Limburg te vinden oudheden, in het algemeen begeert te kennen, zal in deze
verzameling, vooral onder het geleide van den kundigen bezitter, bevrediging vinden.
“Sedert langen tijd was de Heer Guillon van voornemen, om het belangrijkste van zijne
verzameling uit te geven, en er tevens een algemeen overzigt over bekend te maken,
iets waaraan hij echter alsnog door zijne vele practische werkzaamheden verhinderd
werd. Veel is intusschen reeds door hem opgesteld en daaruit afgebeeld, en hij heeft
gedurende mijne aanwezigheid aldaar het voornemen hernieuwd, om zoodra mogelijk de
meer dan begonnen wetenschappelijke werkzaamheden voort te zetten. Diensvolgens zou
het eerst in het licht verschijnen: een verhandeling over de door hem gedane
onderzoekingen in Gallo-Germaansche graven, op onderscheidene plaatsen van Limburg,
en daarna eene verhandeling over zijne snijdende werktuigen van steen. Over beide
onderwerpen zijn reeds alle de teekeningen en een groot gedeelte van den tekst
voltooid.
“Om eenig denkbeeld van den aard, den omvang en het belang van deze verzameling te
geven, zal het volgende, op autopsie gegronde overzigt kunnen dienen; waarbij echter
slechts het voornaamste en zulks met de meeste kortheid wordt aangeduid.
A. KELTISCHE- EN GALLO-GERMAANSCHE VOORWERPEN.
I. Van steen: 1° Een aantal wiggen en enkele hamers, welligt p. m. 50 stuks, meest
van vuursteen en van bekende vormen. Als hoogstzeldzaam, welligt geheel eenig, zijn
daartusschen aan te merken twee wiggen van Jaspis, waarvan de eene op zijde een zeer
naauw geboord gaatje heeft van 2 strepen middellijn, de andere eveneens de sporen van
zulk een gaatje vertoont, doch waarvan de boring mislukt is. Die gaatjes moesten
klaarblijkelijk dienen om er een riempje door te steken, waaraan die voorwerpen
gehangen konden worden. Zij zijn daarom zoo belangrijk, omdat uit die naauwe gaatjes
moet worden afgeleid, dat men zich tot boring van een metalen priem bediend heeft en
er dus uit blijkt, dat zulke wiggen, die uit den tijd der vroegste beschaving van een
volk afkomstig zijn nog vervaardigd, bewerkt of gebruikt werden, toen het gebruik van
metaal, voor technische instrumenten reeds in zwang was (1=2). Onder die wiggen zijn
er overigens nog vier, die wegens zeldzameren vorm opmerking verdienen.
2° Een aantal pijlspitsen, omstreeks 40 stuks, van vuursteen, waaronder ten minste 11
of 12 karakterisch onderscheiden vormen. Tot nog toe zijn niet méér, welligt niet
eens zoo vele vormen van vuursteenen pijlspitsen bekend, en de verscheidenheid der
genoemde pijlspitsen is te belangrijker, wanneer men overweegt, dat die allen uit een
enkel gedeelte onzes vaderlands, het hertogdom Limburg afkomstig zijn.
3° Mesjes van vuursteen p. m. 20 stuks van onderscheidene vorm en grootte, alsmede
kleine nog onbekende voorwerpen van vuursteen, sommige overeenkomstig met de door mij
afgebeelde op de kaart van het Udelermeer enz., bij mijne verhandeling Over de
oudste vaderlandsche schansen in de Bijdragen van den Hr Nijhoff IV p. 71.
II. Van brons. 1° Celten, framëen of catejen, 5 stuks, van bekende vormen. 2° één
peervormige dolk. 3° één pijlspits, in vorm geheel overeenkomstig met één der
vuursteenen, hierboven aangestipt. Indien deze pijlspits niet romeinsch, maar gelijk
mij waarschijnelijk voorkomt celtisch of Gallo-Germaansch is, bewijst zij op nieuw,
dat men de vormen van werktuigen, die in de steenperiode gebruikt werden, later in de
bronsperiode heeft bijgehouden (1=3).
III. Van ijzer. 1° Een plat kommetje van 0.085 el middellijn en 0.04 el hoog.
Soortgelijke ijzeren kommetjes zijn, zoo ver mij bekend is, elders nog niet bij
germaansche voorwerpen gevonden. 2° Een kegelvormige bel, van boven voorzien van een
oogje, hoog p. m. 0,1 el; alsmede eenige afzonderlijke klepels uit soortgelijke
bellen. Ook deze voorwerpen bij of in Germaansche urnen gevondne, zijn hoogst
zeldzaam, zoo niet eenig. 3° Drie pijlspitsen, waarvan één, met een hol steeltje en
#287
20
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1080
1085
1090
1095
1100
1105
1110
1115
1120
1125
1130
1135
1140
voorzien van weerhaken, lang 01.1 of 0.12 el, hetwelk door den bezitter welligt te
regt voor de germaansche framea gehouden wordt. 4° Zeven mesjes van drie
onderscheidene vormen. 5° Twee gespjes van onderscheidene vormen (1=4).
IV. Van gebakken aarde: Een zeer groot getal urnen en andere vazen en schotels, van
onderscheidene vormen, grootte, bewerking en versiering, en waaronder sommigen
zeldzaam zijn.
B. ROMEINSCHE VOORWERPEN.
Een belangrijk gedeelte daarvan is reeds in ons verslag over Melenburg vermeld (2=5).
Bovendien echter komen hier in aanmerking p. m. 150 stuks kruiken, urnen, schotels,
lampjes enz. waaronder sommige van terra sigillata; eene groote bronzen schaal
(patera) en eene zeskantige flesch van lichtgroen glas (3=6) om van vele andere
kleine voorwerpen niet te gewagen.
“Tot de bij Xanten gevonden romeinsche voorwerpen behooren eenige fraaije stukken van
terra sigillata, waartusschen als zeldzaam zijn aan te merken, een cantharus en twee
kommetjes, voorts reukfleschjes, waaronder een donkerblaauwe (1=7); koralen van pâte
van verschillende kleuren en vorm; ronde gordelversieringen van witte, gele en
blaauwe pâte (vroeger voor stemboontjes gehouden) (2=8). Die Xantensche voorwerpen
vermeerderen nog steeds, omdat de bezitter eenen vasten aankooper te Xanten heeft,
waardoor hem niet ligt een belangrijk dáár nieuw gevonden voorwerp ontgaan kan; zulks
is te meer van aanbelang omdat de bekende Xantensche oudheidsvriend, de notaris
Houben, in de laatste jaren opgehouden heeft door aankoopen zijne verzameling te
vermeerderen, zoodat er thans veel voor de wetenschap bewaard blijft, wat anders ligt
verstrooid, of voor menigen oudheidkundigen verborgen zou blijven.
“Voor de penningverzameling, die p. m. 2000 stuks Romeinsche munten bevat, met
uitzondering van de middeleeuwschen en lateren, heb ik, dewijl de tijd mij zulks niet
toeliet, slechts een gedeelte kunnen bezigtigen, waartoe eenige zeldzame stukken
behoorden als: de as quadrans, triens, enkele consulaire en één, naar ik meen,
onuitgegeven van Postumus”.
Dit verslag van den Heer Janssen geeft den toestand te kennen, waarin zich deze
merkwaardige verzameling van oudheden bevond gedurende zijn bezoek te Roermond in
1848. Sedert dien tijd heeft wijlen de Heer Guillon geene moeite en geene
opofferingen gespaard om zijn geliefkoosde collectiën te vermeerderen en door nieuwe
aankoopen te verrijken, zoodat men wel zonder overdrijving kan aannemen, dat het
getal voorwerpen tot aan zijn dood, die den 10 November 1873 voorviel, meer dan
verdubbeld is. Ook de waarde van het later aangeworvene is veel grooter dan hetgeen
door den Heer Janssen is gezien. Zijne boekerij, zijne verzameling archieven,
handschriften, landkaarten, teekeningen, etsen, schilderijen en voorwerpen van kunst
en smaak zijn in December 1874 onder den hamer gebragt en verspreid. Dit is echter
niet het geval met zijne verzameling, munten, penningen, stempels, gesneden steenen,
alsook met de bovengenoemde verzameling van oudheidkundige voorwerpen uit den
voorhistorischen, germaanschen, classischen en frankischen tijd. Deze zijn in bezit
gebleven van den Heer Clement Guillon, advokaat te Roermond. Het ware te wenschen dat
de regeering of eene onzer Limburgsche steden deze verzameling aankocht; zij zouden
best dienen tot grondslag voor een stedelijk Museum.
Betrekkelijk eenige romeinsche tegels voorzien met legioenmerken, die hij te Venlo
zag, berigt de Heer Janssen het volgende: “Op de reis naar Venlo vernam ik van eenen
medereiziger, dat zich daar op het stadhuis eene verzameling van romeinsche oudheden
bevond, gedeponeerd door zekeren Heer Justen, wijnhandelaar te Brussel. Toen ik mij,
ter plaatse aangekomen, daarnaar informeerde ontving ik op het stadhuis van den
aldaar aanwezigen geëmployeerden, den Heer Canoy ten antwoord, dat die verzameling
voor eenigen tijd door den eigenaar verkocht was aan het Provinciaal genootschap van
wetenschappen te 's Hertogenbosch, met uitzondering van eenige tegelsteenen, die men
te onbeduidend geacht had, en die nu op mijn verzoek voor den dag werden gehaald.
Deze waren intusschen geenszins onbelangrijk, en er was alleen bij te betreuren, dat
niemand wist waar zij gevonden waren. Ik giste dat zij van Xanten afstamden, omdat de
Heer Justen, in oudheden handel drijvende, gelijk men mij berigtte, nog al veel te
Xanten geweest was, en ook omdat Xanten niet zeer ver van Venlo was, en naast
Nijmegen de eenige plaats in de nabijheid van Venlo is, waar vele romeinsche tegels
(met legioenmerken) gevonden worden; eindelijk omdat sommige stempels dier steenen,
niet overeenkomen met stempels te Nijmegen gevonden, waarvan ik er velen, welligt
duizenden, onderzocht heb. De stempels der Venloosche tegels bevatteden de namen van
legerafdeelingen waren:
#287
21
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1145
1150
(L)IMIN (legio 1a Minerva), (L)VR (legio 5a rapax), LEGVIVIC (legio 6ta victrix), LXV
(legio 15ma), LEGXXX, LEGXXXVV (legio 30ma Ulpia Victrix); voorts EXCGERINF
(exercitus Germaniae inferioris) en RHENANA, bij welken laatsten naam is aan te
merken, dat vermoedelijk op een en anderen daarbij behoorenden tegel het woord TRANS
gestaan heeft, zoodat die steen van de legio transrhenana afkomstig is, waarvan o. a.
tegels te Dormagen gevonden zijn, volgens STEINER Cod. Inscr. Rom. Rhen. No 699 of
697. Nog bevond zich onder deze een afgesleten opschrift, vermoedelijk van de VIde
legioen, maar met één mij onbekenden naam.
Voorts waren er drie zeer zeldzame tusschen door dat zich op de oppervlakte van den
steen waar zich het opschrift bevond, drie bolle, knoopvormige verhevenheden
vertoonden, denkelijk gediend hebbende om te verhoeden, dat de stempel niet
geschonden werd bij het opleggen van een anderen tegel, zij hadden p. m. dezen vorm:
0.25.
Een andere tegel was daarom merkwaardig, dat de stempel er tweemalen en wel
kruiselings op ingedrukt waren aldus:
#287
22
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1160
1165
1170
1175
1180
1185
1190
1195
Van fabriekstempels vond ik er slechts eenen, die eenigzins leesbaar was, te weten:
OF. M
(officina Marcelli of iets dergelijks.)”
Zoover de aanteekeningen van den Heer Janssen. Er zou verwarring in de wetenschap
ontstaan, wanneer de vindingplaatsen van oudheden niet naauwkeurig en naar waarheid
werden opgegeven. Romeinsche legioentegels zijn het zekere kenmerk van de
aanwezigheid van romeinsche legerafdeelingen en van vaste militaire standplaatsen.
Het zou dus van het grootste gewigt wezen indien men kon achterhalen waar voormelde
legioenmerken gevonden zijn. Met dit oogmerk hebben wij ons gewend aan den Heer
Gallot, destijds secretaris der stad Venlo, die ons onder dagteekening van 16 April
1877, met veel bereidwilligheid het volgende mededeelde: “De Heer A. Justen heeft bij
zijn vertrek van hier naar Brussel, (omstreeks het jaar 1843) verzocht zijne
verzameling opgezette vogelen en antiquiteiten, voorloopig op het stadhuis te mogen
plaatsen, hetwelk hem werd vergund. Eenigen tijd later verkocht hij zijne
antiquiteiten aan het provinciaal museum te 's Hertogenbosch; enkele romeinsche
tegels bleven er over, en het zijn deze, die de Heer Janssen van Leiden, hier ter
plaatse heeft gezien. De Heer Justen verkocht nader aan zijne geboortestad Venlo,
zijne verzameling van opgezette vogels, en werden dezelve met de overblijvende
romeinsche tegels in een vertrek van het gebouw der Hoogere burgerschool te dezer
stede geplaatst, alwaar zij zich thans nog bevinden. Als ik mij goed herinner, zouden
de bedoelde tegels gevonden zijn in de omstreken van Venlo, namelijk te Baerlo,
Grubbenvorst of elders”.
De twijfel over de afkomst der Venlosche tegels is hiermede niet opgelost. Zij
blijven voor de wetenschap, nog steeds, wat men op het gebied der wapenkunde noemt
voorwerpen van enquerre.
Te Maastricht bragt de Heer Janssen een bezoek aan de romeinsche voorwerpen, die in
1840 in de Stokstraat waren gevonden en beschreven zijn geworden door Dr Leemans in
zijn werk, getiteld Oudheden van Maastricht (1=9). Hij vond dezen in papier
gewikkeld, op het stadhuis, in eene kast geborgen. Hij betreurde dat deze voorwerpen
niet toegankelijk waren voor het publiek en onderhield den burgemeester Nierstrass
over het wenschenswaardige van deze zaken openlijk ten toon te stellen en eene
lessenaar daartoe te doen vervaardigen, waartoe de Heer burgemeester zich dan ook
bereid verklaarde.
Na nog over andere oudheden der stad Maastricht uitgeweid te hebben vervolgt de
berigtgever: “Onder de oudheden van vóór-christelijken tijd, te Maastricht aanwezig,
doch onvermeld gelaten door diegenen die over Maastrichtsche oudheden geschreven
hebben, behooren eenige voorwerpen, die in de verzameling der Société des amis des
arts et des sciences bewaard worden. Deze zijn twee romeinsche lampen, één
reukfleschje, één bronzen mantelhaak (fibula), twee beenen haarnaalden en één (niet
romeinsche) wig van vuursteen, de laatste geschonden en afkomstig uit een bebouwd
land bij den St. Pietersberg (2=10); voorts eene doodskist van rooden zandsteen,
#287
23
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1200
1205
1210
1215
1220
1225
1230
vierkant van vorm en romeinsch van oorsprong, naar mij toeschijnt. Deze is
merkwaardig wegens vier ronde, nisvormige bogen, van binnen in de wanden uitgehouwen,
denkelijk in navolging van de nissen der Columbaria, waarin men de urnen pleegde bij
te zetten, die de beenderen en de asch der afgestorvenen bevatteden. De plaats waar
deze kist gevonden was, wist men niet te zeggen, doch zou men er, op mijn verzoek,
onderzoek naar doen (1=11).
Een ander tot dusverre mede onbekend gebleven en zeer vermoedelijk romeinsch
monument, vond ik in de krogt der kerk van Onze Lieve Vrouw, eene krogt die naar den
vorm der kolommen te oordeelen uit de XIe eeuw dagteekent. Het was een graauwe
zandsteen, langwerpig vierkant van gedaante en zeer goed in den vorm van een altaar
gehouwen, hebben de hoogte van p. m. een el. Er was echter geen spoor van opschrift
te ontdekken, en het kwam mij voor, dat er nimmer een opschrift op geweest was, en
dus denkelijk als koopwaar is overgebragt, om later van een opschrift voorzien te
worden, wanneer iemand een altaar of grafsteen noodig had. Hiervan zijn meer
voorbeelden uit den romeinschen tijd overig. Dit altaar lag in een verlaten hoek,
tegen den muur, doch verdiende eene betere plaats, waar het voor verlies of
verminking beveiligd was”.
Na deze bemerking gaat de Heer Janssen over tot het bespreken van twee voorbeelden
van onachtzaamheid, waaraan men zich omstreeks den tijd zijner reis te Maastricht had
schuldig gemaakt. Hij geeft eene onjuiste voorstelling van den bekenden verkoop der
romaanschen relikwiekasten der St. Servaaskerk, welken verkoop de schrijver op
rekening stelt van het kerkbestuur van O. L. Vrouw, en treed verder eene campagne aan
tegen smaakloze en onkunstmatige herstellingen in dezelfde O. L. Vrouwekerk. “Over
eenige jaren – zegt hij – heeft het bestuur dezer kerk goedgevonden, van de fraaije
romaansche kolommen van het koor (die naar ik meen van zandsteen en overblijfselen
uit de XIde eeuw zijn), wier fraai beeldwerk niet minder boeit dan dat van het
portaal van St. Servaaskerk, te laten beschilderen op de wijze van rood-bont marmer!
Soortgelijke verminkingen zullen wel bezwaarlijk kunnen verhinderd worden, wanneer
bij kerkelijke besturen of administratiën volslagen gebrek aan smaak en kunstzin
blijft heersschen. Maar het ware te wenschen dat in collegies van dien aard ten
minste altoos een lid was, dat eenige kennis van of achting voor oude kunst had, om,
in geval er gevaar bestond dat kunstoverblijfselen oververwd of andersints geschonden
of verwijderd werden, daarvan terstond de bevoegde autoriteit kennis te geven, ten
#287
24
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1235
1240
einde het gevaar te vóórkomen. Hiertoe zoude misschien eene dispositie van de
Ministers van Eeredienst van gunstigen invloed kunnen zijn. Hoe dit zijn moge, ik
achtte mij verpligt, de aangeduide middelen, tot toekomstige verhoeding van
soortgelijke mistastingen aan uwe Excellencie eerbiedig voor te stellen”.
Van Maastricht vertrok de Heer Janssen naar Tongeren, om er eenige classische
oudheden te bezigtigen in en bij die stad aanwezig. Wij zullen den reiziger op dezen
togt niet volgen, omdat voorwerpen van dien aard, buiten ons hertogdom gevonden, niet
onmiddellijk tot ons bestek behooren.
Notities
1245
1250
1255
1260
1265
1270
1275
1280
1285
1290
1295
1300
(1=1) De Heer Janssen noemt de voortbrengselen uit het steentijdperk “Gallo-Germaansche
overblijfsels.” Sedert 1848 is echter de wetenschap met rassche schreden vooruitgegaan en er
is geen spraak meer van Gallo-Germaansche voorwerpen uit den steentijd.
(1=2) De Catalogue d'antiquités van de verzameling-Guillon, uitgegeven in 1874, is het niet
eens met den Heer Janssen. Bij No 79 zegt der vervaardiger: “Hache toute polie, oblongue,
belle, perforée d'un petit trou, peut-être naturel, provenant de Thorn.” In den vuursteen
bevinden zich inderdaad meermalen kleine zakjes of aders, gevuld met kalkstof, die door het
regenwater opgelost zijnde, kleine gaatjes vormen. De bearbeider van den steen kan dus
voordeel getrokken hebben uit den natuurlijken toestand van zijn stof, maar zulke gaten kunnen
ook ontstaan zijn, of geheel of ten deele, door boring. Over het mechanische boren van
vuursteen met vuursteen vgl. Dr WINKLER, De mensch voor de geschiedenis, p. 233.
(1=3) Zie Catalogue des antiquités, No 198, waar deze pijlspits als gevonden te Putbroek bij
Echt, in de omstreken van Roermond voorkomt. Vgl. over zulke pijlspitsen en over eene
peervormige bronzen lans Dr WINKLER p. 417.
(1=4) De Catalogue schijnt deze germaansche voorwerpen uit den ijzertijd onder de oudheden van
latere dagteekening geordend te hebben. Immers op het einde der rubriek Poterie germaine p. 21
vind men te lezen: “L'age de fer, pour ce qui regarde le Limbourg avant la conquête de
Romains, n'a guère de représentants qui puissent se produire.” Het ijzeren kommetjes,
hierboven vermeld, vindt waarschijnlijk zijne plaats onder No 838, der “objets en fer douteux
quant à l'époque”. Het werd gevonden te Heiblom onder Roggel. IJzeren schellen en klepels zijn
mij op de Catalogue niet voorgekomen.
(2=5) Deze voorwerpen hopen wij te bespreken tegelijk met de opgravingen door wijlen den Heer
Janssen te Melenborg bewerkstelligd.
(3=6) Catalogue No 411 gevonden in de Graatheide bij Sittard.
(1=7) Misschien No 414, maar de Catalogue merkt dit als afkomstig van Heyen in Limburg
(2=8) Catalogue Nos 421,422, 423 en 424.
(1=9) Leiden 1843, in 8e met atlas.
(2=10) Deze voorwerpen bevinden zich, tegelijk met die uit de Stokstraat, op het stadhuis. Wij
hopen dat zoodra er een vast lokaal gevonden wordt, ter berging onzer steeds meer en meer
aangroeijende collectiën, ook deze oudheden naar ons provinciaal museum mogen overgebragt
worden.
(1=11) De zandsteenen kist, waarvan hier sprake, is afkomstig uit Schinveld. Zij wordt vermeld
in den Bulletin de l'academie royale de Bruxelles, tome V, No 4 en in de Publ. etc. du
Limbourg, II p. 232. Wijlen de Heer Cudell schreef over deze kist en over een paar andere
steenen kisten, gevonden te Limbricht, eene Verhandeling die niet gedrukt is. Zie Publ. etc.
du Limb. VIII p. 302. De Schinveldsche kist werd in 1869 door Jhr. Victor de Stuers en
schrijver dezes, te Maastricht naast de poort van het koninklijk atheneum, onder eenen hoop
straatsteenen teruggevonden. Zij werd naar het Museum onzer Societeit gevoerd, waar zij thans
in veiligheid is.
1 maart 1890 Antiquiteiten.
Het beroemde MUSÉE GUILLON gedurende meer dan een halve eeuw bijeenverzameld door den
bekwamen oudheidkundige CHARLES GUILLON, Notaris te Roermond, zal publiek worden
VERKOCHT op Dinsdag 11-15 Maart a.s. te AMSTERDAM door G. THEOD. BOM & ZOON,
Spuistraat 135.
De verzameling omvat meest in Limburg opgegravene Romeinsche, Germaansche, Celtische
en Middeleeuwsche Oudheden, Romeinsche en Geldersche Munten en Medailles, Limburgsche
Muntstempels, Japansch gelakte en oude eikenhouten Meubelen, Porceleinen,
Schilderijen, Kostbaarheden, enz.
Catalogus f 0 25.
8 maart 1890 De catalogus der kunstvoorwerpen,
nagelaten door wijlen den notaris Guillon alhier, noemt wel duizend in Limburg
opgegravene Romeinsche, Germaansche, Keltische, Frankische en middeleeuwsche
oudheden, uit het steen- en uit het bronstijdperk, lijkurnen, Romeinsch glas- en
aardewerk, ruim 70 stuks van het fraaie roode aardewerk van Samos, een eenige in
zilver gedrevene schildplaat, waarschijnlijk uit de laatsten tijd van het Romeinsche
keizerrijk, ruim 80 gesneden steenen of cameeën, 1400 antike gouden, zilveren en
bronzen munten, eenige middeleeuwsche Geldersche en Limburgsche munten, muntstempels
en zegels, benevens eene kleine verzameling zilveren drijfwerken, oude meubelen, enz.
#287
25
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
De met zorg bewerkte catalogus bewijst wel, dat hier voor onze antiquaren en
oudheidkundigen veel belangrijks te vinden is.
1305
1310
1315
1320
1325
1330
1335
1340
1345
1350
1355
1360
1365
10 maart 1890 Twee zeer belangrijke veilingen
zullen dezer dagen weder bij de auctionarissen G. Theod. Bom & Zoon, te Amsterdam,
plaats hebben.
De eerste, bevattende de verzameling oudheden en munten, nagelaten door wijlen den
Heer Charles Guillon, notaris te Roermond, is voor de beoefenaars der geschiedenis
van ons vaderland vooral van groot belang. Nimmer toch werd eene dergelijke collectie
van 1000 in Limburg opgegraven Romeinsche, Germaansche, Keltische, Frankische en
middeneeuwsche oudheden in veiling gebracht. Zij doet ons een blik werpen in de zeden
en gebruiken van die tijden. Zoowel het steen- als het bronstijdperk zijn ruim
vertegenwoordigd, terwijl de verzameling Germaansch aardewerk, waaronder vele urnen
met de asch onzer Germaansche voorvaderen, tot de rijkste mag worden gerekend. Ook
het Romeinsche glas- en aardewerk, urnen, enz., waaronder van het fraaie roode
aardewerk van Samos, verdient belangstelling, evenzeer als de in zilver en hautrelief gedreven umbo of schildplaat, een meesterstuk van drijfwerk uit den tijd van
het Bas Empire. Voorts behoort tot deze collectie nog eene verzameling van ruim 80
meest antieke gesneden steenen of cameeën, antieke gouden, zilveren en bronzen
munten, eenige middeneeuwsche Geldersche en Limburgsche munten, enz., enz.
De tweede, van beperkter omvang, bevat een collectie antiquiteiten, zilveren
drijfwerken, antieke meubelen, historische en Amsterdamsche rariteiten,
kostbaarheden, porselein en Delftsch aardewerk, horens en schelpen, schilderijen,
stereoscopen, glazen stereoscoopplaten, enz.
Een en ander is te bezichtigen in het verkooplokaal der firma, Spuistraat 135,
Zaterdag, Zondag en Maandag 8-10 Maart, van 10-3 uur.
10 maart 1890 Dinsdagochtend Tien uur: VERKOOPING
bij G. THEOD. BOM & ZOON, Spuistraat 135 naast Die Port van Cleve.
Collectie Guillon Antiquiteiten uit het Steen- en Bronstijdperk, Germaansche urnen,
No.1-813.
Des avonds te Zes uur antieke Romeinsche Munten, te beginnen met No. 1.
Met terugzending van den Catalogus Guillon zal men de Verkoopers ten zeerste
verplichten.
14 maart 1890 De verzameling Limburgsche oudheden,
die bij G. Theod. Bom & Zoon, op de Spuistraat alhier, thans wordt verkocht en van
den Heer Ch. Guillon te Roermond afkomstig was, blijkt algemeen de aandacht te hebben
getrokken.
Gelukkig blijft het grootste gedeelte daarvan in ons land en is voornamelijk voor het
Rijksmuseum van oudheden te Leiden en voor het Maastrichtsch museum van oudheden
aangekocht. Het overige ging in handen van particulieren, terwijl enkele zeer fraaie
stukken voor Engelsche rekening werden gekocht. No. 79 steenen bijl bracht op f14;
no. 38 een dito f11.50; no. 160 steenen pijlpunten f15; no. 167 een steenen ponjaard
f26; no. 199 een bronzen scheermes f10; no. 200 een lemmet voor een zwaard f28; no.
300 een germaansche beker f12; no. 314 en 315 2 bronzen beeldjes f39; no. 321 2
koperen ornamenten van een drievoet f14; no. 329 een dito reukdoosje met lepel f13;
no. 336 een plaat met Jupiter en Hébe f48; no. 410 een Romeinsche flesch f35; no 411
een dito kleiner f20; no. 427 een vaas van aardewerk van Samos f32. De veiling duurt
voort.
9 juni 1891 In het Ter Haarsche Veen, bij Ter Apel,
is eenige voeten onder het veenoppervlak het vrij wel geconserveerde lijk van een man
gevonden. Deze vondst werd door een jongen turfgraver gedaan en is weder een bewijs,
dat veen zeer bederfwerend is. Het lijk, dat geheel ontkleed is bevonden, had
aanvankelijk bij het opdelven een donkergele kleur, men zou kunnen zeggen: was op weg
tot vereenzelving met het veen; na een dag of twee is het nu reeds geheel zwart. Het
ligt thans nog, op last van het Gemeentebestuur, in het lijkenhuisje op het kerkhof
te Ter Apel. Er is van geraamte geen sprake, wel van een zekere intering. De huid is
zacht lederachtig. Het hoofd vertoont nog een baard en rossige hoofdharen. De
gelaatstrekken zijn zoover te oordeelen, regelmatig. Hoe lang is de veenlaag het graf
van dien man geweest?
13 juni 1891 Een arbeider te Smilde heeft Woensdag
in het veen, vrij diep beneden de oppervlakte, beenderen gevonden van een mensch. Het
geraamte was niet in zijn geheel. Eene pijp, beenen knoopen en stukken van schoenen
#287
26
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
doen vermoeden, dat niet aan het toeval daar gekomen beenderen gedacht mag worden.
1370
1375
1380
1385
1390
1395
1400
1405
1410
1415
1420
1425
1430
23 maart 1893 - In het veen van Valte (Dr.)
is in de nabijheid van de Romeinsche brug een gedeelte van een wagen gevonden. Het
voorwerp, dat zeker vele eeuwen oud is, zal naar het Provinciaal Museum voor Oudheden
van Drenthe worden opgezonden. Voor de oudheidkunde is deze vondst van veel belang,
vooral ook in verband met de plaats, waar zij geschied is.
7 mei 1893 Tentoonstelling te Eindhoven.
Het welvarend Eindhoven mag zich reeds sedert lange tijden verheugen in het bezit van
uitstekend werkvolk. Geheel in tegenstelling met andere plaatsjes in Noord-Brabant en
Limburg heeft men daar begrepen dat aan de nijverheid de kunst moet zijn gepaard, en
zoo ontstond er eene breede rij van werklieden, die zich met de besten in den lande
kunnen meten. Goud- en zilversmeden, beeldhouwers, schilders, bouwkundigen,
metselaars en timmerlieden, die in den vollen zin van het woord uitmuntend werk
leveren, zijn hier niet zeldzaam.
Eenige jaren geleden werd te Eindhoven door eenige patroons eene vereeniging
opgericht, genaamd De Bouwkundige vakken, en waarvan de naam de bestemming voldoende
aanduidt. Het was door de goede zorgen dezer Vereeniging, dat de tentoonstelling tot
stand kwam, waarop elke Eindhovenaar thans met onmiskenbare rechtmatigheid trotsch
gaat. De producten van kunsten handwerksnijverheid, hier bijeengebracht, bewijzen dat
hierboven van de Eindhovensche werklieden niet te veel is gezegd. Natuurlijk vindt
men onder het tentoongestelde ook leelijk werk, dat hier had kunnen gemist worden,
maar veel, zeer veel kan den toets der meest strenge critiek veilig doorstaan.
Ten einde de belangstelling voor deze onderneming in ruimer kring uit te breiden,
kwam de vereenïging De Bouwkundige vakken indertijd op het uitstekend denkbeeld
daaraan ook eene tentoonstelling van oude kunst te verbinden, aan welke laatste
afdeeling ten slotte eene historische en topographische tentoonstelling betreffende
Kempenland en Peelland werd toegevoegd. Met het bijeenbrengen dezer laatste
verzameling heeft zich de heer Aug. Sassen, archivaris van Helmond, belast, en het
mag niet worden ontkend dat, wanneer de tentoonstelling in ruimer kring de aandacht
zal trekken, dan ook voor een groot deel aan zijne goede zorgen zal te danken zijn.
Die historische en topographische afdeeling heeft de eigenlijke tentoonstelling niet
in de schaduw gesteld, maar daaraan eene eigenaardige bekoring gegeven, die de
onderneming ongetwijfeld zeer ten goede zal komen.
Wanneer men den catelogus der door Sassen bijeengebrachte verzameling ter hand neemt,
dan mag men ongetwijfeld verbaasd staan, dat van een zoo kleine en voorheen zoo
onbelangrijke streek als Peel en Kempenland, zooveel merkwaardigs is kunnen verzameld
worden, te meer nog indien het waar is, wat verzekerd wordt, dat nog zooveel, wegens
gebrek aan plaatsruimte, in portefeuille moest blijven.
Eene menigte historische en topographische schilderijen, prenten en teekeningen,
munten, penningen, zegels, wapens en oudheden roepen ons hier de historie dezer
streken in aangename vormen voor den geest. Er zoude voor een vakblad van deze
afdeeling een uitvoerig en belangrijk opstel kunnen worden samengesteld; in een
dagblad, als dit, zullen wij natuurlijk moeten volstaan met eene korte opsomming der
voornaamste zaken.
Allereerst wordt onze aandacht getrokken door de horens en een gedeelte van den
schedel van een uitgestorven rund van buitengewone afmetingen, eenige jaren geleden
te Stiphout opgegraven. Wanneer wij de verdwenen punten der horens in onze gedachten
aanvullen, kunnen wij ons den kop voorstellen van dezen reus uit het dierenrijk, die
eeuwen geleden het Peellandsche woud van zijn geloei deed weergalmen. Een enkele
horen van een kleiner of jonger exemplaar van dit dier werd uit de Peel onder Deurne
opgegraven en is hier mede tentoongesteld. Uit de in 1840 onder Westerhoven en
omliggende plaatsen door den heer P. N Panken ontdekt Germaansche kerkhoven werd door
hem de merkwaardigste urn bewaard en hier tentoongesteld. De Kelten zijn
vertegenwoordigd door een drietal vuursteenen beitels, waarvan eene (cat. nr. 6) door
groote afmeting, een ander uit het jongere tijdperk (cat. nr. 4) door zijn keurige
afwerking uitmunt. De herrinnering aan de Romeinsche legerscharen, die hier zoo
langen tijd hebben vertoefd wordt bij ons opgewekt door eenige verzamelingen van in
die streken opgegraven Romeinsche munten, waarvan die van den heer Alph. Schellens
door keurig onderhouden exemplaren en geschiedkundige rangschikking de aandacht
verdient. Van de eerste christelijke tijden spreekt een Romeinsch kruisbeeld van
hoogen ouderdom, dat in 1847 bij het afbreken der Kerk van Aarle werd opgegraven en
ruim een zestal eeuwen geleden waarschijnlijk met het lijk eens priesters is begraven
geworden. Onder de kerkelijke oudheden verdienen voorts onze aandacht een paar fraaie
#287
27
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1435
1440
1445
1450
1455
1460
1465
1470
1475
1480
1485
1490
1495
beelden, 15e eeuw, afkomstig uit de kerk te Liessel, en twee reliëfs in albast van
uitnemend Italiaansch werk, die te Stiphout met den platten kant naar boven in eenen
vloer waren ingemetseld en aldaar in 1887 dooreen toeval werden ontdekt.
Onder de oudheden van latere tijden mogen hier vermeld worden eene volledige
apotheek, afkomstig uit Bergeyk, een gedeelte van het ameublement van het hôtel De
Zwaan te Oorschot, en twee prachtige statie-kostuums, onlangs gevonden in eene kast
op het kasteel Croy, alles dagteekenende uit de vorige eeuw, terwijl mede melding
verdienen de kostbare geschenken, die in 1796 door de representanten van Bataafseh
Brabant en de municipaliteit van Oorschot werden gegeven aan Arn. van Heumen, primus
van Leuven, alle met de desbetreffende oorkonden, gelegenheidsgedichten en
jaarverzen.
Onder de zegels en penningen is veel merkwaardigs te zien. In het bijzonder verdient
onze aandacht de gedenkpenning op het 50-jarig huwelijk van Joha Josselin en Gerard
de Jong, heer van Beek en Donk, 1764, in goud. Eene door den heer Aug. Sassen
vervaardigde kopie van een reusachtig schoorsteenstuk van 1688 in het kasteel te
Helmond zal ongetwijfeld de belangstelling der heraldici in niet geringe mate
opwekken.
De afdeeling historische en topographische schilderijen en prenten telt meer dan 100
nummers, voor het meerendeel eigendom van den heer Aug. Sassen.
Onder hetgeen door anderen werd ingezonden, dient vooral te worden gelet op een
superbe teekening van het kasteel van Gemert Ao 1675, eigendom van jonkheer mr.
Victor en Stuers.
Een 40 tal portretten van beroemde personen, heeren geestelijken en ambtenaren, die
tot deze streken in eenige betrekking stonden, waaronder schilderstukken van groote
afmetingen, uitmuntende kopergravuren en 18de-eeuwsche silhouëttes, zetten deze
afdeeling nieuwe aantrekkelijkheid bij.
Onder de andere tentoongestelde zaken verdienen onze beschouwing o. a een reusachtig
charter van 1508, betreffende de grensscheiding tusschen Oorschot en aangrenzende
gemeenten, dat in de zeer hooge tentoonstellingszaal van den zolder tot aan den vloer
reikt, eene menigte aanplakbiljetten uit de vorige eeuw, oude vlugschriftjes en
bibliographische zeldzaamheden, alle op deze streken van toepassing en grootendeels
het eigendom van den heer Aug. Sassen. Aan het einde der zaal aanschouwt men eene
reusachtige tropee, samengesteld uit een groot aantal vaandels, trommen en ontelbare
zilveren hanen en koningschilden alle eigendom van de vele Peel en Kempenlandsche
schutsgilde, die in hun taai leven hier in zoo groot aantal tot heden voortbestaan.
Van deze merkwaardige gedenkstukken van eene der aanzienlijkste zijden van het
vroegere volksleven zal in ons land wel nooit zulke belangrijke verzameling zijn
bijeengezien.
Alles te zamen genomen mag de historische en topographische afdeeling der
Eindhovensche tentoonstelling als zeer merkwaardig worden geroemd.
8 mei 1893 De arbeiders Andries Cats en Jurjen v. d. Berg, te Oosterwolde,
bezig zijnde met turfgraven in het Fochteloveen, hebben op circa 2 meter diepte onder
de veenlaag een eigenaardige steensoort gevonden.
De steen heeft veel overeenkomst met zerksteen en is in verschillenden vorm in
stukken.
Met weet niet waartoe deze nieuwe delfstof — samen een kruiwagen vol — heeft gediend,
doch zal haar door een deskundige laten onderzoeken en opzenden naar het Friesch
Museum van Oudheden.
Opmerkelijk is het, dat deze soort van zerksteen is gevonden in hetzelfde veen, in de
nabijheid, waar de keienrij, vermoedelijk romeinsche weg, zich onder het veen
bevindt.
Nog zij vermeld dat op de grootste brokken steen op één zijde inkervingen (figuren?)
voorkomen.
1 december 1894 Verkooping van Wapens en Kunstvoorwerpen TE KEULEN.
[...] 2º. Kunst-verzamelingen van wijlen den WelEd. Gestr. Heer C. Guillon, advocaat
te Roermond, [...] Verkooping 12-18 December 1894.
Prijs van den geïllustreerden catalogus 3 Mark.
J. M. Heberle (H. Lempertz’ Söhne), Keulen.
29 mei 1895 EELDE, 28 Mei. Door den dienstknecht E. de Vries
is bij het turfgraven op eene diepte van twee meter onder het veen een houten lepel
gevonden, die nog in zeer gaven toestand is. Hij is zeer netjes bewerkt; de steel
heeft eene lengte van een decimeter en het blad eene doorsnede van vier centimeter,
waarin in het midden de letter W. is gesneden.
#287
28
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1500
1505
1510
1515
1520
1525
1530
1535
1540
1545
1550
1555
1560
2 augustus 1895 HAULERWIJK, 30 Juli. Voor eenige dagen werd
door den arbeider A. v. d. Ploeg bij het turfgraven in het veen een dun plaatje ter
grootte van een gulden gevonden. Hij bood de vondst zijn kameraad aan voor een
dubbeltje. Thuis gekomen begint zijn vrouw er aan te krabben, die het voor houd
verklaart. Hij gaat naar den houdsmid, die hem er f4.50 voor toetelt. Men zegt, dat
het een geldstuk uit de oudheid is en de waarde ervan nog twijfelachtig.
2 mei 1896 - Eenige turfgravers, die in de omstreken van Valtermond
aan den arbeid waren, hebben uit het veen... een geheel paard opgegraven! Het beest
had de hoefijzers nog onder. Hoe en wanneer het daar verzeild raakte, is een raadsel.
26 januari 1897 - Donderdag morgen heeft men te Eelen
bij het omdelven van een stuk grond, eigendom van den heer Powis de Tenbossche, een
aanzienlijke partij Romeinsche potten en wapens, alsook een 17-tal doodshoofden
gevonden. Men groef tevens een volledig groot lijk op, hetwelk met het hoofd
noordwaarts lag met eene lans aan zijne rechterzijde.
De heer Jos. Gielen, oudheidkundige te Measeyck, is reeds bezig met de uitvoerige
beschrijving der voorwerpen en der plaats, welke volgens genoemden heer een Romeinsch
kerkhof is.
5 juli 1897 Te Beets (Fr.) is, op ongeveer drie voet diepte,
in het veen een volledig menschelijk geraamte gevonden, dat zich in gaven toestand
bevond.
30 maart 1899 Te Emmer-Compascuum is op anderhalven M. diepte
onder het veen een menschelijk geraamte gevonden, dat nog volkomen gaaf is. Het is te
bezichtigen bij den Heer J. Bults, aldaar.
17 juni 1900 Een interessante vondst heeft men te Damersdorf in Duitschland gedaan.
Daar vonden eenige dagen geleden werklieden bij 't graven in 't moeras een goed
geconserveerd lijk, dat in een groven, wollen stof gehuld was, rood haar had en
sandalen aan de voeten droeg. Dr. Splieth, uit Kiel, schatte den ouderdom van 't lijk
op ongeveer 1500 jaren.
28 november 1900 Een "veenlijk” van vijftien eeuwen.
Den 29en Mei van dit jaar werd in het Damendorfer veenmoeras, Kreis Eckernförde, in
Sleeswijk, een lijk gevonden dat van zeer ouden datum scheen te zijn en bijzonder
goed geconserveerd bleek. Het lijk is onderzocht door de directrice van het
Sleeswijk-Holsteinesche museum van vaderlandsche oudheden, professor mejuffrouw
Mestorf en door dr. Grotrian; dit onderzoek heeft het volgende opgeleverd:
In den loop des tijds hebben de veenplanten haar wortels door de huid van het lijk
geboord, daarna door het ingewand van borst- en buikholte en eindelijk ook in het
vastere spierweefsel. Voorts heeft het binnendringende water de kalkzouten aan de
beenderen onttrokken zoodat deze zich nu in vochtigen toestand laten snijden als
gummi. Daarentegen heeft het veenwater conserveerend gewerkt op het bindweefsel
zoodat het lichaam onder den druk van het veen weliswaar is saamgeperst tot niet meer
dan 1 a 4 c.M., dikte maar, evenals een silhouet, de oorspronkelijke omlijning geheel
heeft behouden. Bij het lijk zijn kleedingstukken gevonden: een mantel van fijne,
bewonderenswaardig geweven wol met geruit patroon en sierlijk geweven kant (de kleur
van den mantel is, nu althans, donkerbruin), voorts een broek, waarvan de naden
geheel zijn verteerd, twee voetbanden, twee leeren schoenen en een leeren gordel. Uit
den aard van die kleeding maakt men op, dat het lijk moet dagteekenen van den tijd
tusschen 200 en 400 n. C. Het haar is — thans — bruinrood en zeer goed geconserveerd.
De lichaamslengte is 1.74 M. Dr. Grotrian meent dat deze persoon zeer goed gebouwd is
geweest en krachtiger dan de tegenwoordige marine-artilleristen en marinestokers
waarvoor de gezondste en sterkste mannen worden gekozen.
Dit is het negende "veenlijk" dat in Sleeswijk-Holstein is gevonden. Jutland heeft er
vier, Fünen één, Falster twee en Hannover vier geleverd.
8 juni 1901 LEEUWARDEN, 7 Juni. Menschengeraamten.
Heeft men voor eenige dagen op het kerkhof te Oudemirdum in Friesland by het
vergraven van zes naast elkander liggende graven, meer dan vijftig schedels en
beenderen van menschen gevonden, welke van zeer oude dagteekening zijn,
raadselachtiger is de herkomst van menschengeraamten te Beilen in Drenthe gevonden.
Hieromtrent schrijft men aan de Asser Ct.:
Bij 't turfgraven in een veentje van den heer van Vloten werd voor eenige dagen een
#287
29
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1565
1570
1575
1580
1585
1590
1595
1600
1605
1610
1615
1620
1625
1630
schoen gevonden en eergisteren werd uit 't veen te voorschijn gebracht een nog gaaf
en goed in den vorm zittend menschelijk geraamte. Vermoedelijk is het lichaam door
menschen daar vroeger gebracht, daar het met een hoopje struiken was bedekt, doch wie
weet hoe lang geleden.
Nader blijkt, dat er twee menschengeraamten en de schedel van een kind in 't veen
zaten. Bij het een ligt de tong nog in den mond en neus en ooren zijn nog aanwezig.
De struiken blijken van vlierboom te zijn.
Gisteren ontving de Asser Ct. nog het volgende schrijven uit Beilen van 5 Juni:
Hedenmiddag bracht de burgemeester van Beilen, vergezeld van politie, een bezoek aan
de veenkuilen, waar gisteren de drie menschengeraamten zijn gevonden. Na eenig graven
vond men nog een 4de geraamte van een mensch en verscheidene zoo goed als gave
kleedingstukken. Ook vond men eenige stukken dik zwaar zoolleer. Waarmee men hier te
doen heeft is een raadsel. Eenige kleedingstukken en wat leer is door de politie
meegenomen.
11 juni 1901 Uit oude tijden.
Bij 't turfgraven in een veentje van den heer Van Vloten, onder de gemeente Beilen,
werd voor eenige dagen te voorschijn gebracht een nog gaaf en goed in den vorm
zittend menschelijk geraamte Nader bleek dat er twee menschengeraamten en de schedel
van een kind in 't veen zaten. Bij het een lag de tong nog in den mond en neus en
ooren waren nog aanwezig. Na verder graven vond men nog een geraamte van een mensch
en verscheidene zoo goed als gave kleedingstukken. Ook vond men eenige stukken dik
zwaar zoolleer. 't Veen had een en ander goed geconserveerd. Zoo was er een handje,
waarschijnlijk van een jonge vrouw, waarvan de vinders nog van nagels zijn voorzien.
Een stuk bovenkaak wordt van groot belang geacht, omdat in die kaak zich niet
bevinden gewone snijtanden (dentes incisivi), doch maaltanden (dontes molares), wat
meer bij oude lijken is geconstateerd.
4 februari 1905 Oudheden. — De Heer G. M. Kam, te Nijmegen,
heeft, bij akte van 4 Februari 1905, aan den Staat der Nederlanden geschonken zijne
hoogst belangrijke verzameling oudheden, doch zóó, dat deze schenking eerst na zijn
dood door de Regeering worde in bezit genomen. Deze verzameling bestaat in hoofdzaak
uit: eenige voorhistorische vaten, steenen en bronzen beitels, wapenen, Romeinsche
grafurnen, legioen-steenen, kannen, vazen, lampen, terra nigra en terra sigillata,
zoogenaamde Belgische waren, borden, vazen, kommen, enz.; bronzen vazen, spiegels,
beelden, fibula's, enz.;
Romeinsch glaswerk, gesneden steenen, pastes, kralen, Romeinsche en Frankische
wapenen, eenige Frankische vaten en voorts Romeinsche munten, gouden-, zilveren- en
bronzen-, uit den tijd der Republiek en den Keizertijd;
een zilveren medaillon van Constantijn den Groote.
De verzameling Romeinsch is voor het overgroote deel uit den Augusteïschen tijd.
Voorts een aantal middeleeuwsche oudheden, als: vazen, tegels, enz. Inzonderheid de
Romeinsche en voorhistorische oudheden zijn voor het overgroote deel in Nijmegen en
omgeving gevonden.
12 maart 1907 Provinciaal Genootschap “Limburg.” Kring Venlo.
Zaterdag vergaderde op de bovenzaal van café Suisse de Kring Venlo van het
Provinciaal Genootschap “Limburg.” [...] Hierna krijgt de heer van Beurden, 1e
Secretaris, het woord en houdt eene voordracht over het wapen van Venlo. [...]
Daarop gaf baron von Geijr Schweppenburg nog eenige mededeelingen over zijn
onderzoekingen der Romeinsche heerbanen, begraafplaatsen en vestigingen ten beste,
[...]
27 augustus 1907 Opgravingen in Zuid-Limburg.
In aansluiting aan de opgravingen van verleden jaar op den Heihof bij Valkenburg,
zijn thans daar in de buurt bij Maasdal, onder leiding van prof. Goossens te Rolduc
en de heeren dr. J. H. Holwerda, conservator en N. J. Krom, assistent aan het
Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, opgravingen aangevangen. Blootgelegd werden reeds
twee evenwijdig fundamenten, loopende over een lengte van plm. 30 meter, gedeeltelijk
door bouwpuin bedekt. Zeer waarschijnlijk hebben deze fundamenten uit Romeinschen
tijd aan een villa toebehoord, waaarvan men ook de verdere grondslagen hoopt te
vinden. Behalve fragmenten van dakpannen en aardewerk werd een mooie bronzen
mantelspeld gevonden.
26 augustus 1908 DARP (Havelte), 24 Augs. De arbeider E. Trompetter
alhier vond j.l. Zaterdag bij het turfgraven in het Witte Veen een nog zeer gave urn.
#287
30
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1635
1640
1645
1650
1655
1660
1665
1670
1675
1680
1685
1690
1695
Bedoeld voorwerp lag beneden de veenlaag, ruim 3 meter beneden den beganen grond. Het
i voorzien van één oor en vertoont beneden den hals een menschengezicht. Over den
ouderdom kunnen wij niets zeggen, maar te oordeelen naar de vorming van den veenlaag,
die er zich boven bevond, moet het van zeer ouden datum zijn.
15 oktober 1909 Munt- en Penningveiling.
In de Woensdagochtend voortgezette veiling der collectie munten en penningen van
wijlen mr. L. G. Brouwer, onder directie van den expert J. Schülman, werden o. a. de
volgende interessante stukken verkocht:
[...] In de namiddagzitting werden onder veel belangstelling de Grieksche en
Romeinsche munten verkocht o. a.: [...] 2251, een sou d'or van Constantijn den
Groote, f68; 2252 idem van denzelfde met gaatje, f27.
13 november 1909 […] De Ruiterweg, reeds voor ongeveer 2000 jaar
door de Romeinen bij hun veroveringstochten door ons land aangelegd, waarover zij met
hun ruiterbenden (oorsprong van den naam) door geheel Drenthe trokken, en waarvan
waarschijnlijk de voor eenige jaren bij Valthe met turfgraven blootgelegde brug nog
een deel uitmaakte, is zeker een der oudste zoo niet de oudste gebaande weg in ons
land. De weg loopt langs den Bisschopsberg. in de onmiddellijke nabijheid van twee
groote hunnebedden, en hieruit en uit meer na te noemen omstandigheden kunnen we
afleiden, dat de streken aan weerszijden van genoemden weg tot de vroegst bewoonde
van ons land behooren. Niet alleen werden voor en na, bij 't z.g. steenpunten,
(ontgraven van keisteenen, die nog voor weinige jaren bij groote hoeveelheden uit 't
heideveld gedolven werden en tot 't versterken van onze zeedijken of 't vervaardigen
van macadam werden aangewend), voorwerpen uit den Spaanschen tijd, maar ook tal van
malen uit den Romeinschen en uit den voorhistorischen tijd en het bronzen en steenen
tijdperk gevonden. Bij het graven naar keien vond men soms heele massa's bij
elkander.
Bij voorzichtige ontgraving bleek later, dat die massa's steenen kelders of
keldertjes vormden, op wier bodem een of meer urnen met ach van houtskool en
beenderen zich bevonden. Op den bodem van zoo'n voorhistorischen grafkelder lag
steeds een groote platte kei. Daarop waren buikvormig tal van kleine keien zeer
regelmatig opgestapeld, terwijl de zoodoende verkregen holte aan de bovenzijde weer
door een groote platte kei werd afgesloten. Voor eenigen tijd nog vond men in het
veld van den heer Meesters bij 't diepspitten aan aarden schotel, waarop
onderscheidene bronzen wapenen en sieraden. In wijden cirkel daarom heen groef men
tal van turnen op, waarin weer verbrande beenderen en houtskool. Volgens
oudheidkundigen had men hier te doen met een offerplaats aan de goden, zijnde wapens
het grootste offer, dat gebracht kon worden.
Steenen en bronzen wapenen en gereedschappen van zeer ouden datum en ongekenden vorm
werden eveneens, zoowel als overoude geldstukken, uit den bodem te voorschijn
gebracht.
Genoeg tot staving van onze bewering, dat het land om en bij den Ruiterweg al mee tot
de eerstbewoonde streken van ons vaderland behoort.
12 februari 1910 Romeinsche nederzetting.
Dr. J. H. Holwerda te Leiden schrijft in "Vragen en Mededeelingen" het volgende over
de Romeinsche nederzetting bij Beesel. "Reeds vroeg waren hier bij Beesel enkele
Romeinsche en Germaansche overblijfselen gevonden. Zelfs onderzochten we hier voor
eenige jaren een klein grafveld uit die periode, waaruit enkele urnen in het
Rijksmuseum van oudheden aanwezig zijn. Daar men hier echter dezen winter het terrein
in kultuur ging brengen, moest er vanwege het Rijksmuseum van Oudheden een onderzoek
worden ingesteld naar wat hier waarschijnlijk eenmaal gelegen had en of de bewerking
van den grond die vroegere resten niet verstoren zou. Uit den aard der zaak is het
seizoen daarvoor ongeschikt. Toen ik dan ook de overtuiging had, dat de bebouwing van
den grond hier aan de overblijfselen geen kwaad zou doen, kon ik het werk staken. Een
bepaald oordeel uit te spreken is misschien wat voorbarig. Toch meen ik hier in den
grond zeker het profiel van een Romeinsche gracht te hebben gezien en zijn de
scherven betrekkelijk weinig in aantal hier gevonden, alle aan een zelfde bepaald
tijdstip in het latere deel van de 2e eeuw na Chr. toe te schrijven. Een en ander
doet mij vermoeden, dat hier een slechts zeer tijdelijk Romeinsch kamp uit die
periode in den grond ligt, waartoe zeer waarschijnlijk ook de vroeger reeds gevonden
brandgraven in de buurt hebben behoord. Hoewel door vroegere afgraving van het
terrein een groot deel geheel moet zijn vernietigd, zal een nader onderzoek de
juistheid van mijn vermoeden nog wel met zekerheid kunnen bevestigen of
logenstraffen."
#287
31
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1700
1705
1710
1715
1720
1725
1730
1735
1740
1745
1750
4 mei 1910 In het Buinerveen (Drente) komt bij het turfgraven
een eeuwenoude brug tevoorschijn. reeds is zij over eene lengte van meer dan 12 meter
blootgelegd. Het houtwerk is nog behoorlijk gaaf. De palen zijn echter zeer ongelijk
van dikte; er zijn er van 3 d. m. in doorsnede. Met houten pennen is het een en ander
aan elkander bevestigd.
15 juni 1910 [18 maart 2006 De vloek van de Romein]
[...] Hij heeft inmiddels twee krantenartikelen teruggevonden die bewijzen dat die
helm helemaal niet werd gevonden door de Meijelse turfsteker, maar door een
turfsteker uit Helden, officieel Peter Janssen geheten, maar beter bekend als Loeves
Pier. Dit was in de krant gekomen vanwege z'n diamanten bruiloft, in het najaar van
1965. Loeves Pier had de verslaggever verteld dat hij op die middag in 1910 Gebbel
Smolenaars er nog net van had kunnen weerhouden de helm kapot te steken. Piet had
zich in de turfput laten glijden en had het geval er met beide handen uitgegraven.
Hij had de helm afgespoeld in een veenplas en 'm toen op zijn eigen kop gezet. Pier
was zelfs nog naar de bakker in Helenaveen gegaan om daar een kartonnen doos te gaan
vragen zodat Smolenaars de schat mee naar huis kon nemen. Want ze hadden die middag
nog veel meer gevonden, 'zoals een paar laarzen, een paar schoenen of sandalen, een
lederen paardendeken een zilveren spoor en 'n 40-tal koperen munten', aldus had
Loeves Pier de verslaggever verteld. [...]
Zijn vader had nog gesproken met turfgravers die in 1910 ooggetuige waren geweest van
het tumult rondom de vondst. Er moet toen tijdens het graven een heleboel verloren
zijn geraakt. Z'n vader heeft nog ooit een stuk van de lans gehad, die door de
turfstekers in stukken was gestoken.
De stenen heeft-ie nadien aan de heemkundevereniging van Helden gegeven en liggen nou
ergens op zolder.
[Op 23 oktober 1905 trouwt Peter Janssen uit Helden met Maria Wilhelmina Peters uit
Tegelen.]
Helenaveen 17 Juni 1910.
Zeer geachte Heer Holwerda!
Een veenarbeider vond verleden Woensdag in het veen 3 munten, vervolgens een mooie
helm, die helaas stukgestooten is, stukken leer, die samen een kleedingstuk moeten
hebben gevormd, twee sandalen, die beide nog zeer gaaf zijn, een haak, zooals men die
bij de Romeinen aantrof om kleedingstukken aan elkander te bevestigen en verder 38
munten uit brons of zilver bestaande. Verschillende dezer munten geven zeer duidelijk
het beeld aan van een regeerend vorst; het beeld is een forsche kop met gebogen neus,
om het haar een krans. Het randschrift van verschillenden is “Constantinus”. Een
enkele geeft verder duidelijk te zien “Victoriatus”; immers een zeer gewoon
randschrift op Romeinsche munten?
De vondst strekt zich over eenige meters veengrond uit; op ±1 Meter diepte werd een
en ander aangetroffen. Veel veen is er op deze plaats niet. 1 Meter z. g. grauwveen,
dan de voorwerpen, vervolgens ±30 c. M. zwart veen, en dan reeds de vaste zandgrond.
Ik hoop dat onderstaand schetsje U eenig denkbeeld ervan geeft. Ongeveer op de grens
van zandgrond en veen, waar het veen begint en slechts 30 c.M veen zit, is de plaats
van de vondst.
Zijn de voorwerpen overblijfselen van personen, die in het veenmoeras zijn omgekomen?
Laat ik U nog mogen zeggen, dat er nog eenige stukjes hout werden gevonden; zouden
deze van een speer afkomstig kunnen zijn? Omtrent deze vondst zoudt U zeker velen met
mij, een groot genoegen doen, inlichtingen te geven. Een en ander deelde ik U mede,
in de hoop, dat U het de moeite waard zoudt vinden, er kennis van te krijgen.
Oppervlakkig geoordeeld, schijnt het toch, dat de voorwerpen van zeer oude datum
zijn, uit den tijd van Constantijn de Groote?
De gevonden voorwerpen worden zorgvuldig bewaard; de vinder is arm en zou zeer gebaat
zijn, wanneer hij ze voor de waarde van de hand zou kunnen doen.
Gaarne ben ik bereid, zoo mogelijk, nadere aanwijzingen te doen. Mocht het U de
moeite waard voorkomen, een en ander persoonlijk te komen bezichtigen, zoo stel ik
gaarne mijn huis voor U open.
Met de meeste hoogachting
Uw. Dw/ dnr.
B.de Jong.
Herv. pred.
21 juni 1910 Te Helenaveen zijn bij het turfgraven gevonden een drietal
munten, een paar schoenen en een wambuis van leder, waaronder een bruin weefsel.
Een en ander lag in de z.g. zwarte turf, waarvan op de plaats, waar de voorwerpen
werden aangetroffen, slechts eene laag van 30 cM. aanwezig i, bedekt met 1 M.
#287
32
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1755
1760
1765
1770
1775
1780
bovenveen.
2 juli 1910 Beschrijving door van Beurden in BUITEN
't Was een stuk van den helm, die inwendig met leer bekleed was, waarin zelfs een
kussentje lag, om het hoofd tegen den druk te beschermen. Langzamerhand kwamen te
voorschijn de lederen koker, een grove schoen, waaraan de bronzen vergulde spoor zat,
een bronzen mantelhaak, een sluitstuk van een pijlkoker en dan de zilveren zwaar
vergulde helm met gedreven lijstwerk en versierselen bedekt, welks saamgehouden
werden; dit alles was met zilveren stiften, die naar buiten in knopjes eindigden, op
de lederen kap bevestigd. Het metaal is zuiver roestvrij, het verguldsel is iets
donkerder van kleur, maar goed bewaard. Doordat men, jammer genoeg, het metaal van
het leder gescheiden heeft, is de helm in de oorspronkelijke samenstellende stukken
gevallen. Nog werden twee platen van den helm, een zwaardlelie, die als sieraad met
de kap door stiften verbonden was, gevonden. Eene zijplaat draagt een opschrift, dat
een der lezers wellicht ontcijferen kan. Nog werd een plaat gevonden door een ander
arbeider. Door de goede zorgen van den Burgemeester van Deurne werd eene wacht bij de
vindplaats gezet, waardoor ontgraving door onbevoegden voorkomen wordt. Bij dat alles
werden 41 bronzen en zilveren muntstukken gevonden met den kop en het omschrift
Constantinus, keerzijde b.v. gekroonde naakte god met staf, bliksemschichten en
vogel, daarnaast eene B. [...]
27 april 1911 Romeinsche brug. – In het Buinerveen (Drente)
wordt thans bij het turfgraven wederom een verder gedeelte van de zoogenaamde "OudRomeinsche brug" blootgelegd. De palen, waaruit dit voor-historisch monument bestaat,
hebben eene lengte 3½
meter in de richting Oost-West en zijn 12 tot 25 centimeter
in doorsnede (dikte-middellijn).
De ontgraving trekt veel belangstelling, vooral van oudheidliefhebbers. Naar de
"Asser Ct." meldt, heeft de heer Landweer, uit Assen, photografische opneming daarvan
genomen, en werd vanwege het Aardrijkskundig Genootschap door een professor uit
Utrecht de brug bezichtigd, in gezelschap van een paar andere heeren.
1785
9 december 1911 Brief van Bos aan het museum
Helenaveen 9 Dec. 1911.
Den WelEdzeergel. Heer
Dr. J. H. Holwerda Leiden
1790
Mijnheer,
Hiermede heb ik de eer u naar aanleiding van hetgeen ik las in uw werk “Nederland’s
Vroegste geschiedenis in beeld” blz. 29 omtrent de vondst in de Peel onder de
gemeente Deurne ‘t volgende mede te delen.
Hetgeen ik in uw beschrijving las, geeft mij den indruk, dat u over het een en ander
niet goed zijt ingelicht en er ook niet alles is ter hand gesteld wat gevonden werd.
Den dag, nadat de vondst gedaan werd, ben ik op de plaats geweest en heb mij alles
aangezien ook verzamelde ik toen al ‘t leder, wat door de onkunde
[2] der vinders aan stukken gescheurd was.
De voorwerpen werden in de bovenste lagen van ‘t zwart veen aangetroffen bijna op den
overgang van ‘t grauwveen. De dikte van ‘t aanwezige zwartveen was te groot dan dat
de personen, die daar verongelukten te paard hadden kunnen zitten, met paarden kan
men niet over zulke veenlagen rijden.
Bij ‘t leer waren de resten van twee mooi bewerkte schoenen, een derde schoen zeer
eenvoudig gemaakt werd op ongeveer 15 M. van de eerste vindplaats met ‘t geld en ‘t
leer waarschijnlijk van een lederen zakje aangetroffen. Hieruit dacht ik te mogen
afleiden, dat de vermoedelijke edelman vergezeld was door een mindere, dat alzoo twee
personen verongelukt waren.
Al ‘t leer verzamelde ik afzonderlijk, als de schoenen, ‘t zakje, hetgeen
[3.] uit den helm gescheurd was, enz. De geweven stof was reeds te zeer uit elkander
getrokken om er nog veel van te kunnen maken, het meest leek ‘t wel of ‘t banden
geweest waren, breedere en smalle.
Omtrent de bewapening kon worden vastgesteld, dat deze vermoedelijk had bestaan uit
een speer of lans, een boog en een zwaard. De restanten hiervan moesten gedeeltelijk
uit de gegraven turf worden opgezocht, zoodat deze in stukken waren gestoken, bij het
graven der turf.
1° Stukjes rondgesneden hout ±3 c/m Ø enkele waren plat en toonden groeven als of
deze met metaal beslagen geweest waren, vermoedelijk de metalen spits of punt.
2° Stukjes plat hout, mooi bewerkt in het midden met metaal [4] resten alsof door ‘t
hout een stalen veer gezeten had, alles wees op ‘t hout van een boog.
1795
1800
1805
1810
1815
#287
33
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1820
1825
1830
1835
1840
1845
1850
1855
1860
1865
1870
1875
1880
1885
3° Een blokje was met groeven, om de boogpees glad te maken.
4° Een stuk veen ±30 c/m lang waarin de afdruk was van een zwaard lemmer ±2½ c/m
breed ‘t metaal was totaal verteerd en nog zelfs slechts als een donker blauwgrijs
poeder aanwezig.
Al deze voorwerpen werden door mij afzonderlijk ingepakt en aan den vinder
teruggegeven, hem verzoekende later alles zoo af te geven aan den kooper of aan een
museum waar de voorwerpen wel vermoedelijk zouden heengaan.
Er is echter later zeer met ‘t goed gesold, de man is er de kermissen mede afgegaan,
toen ik ‘t later nog eens terugzag, had ‘t zeer veel geleden.
[5] De weinig belangstelling, die er echter in ‘t eerst voor deze vondst in ‘t
algemeen was, en ‘t getwist der rechthebbenden was reden, ik er mij verder buiten
gehouden heb, nu ik echter uw beschrijving las, vond ik thans aanleiding u ‘t
bovenstaande mede te deelen.
Bij de illustratie in uw stuk mis ik nog een groot stuk, waarop teekens of letters
stonden, mij dacht juist dit zeer belangrijk, is dit niet in uw bezit?
Later is mij door derde nog een speld gebracht, welke nog in een stukje leer zat, een
armpje was afgebroken een steen zat er bij, welke twee vlakke kanten had en mede
dienst moet gedaan hebben tot bevestiging, daar alles te zamen uit één turf gekomen
was, en mij ge- [6] bracht werd.
Hier in de Peel wordt zeer zelden in ‘t veen iets gevonden, vroeger zijn nog te
voorschijn gekomen een paar leeren hoofddeksels, een paar groote hoorns en nog iets
dergelijks, ander alles is echter verloren gegaan.
Zoo u omtrent een of ander nog latere inlichtingen wensch ben ik zoover mogelijk
gaarne bereid u deze te geven.
Hoogachtend
UEd.dw.
A. Bos.
31 januari 1913 Een zeldzame kunstverzameling [#169]
Hier volgt het avontuur van twee schilders, die in den zomer gewerkt hebben in het
Oostelijk deel van Noord-Brabant, waar zij bekoord werden door de altijd wisselende
schoonheid van het heideland, de schilderachtige lage huisjes met riet gedekt en door
den arkadisohen eenvoud van de goedaardige bevolking —, schrijft Omega in de Sum.
Post. Ze zijn echter niet voortdurend op het eigenlijke platteland gebleven, — met de
primitieve toestanden, met name wat betreft het hotelwezen is in de kleine dorpen een
langdurig verblijf niet zeer aanlokkelijk, hoezeer men zich ook weet te behelpen, —
en zoo hebben ze ook in de provinciestadjes rondgekeken. De menschen zijn hier over
't algemeen toeschietelijker dan in de Noordelijke provincies, in eigenlijk
“Holland”, zooals men in het zuiden zegt. Mijn schilders, — want ik ken ze
persoonlijk en van nabij — maakten er dus gemakkelijk kennis en zoo is het gebeurd,
dat zij op bezoek zijn geweest bij iemand, die zich beroemen mocht op het bezit van
een uitgebreide kunstverzameling. Deze burgerheer, moet men weten, een man reeds op
jaren, was de schoonzoon van een zeer begaafd oudheidkundige, die in de stilte van
dezen afgelegen hoek van het land, zijn heele leven had gewijd aan het bijeenbrengen
van allerlei zaken, die om de historie of de kunstwaarde bijzonder leken. Bij diens
dood had hij alles vermaakt aan zijn schoonzoon en zoo waren de kostbare collecties
in het bezit gekomen van iemand, die naar men zien zal, haar in geen enkel opzicht
waard was.
De schilders werden ontvangen door den heer des huizes, een ontzaglijk dikken man,
die hen met breede gebaren welkom heette, maar wiens grove, boersche manieren
overigens geen twijfel lieten aan de geringe mate zijner algemeene ontwikkeling. Hij
sprak het onvervalschte dialect van de streek en praatte met belachelijken trots over
al de schatten, die hij in zijn groote woning had opgehoopt. Daar had hij ten minste
notie van, maar het was verwonderlijk, hoe het begrip van schoonheid door hem werd
opgevat. Niet tevreden met hetgeen hij van zijn schoonvader had geërfd, was hij nl.
op eigen gelegenheid en naar eigen smaak voort-gegaan met verzamelen en na vertoonden
zijn collecties een vreeselijk mengelmoes van de meest uiteenloopende zaken, zonder
eenig oordeel opeengestapeld en helaas voor een groot deel op de jammerlijkste manier
verminkt en verknoeid! Tusschen een wanstaltige reeks kladsohilderijen ontdekten de
schilders enkele meesterstukken, maar op een bedroevende manier overgeschilderd en
naar de eigenaar zelf zeide: "opgeverfd omdat ze wat donker waren!" De bezoekers
kwamen in een uitgestrekte zaal, verlicht, of eigenlijk verduisterd, door een groot
raam, dat voorzien was van het leelijkst gekleurde glas dat men in de Duitsche
nijverheid maar krijgen kan. Er stonden monstrueuze kunstvoorwerpen van den nieuwsten
tijd, die op een tentoonstelling van wansmaak opgeld zonden hebben gedaan. Alles
schreeuwde en schetterde van leelijkheid, zoodat de oogen er zeer van deden. Maar in
#287
34
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1890
1895
1900
1905
1910
1915
1920
1925
1930
1935
1940
1945
1950
een donkeren hoek, in een hoop waardelooze prullen, ontdekten de schilders de
prachtigste proeven van middeneeuwsche kerkelijke kunst door een aantal houten
beelden! Toen ze hun gastheer hierop attent maakten, haalde hij geringschattend de
schouders op, zeggende, dat hij die leelijke houten poppen bij gelegenheid toch eens
zou laten oplappen, door ze bij te schaven en op te verven!
Het was om te huilen, vonden de schilders, maar ze begrepen wel, dat dit vandalisme
niet te verhoeden was, bij de onwetende protserigheid van dezen terribelen kerel.
Naarmate ze meer gewend raakten aan het halfduister in deze donkere zaal, deden ze
andere ontdekkingen en zoo zagen ze, dat in de betimmering langs de drie wanden
schilderijtjes waren opgenomen, alle van volkomen gelijke grootte en op dezelfde
manier omraamd. Het was wel geen heel gróóte kunst, maar men herkende toch de hand
van bekende kunstenaars. Alleen was het vreemd dat de voorstelling meestal incompleet
leek, voor het deskundig oog van een schilder "verkeerd in de lijst gezet" of "slecht
afgesneden." Ze vroegen daarom inlichting aan den eigenaar en toen kregen ze de
ongehoorde verklaring. Toen hij de zaal ging inrichten, — zoo vertelde de man, niet
zonder zelfvoldoening, — had hij direkt het plan gemaakt om in de heele betimmering
schilderijen te zetten. Hij had er zelf al een hóóp, maar toch voor dit doel nog niet
genoeg. Daarom had hij bij “Frederik Smulders” te Amsterdam (hij bedoelde de firma
Frederik Muller & Co.) en op andere veilingen voortdurend maar kleine stukjes laten
opkoopen die niet al te duur waren. En toen hij er eindelijk genoeg had, had hij
order gegeven om ze eenvoudig op dezelfde maat te zagen en in de betimmering op te
nemen!!
Het was werkelijk hemeltergend. Landschapjes, stadsgezichten en binnenhuisjes van
oudere schilders, zoo uit de periode om 1860, van Schelfhout, Waldorp, Leickert,
Springer, de Verveers, den ouderen Weissenbruoh, de Eoekkoeks en andere tijdgenooten,
waren met de zaag ingekort en hopeloos verminkt.
De schilders waren sprakeloos, want in hun ergernis vonden ze geen woorden en ze
gevoelden, dat ze hier stonden voor een onherstelbare zaak. Zwijgend en berustend
keken ze verder en aan het eind van deze kunstbeschouwing wilden ze afscheid nemen.
“Maor ge het nog niet de helft gezien en nou wilde ge al heenegaon?” — riep de dikke
man verwonderd. “Et schoonste is den trap op, in de andere zaol!”
En werkelijk, daarboven was nog een tweede zaal van enorme afmeting, met bovenlicht,
en ook hier waren weer allerlei enormiteiten uitgestald, schilderijen, beeldhouwwerk,
huisraad, koperwerk, — kortom, antiquiteiten van iederen aard en uit alle tijden. Een
bonte massa, waarin onder de ergerlijkste prullaria, echte kunstschatten waren
verborgen. Zoodra de heeren binnenkwamen, ontdekten ze een schilderij van Vincent van
Gogh, dien vreemden hemelbestormer, wiens werk in de heele wereld bekend is geworden,
door sommigen als de ware, de eenige kunst vergood, door anderen uitgekreten als
uitingen van een half krankzinnig brein, maar in ieder geval iets zeer opmerkelijks.
(Tusschen haakjes worde er aan herinnerd, dat "Vincent", zooals zijn bewonderaars hem
kortweg noemen, als de zoon van een dorps-predikant juist in deze streek zijn jeugd
heeft doorgebracht en er is opgegroeid). Hier stonden ze voor een prachtige, een zeer
bijzondere Van Gogh, dat zagen de schilders op het eerste gezicht, maar wat was er
mee gebeurd? Het doek was te groot voor een bepaald vak en daarom was het omgevouwen,
het volgde den hoek van den wand en was aan den eenen kant brutaal afgesneden om het
pasklaar te maken voor de beschikbare ruimte! Een protest tegen deze vernieling kon
niet meer baten, maar de schilders informeerden toch naar de herkomst van het
merkwaardige doek, dat in de hevigheid zijner kleuren het begrip "zomer" moest
uitdrukken. Juist, dat hadden ze goed geraden, — lachte de dikkerd, — en hij
vertelde, dat er vier stukken van dezen aard waren geweest, de vier jaargetijden
voorstellende. “En waar zijn de andere gebleven?”, — riepen de schilders als uit één
mond, met de gretigheid van kenners die hopen een nieuw onheil te verhoeden. Weer
lachte de man zijn imbecilen lach en hij zei, alsof er sprake was van afgedragen
plunje: “De andere waoren al te liliyk en die hek op den mesthoap gedoan!”
Was het niet om den verschrikkelijken geweldenaar te lijf te gaan?
Ontdaan en verslagen zetten de schilders hun rondgang voort en bij het verder
wandelen bleven ze opeens stokstijf staan. Ze konden hun oogen niet gelooven! Daar
hing, op de werkelijke grootte, een copie, en nog wel een zeer goede copie, van een
beroemd schilderij van Rembrandt: de “Anatomische les” uit het Mauritshuis. Ik behoef
het niet meer te beschrijven, want ieder ziet het vóór zich. In het midden, op den
voorgrond, het lijk uitgestrekt op de tafel, de professor in de ontleedkunde,
Nicolaas Tulp, met doceerend gebaar achter de tafel, omringd door zijn aandachtig
gehoor van reeds volwassen personen, die in gespannen aandacht de voordracht volgen.
Dat is, ieder weet het, in het kort de voorstelling van het vermaarde doek, maar hier
op deze copie was de voorstelling geheel anders. Het heele lijk was verdwenen en in
de plaats daarvan stonden slecht-geschilderde bloemen in potten, te midden van losse
#287
35
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
1955
1960
1965
1970
1975
1980
1985
1990
1995
2000
2005
2010
2015
rozen en andere bloemen, die over de tafel waren uitgespreid! Nicolaas Tulp richte
zijn pincet op de aarde van den grootsten bloempot in het midden, en zijn hoorders
bogen er zich overheen, op weten belust!
De schilders lachten niet, o neen, ze brulden het uit, want ze konden zich niet meer
inhouden en toen ze weer bij adem kwamen, vroegen ze, steeds gierend van het lachen :
“Het lijk? Wat hebt U met het lijk gedaan? Hahaha!...”
De verschrikkelijke man was niet erg gesticht over deze onbedaarlijke vroolijkheid,
maar hij zei, toch óók lachend: “Nou ziede, ik kon tooh geen laik in m'n zaol hebben
en daroum heb ik maor blomme in de plaots laoten verreve!”
27 maart 1914 Oude vondsten, stille getuigen. [#170]
In den grond zit meer dan je denkt, maar de groote kunst is maar het te vinden. Dat
je al "roedelooper" of "schatgraver" bent, geeft je niemendal. Bij die oude vondsten
moet het toevallige geluk of het gelukkig toeval je dienen, anders is het niemendal
gedaan.
Maar dat er, vooral in onze drogere streken, nog tal van "stille getuigen" uit lang
vervlogen tijden in den grond zitten, is wis on zeker, want af en toe lees je weer
eens in de nieuwsbladen, dat daar en daar, dit en dat gevonden is. De laatste
merkwaardige vondsten werden gedaan te Cuyk a. d. Maas in Noord-Brabant — oude potten
en pannen, wapens en munten — en te Jemmingen, even over de Groningsche grens, waar
in 1538 door de Hollanders en de Spanjaarden werd gevochten — zes mannen on zes
paarden in één kuil en ze hadden de sporen nog aan! Maar van zulke vondsten, vertel
ik niet; 't is te griezelig.
Ziehier evenwel, wal ik uit mijn notitiên van den laatste tijd opdiep; datums laat ik
maar weg; 't gebeurde in de twee of hoogstens drie laatste jaren.
Te Valthe in Drente, in de buurt van Valthermond, waar eertijds in het veen de oude
Romeinsche brug werd ontdekt, te Valthe werd een urn van bijzondere afmetingen
opgegraven en er werden beenderen in asch in gevonden.
In het Aamsveen, gedeeltelijk tot ons land, gedeeltelijk tot Duitschland behoorende
en waaruit reeds in 1325 turf werd gestoken, zou terrein ontgonnen worden. De
Nederlandsche Heidemaatschsppij waarschuwde het bestuur der Twentsche Oudheidkamer en
men vond urnen, steenen ruitersporen, bijlen, wat bewees, dat men een oudhistorische
plek had gevonden, wat te meer uitkwam, toen men later de fundamenten ontdekte van
een burcht in het z.g. Hölterhof.
In de Peel, in Noord-Brabant-Limburg, nabij Helenaveen, vond een veenwerker eerst
vier munten, verder stukken leer, die tot een militaire uitrusting moeten behoord
hebben, en een helm, benevens nog een soort haak of pen om kleedingstukken vast te
hechten. Op eenigen afstand werden later 38 oude munten gevonden met 't randschrift
Constantinus en de beeltenis van een regeerend vorst. In hetzelfde Noord-Brabant vond
men in de hei tal van antiquiteiten en wel te Oorschot, te Best, te Veldhoven, te
Hoogeloon. Meestal oude wapens, bijlen, pijlen en pijlspitsen, steenen zagen en
beitels, waarvan de Kelten en de Menapiërs, en de Taxandren, die daar vroeger
woonden, zich moeten hebben bediend.
Bij het afgraven der terpen in Friesland, worden ook vaak allerlei vondsten gedaan:
bronzen ringen, hakken on bijlen, primitieve landbouwwerktuigen, schoppen, beitels
werden daar al vele malen gevonden; 't laatst b.v. bij Ferwerd.
Zeer menigvuldig zijn de vondsten in Drente. Daar werd in eenzelfde jaar gevonden: In
de Wolfsbergen bij Emmen eene komvormige urn van roodbruine aarde, waarin weer een
urn zal van donkerbruine aarde met omgebogen rand, verder twee steenen hamers, een
bronzen mes en eenige beenderen.
Achter de Emmerdennen vond men eene komvormige bruine urn met beenderen. Te Wachtum
in de gemeente Dalen werd op ongeveer een halven meter diep in den grond een bronzen
beitel met oog gevonden. In het Gravenveld bij Weerdinge, gemeente Emmen, vond men
een beitel van grijzen vuursteen en bij de vroegere Roswinkeler Schans in het
ijzererts (oer) een steenen hamer, donkergrauw en ruw bewerkt ter lengte van ruim 1
decimeter. In het veen te Klijndijk bij Odoorn, een stuk van een steenen hamer. In
het Schipmeer onder Norg een ijzeren bijl; te Oud-Orvelte in het Stobbenveen twee
metalen schotels en een oude kruik (een "baardmanskruik") en in het veen te Zuidwolde
bij Hoogeveen een slijpsteen, terwijl men op drie plaatsen houten wegen of
veenhruggen ontdekte, zooals vroeger hij Valthermond, waarover we boven spraken. In
de "Nieuwe Drentsche Volksalmanak" is daar een en ander van te vinden. De bruggen
werden ontdekt:
lo. Te Buinerveen, gemeente Borger, op een half uur afstand van 't station Ruinen
2o. In de gemeente Emmen langs den weg van Nieuw-Dordrecht naar Klazinaveen-Noord.
3o. In de gemeente Emmen, ook te Klazinaveen-Noord, bij Sluis 2 aan het
Scholtenskanaal en dicht bij den Dedemvaartschen tram van Coevorden naar Ter Apel.
#287
36
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2020
2025
2030
2035
2040
2045
2050
2055
2060
Die bruggen zijn meestal gemaakt van dennenhout, dat rust op berken onderliggers en
moeten dagteekenen uit den tijd der Romeinen. Ik zou nog kunnen vertellen van de
opgravingen bij de z.g. Hunenschans aan het Uddelermeer op de eluwe, waar prof.
Holwerda van Leiden druk werkte, van verschillende buitenlandsche plaatsen —
waaronder Hallstadt in Boven-Oostenrijk de voornaamste is — waar oudheden werden
gevonden, van "stille getuigen" als de Hunebedden en de Paalwoningen (Zwitserland),
van vondsten van jachtgereedschappen en oud vischtuig, kammen, ringen, weefsels en
uitgeholde boomstammen, die voor schepen dienden, maar dat bewaar ik maar weer voor
later.
? W.
?. d. V.
19 mei 1914 Te Nieuw-Buinen is bij het turfgraven een menschenlijk gevonden,
waarvaan de huid een leerachtig aanzien heeft. De onderbeenen waren verdwenen; het
hoofd is beschadigd. Wellicht is de huid gelooid door het veenwater, evenals die van
een paar lijken, aanwezig in het Prov. Museum van Oudheden in Drente, te Assen.
19 mei 1914 – Griezelige vondst!
Door den arbeider H. Mensing, te Nieuw-Buinen, is bij het turfgraven op een halven M.
diepte in 't veen te Exloërmond een menschenlijk gevonden, waarvan schijnbaar alleen
de huid nog goed aanwezig is. Deze is echter zoo taai, dat er met een spijker niet
doorgestoken kan worden. De onderbeenen zijn echter verdwenen en het aangezicht is
bij 't vinden door een schoffel stuk gestoten. Aan 't achterhoofd zit nog donkerbruin
haar dat nog goed vast zit.
13 februari 1915 Museum van Oudheden in Drente.
In 't verslag van de commissie van bestuur v. h. Prov. Museum van Oudheden in Drenthe
wordt gewezen op het gebrek aan bergruimte zoowel voor de boeken als voor de platen
en kaarten. Met erkentelijkheid wordt melding gemaakt van de ondervonden medewerking
inzake het opsporen van voorwerpen in venen en ontginningen, waardoor inderdaad
eenige niet onbelangrijke voorwerpen naar de verzamelingen werden overgebracht. Als
een der belangrijkste vondsten wordt genoemd het veenlijk, aangetroffen bij het
turfgraven te Exloërmond, gemeente Odoorn, en door den heer B. A. Burggraeff, toen
onderwijzer te Zuidbarge gemeente Emmen, nu te Doesburg, persoonlijk naar Assen
vervoerd, welk lijk geheel overeenkomstig is aan reeds in het Museum berustende
veenlijken. Een woord van bijzonderen dank wordt gebracht zoowel aan den heer H. G.
Uniken te Nieuw-Buinen, die het eerst op de vondst heeft gewezen, als aan den heer
Burggraeff, voor de door hen aangewende moeite en voor hunne goede zorgen. [...]
26 oktober 1915 - Door den landbouwer J. Sikken, tusschen Exloo en Valthe
(Drente) wonende is in het veen een vuursteenen strijdbijl gevonden, ter lengte van
18 c.M. en is aan de snede 7 c.M. breed.
‘t Is aan de bovenhelft tamelijk ruw bewerkt, maar op en in de nabijheid van de snede
prachtig afgewerkt en volkomen gaaf.
29 mei 1917 BORGER, 29 Mei. De arbeider J. Kuipers vond bij het turfgraven
in het Buinerboerveen een prachtigen steenen beitel, lang plm. 20 c.M. en breed 5
c.M. Het voorwerp zal naar het Museum worden gezonden.
2065
2070
2075
2080
1 juni 1917 Eigenaardige vondst. – Bij het turfgraven in het "bolveen"
vond de arbeider G. Vennema te Taurloo op een diepte van anderhalf tot twee meter,
dus in het vaste veen, een volwassen rund. Zoowel de inwendige organen als de
beenderen en het haar waren duidelijk te onderscheiden. Naar het schijnt is 't dier
er levend in geraakt, daar de z.g. bentpollen en heide onder de pooten naar de diepte
getrapt waren.
27 mei 1919 – De turfgraver H. Kuiper te Weerdinge heeft bij het turfgraven
in het veen op een diepte van 3½ M. den schedel, de beide onderkaken met kiezen en
tanden, en eenige beenderen van een onbekend dier gevonden.
21 mei 1921 LIJK GEVONDEN.
Op ongeveer 25 cM. in het zwarte veen, onder de bonkaarde, is te Erica [door Harm
Bijlsma] bij het turfgraven een nagenoeg geheel gaaf menschenlijk gevonden
waarschijnlijk van een man. De beenderen er in waren vergaan. het vel was als het
ware gelooid.
14 augustus 1921 HET DUVELKE VAN HET ZUIDEN.
Ons kwam dezer dagen den brochure in handen, die al eenige jaren oud is, doch die ons
#287
37
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2085
2090
2095
2100
2105
2110
2115
2120
2125
2130
2135
2140
2145
nog wel de moeite waard schijnt om er iets aan te ontleenen, omdat de schrijver op
zoo’n geestige manier het sjacheren in en het vernielen van kerkelijke oudheden in
Limburg aan den kaak stelt. Hij noemt zich Daemon Meridianus, het duvelke van het
Zuiden, die zich echter van de pen van den rijksarchivaris Flament bedient.
In het eerste gedeelte stelt het Duvelke zich voor als sjacheraar in Limburgsche
kerkelijke oudheden. Ik ben geen gewone antiquaire, zoo schrijft hij, ik ben en blijf
een zuidelijk duiveltje. Altijd toch kan men den duivel kennen aan zijn staart. Ik ga
vooral op koop uit bij kerkbesturen en vaar tot nu toe zeer goed daarmede....
Te Oirsbeek hadden we in 1881 een mooi snapje aan een geëmailleerde pixis (vaasje)
uit de 13e eeuw, waarschijnlijk, voor het bagatel van f24.50. Daar heeft pastoor
Habets, die te Oirsbeek geboren was, zijn leven lang over gefoeterd.
Voor een kasuifel en twee dalmatieken van granaatroode zijde met gouden borduursels,
ornamenten en figuren, te Papenhoven, uit de 16e eeuw, moesten we in 1875 f500 geven.
Kort voor 1870 kocht ik te Hunsel, niet al te duur, een heele kapel - dat is:
kasuifel, twee dalmatieken en een koorkap -. Zij waren afkomstig uit mijn
hooggeschatte St. Servaaskerk te Maastricht, waarover zoo aanstonds meer.
Ook te Leveroy kocht ik een dergelijke kapel.
Een meer bescheiden aanwinst op het gebied van kerkelijke paramenten was een velum
(kelkbedekking) van verguld zilverdraad, uit de 16e eeuw, maar een mooi stukje, ik
verzeker het u. Het was een kerkbestuur uit de omstreken van Valkenburg, dat ons dit
in 1880 verkocht.
Voor de afwisseling vermeld ik te Neeritter nog iets, dat we niet alle dagen
aantreffen; een van tin gedreven offerschaal, maar mooi, heel mooi en uit de 16e
eeuw. Die post staat op 1870 geboekt.
He Margraten en Neeritter kocht ik omstreeks 1870 een heel mooie altaartafel met
gesneden beelden en een dito te Breust.
Een onzer voornaamste aankoopen was echter die van twee hele altaren vol fraaie
beelden te Venray, nl.: het Maria-altaar in 1846, wegens de vele figuren “het
mennekes-altaar” genoemd en die, 78 in getal, het leven der H. Maagd voorstellen. Dat
meesterstuk van de Antwerpsche school kostte mij maar 2500 francs en ik kocht het
voor mijn collega Malfait, een Brusselschen antiquair, die het voor 12.000 francs in
1863 aan het kerkbestuur van Tongeren verpatste, nadat de Russische prins Petrus
Soltikoff het een tijd lang bezeten had, die het Malfait terugverkocht.
Het 2e altaar was dat van den H. Petrus, ook vol mooie beelden, die het leven van
dezen voorstellen, nu een der mooiste stukken van het musée du cinquantenaire te
Brussel, dat, op gezag van Moonen in Lotz kunsttopographie, wordt geprezen.
Ik heb eens een stout stuk uitgehaald, dat moet ik u eens vertellen:
Te Roermond zelf, den zetel der kerkelijke kunst, heb ik eens een schilderij te koop
gesteld, uit de aloude vorstelijke stiftskerk van Thorn, met de deftige portretten
van drie oude stiftdames uit de familie van Rennenberg, in kleederdrachten der 16e
eeuw. Dat vond spoedig een kooper, en kwam, gelukkig, zeggen de oudheidsliefhebbers,
in handen van jonkheer V. de Stuers en door zijn vriendelijke tusschenkomst in ‘t
museum te Maastricht. Gaat maar “loeren” als je het niet gelooft.
Nu komt mijn beste klant, met wien ik altijd zoo prettig zaken deed, nl. het zooeven
vermelde kerkbestuur onzer aloude bisschopszetel van St. Servaas te Maastricht.
Een der eerste groote acquisitiën was de prachtige Christus aan van Eyck
toegeschreven en in St. Servaaskerk eeuwenlang vereerd als van St. Lucas, den patroon
der schilders in hoogst eigen persoon, afkomstig. Nu, van van Eyck is toch al mooi
genoeg!
Ik kocht dit stuk van een oud-kanonik van St. Servaas.
We kregen dat schilderij te pakken voor een ton lekkeren ouden Rijnwijn, waar die
kanonik veel van schijnt gehouden te hebben.
Zijn naam heb ik niet meer kunnen vinden in de oude boeken van de firma. Wij
verkochten het aan den Engelschen bankier Solly voor een bom duiten, en nu maakt het,
sinds 1821, een sieraad uit van ‘t museum te Berlijn.
Veel later, in 1882, kocht de firma voor slechts 600 armzalige guldentjes het heele
prachtige marmeren hoofdaltaar van St. Servaas, afkomstig uit de abdij van St. Remy,
en verkocht het aan de kerk van het oratorium te South Kensington voor .... 6000
francs. Een klein winstje, een zoet winstje!
De vier prachtige Romaansche reliekschrijnen, die bij de Noodkist van St. Servaas
hoorden, kochten wij in 1846 voor een kleinigheid, 10.000 francs, en die verhuisden
voor meer dan 100.000 francs naar het museum van prins Soltikoff, werden na diens
dood, 1861, door de Belgische regeering aangekocht en maken thans het sieraad van het
cinquantenairemuseum te Brussel uit.
Het oude ivoren zegel van de schatkamer van St. Servaas uit de 12e eeuw, dien heilige
voorstellende, verhuisde vóór 1846, door tusschenkomst van onze firma, naar de
#287
38
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2150
2155
2160
2165
2170
2175
2180
2185
2190
2195
2200
2205
2210
2215
verzameling van den lateren generaal Meyers, werd in 1877 verkocht in Maison Drouot
te Parijs, en is nu terug naar Maastricht, waar ‘t goed bewaard wordt.
Dat is dan een uitzondering. Als het nog lang geduurd had, hadden wij de heele
voormaligen Rijkskerk van St. Servaas leeggepompt.
Voor de verandering plaatsten wij nog in het museum te Hamburg het prachtig gedreven
zilveren voetstuk, met voorstellingen uit het leven van den patroon van Maastricht,
en de directeur vond het zoo mooi, dat hij er ‘n boekje over uitgaf met afbeeldingen.
Ik houd toch zooveel van Duitschland, daar koopen ze zoo graag van ons, “wir bezahlen
bar” zeggen ze altijd, en niet alleen spek en gummi, maar ook antiek van allerlei
slag. Die koperen “raaf”, waarover ik sprak, is toch ook al in een “sjoen keuike” in
‘t museum te Berlijn.
Maar ‘t was, helaas, niet altijd “couleur de rose”; die voornoemd eantiquiteitenwellustigen bedierven mij de soep wel eens en naar aanleiding van den verkoop der
vier zooeven vermelde reliekschrijnen barstte de storm los, de conservator bij ‘s
Rijks museum te Leiden, L. J. F. Janssen, baron Michiels van Verduijnen, raadsheer in
het prov. Gerechtshof te Maastricht, notaris Ch. Guillon te Roermond, ja drie
ministers, die van Binnenlandsche Zaken, de tijdelijke minister voor de zaken van R.C. eerdienst, Lightenvelt en zijn opvolger minister Mutsaerts kwamen allen in
beweging. “Pour en revenir à nos monuments de Maestricht”, zoo schreef baron Michiels
aan Guillon, “il se commet ici tous les jours des actes de Vandales, cependant Mr. v.
B. (de pastoor van St. Servaas) remporte le prix sur tous! Avec un conseil de
fabrique imbécile et sans énergie, il trafique du mobilier de l’église à volonté,
ainsi le tableau ornant le maître-autel au petit séminaire de St. Trond a été enlévé
de St. Servais et vendu à cet établissement, plusieurs autres tableaux sont allés
ailleurs.”
En dan komt het verhaal, hoe die goede man, mijn beste klant, die vier
reliekschrijnen verkocht voor 10.000 francs. Die arme pastoor! Maar ik had die duiten
te pakken. Ik vergat nog te vertellen, dat ik en passant met die reliekschrijnen nog
twee mooie koperen kandelaars heb gekocht.
Al deze zaken nu zijn heel net geplaatst door onze kunstlievende firma. Maar met
ander kerkelijk antiek gaat het soms anders. Oude koorkappen en kasuifels worden
dikwijls verkocht om antieke stoelen te bekleeden of om nieuwe stoelen antiek te
maken.
Een oud tabernakeltje uit de parochiekerk te Venlo dient thans als likeurkeldertje.
Een paar mooie koperen luchters, die vroeger in een voormalige stiftkerk in Z.
Limburg voor de Kruisweg-statiën waren geplaatst, misschien wel voor de statie waar
Pilatus zijn handen in onschuld wascht (juist als het kerkbestuur dat ze verpatst
heeft) prijkten later heel “chic” tusschen kruikjes Bols, Hulskamp en andere “oude
klare” voor een “kiekout” (vitrine) te Maastricht. Waar? dat is een handelsgeheim; de
lui zouden anders niets meer van ons koopen.
Kortom, als ik al wat aan kerkelijke oudheden door onze firma gekocht en verkocht is,
bijeen had, het ware genoeg om een heel museum te vullen.
En om dit allemaal zoo in de wacht te sleepen, leg ik het heel politiek aan. Ik kom
bv. binnen bij het kerkbestuur, mijn staart zedig verborgen, de bokspootjes in de
groote kaplaarzen onzichtbaar, de horentjes onder het lange haar weggedoken, groet
heel deftig en deemoedig, gelijk mijn ambtgenoot Mephisto, als hij in de gedaante van
een reizend student bij doctor Faust zijn opwachting maakt. Ik presenteer mij dan als
lid der firma Daemon Meridianus Vandalen en Co., zoo’n lange firma staat gekleed! En
dan pak ik die heeren altijd in hun zwak. Zijn het erg vrome lui, dan spreek ik heel
zalvend van den luister van Gods huis, haal er Psalmen bij aan en doe heel bijbelsch,
en ik kan preeken als een pastoor, en dan zeg ik ten slotte, dat ik hun geld, mooi
contant geld geef voor die oude prullen, waarvoor zij splinternieuwe zaken kunnen
koopen in de fabrieken van kerkelijke kunst: mooie marmeren preekstoelen zelfs 1).
Wat doet u met dat oud roest? Zoo noem ik die oude kandelaren in koper, Romaansch,
Gothiek of renaissance om ‘t even. Wat hebt gij aan die oude vormstekige planken? Zoo
betitel ik de gebeeldhouwde paneelen. Waarvoor zouden die oude lappen vol motgaten
nog kunnen dienen? Zoo qualificeer ik de oude zijden kerkgewaden. Koopt u een mooi
stel, of laat er u een borduren bij de zusters te Sint Joris. Zijn die
kerkbestuurders erg “charitabel”. dan spreek ik hun zoo toe: Gij kunt u zoo
gemakkelijk, zonder uw fondsen aan te spreken, een nieuw ziekenhuis bouwen, of, ‘t
woord moet er uit, een patronaat, of een armenschool of een stal voor de Christelijke
geitenvereeniging (thans met den romantisch-idyllischen naam van “de werkmanskoe”
overgedoopt) enz. enz.
En al staan al die kerkelijke oudheden netjes en haarfijn beschreven, dat helpt geen
zier, evenmin als bij dat stuk oude doopvont te Roggel bij de kerk, dat ik lekker
gekocht en te Amsterdam verpatst heb; ga maar kijken op het Rokin, als ‘t er nog
#287
39
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2220
2225
2230
2235
2240
2245
2250
2255
2260
2265
2270
2275
2280
ligt! En ik bedien mij, zoo noodig, met een wonderbaar gemak van mijn
spotvogeltalent, evenals mijn hooggeachte ambtgenoot Mephisto (ik houd zooveel van
die opera Faust, want daar komt zooveel van ons, duivelkens, in) en ik weet uit
ondervinding wat de Franschman zegt: “le ridicule tue”.
Ik noemde bv. dien mooie koperen arend; die als lezenaar diende te Venlo, “dien
leelijken koperen raof” (ik spreek af en toe ook plat) en dat zaakje lukte me. En als
dan ‘t kerkbestuur soms nog houdt van ‘t een of ander oud spul, welnu, ik ben er niet
hond op (zeggen ze in Limburg), dan presenteer ik op mijn kosten een dito nieuw te
laten maken, zóó getrouw, dat men ‘t onderscheid met het oude er niet aan ziet,
evenmin als aan den nieuwen St. Martinus te paard van de doopvont te Weert, eenige
jaren geleden voor het oude beeld in de plaats gegeven plus de noodige dubbeltjes.
Ook al een zaakje van onze firma!
En ook te Venlo hernieuwde ik dat wonder met de raaf of den adelaar op wien het woord
der Schrift van toepassing werd: Zijn jeugd is vernieuwd als die eens adelaars.
Enfin, ik blijf me altijd gelijk en dan heb ik een “joeks” (zoo zeggen ze in Venlo).
en “slinger” 2), als de duivel in Schinderhannes, voor eenige jaren op de kermis te
Puth vertoond. Dan grinnik ik en speel met mijn staart van pleizier....
En daar is niemand die mij, daemon, bij de horens durft te pakken. Mijn domein strekt
zich uit van Puth tot Schinnen, neen, maar van Eysden tot Gennep, van Mesch tot Epen
(Vaals). Daar kan ik koopen en verkoopen, verkwanselen en verpatsen, naar den lust
van mijn hart, naar den aard van Daemon Meridianus.
In het tweede gedeelte der brochure stelt Daemon Meridianus zich voor als
beeldstormer in Limburg.
Hoort maar een klein staaltje van mijn vernielend genie, zegt hij. Ik begin dan,
beminde lezers, een heele litanie van oudheden met het refrein: kapot, stukgeslagen,
vernield, weggesmeten, tot antwoord.
Het is alles geschied vóór het jaar 1880.
In Guttecoven, niet ver van mijn lief Sittard, de doopvont stukgeslagen en de stukken
als plaveisel gestopt voor ‘t huis van den koster, waar ze nog in 1868 te zien waren.
Het was nog wel zoo’n “sjoene” met draken en dieren, omringd met bladornament, in
Romaanschen stijl.
Den gedenksteen der kerkwijding van een oudere kerk aldaar, smeet ik ook bij den
koster op zolder; daar lag hij nog in 1868.
Te Itteren de doopvont als water-vergaarbak onder een goot der pastorie getrapt. Ik
zag die daar nog in gemeld jaar 1868.
De doopvont van Nederweert ontsnapte tot mijn spijt en verhuisde naar de kerk van
Ohe-en-Laak.
Te Munstergeleen de oude doopvont kapot en een stuk op den openabre weg als steen des
aanstoots neergeploft.
De gothieke doopvont van Meijel plantte ik als tuinversiering bij een particulier te
Roermond.
Die van Montfoort werd voor de variatie door mij geplaatst, ook als versiering, in de
“basse cour” (zoo noemt Pastoor Habets het) van de pastorie aldaar.
Die van Amstenrade kegelde ik van haar voetstuk als drinkbak voor het redeloos vee in
de hoeve van het kasteel. Gaat maar kijken!
Hoeveel grafsteenen met zestien adellijke kwartieren in wapenschilden ik uit de
kerken buiten het portaal sleepte om ze door de klompen der kerkgangers te laten
afslijten, is eenvoudig niet te benaderen, bv. te Kessel, Maasbree, Helden en te
Roermond, waar ik nog wel den arduinen zerksteen van bisschop Sanguessa uit de
kathedraal slingerde. Gaat maar eens zien of die daar nog ligt. Ik wed van neen.
En te Venray rukte ik den grafsteen van den bouwer der kerk, pastoor Gisbertus de
Foramine, een groot invloedrijk man in zijn tijd, door Pius II genoemd in de
aflaatsbul voor die kerk, zijn kamerling, secretaris, huisgenoot en bestendig
dischgenoot, kanonik van Lübeck en aalmoezenier der Apostolische Kamer, van het
hoogchoor, waar zijn grafplaats is, naar de ruimte onder den klokketoren en haalde de
koperen platen met de zinnebeelden der vier Evangelisten en ‘s mans wapen daar uit.
Het mooie sacramentshuisje of theoteca, in diezelfde kerk van Venray, een kunststuk
van meester Merten, die het ontwierp, en uitgevoerd door mr. Kerstgen van Ryngeboerch
en mr. Willem die byldschneyder van Wesel, hamerde ik gansch uiteen. Een brok van het
voetstuk kwam terecht voor de kapel van Oostrum onder Venray, en de kunstig gesmede
ijzeren deur ook al onder den toren van Venray, een waar knekelhuis der kunst.
Te Venlo vierde ik, kort voor of na 1880, ‘n waren heksensabbath en hield een
gothieke uitsmijting van al wat renaissance was. Het was ter gelegenheid der gothieke
restauratie. Die heel groep van ‘t laatste Avondmaal met al die twaalf apostelen in
hout gesneden door Schissler, wierp ik als brandhout op een turfzolder van ‘t
#287
40
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2285
gasthuis.
Zie hier nog maar een kleine bloemlezing van de werkzaamheden van Daemon Meridianus
als beeldstormer in Limburg.
1) Zooals te Thorn en Maastricht in St. Servaas, waar zij als echt hybridische fraaiigheden te
kijk staan.
2) Zegt men te Maastricht, waar men in Holland “schik” zegt.
2290
2295
2300
2305
2310
2315
2320
2325
2330
2335
2340
2345
6 september 1921 – Naast de allernieuwste modellen en soorten klompen,
welke onze klompmakers 14 en 15 Sept. a.s. op de Klompenbeurs alhier te zien zullen
krijgen, zal hun tevens getoond worden de ... meest antieke, ouderwetsche klomp,
welke wellicht in ons land voorhanden is. Dit exemplaar van ongewoon model werd door
een arbeider bij het turfgraven op een diepte van twee meter in den grond gevonden in
de buurt van Aalten.
Bij de beantwoording van de vraag hoe die klomp daar gekomen is, kan geen voldoende
beslissend antwoord worden gegeven, doch mag, volgens het oordeel van eenige
deskundigen, worden aangenomen, dat ongeveer in de veertiende eeuw, met een grooten
watervloed, deze venen gespoeld zijn, en waar deze klomp, als drenkeling in verzonken
is. Hieruit volgt dan van zelf dat reeds toen ter tijde klompen in ons land gedragen
werden.
De klomp zal ongetwijfeld op de beurs eene aardige attractie vormen en zeer zeker
veel bekijkers trekken.
10 maart 1923 Verzameling L. Vierordt.
Op de veiling de verzameling Romeinsche munten, die onder leiding der firma J.
Schulman heeft plaats gehad zijn onder groote belangstelling van koopers uit alle
oorden der wereld o.a. de volgende prijzen besteed:
No. 64 goudstukje van 60 sestertii f810; [...] no. 2911 aureus van Licina Eudoxia
f525.
4 juni 1925 – Bij het turfgraven in het zoogenaamde Strangerstukje te Valthe
(Dr.) is een gedeelte van een oude brug ontdekt. Ze ligt 30 c.M. onder het veen en
loopt Oost-West. Er lagen 12 palen naast elkaar.
24 juni 1925 "Het Volk" verneemt uit Ter Apel:
De arbeider G. v. d. Berg vond bij het turfgraven in het Siepelveen bij Nw. Weerdinge
op plm. 1 M. diepte drie bewerkte bronzen ringen, twee been- of armringen en één
halsring, in welke laatste een barnsteen halssnoer was ingewerkt. Volgens een
oudheidkundige dateeren deze ringen uit een tijdperk van 1400 voor Christus. Genoemde
oudheidkundige bood voor deze vondst f40, hetwelk den arbeider niet voldoende leek,
waarop een en ander meegenomen werd om de waarde nader te controleeren.
11 juni 1926 – Bij het turfgraven heeft een arbeider te Nieuwe Krim (D.)
een honderd Romeinsche zilveren munten uit den tijd van keizer Augustus gevonden.
14 april 1929 Hellas en Rome.
Tentoonstelling in het Rijks-Museum te Amsterdam
[...] Een zeer mooi en merkwaardig stuk is de verguld zilveren Romeinsche helm, in de
nabijheid van Deurne in de Peel gevonden. Ook zij de aandacht gevestigd op de groote
belegstukken van zilver, welke op leder genaaid deel uitmaakten van een Romeinsch
paardentuig. Deze stukken werden hiertelande uit den Rijn opgevischt.
4 mei 1929 [...] In Roermond nu had in het jaar 1874
een hoogst belangrijke verkoop van documenten, archivalia en oude curiositeiten
plaats. Het was de verkoop der curiosa nagelaten door wijlen Mr. C. Guillon, advocaat
en tevens notaris te Roermond. Deze zeldzame collectie, die circa 10.000 nummers
bevatte, kwam onder den hamer en de verkoop, die van 30 November 1874 tot 19 Januari
1875 duurden had een afdeeling “Manuscrits, Archives et autres Documents
historiques”, die een kleine 1000 nummers bevatte. De catalogus van dezen verkoop is
thans reeds een werkje geworden van bibliofilische waarde. [...]
12 juni 1929 EEXT, 11 Juni. Door den heer Hs. Brink zijn alhier
bij het turfgraven op een diepte van pl.m. een meter eenige gedeelten van urnen
gevonden, waaronder voorkwamen een viertal scherven met oorden, benevens een voet van
een kruik. Zij zijn aangekocht door het Provinciaal Museum te Assen.
Jammer, dat dergelijke vondsten bij het werk dikwijls worden geschonden, waardoor
#287
41
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
gedeelten niet meer zijn weer te vinden.
2350
2355
2360
2365
2370
2375
2380
2385
4 juni 1931 Een eeuwen oud geraamte.
Uit Valthe vernemen wij:
In het naburige Noordveen werd bij het turfgraven in de onderste veenlagen op 3 à 4
meter diepte dus, het volledige en gave geraamte van een mensch gevonden. Zonder
twijfel heeft dit daar reeds eeuwen gelegen.
8 juni 1931 EEN GERAAMTE GEVONDEN. In het veen te Weerdinge.
Te Weerdinge is bij het baggeren in het veen een geheel gaaf geraamte gevonden op den
rand van het zoogenaamde darg- en het pikveen, pl.m. twee meter beneden den beganen
grond en een meter boven het zand.
Over de borst lag een kruis van berkenhout. Het bijzonder gaaf geraamte lag in de
richting Noord-Zuid. De huid was totaal vergaan. Men vermoedt, dat men hier te doen
heeft met een monnik.
6 juni 1932 ASSEN, 6 Juni. In het veen achter Witten (gem. Assen)
is het geraamte van een mensch gevonden.
7 juni 1932 Geraamte gevonden
Assen, – Maandag.
In het Witterveen werd bij het turfgraven een menschelijk geraamte gevonden, dat daar
waarschijnlijk al ettelijke jaren heeft gelegen.
Het geraamte is daar ter plaatse weer begraven.
11 juni 1932 GESCHIEDENIS VAN ASSELT
[...] Toen de paters Trappisten der abdij van Achel onlangs een onderzoek begonnen
naar de bezittingen, die gedurende de Fransche Revolutie voor hun klooster verloren
gingen, in de hoop het oude altaar weer te kunnen reconstrueeren in zijn ouden vorm
werden zij van Deurne naar Asselt verwezen. Zij vonden er het betreffend altaar niet
meer, maar wel resten er van in het Museum, aan oude foto's erkenden zij het. De
beschrijving die zij er van gaven en hadden kwam in alle details overeen met het oude
altaar van Asselt, het schilderij dat er toe behoord had als retabel, vonden zij
terug thans ingeraamd als kostbaar stuk.
Ofschoon de paters de noodige overtuigende bewijzen overlegden en het gaarne weer in
hun bezit hadden, moesten zij toch wijken voor het Asseltsche argument, dat zijn
rechten op dit stuk, als reeds lang verjaard, kon handhaven. Bij de onderhandelingen
bleek verder, dat de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat men in den Asseltschen
Christus een werk van den vermaarden Titiaan (1477—1576) heeft te zien Deze toch
onderhield met de Trappisten-orde te zijner tijd vriendschappelijke betrekkingen, en
Achel kluis beweert uit rekeningen, dat het bewuste schilderij een stuk van den
Italiaanschen meester geweest is.
2390
16 december 1932 GESCHENKEN VOOR HET PROVINCIALE MUSEUM TE GRONINGEN.
De familie Snelter te Wedderveen […] Voorts heeft deze familie aan het museum een
paar koehoorns geschonken, die eenige jaren geleden bij het turfgraven op ongeveer 2½
meter diepte onder het veen zijn gevonden en naar schatting 2000 jaar oud zijn.
2395
26 april 1933 Oudheidkundige vondst.
(Van onzen correspondent.)
De arbeiders van den vervener J. Kuiper te Schoonoord hebben in het Eeserveen bij het
turfgraven, ongeveer 3 voet beneden de aardoppervlakte een gave steenen hamer en een
dito beitel gevonden.
De hamer is keurig bewerkt en heeft een opening voor de steel zoo zuiver rond, dat
een bankwerker er jaloersch op kan zijn. Dr. van Giffen uit Groningen is met de
vondst in kennis gesteld.
2400
2405
2410
22 juli 1933 FRIDA, DE VERSCHOPPELING
HET VERHAAL VAN EEN GELUKKIGE VONDST.
zie http://kranten.delpher.nl/nl/view/index?query=turfgraven&coll=ddd&image=ddd
%3A010674058%3Ampeg21%3Aa0337&page=89&maxperpage=10&facets%5Btype
%5D=artikel&sortfield=date
27 maart 1934 Oudheidkundige vondst.
Bij het turfgraven in een veentje te Klijndijk (gem. Odoorn) werd door den arbeider
H. Homan aldaar, in de onmiddellijke nabijheid van elkander, een zestal mooie nog
gave hoornen gevonden. Enkele hebben een lengte van plm. 40 cm.
#287
42
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2415
2420
2425
2430
2435
2440
2445
2450
2455
2460
2465
2470
2475
14 mei 1934 MERKWAARDIGE VEENVONDSTEN TE TAARLO (Dr.).
(van een onzer correspondenten)
Dezer dagen werd bij het turfgraven in het Bolveen te Taarlo een houten voetstuk van
een voor-historische spinkroon aangetroffen op pl.m. 1.7 M. in het zoogenaamd
blauwveen. Het is een cylindervormig blok, vermoedelijk van iepen hout met conische
verdikking in het midden; lengte ruim ½ M., dikte 16 tot 24 c.M. De bewerking is
geheel met de bijl uitgevoerd. Onder dit voetstuk bevond zich een groote gladwandige
urn uit de eerste eeuwen onzer jaartelling.
In de onmiddellijke nabijheid kwam een tweede blok hout voor den dag in den vorm van
een halven bal; diameter 30 c.M., eveneens geheel met de bijl bewerkt. Op het kunstig
bij gehouwen middelpuntsvlak komen merkwaardige sierlijnen voor.
Door bemiddeling van kapitein H. Bellen, heeft de eigenaar, Roelof Mulder, zijn
vondst ter beschikking gesteld van het Asser Museum.
In hetzelfde Bolveen, gelegen midden in de esch, zijn vroeger reeds gevonden: bundels
menschenhaar, stierhorens (let op den naam Bolveen!), een voorhistorisch wagenwiel;
urnen, een zuivere houten bol van pl.m. 75 c.M. doorsnede- en een paar
voorhistorische sandalen, die thans in het Asser Museum berusten.
8 juni 1934 Oudheidkundige vondst.
HEERENVEEN. 7 Juni. De heer H. Dam te Langezwaag, aan het turfgraven in de oud
Wijngaardster laan onder Langezwaag, stiet met de schop op een oude urn. Deze bevond
zich onder de veenlaag op het vaste zand. Bij onderzoek bleek de urn te bevatten fijn
stof benevens klein kiezel en vuursteentjes. Hoogte der urn p.m. 35 c.M., grootste
doorsnede 13 à 14 c.M. De urn is aangekocht door den heer A. W. Hof te Heerenveen,
die haar weer ter beschikking stelt van 't Friesch Museum te Leeuwarden.
27 juni 1934 Merkwaardige vondsten in de venen.
Wij zullen er van afzien een lijstje te geven van alle cultuuroverblijfselen, welke
in de venen gevonden zijn, daar ons dit te ver zou voeren. Wij hopen, dat meer
bevoegden dat eens zullen doen. Laat ons hier nog iets mededeelen over de gevonden
resten van mensch en dier. Uit het veen zijn verscheidene geweien en horens te
voorschijn gekomen, toebehoorende aan diersoorten, welke reeds lang in ons land
uitgestorven zijn. Bij Schildwolde is eens een tamelijk volledig skelet van het
edelhert (Cervus elaphus L.) voor den dag gekomen. Verschillende resten van de elk
(Cervus alces. L.) zijn in het Groninger Museum terecht gekomen. Dat ook
overblijfselen van het wilde zwijn zijn aangetroffen, behoeft niet te verwonderen.
Verder dienen genoemd te worden de oer-os en de Europeesche bison, doch van Groningen
hebben wij geen vondsten vermeld gevonden. Een exemplaar van den huishond is gevonden
bij Nuis; van den bruinen beer hebben wij niets vermeld gezien. Overigens heeft de
bruine beer, evenals de wolf en de bever, zich nog vrij lang in Groningen
gehandhaafd. De wolf was in 1772 in Westerwolde nog zoo algemeen, dat de Drost van
Wedde uit elk huis een weerbaar man opgebood, teneinde een klopjacht op wolven te
houden. In 1898 werd door den heer J. Hadders Hzn. te Valthermond een beverschedel
gevonden bij een ontginning te Valthermussel, dicht bij de Mussel A, in
derrieachtigen grond. Men weet, dat de bever de gewoonte heeft heele dammen in het
water van rivieren te maken. Dit dier schijnt nog slechts op enkele plaatsen in
Europa voor te komen.
In andere gedeelten van ons land zijn in den veengrond ook nog resten van den
neushoorn en het fossiele paard gevonden. Niet in veen, doch in oudere geologische
lagen, zijn nog resten van vele andere diersoorten aangetroffen: zoo een viertal
soorten olifanten — de noordelijkste plaatsen van den mammoet zijn de Overijsselsche
Vecht en de bodem der Noordzee bij Texel — een drietal neushoornsoorten, zes herten,
waaronder het rendier*), en ook het Nijlpaard — bij Tegelen in Limburg. Het is mij
niet mogen gelukken om een zoo volledig mogelijk overzicht te krijgen van de vondsten
in de Groninger venen. Mogelijk is er iemand met meer tijd, die op dit gebied eens
nasporingen wil doen.
Hoewel van verschillende veengebieden, zoowel in N.-W. Duitschland als in Nederland
vondsten van menschelijke geraamten zijn gedaan, waarvan in de literatuur uitvoerige
melding werd gemaakt, bleek het ons niet mogelijk om gewaar te worden wat de
Groninger venen hebben opgeleverd. Wij zijn er van overtuigd, dat hier en daar in
oude boeken, bladen en kranten wel verschillende feiten te vinden zullen zijn, doch
wij waren niet in staat al dit materiaal te raadplegen.
Bij het afgraven van wierden zijn heel wat menschelijke overblijfselen ontdekt;
wellicht heeft het veen er ook heel wat opgeleverd, doch de gravers wisten er
dikwijls geen raad mee, voorts was de wetenschappelijke belangstelling gering, zoodat
het met dierenresten enz. wederom verloren is gegaan. Westerhoff en Acker Stratingh
#287
43
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2480
2485
2490
2495
2500
2505
2510
vermelden in hun werk (1830) geen enkel geval, doch zij citeeren hun voorganger, den
onderzoeker Westendorp, die in zijn Antiquiteiten een vondst in Oostfriesland
vermeldde. Zij zeggen er van: “Het geraamte, dat nog door de kleederen omgeven was,
scheen dat van een volwassene vrouw te zijn. Op den schedel vond men nog de sporen
van rood haar. De kleedingstukken, die van grof maaksel en uit wol vervaardigd zijn,
hebben een zonderling oud voorkomen, zijn vrij wel bewaard gebleven, doch waren reeds
gelapt. De schoenen, welke uit onbereid leder schijnen vervaardigd te zijn, waren van
een allerzonderlingst maaksel, negen en een half duim lang en zeer fraai met loofwerk
en sterretjes versierd. Voorts vond men ook op die plaatsen koralen van barnsteen,
welke eenen buitengewonen vorm hadden en op een snoer van witte en zwarte paardeharen
geregen waren”. De schrijvers merken hierbij op, dat de kleedingstukken, welke door
hen bij het afgraven van wierden en terpen zijn gevonden, zeer met die van de in het
veen gevonden vrouw overeenkwamen, zoowel in maaksel, stof als weefsel.
Interessant is verder het artikel van mr. J. G. C. Joosting in den tweeden bundel van
de Bijdragen van het Centraal Bureau voor de Kennis der Provincie Groningen, waar hij
melding maakt van de vondst van een “Germanenlijk” bij Yde, onder de gemeente Vries,
in Drenthe dus. Bij het uitbaggeren van een veenplas werd er ook een mummie-achtig
lijk uit de diepte opgedolven, tot groote consternatie van de twee arbeiders, die bij
het te voorschijn komen van het “zwart hoofd met roodachtig haar” en hals over kop
van door waren gegaan. Wij lezen voorts in deze bijdrage, dat in 1900 wederom zulk
een lijk gevonden werd in Sleeswijk, hetgeen voor de directrice van het museum van
oudheden te Kiel een reden was om een speciale studie van de “veenlijken” te maken.
Zij beschreef in haar werk 21 veenlijken, terwijl zij later nog van 9 andere bericht
ontving. Deze vondsten zouden uit den tijd van 200—400 n. Chr. dateeren. Het schijnt
niet onmogelijk, dat een aantal van deze menschen door hun stamgenooten in het veen
bij wijze van strafoefening opzettelijk verdronken zijn, daar zij een misdaad zouden
hebben gepleegd. Op grond van de gevonden voorwerpen en kleedingstukken bij het lijk
meende men daartoe te kunnen besluiten.
Voorts mag er nog aan herinnerd worden, dat ettelijke malen urnen met de resten van
verbrande lijken in het veen zijn gevonden, vooral bij Grootegast en Lutjegast,
terwijl ten slotte nog wordt gewezen op de bekende veenbruggen, naast elkaar liggende
balken van den en berk, welke onze oudheidkenners zoolang reeds bezig houden. Wie er
meer van wil weten, verwijzen wij naar studies van dr. Van Giffen en anderen.
*) Ook bij Oostenrolde in Friesland
2515
2520
2525
2530
2535
2540
2545
20 oktober 1934 VELDNAMEN OM ROERMOND
[...] [bij de Heerbaan/Heerweg/Heerstraat en Franken-ven] In de onmiddellijke
omgeving - want deze twee namen zouden mij zeker veel interessants kunnen verhalen bemerk ik hier en daar kleine heuveltjes of hoogten, en na grondig onderzoek moet
hier m.i. in vroegere jaren gewoeld en gegraven zijn. Kleine stukjes van scherven,
restanten van beendertjes en zwarte houtskool-stukjes bewezen me zulks. Bij mijne
thuiskomst neuzende in mijn omvangrijk dossier aanteekeningen over onderzoekingen in
Midden-Limburg, ongeveer een eeuw geleden gedaan door meer dan een historicus, vind
ik dan ook inderdaad het antwoord op de mij zelf gestelde vraag, wat deze
merkwaardige vlakte kon beteekenen. Er is nl. in Juni 1853 een werkman bezig geweest
daar met kiezelgrond uitgraven. Hij heeft toen op 13 voet diepte eene vaas gevonden
van roode aarde, dus een zeer zeldzaam stuk. Zij had den vorm van een schoteltje.
Niet wetende, beter, onbewust van de groote waarde van deze vondst nam hij het
vaatwerk mee naar huis, en vond, dat de pot zeer geschikt was om er de jonge
kuikentjes uit te laten eten.
Een zekere Theelen uit Horn heeft deze vaas later gekocht, liet zich de vindplaats
toonen, en zette zelf toen het graafwerk voort. En jawel, na drie dagen werk ontdekte
deze, zoowat op dezelfde diepte, een zandsteenen doodkist, afgedekt door een platten
steen, jammer genoeg op verschillende plaatsen gebarsten. De kist had eene lengte van
4 voet, en was ongeveer 1½ voet hoog en breed. In de binnenruimte bevonden zich
brandasch, beenderen en enkele stukjes ijzer, nl. pijlpunten, verder nog een kleine
gouden bal, en een steentje van ±10 c.M. lang, vermoedelijk een beeldje.
In de kist bevond zich aan een der uiteinden een kleine verhooging, welke
waarschijnlijk als hoofdkussen heeft moeten dienen. Maar vooral merkwaardig was
verder de ontdekking, dat rondom deze steenen kist 32 vazen, uit potaarde gebakken en
van diverse vormen en kleuren, gerangschikt zaten. Ze waren zuiver symmetrisch, d.i.
de een op de anders geplaatst. De historici hebben toen uitgemaakt, dat het Romeinsch
vaatwerk was. Immers de Romeinen bedienden zich van zulke vreemde vazen bij
begrafenisplechtigheden. Het waren de zgn. libatie-kruiken en voor de drank- en
plengoffers bij drinkgelagen en maaltijd. De zes erbij bevindende Romeinsche urnen,
bevatten, als gewoonlijk, asch en beenderen. Een der vazen, welke vermoedelijk als
#287
44
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2550
2555
2560
2565
2570
2575
2580
2585
2590
2595
2600
2605
2610
drinknap werd gebruikt, was van zeer kunstige uitvoering. Zij was gemaakt eveneens
uit roode pot-aarde, en versierd aan de voorzijde met de afbeelding van negen pauwvogels en eene krokodil. [...]
GERH. KREKELBERG.
20 mei 1935 EEN BAARDMANSKRUIK.
Men schrijft ons:
Bij het turfgraven in het Middelveen onder Taarlo werd deze week een zeer
merkwaardige vondst gedaan. Op een diepte van ongeveer 75 c.M. kwam een prachtig gave
baardmanskruik voor de dag.
Het kruikje is plm. 14 c.M. hoog; voor een baardman dus klein. Behalve verschillende
duidelijke letterteekens, staat er in het zegel op de kruik ook een jaartal;
vermoedelijk 1596.
Een vondst als deze is buitengewoon interessant. Het is niet een verloren of
achteloos weggeworpen gebruiksvoorwerp van geringe waarde. Er zit meer achter. De
baardman stelt waarschijnlijk Karel de Groote voor, die nog vele eeuwen na zijn
heengaan afgodisch werd geëerd en gevreesd. Mogelijk zag men dezen Germanenkeizer met
Wodan als achtergrond.
En wat nu het meest merkwaardige van zoon kruikje is, is dat het met een zeer
bepaalde bedoeling in het veentje moet zijn gedeponeerd. En die bedoeling kan
moeilijk een andere zijn geweest, dan het brengen van een offer. Het veentje moet in
eenigerlei opzicht "heilig" zijn geweest. En de geestelijke gezindheid van de
menschen van weinige honderden jaren terug moet een heel andere zijn geweest dan die
van nu. Met het toevertrouwen van dit vormschoone en in zijn eenvoud indrukwekkende
"kannigie" aan het eenzame veen werd een daad van liefde verricht, waarbij
stoffelijke waarden werden overheerscht door een verheven geestelijke houding; een
geestelijke houding, die van een arbeider een priester maakt. Deze liefde is het, die
het kruikje zijn waarde heeft gegeven. En deze liefde is het, die toen en nu alleen
maar wezenlijke waarde geven kan.
Het kruikje wordt bewaard door de familie Kommer te Taarlo.
23 juli 1935 HELENA EN GEHENNA. (Hedeler Draaklegende). Het Helenabeeld.
Daar Hedele aan de heirbaan lag is het niet te verwonderen, dat daar het antieke
beeld te zien was, dat door de inwoners Helena werd genoemd. Men zocht zelfs verband
tusschen de namen Helena en Hedele (Heel). Ook werden er trouwens heel wat oudheden
ontdekt, vooral vazen en munten, die de vinders tegen behoorlijke prijzen zagen te
verhandelen. O.a. bezat notaris Guillon (+1873) verschillende antiquiteiten, waarvan
destijds een catalogus werd opgemaakt.
1 februari 1936 Oudheidkundige vondsten te Horn.
We wezen in ons vorig artikel in enkele woorden reeds op de oudheid van Horn of Heur,
hoofdzakelijk bewijzend uit het kasteel van Horn, dat in oude tijden met vrij groote
zekerheid een Romeinsch gebouw is geweest, een bevestigde burcht aan de Maas.
Vroeger schreven we reeds een en ander over de waardevolle oudheidkundige verzameling
van wijlen notaris Charles Guillon. In deze verzameling dan bevonden zich enkele
Romeinsche voorwerpen uit den omtrek van het oude kasteel van Horn afkomstig.
In den muur der voormalige parochiekerk te Horn, naast den grafelijken burcht,
bevonden zich eertijds twee Romeinsche gedenksteenen. Deze kerk, die in 1838 werd
afgebroken en door een nieuwe vervangen - welke inmiddels weer afgebroken is - was in
Romaansche stijl gebouwd, hare muren, bestaande uit onregelmatig metselwerk, van
zand- en keisteenen, waren wellicht nog getuigen geweest van de kerkdiensten, welke
er in de tiende eeuw de geleerde Patricius, als pastoor verrichtte, een man aan wien
Ratherus, bisschop van Luik, zijn brief over de Eucharistie toewijdde. Onder de
fundamenten dezer kerk vond men twee potten van Frankischen of Carolingischen
oorsprong, waarvan een met een wafelvormig werk viermaal herhaald.
Na de afbraak kwamen deze in het bezit van den heer Ch. Guillon.
Volgens J. Habets had de eerste vermelding der Hornsche monumenten plaats door
kannunik Hendrik van den Berch, wapenheraut van het prinsdom Luik, die in 1640 deze
steenen in oogenschouw nam en daarvan een teekening met beschrijving boekte in zijn
handschrift getiteld: “Copie des armes et blasons des évèques de Tongres et de
Liège”, berustend in de universiteitsbibliotheek van Luik. Hij droeg volgens hem het
opschrift:
Marti Halmare Sacrum T. Domit. Vindex O. Leg. XX. V.O. V. S. L. M.
Onder de teekening van het tweede monument, dat met eene zijde over zijn geheele
lengte in den muur gemetseld lag (zie figuur I) schreef hij: “Il convient regarder
cette antiquité en cette sorte et en sa vraie forme. Son longeur est de deux pieds
#287
45
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2615
2620
2625
2630
2635
2640
2645
2650
2655
2660
2665
2670
2675
trois quarts et un demi poulx (men moet deze antiquiteit bekijken in die soort en in
haar waren vorm. Ze is 2 3/4 voet en een halven duim lang) en in breedte: trois
quarts de pied et un poulx (driekwart voet en een duim breed).
Volgens hem bevatte de steen geen inscriptie, maar hij teekent een soort vaas of
flesch en daarboven een schakel. Voorts zegt hij dat de pastoor nog verschillende
medailles van Romeinsche keizers heeft gevonden te Horn.
Knippenbergh schrijft over deze twee gedenksteenen het volgende: “In den zuidermuur
der kerk te Horne vindt men eenen vierhoekigen steen, voorzien van een inschrift, dat
alhoewel voor het grootste gedeelte leesbaar, echter wegens het uitbrokkelen en
verdwijnen van eenige letters, duister is geworden.“
Laten we eerst een en ander vertellen over den steen van Mars Halamardus.
Het opschrift werd als volgt gereconstrueerd: Marti Halamordo sacrum, Titus Domitius
Vindex, centurio legionis vicecimae, Valeriae Victricis, votum solvit lubenter
merito.
Volgens Habets moet dit inschrift gerangschikt worden onder de geloftesteenen, een
afdeeling der inschriften van godsdienstigen aard. Halamard is hier te beschouwen als
bijnaam voor Mars. Het is een offer van den legioensoldaat Titus Domitius Vindex aan
Mars. Hij was Centurio of honderdman, kapitein zou men tegenwoordig zeggen. Hij
diende in het 20ste legioen, dat den naam droeg van Valeria Victrix, afgekort V. V.
Dergelijke opschriften zijn in ons land uiterst zeldzaam. In 1873 vond men er een in
Heerlen, gewijd aan de nagedachtenis van een soldaat van het vijfde legioen.
10 april 1937 VAN HEIDENSCHE OFFERPLEK TOT BOERDERIJ.
Herten telt drie monumenten uit den heidenschen tijd.
[...] Bovendien zullen toch ook de in deze omgeving, van Maas tot Roer en verder
gevonden votiefsteenen, aan de goden Mars enz. gewijd, de dito heidensche offeraltaren, de Romeinsche daktegels en baksteenen, kapiteelen met Latijnsche
inscripties, offersteenen met de beelden van Minerva, Apollo of Diana, gordelplaten,
wapens, helmen, krijgsuitrustingen van verguld koper, beelden van Jupiter, grafurnen,
kannen, schalen, lampjes, munten, het onweerlegbaar bewijst leveren, dat onze eerste
voorvaderen hier overal [...]
25 augustus 1937 GEHEIMZINNIGE VONDST IN DE PEEL.
Volksfantasie uit grijze oudheid herleeft.
Bij het verrichten van ontginningswerkzaamheden, welke onder leiding van de
Nederlandsche Heide Mij. op het grondgebied der uitgestrekte Peelgemeente Deurne
worden verricht, werd dezer dagen een skelet aangetroffen, meldt de Prov. 's-Hert.
Crt. Het menschelijk geraamte moet reeds zeer lang ter plaatse aanwezig zijn geweest;
het zat diep onder de zandlagen. Sensationeel min of meer was de bijkomstigheid, dat
in de nabijheid van 't skelet een verweerd mes werd aangetroffen.
Het behoeft weinig betoog, dat deze geheimzinnige vondst de volksfantasie ruimschoots
stof bezorgt voer het weer ophalen van de velerlei geheimzinnige verhalen waarmede de
geschiedenis van de vroeger zoo intens verlaten Peelstreek is aaneengeweven.
Het nu gevonden geraamte, hoe lang heeft het in den Peelbodem gerust? 50, 100, 200,
300 jaren of nog langer? Wordt hier een tipje heel even weggelicht van een
onopgehelderd gebleven drama uit ver verlogen tijden? Een slachtoffer van een
roofoverval toen lang, heel lang geleden da Peel nog ontoegankelijk en bijna
ondoordringbaar was? Of het verteerde overschot van een verdwaalden eenzame "die het
spoor in de wildernis was kwijtgeraakt en van wien, behalve het gebeente, slechts het
mes, dat hij bij zich droeg, den tand des tijds heeft weerstaan?
Het zal alles wel een open vraag blijven, zooals zooveel andere geheimzinnigheden het
bleven die nu weer worden opgerakeld, als onvergane restanten van Peelsche romantiek.
Weer hoort men thans vertelsels opgeld doen van de “zwarte waters” uit het oude
Peelgebied. Griezelige gebeurtenissen uit 't diepe verleden. Zij gingen van mond tot
mond in de tijden, toen de Peel volmaakte wildernis was, toen er geen wegen waren,
geen kranten gedrukt werden, geen boerderijen in den wijden omtrek vielen te
bespeuren en toen men, bij gemis aan alle moderne comfort, des avonds bij de
haardvuren, elkander bij kout en buurt de uren kortte. De “zwarte waters” zijn de
donkere Peelvenpoelen, waar, om de een of andere reden, de klokken uit de kerktorens
waren weggezonken. Duistere onbekende vreemdelingen had men de klokken zien
wegvoeren. Men hield hen voor handlangers van den duivel of ook wel voor Satan zelf.
Met doffen slag waren de klokken in de moerassen neergestort; het water bleef er
sindsdien zwart en bevroor nimmer. In den Kerstnacht hoorde men ze nog luiden, maar
wee wie haar klanken volgde en poogde op te sporen; hij verdoolde, om in de zwarte
waters te verdrinken... Een der “zwarte water” lag ter hoogte van de huidige Peelvlek
IJsselstein.
#287
46
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2680
2685
2690
2695
2700
2705
2710
2715
2720
2725
2730
2735
2740
25 augustus 1937 Bij het verrichten van ontginningswerkzaamheden, welke onder
leiding van de Nederlandsche Heide Mij. op het grondgebied der uitgestrekte
Peelgemeente Deurne worden verricht, werd dezer dagen een skelet aangetroffen.
10 september 1938 PETRUS SCHREURS, 80 JAAR.
[...] Maar een beslissenden invloed kregen de jaren, die hij mocht doorbrengen bij
den grooten oudheidkenner en verzamelaar, Notaris Guillon, bij wien hij op 25-jarigen
leeftijd kwam en dien hij tot aan diens dood mocht verplegen. Ongetwijfeld heeft hij
daar een goede leerschool gehad, vooral ook, toen hij na het afsterven werd
aangesteld als bewaarder der verzameling van den cataloog voor den verkoop. De
wetenschappelijke bewerking was opgedragen aan de Eerw. heeren Jos. Habets, destijds
kapelaan te Berg en Terblijt, later Rijksarchivaris, en Pastoor Franssen van
Ittervoort, terwijl mede de heer Jos. Pieters, rustend onderwijzer van Roermond, veel
werk verzette.
Hoe uitgebreid deze verzameling was, blijkt uit de catalogen, nog steeds in ‘t bezit
van den heer Schreurs, en uit ‘t feit dat de verkoop niet minder dan 14 dagen duurde.
Wat jammer, dat deze kostbare kunstvoorwerpen, schilderijen, beelden, munten enz. nu
over verschillende landen van Europa verspreid zijn, en dat Roermond zich dit heeft
laten ontnemen. Nu zou zoo iets niet zoo licht gebeuren. Wat zou Roermond thans een
museum hebben, als deze collectie behouden was gebleven. [...]
26 oktober 1938 EEN VEENLIJK GEVONDEN.
De Oudheidkamer De Hondsrug te Emmen is in het bezit gekomen van een buitengewoon
zeldzame en merkwaardige vondst: een veenlijk, gevonden door den heer A. Middel?ns te
Emmer-Erfscheidenveen. De beenderen waren geheel vergaan, de huid gelooid. Het lijk
lag op een draagbaar van een paar berkentakken, in de richting Noord-Zuid.
Het was gehuld in een mantel van dierenvellen met keurige naden aan elkaar gezet.
26 oktober 1938 Een z.g.n. veenlijk in Drente gevonden.
Men meldt ons uit Emmen: In het veen nabij Emmererfschelderveen, heeft een arbeider
op ongeveer 60 centimeter diepte een zoogenaamd veenlijk gevonden, dat daar
vermoedelijk meer dan 2000 jaar heeft gelegen.
Zooals ook bij eerder gevonden veenlijken, die in het museum te Arnhem zijn
ondergebracht, het geval was, is ook hier van het lichaam niets anders dan de
gelooide huid overgebleven: de beenderen enz. zijn vergaan, hetgeen een gevolg is van
de in den veengrond aanwezige zuren.
Het lichaam moet dat van een forschen man geweest zijn, die op een draagbaar van
berkenstammen ongeveer 100 meter ten Noorden van den Groenendijk, den ouden
verkeersweg bij het veen, waarschijnlijk gewond of reeds gestorven, is achtergelaten.
De man droeg een mantel en muts van ruw geweven stof en schoeisel van dierenhuid.
Deze kleedingstukken waren ook vrij goed geconserveerd. Wapens of andere voorwerpen
zijn niet in de nabijheid aangetroffen. Men wil daarnaar evenwel een nog nader
onderzoek instellen. De resten zijn aan de Oudheidskamer de Hondsrug, gemeente Emmen,
afgestaan, die dr A. E. v. Giffen te Groningen heeft gewaarschuwd en bijstand heeft
gezocht voor het verder conserveeren van de vondst.
Ter toelichting moge het volgende dienen, dat wij ontleenen aan het bekende werk van
wijlen prof. J. van Baren. “De bodem van Nederland” Van Baren schreef bij zijn
behandeling van het veen oa. het volgende:
“Dank zij de bederfwerende eigenschap van het Sphagnumveen kunnen dierlijke
overblijfselen en natuur voorwerpen duizenden van jaren ongerept bewaard blijven,
mits zuurstof geweerd blijve. Het is aan het toetreden van zuurstof waarschijnlijk te
wijten, dat van menschelijke geraamten vaak alleen de huid (en dan gelooid) en het
haar overblijven en van de beenderen nagenoeg alles verloren gaat.”
26 oktober 1938 – Aan kanaal A te Emmererfscheiderveen
is tijdens het turfgraven op de plaats van Middeljans het overblijfsel van een naar
schatting 2000 jaar oud geraamte gevonden. De heer Buiskool, plaatselijk
oudheidkundige te Weerdinge en archivaris van de Oudheidkamer "De Hondsrug" te Emmen,
heeft zich voor de vondst geïnteresseerd. Waarschijnlijk zal het gevondene dus
bewaard blijven.
26 oktober 1938 DE VONDST VAN EEN VEENLIJK
Deskundige te laat ingelicht.
Het bericht in het ochtendblad omtrent het vinden van een z.g. veenlijk nabij
Emmererfscheidenveen behoeft eenige verbetering en aanvulling. De eerder gevonden
#287
47
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2745
2750
2755
2760
2765
2770
2775
2780
2785
2790
2795
2800
2805
veenlijken worden nl. niet bewaard in het museum te Arnhem, maar in het provinciale
museum te Assen, waar zij tot de belangrijkste wetenschappelijke bezittingen
behooren. De kleedij van den thans gevonden man bestond voorts niet uit een mantel en
muts van geweven slof, maar muts en mantel zijn, evenals het schoeisel, van ruw
behaarde dierenhuiden, genaaid met riempjes gelooide huid. De mantel is een
schoudermantel van het model zooals wij dat door oude schepers wel zagen dragen,
terwijl ook de beremuts voor het thans levende geslacht geenszins geheel onbekend is.
Uit de resten, die daarvan overbleven, valt af te leiden, dat de man onder zijn
pelsmantel geweven kleedij heeft gedragen. Het weefsel vertoont veel gelijkenis met
onze jute zakken. - Helaas zijn er een paar dagen na de vondst verstreken voordat
deskundigen ervan wisten, waardoor de resten niet zoo zorgvuldig werden behandeld als
wel wenschelijk zou zijn geweest. Daaraan is het toe te schrijven, dat men de ligging
van het hoofd en de armen niet meer kon reconstrueeren. Het is wel zeer te betreuren,
dat de vinder, de vervener A. Middeljans, de wetenschappelijke beteekenis van de
vondst niet heeft begrepen en de ontgraving daardoor niet geschiedde onder deskundige
leiding. Tengevolge hiervan konden per slot van rekening slechts restanten gered
worden, terwijl het anders allicht mogelijk geweest zou zijn, het geheel volledig uit
te graven.
Meldden wij vanochtend, dat geen wapenen in de nabijheid gevonden waren, het schijnt,
dat er wel een metalen voorwerp bji den mantel werd aangetroffen, doch dat dit zoek
geraakt is, ook al omdat het door erotie moeilijk meer te definieeren was. Dit is
jammer, omdat het voorwerp eenige tijdsaanwijzing had kunnen geven. Thans is men
hoofdzakelijk aangewezen op de dateerlng van de veenlagen. De medewerking van den
bekenden veendeskundlge, dr O. Vlohrschütz te Wageningen zal daartoe worden
ingeroepen.
29 oktober 1938 HET TE EMMEN GEVONDEN VEENLIJK.
Onderzoek van den conservator der Emmer Oudheidskamer.
Zaterdag j.l. is te Emmen een veenlijk gevonden in het veen nabij de Groenedijk «ider
Emnier-Erfscheidenveen.
Naar aanleiding van deze vondst heeft de heer H. T. Buiskool, conservator van de
Oudheidskamer te Emmen een onderzoek ter plaatse ingesteld.
Het lijk werd gevonden door den zoon van den heer A. Middeljans, die de resten
oprolde en mee naar huis nam. Eerst des Dinsdags hoorde de heer Buiskool van de
vondst en begaf zich naar Emmer-Erfscheiding, waar hij de resten nog aantrof. Alleen
de huid van de romp en de ledematen waren aanwezig, alsmede de mantel, waarin het
lichaam gehuld was en een aantal berken stokken, de overblijfselen van een soort
draagbaar. Met den burgemeester van Emmen, die ook gewaarschuwd was, werd
afgesproken, dat de overblijfselen naar de Oudheidskamer te Emmen zouden worden
vervoerd, waarmee de heer Middeljans instemde. De heer Buiskool ging daarna een
onderzoek instellen op de plek, waar het lijk was gevonden. De afdrukken waren nog
duidelijk in het veen te zien; het lijk had gelegen in de richting Noord-zuid, met de
voeten naar het zuiden. Na eenig zoeken vond de heer Buiskool ook nog de resten van
het hoofd n.l. de hoofdhuid, met tamelijk lang haar er nog op. Het hoofddeksel,
bestaande uit een dierenvel, was mede aanwezig.
Het bleek, dat het lijk lag op de scheiding van het grauw- en zwartveen, waaruit
volgt, dat het ongeveer in het bronzen tijdperk er moet zijn neergelegd. De heer
Buiskool kon echter de juiste ouderdom nog niet met zekerheid vaststellen. Daartoe
ontbraken hem de noodige gegevens. Het feit, dat de Groenedijk volgens sommigen is
aangelegd door Willem Lodewijk als verbindingsweg tusschen de Emmerschans en
Rütenbroek dwars door het veenmoeras, wekt de indruk, dat het lijk wel achtergelaten
kan zijn door soldaten, die daar langs zijn getrokken, waarbij één der krijgers
gewond is geworden en daar op een draagbaar stervende is neergelegd aan de kant van
de weg. Door het moeras werd het van de lucht afgesloten, waarna zich er grauwveen
boven op zou hebben gevormd. De humuszuren van het veen zouden dan het vleesch en de
beenderen hebben doen vergaan.
Anderen deelen deze veronderstellingen niet. Immers de krijgslieden uit de tijd van
Willem Lodewijk (pl.m. 1600) of later, waren niet meer gekleed in dierenvellen en aan
de voeten hadden ze geen geweven stof.
3 november 1938 VEENLIJK WAS GEEN STRIJDER OF JAGER
Vermoedelijk in het moeras verdronken
Men schrijft uit Emmen:
De heer H. T. Buiskool, te Weerdinge, conservator van de oudheidkamer “De Hondsrug”
te Emmen, heeft, wegens afwezigheid buitenslands van dr A. E. van Giffen (Groningen),
een nader onderzoek ingesteld op de vindplaats van het z.g. veenlijk van Emmer#287
48
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2810
2815
2820
2825
2830
2835
2840
2845
2850
2855
2860
2865
2870
2875
Erfscheidenveen. Dit onderzoek bracht den heer Buiskool tot de gevolgtrekking, dat de
aanvankelijke meening, als zou de man wiens lijk gevonden werd op een draagbaar
gelegen hebben, onjuist was, waarmee ook het vermoeden, dat men met een gewonden
strijder of jager te doen zou hebben, komt te vervallen. Het lichaam lag met de
voeten naar het zuiden, eenigszins gebogen en was daarna bedekt met zware en lichte
berketakken, hetgeen erop duidt, dat de men al dan niet opzettelijk den
verdrinkingsdood in hot moeras is gestorven. Deskundigen hebben eerder vastgesteld,
dat ter plaatse, waar aldus een mensen den dood vond, de Germanen een houtbedekking
aanbrachten. Het lichaam lag 90 cm diep, maar men moet daarbij in aanmerking nemen,
dat het veen door ontwatering aanmerkelijk gekrompen is, zoodat de boven het lichaam
gegroeide veenlaag oorspronkelijk aanmerkelijk dikker was. De kleeding bestond uit
een mantel van dierenhuid, muts en sandalen van hetzelfde materiaal en een been of
onder-(?)bekleeding van ruwe geweven stof. Het schoeisel was bevestigd met riempjes
van palinghuid (aalvel), dat door de boeren nog lang voor verschillende
binddoeleinden (b.v. vlegelriemen) werd gebruikt
De heer Buiskool vond voorts nog een paar gave beentjes: een vingerkootje en een
schedelbeentje. Ter bepaling van den ouderdom van het gevondene zal de uitslag moeten
worden afgewacht van het onderzoek van dr Flohrschülz, te Velp.
12 november 1938 Veenlijken
Kapitein H. J. Bellen te Assen schrijft ons:
De vondst van het veenlijk te Emmererfscheidenveen heeft allerwege de aandacht
gevestigd op dit biologisch en volkskundig zeer merkwaardig verschijnsel. Als een
zeldzaam bezit liggen enkele exemplaren in de vitrines van het Asser Museum; heel wat
meer zijn er die nooit in een museum terecht kwamen. Meestal komt de turfgraver pas
tot de ontdekking, met een veenlijk te doen te hebben, als hij het al ten deele
vergraven heeft; en als regel hebben deze zwoegers geen tijd, zich er veel om te
bekommeren; ook hebben velen een afkeer van zulk een lugubere vondst en zij
vernietigen deze zonder omhaal.
In den zomer van 1932 vonden veenwerkers in een veen onder Witten (Dr.) - ook
destijds vermeld in het Nieuwsblad v. h. Noorden — het lijk van een jong meisje. De
omstandigheden waaronder de vondst gedaan werd zijn goed waargenomen en in het kort
waren deze de volgende. Het lijk bevond zich ongeveer 60 centimeter onder het
oppervlak, dit is dus de plantenlaag van 1932. Het lag zeer duidelijk zichtbaar in
een gegraven kuil die na het neerleggen van het lichaam met den uitgekomen grond was
gedicht; de zware veenkluiten waren nog goed te onderscheiden Over het lijk lagen
twee vrij zware berkentakken; de vinders verklaarden dat deze kruiselings het lichaam
hadden overdekt, dat zij dus volgens de diagonalen in den kuil hadden gelegen. Het
bleek dat na het dichtgooien van den kuil vrij geruime tijd verloopen moest zijn,
daar over de bovenste kluiten zich nog een veenlaagje van 1 a 2 decimeter dikte had
kunnen vormen. Verschillende dezer verschijnselen komen bij de vrij talrijke
veenbegravingen van dezen aard die men in den loop van den tijd toch nog bijeen heeft
weten te brengen, voor. Het eerste wat is komen vast te staan is, dat een veenlijk
steeds begraven is in een te voren — in het reeds bestaande veen — gemaakten kuil; de
vulling heeft steeds met de uitgegraven brokken plaats gehad. Door deze wijze van
begraven komt het lichaam in omstandigheden die vernietiging door levende wezens
(plantaardige, zooals schimmels; en dierlijke, zooals aaseters, insekten, mikroben)
uitsluiten. In de eerste plaats is de veenbodem vrijwel volkomen steriel; het
veenmos, sphagnum, dat er het hoofdbestanddeel van uitmaakt, werd, bij gebrek aan
verbandmiddelen door sommige oorlogvoerenden in 1914—1918 als goed vervangingsmiddel
aangewend. Door zijn sterk looiend vermogen conserveert het veenwater de huid- en
spierweefsels; daarnaast lost het de kalkdeelen in het lichaam voor het grootste deel
op.
Gemakkelijk zal men inzien dat een lijk, neergelegd op het veen, of geworpen in een
veenpoel, of een in het veen verongelukte, niet eeuwen later teruggevonden kan
worden; op het veen neergelegd, wordt het verslonden door grootere dieren en
insekten; in open water of moeras geschiedt de vernietiging door insekten en mikroben
en door ontbinding
Bij de begraving echter heeft een natuurlijke mummificeering plaats die zich afspeelt
onder den onafgebroken druk van de bovenliggende veenmassa; het veenlijk wordt
daardoor gevonden als een ietwat slijmerige zelfstandigheid, die echter bij
oordeelkundig drogen hard en taai wordt. Zoo vinden wij de goed bewaarde veenlijken
in het Asser Museum als platgedrukte leeren zakken, met een vrijwel beenderloozen
inhoud. De veenbegravingen leeren dat verschillende verschijnselen van het Witter
veenlijk ook bij veel andere kunnen worden waargenomen. Een algemeene regel is dat er
takken bij liggen, veelal berk. Zoo werd in het Terstaarster Veen een man gevonden
#287
49
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2880
2885
2890
2895
2900
2905
2910
2915
2920
2925
2930
2935
2940
onder berketakken in het graf; hij was overigens gekleed in een kleurige soort pij;
berketakken zijn vastgesteld in talrijke veenbegravingen, verspreid over Skandinavië,
Rusland, Duitschland, Denemarken, Nederland en Groot Brittannië. Echter ook takken
van ander hout.
In het Broddenbjaergmoor bij Asmilde (Jutland) waren het eikentakken. In Juni 1901
vonden turfgravers in een veen onder Wijster (Dr.) bij elkaar de lijken van zes
menschen; de huid was nog zoo sterk, dat een der gravers nog maanden lang een stuk er
van als kap over zijn klomp heeft gedragen. De lijken droegen grove, maar goed
geweven kleeren, van felgroene kleur; de stof was nog opmerkelijk sterk. Over de
lijken waren sterke, gebogen vliertakken aangebracht, zoodat zij oorspronkelijk in
een holte moeten hebben gelegen. Men vond er 16 munten bij, waarvan de jongste van
1573. Uit deze vondst staat vast, dat de begraving dezer lijken plaats gevonden heeft
na 1573; hoe lang na dat jaar is niet te zeggen, want munten hadden in die tijden een
langen omloopsduur; de oudste van de 16 was van 1483.
Het gekruist liggen van twee takken over het lijk is in het geheele
verspreidingsgebied waargenomen. Soms zelfs is de begravene met sterke touwen aan
zulke takken gebonden: niet zelden zijn deze touwen vast om den hals gesnoerd, zoodat
verworging vooraf is gegaan. Deze bijzonderheden, alsmede de vaak gruwelijke
verwondingen doen sterk denken dat de vrees voor terugkeer van den doode bij het
begraven een rol heeft gespeeld. Zoo was een mannelijk veenlijk in Zuid Denemarken
ontdaan van den rechteronderarm en van den linkervoet, terwijl het aan twee gekruiste
berkenstammen vastgebonden was; dezelfde verminking werd waargenomen aan een veenman
uit een turfgraverij onder Beilen. Aan deze vrees doet ook denken het feit, dat vaak
het lijk in gehurkte houding wordt aangetroffen, met geboeide ledematen.
Bij het Emmererfscheidener veenlijk vond men een runderhuid; ook dit is in tal van
veenbegravingen aangetroffen. Het veenmeisje van Witten was in zoon huid gerold.
Gehuld in een runderhuid ontgroef men in 1930 nabij Egtved (Jutland) het veenlijk van
een 18 à 25-jarig meisje; zij droeg een lint in het blonde polkahaar en was gekleed
in een kort jakje met halve mouwen en een knievrije rok van afhangende koorden,
waarlangs een franjezoom. Haar nagels waren gepolijst en naast haar lag een
manicuurtaschje; ook waren in het graf de asch van een 7-jarig kind en een emmertje
van berkenbast: het lijk vertoonde geen verwondingen. Onder Zweeloo (Dr.) werd
omstreeks 1830 het veenlijk van een kostbaar gekleede vrouw gevonden. Vondsten als de
beide laatste schijnen de gedachte aan straf, voor burgerliike vergrijpen althans,
wel geheel uit te sluiten.
De aanwezigheid van kostbaarheden in veengraven, de soms groote zorg, waarmede
kleeding en leerwerk zijn vervaardigd en vaak herhaaldelijk zijn gerepareerd, de
onmiskenbare graden van welstand in de opvallend eenvormige sandalen en andere
verschijnselen duiden er zeer sterk op dat alle standen van die vroegere
maatschappijen hun offers aan dit gebruik hebben gebracht.
Het is opmerkelijk dat uit kleeding en schoeisel van veenlijken maar weinig op te
maken valt omtrent den tijd, waarin zij begraven zijn geworden. De weeftechniek wijst
onveranderlijk op het in gebruik zijn van vaste weef ramen en deze moeten reeds vóór
onze jaartelling on onze breedten in zwang zijn geweest. De hoofddeksels zijn vaak
van zeer goed vilt en hebben vormen zooals wij ze op schilderijen van Jeroen Bosch,
plm. 1500 tot Jan Steen, plm. 1670 kunnen aantreffen. De sandaalvormige schoenen zijn
in alle eeuwen gedragen. Alleen de munten leveren, zooals reeds gezegd eenige
mogelijkheid tot dateering; de oudste uit veenvondsten afkomstig in het Asser Museum,
zijn van Roswinkel; ze zijn uit den Frankischen tijd.
Zoo maken dan de muntvondsten het waarschijnlijk, dat het in menig opzicht
raadselachtig gebruik der veenbegraving, met zijn scherp omschreven, men zou haast
zeggen ritueele, omtrekken, gevolgd is, van de tijden van Karel de Groote tot aan den
drempel van de 17e eeuw.
In het laatste ingezonden stuk leze men "looiend zuur" voor looizuur.
4 april 1939 Het oude veenpad door Z.-O. Drenthe.
Op veenplaats no. 137 van den heer mr. A. Jonker te Emmen werd in het EmmerErfscheidenveen een gedeelte blootgelegd van het vermaarde houtpad. Het ligt plm. 1
M. beneden den beganen grond, in de richting Z.W.— N.0., plm. 100 M. benoorden van
den z.g. tweeden Groenen Dijk en ruim 1200 M. van de vindplaats van het veenlijk. Het
pad bestaat uit enkele en dubbele planken, in houten schalmen gestoken om wegzakken
te voorkomen. Evenals het veenlijk ligt het op de grens van grauw- en zwartveen. Door
pollen-analyse zal getracht worden den juisten ouderdom vast te stellen.
25 mei 1939
#287
50
Veenvondst te Taarlo.
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
2945
2950
2955
2960
2965
2970
2975
2980
2985
2990
2995
3000
3005
Dezer dagen is te Loon (gem. Assen) bij het turfgraven in het veen Taarlosch Nijland,
een zeer goed geconserveerde bronzen ketel gevonden. Hij is van den vorm, zooals er
reeds verschilende in het Asser museum aanwezig zijn, die Spaansche potten worden
genoemd. Zij zijn gekenmerkt door een eenigszins platronden buikvorm, die door drie
pooten, in het metaal geklonken, gedragen wordt. De rand is naar buiten gebogen en
voorzien van twee, tegenover elkaar staande ingeklonken ooren. De nog geheel
bruikbare en nagenoeg gave ketel, weegt plm. 3 k.g. De vinder heeft hem niet
„schoongepoetst", zoodat de roet-resten (herkomstig van gebruik als kookpot) nog
aanwezig zijn. Een tweede bijzonderheid is, dat de ketel een teeken, gelijkende op
een huismerk, vertoont. Onder de vele, in venen gevonden Spaansche ketels in het
genoemde museum draagt er slechts één een huismerkvormig teeken. Eén der driepootige
ketels vermeldt ingegoten: 1574, vermoedelijk het jaartal van vervaardiging.
1 februari 1941 DE WEG VAN OERTIJD TOT MIDDELEEUWEN
We willen dit stukje beginnen met onze lezers een vraag te stellen.
"Wat is eigenlijk een weg?"
"Een met beton, asfalt, klinkers of grint verharde strook gronds. Waarover
voetgangers en voertuigen zich gemakkelijk kunnen voortbewegen", zult ge wellicht
zeggen en met steedsche overmoed de toch ook nog bestaande zandwegen maar heelemaal
overslaan.
Deze opvatting is echter minder juist. Het Woord „weg" gaat terug op een oerouden
Indo-Germaanschen stam, uit een tijd lang voordat van wegen in den tegenwoordigen zin
sprake was. "Ga je weg!" zeggen wij nog en spreken van wegvaren, wegrijden,
wegloopen, iemand uit den weg staan, allemaal overblijfselen uit een tijd, toen „weg"
nog in de eerste plaats route beteekende in den zin, zooals wij nu nog over den
„zeeweg naar Indië" spreken. Een ander woord voor route is het bijna wiskundige
begrip „baan" en het hoeft dus niet te verwonderen, dat ook deze uitdrukking nog in
gebruik is in samenstellingen als renbaan, wildbaan, heerbaan (de baan waarlangs een
heer of leger trok) of genoemd naar de richting als bijv. Meerlosche Baan. Dat deze
stam zoo oud is, blijkt ook uit ons hiermede in verband staande woord wagen, dat we
vele eeuwen voor het begin onzer jaartelling reeds in het Sanskriet, de geleerdentaal
der Indo-Germaansche Voor-Indiërs, als vahana aantreffen. Deze taal en de onze
stammen beide van de Noord-Europeesche grond- of oertaal. (De uitspraak van de h werd
tot onze g.) Tegenover deze inheemsche termen weg en wagen staan dan de uitdrukkingen
straat en kar, hier door de Romeinen als strata en carrus ingevoerd.
DE OUDSTE WEGEN IN ONZE STREKEN
Wanneer we weg zoo opvatten, dan is het duidelijk, dat reeds vanaf het eerste
optreden van den mensch van wegen sprake is. De moderne biologie ontdekte dat onze
trekvogels als zwaluw, ooievaar en vele anderen altijd dezelfde wegen volgen en een
ieder weet wel hoe op de hei de konijnen bepaalde wegen zoo regelmatig beloopen, dat
ware paden ontstaan. Zoo ging de mensch in zijn woongebied ook al spoedig bepaalde
wegen, hetzij omdat die gemakkelijk waren of omdat zij langs wildrijke plaatsen
voerden, en omdat hij onderweg in den loop van den tijd steeds weer dingen verloor,
bijvoorbeeld steenen pijlpunten, kunnen we ons uit de vindplaatsen van deze
voorwerpen een voorstelling van zoon weg vormen. Dergelijke wegen lagen uiteraard
Vaak zoo, dat zij tot op den huidigen dag nog net zoo loopen. Popping vertelt van een
plaats Lochtenrek onder Makkinga in Friesland, waar voor eenige tientallen jaren nog
een houten bruggetje over de Kuinder leidde. Blijkbaar was op die plaats reeds heel
lang geleden een vlonder, toen een veel sterker op het Duitsch lijkend dialect werd
gesproken; want in het woord Lochtenrek herkennen we nog het Duitsche loch, dat is
gat, opening of ruimte. Doch bij nader onderzoek bleek, dat op deze plek, waar
vroeger een doorwaadbare plaats of voorde was, vuursteenen voorwerpen als mesjes,
priemen en krabbers om huiden te bewerken, in grooten getale voorkwamen. Deze
dagteekenen uit een tijd, toen aan- het einde der ijstijden de ijsmassa's langzaam
naar het Noorden terugtrokken en de jagersstammen hun naar het Noorden trekkende
wild, het rendier, volgden. Blijkbaar liep langs deze voorde reeds in die tijden,
toen ons land nog met een toendralandschap, zooals dat nu alleen nog maar in het
hooge Noorden voorkomt, bedekt was, een weg.
DE EERSTE HANDEL
Vele duizenden jaren hierna, in den jongeren steentijd, die van ongeveer 3000 tot
2000 voor onze jaartelling duurde, begint dan een ontwikkeling, die tot een
voortdurende toename van een min of meer regelmatig verkeer leidde. De boerenvolken,
die in dien tijd ons land bewoonden, stonden reeds op een vrij hoogen trap van
#287
51
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3010
3015
3020
3025
3030
3035
3040
3045
3050
3055
3060
3065
3070
beschaving. In het Noorden van het land woonde het hunnebeddenvolk, dat door zijn
waarlijk grootsche grafmonumenten een bewijs achterliet van zijn ontwikkelden
gemeenschapszin en van den sterken band tusschen sibbe en bodem; eeuwen achtereen
werden de dooden in zoon familiegrafkelder bijgezet. In het Zuiden leefde toen het
volk der paalwoningbouwers, waarvan wij tot nog toe in ons land alleen de werktuigen
vonden, doch waarvan wij wellicht nog eens de woningen zullen ontdekken; men lette
daarom op houtresten in den grond en melde die aan het Rijksbureau voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek te Leiden. Op de loessgebieden woonden de menschen van
de Donaucultuur, die o.a. te Caberg bij Maastricht een vluchtvesting bouwden,
waarheen de stam in tijd van nood trok.
Bij deze landbouwende bevolking, die reeds vele graansoorten en andere gewassen kende
en bij rund, geit, schaap en varken zoo juist het paard als huisdier gevoegd had,
behoeft het niet te verwonderen, dat reeds op eenige schaal handel gedreven werd. Het
uit vuursteenmijnen te Ryckholt in Limburg gewonnen materiaal, werd gewoonlijk ter
plaatse bewerkt tot bijlen en andere voorwerpen, die over een groot deel van het land
verspreid zijn; waarschijnlijk werden ze vervoerd in leeren zakken. In uit dezen tijd
stammende paalwoningen aan de Bodensee in Zwitserland vond men een vuursteenafslag,
wat er op wees, dat ter plaatse uit ruw materiaal voorwerpen gemaakt waren; het
merkwaardige was echter, dat dit ruwe materiaal reeds den langen weg van GrandPressigny aan de Loire in Frankrijk had afgelegd, terwijl andere stukken van het
eiland Rügen in Denemarken afkomstig waren! In paalwoningen te Robenhausen in ZuidDuitschland, vond men asfalt, dat gebruikt werd om gebroken potten te maken en dat
uit den Elzas was aangevoerd.
Merkwaardig was een ontdekking van Beierinck, die de oude wegen in de omgeving van
Dwingelo en Beilen in Drenthe reconstrueerde. Het bleek namelijk, dat de wegen uit
den midden-steentijd door de beekdalen liepen, terwijl die uit den jongeren steentijd
over de heuvelruggen liepen. We kunnen dit verschijnsel begrijpen als we bedenken,
dat we ln het eerste geval nog met een jagende en visschende bevolking te doen
hebben, die voor zijn levensonderhoud op deze terreinen, waar zich het dierenleven
afspeeide, was aangewezen. De landbouwers uit den jongeren steentijd woonden echter
liever op de hooger gelegen drogere gronden.
Zoo vindt de opgraver een steenen voetpad, zooais deze gemaakt worden als aansluiting
op de veenbruggen van onze oudheid.
DE BRONSTIJD
Wanneer aan het einde van den steentijd, nu ongeveer 4000 jaar geleden, uit de
versmelting van hunebedden en bekervolk de Germanen zijn ontstaan, vinden we in deze
streken het eerste brons. Deze legeering van koper met tin of antimoon, bleek al
spoedig een zeer bruikbaar en gewenscht materiaal, dat echter wegens het in deze
streken niet voorkomen van de benoodigde ertsen uit Midden-Europa moest worden
ingevoerd. Aanvankelijk werden de wapens, werktuigen en sieraden klaar ingevoerd,
doch na verloop van tijd ging men ook in het Noorden, waar zich een rijke
bronscultuur ontwikkelde, de voorwerpen zelf maken, zooals gietvormen en baren metaal
bewijzen. Bronshandelaren trokken met houten koffers, die ze aan leeren riemen op den
rug droegen, volgeladen met begeerlijke bronzen voorwerpen door Europa. Om te groot
risico van roof of aanvallen van wilde dieren te vermijden, legden ze onderweg
opslagplaatsen, depots aan, zooals we die hier te lande o.a. in Voorhout en
Schoonebeek vonden. Uit de verspreiding dei voorwerpen en depotvondsten kon men de
wegen vah den bronstijdhandel reconstrueeren. Ons kaartje geeft een indruk van het
wegennet, dat toen Europa bedekte en dat meestal de rivierdalen volgde. Als
ruilmiddel is wel in hoofdzaak barnsteen gebruikt, een fossiele hars, afkomstig van
voorwereldlijke bosschen, die nog in de vorige eeuw bij stormen in groote massa's aan
Noord- en Oostzeestrand aanspoelde en die reeds in de oudheid voor sieraden zeer
gezocht was.
VERDERE ONTWIKKELING VAN HET VERKEER
In de nu volgende tijden, den ijzertijd van 1000 jaar voor onze jaartelling tot het
begin van onze jaartelling en den tijd van het opdringen van de Romeinen naar het
Noorden en de volksverhuizingstijden tot ongeveer 1000 na het begin onzer
jaartelling; is het verkeer gestadig gegroeid. Al spoedig zal het verkeer der
goederen veelal per wagen hebben plaats gevonden.
Reeds in den ijzertijd was er blijkbaar zooveel vooruitgang, dat het aanleggen van
depots niet meer noodig was. Ten tijde van Karel den Frankenkoning (768—814) vond het
goederenvervoer gewoonlijk met wagens plaats, personen gingen echter te paard, alleen
zieken werden per as vervoerd. Reeds zoo druk was ondertusschen het verkeer, dat de
Saksenspiegel waarin Eike van Repkow in het begin van de 13e eeuw een rijk
#287
52
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3075
3080
3085
3090
3095
3100
3105
3110
3115
3120
3125
3130
3135
geïllustreerde teboekstelling van oeroude gewoonten en rechtsregels git. een
verkeersregeling bevat: „Des Koninges Strate sal sm also breit, dat cm Wagen dem
anderen gerumen moge (kan uitwijken). De idele (leege) Wagen sal rumen deme
geladenen, und de minn (geringer) geladene deme swereren; de Ridene wike dem Wagen,
de Gahnde dem Ridene. Sm se aver (echter) in enem engen Wege oder up ener Brugge, und
jaget man enen Ridenen oder to Vot, so sal de Wagen stille stan, bit se mogen
vorekommen. Swelk Wagen erst op de Bruggen kumt de sal erst malen (wie 't eerst komt,
't eerst maalt).
Opvallend is hier hoezeer dit Oudduitsch lijkt op het tegenwoordige Platduitsch en
Nederlandsch.
Hoe een niet geplaveide holle weg uit den tijd omstreeks het begin onzer jaartelling
er nu uitziet in doorsnede. De holte is later weer dichtgeslibd, zoodat in hei bosch
van den weg niets meer te zien was. In het bij de opgravingen vlak afgestoken terrein
teekent zich duidelijk een wegsplitsing af. Oorspronkelijk lagen ter weerszijden van
den weg greppels; deze zijn later met donkerder bovengrond volgestort en zijn
daardoor nu nog zichtbaar.
KUNSTWEGEN DEZER OUDE TIJDEN
Waren dus de wegen in deze lang vervlogen tijden gewoonlijk slechts routes of door
het vele gebruik uitgesleten zandwegen, waarvan de sporen wel steeds met plaggen
verhard zullen zijn, in enkele gevallen ging men tot het maken van kunstwerken over.
Twee redenen kunnen hiertoe leiden:
1. Bij drukker verkeer loonde het de moeite de hindernissen niet te omgaan door een
omweg te maken, maar om ze te overwinnen. Inplaats van naar een vergelegen
doorwaadbare plaats te gaan. maakte men een brug of veer; slechte plaatsen in den weg
werden met steenen of boomstammetjes geplaveid, zooals nu in enkele streken nog
gebeurt; door moerassen werden zoogenaamde veenbruggen gelegd.
2. Militair-strategische redenen kunnen het snel vervoer van veel troepen en
voertuigen noodig maken, wat slechts langs betere wegen mogelijk is.
DE VEENBRUGGEN
In het Oosten van Drenthe en Friesland en in het aangrenzende Wesfcfalen vormden de
groote moerassen een groote hindernis voor het 0.W.-gerichte verkeer. Reeds in de
vorige eeuw ontdekte men bij het turfgraven, dat op verschillende veenen resten van
houten bruggen liggen (Veenbruggen, Bohlwege). Deze bruggen, die in enkele gevallen
kilometers lang zijn, verkeeren soms nog in zeer goeden staat. ,daar het hout onder
water van de lucht afgesloten was en dus niet bedierf; in 1912 waren er nog zolders
in Valthe, die van het hout van de Valtherbrug gemaakt waren Andere bekende
veenbruggen zijn die bij Buinen, Boertange, Drachten, Appelsga en Smilde. Gewoonlijk
bestaan deze veenbruggen uit twee rijen liggers in de richting van de brug, waarop
dwarsliggende ronde, rechthoekige of platte dennen- en berkenstammetjes, die vaak om
zijdelings verschuiven tegen te gaan, aan de onderzijde waren ingekeept. Om
verschuiving in de lengterichting van den weg tegen te gaan, heeft men tusschen of
door de dwarsliggers pennen geslagen.
Uit de geringe beschadiging van de veenbruggen, die zelden wagensporen toonen, meent
men te mogen afleiden, dat het geheel aanvankelijk bedekt is geweest met een zanden
plaggenbedekking.
Waar de veenbruggen eindigden, vond men ir vele gevallen korte steenen
aansluitstukken zooals er een op de afbeelding te zien is.
Geheel in den geest des tijds meende men in de veenbruggen onmiddellijk de
zoogenaamde „pontes longi" te zien, die de Romeinen door de veenen aangelegd zouden
hebben. Latere nauwkeurige onderzoekingen van bouwwijze, ligging tusschen de
verschillende veenlagen en bij vondsten leerden echter, dat de oudste veenbruggen
reeds uit den bronstijd stammen; bovendien weten we, dat wetten van Karel den
Frankenkoning ook nog last geven tot aanleg en onderhoud van veenbruggen.
ROMEINSCHE WEGEN
Ook in ons land legden de Romeinen hun strategische wegen aan, waarvan ook het
burgerlijke verkeer gebruik maakte en waaraan nog sommige oude namen herinneren. Deze
wegen waren met, zooals men vroeger aannam, altijd hetzelfde geconstrueerd; soms
gebruikte men eenvoudig den ouden zandweg, doch anders werd de weg met grint verhard
of met platte steenen geplaveid. Soms waren deze wegen opgebouwd uit meerdere lagen
van horizontaal liggende vlakke steenen gescheiden door leem en geplaveid met
kleinere kiezelsteenen en mortel; gewoonlijk was de weg vrij sterk gewelfd en soms
vinden we terzijde greppels of dammetjes. Ten tijde van keizer Augustus (63 jaar voor
tot 14 jaar na het begin onzer jaartelling) werden alle wegen in het uitgestrekte
#287
53
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3140
3145
3150
3155
3160
3165
3170
3175
3180
3185
3190
3195
3200
3205
toenmalige Romeinsche Rijk op kaart gebracht; de kaart werd, waarschijnlijk om
militaire redenen, bewaard in een geheime kamer in het paleis. Teneinde deze kaart
een ook voor op reis bruikbaar formaat te geven, werd de geheele toenmaals onder
Romeinsche macht staande wereld zoodanig samengedrukt, dat zij op een formaat van 700
cm. lang en 34 cm. hoog kon staan. Het eene uiteinde ligt in het N.W. in Z.-Engeland,
het andere in Voor-Indië. Een waarschijnlijk omstreeks 1200 door een monnik Colmar
gemaakte copie kennen wij als de Peutinger kaart, zoo genoemd omdat een Raadsheer,
Conrad Peutinger te Augsburg, deze copie in 1507 bezat.
DE FRANKEN
Veel Romeinsche wegen werden overgenomen door de Franken zooals de eersten wel
gebruik gemaakt zullen hebben van reeds bestaande inheemsche trekwegen. De benamingen
zijn in dien tijd veelal Romeinsch, zooalsheristrazza, landesstrazza en strata
imperialis; tevens komen echter nieuwe benamingen in gebruik, die tot op den huidigen
dag voortleven, als stenwege (steenweg) en chuningis wee (koningsweg). Ook de Franken
bouwden hun wegen veelal om strategische redenen, zooals blijkt, wanneer we lezen hoe
in de Rijksannalen van 785 het toenmalige Legerbericht melding maakt van den aanleg
van gangbare wegen voor militaire doeleinden. Een hoogtepunt bereikte de Frankische
weg- en waterbouwkunde bij den bouw van een brug over den Rijn bij Mainz, die 10 jaar
duurde. De wegen waren veelal koninklijk bezit, waarvan, ook het veelvuldig voorkomen
van de Koningswegen getuigt. Veel maatregelen beschermden den weg; zoo was het
bijvoorbeeld verboden binnen een bepaalden afstand te akkeren of slooten te graven.
De Saksenspiegel vermeldt dat een weg zoo breed moest zijn, dat twee geladen wagens
elkaar konden voorbijgaan.
HOE SPOREN WIJ OUDE WEGEN OP?
Tal van aanwijzingen kunnen ons op het spoor van oude wegen brengen, ook als deze
zeif reeds lang in onbruik geraakt en door plantengroei overdekt zijn. Wanneer een
verharde weg onder een bouw- of weiland doorloopt, is de vochtigheidstoestand
daarboven vooral in droge zomers anders dan op de rest van het land, waardoor het
gewas m kleur bij de omgeving afsteekt. Zelfs als dat zoo op den grond niet te zien
is met het bloote oog, dan kan de luchtfoto deze wegen nog aantoonen. Verder kan net
voorkomen, dat bij graafwerk gevonden steenwerk afkomstig is van een weg; het kari
echter ook een natuurlijke grindbank of een deel van een Romeinsch of Middeleeuwsch
gebouw zijn; zooiets kan in het algemeen alleen de deskundige uitmaken. Bij
verveening kunnen houtresten van bruggen gevonden worden. De zoo gevonden gedeelten
zijn tenslotte te combineeren met andere aanwijzingen als gevonden nederzettingen en
grafheuvels en dergelijke en met mogelijke merkwaardige namen. Zoo is het, wanneer
ieder de voorkomende vondsten direct aan de bevoegde instantie (Het Rijksbureau voor
hét Oudheidkundig Bodemonderzoek te Leiden en voor de drie Noordelijke Provincies het
Biologisch Archeologisch Instituut te Groningen) mededeelt, zal het mogelijk zijn ook
over de oudste wegen van onze voorvaderen steeds meer licht te doen schijnen.
FELIX
2 augustus 1941 In de troebele tijden der Spaansche beroerten had ook ter Apel het
hard te verantwoorden. De kloosterlingen achtten zich er niet meer veilig en
vertrokken naar Westfalen. De overlevering wil, dat de monniken verjaagd zijn, bij
welke vlucht één monnik het leven lied. In 1866 vond men bij het turfsteken tusschen
Ter Apel en Zandberg ongeveer 1 M. onder het veen een lijk, liggende met den voorkant
van ‘t lichaam naar het klooster gekeerd. De door het veen gebruinde pij, alsmede de
kruinschering bewezen, dat het het lijk van een monnik was: een der gevluchte
kloosterlingen van Ter Apel. De Burgemeester van Vlagtwedde liet het lijk op het
kerkhof te Ter Apel begraven.
28 augustus 1942 Een Romeinsche luxe villa blootgelegd.
De opgravingen van het Rijksbureau voor oudheidkundig bodemonderzoek te Kessel-Hout
in Noord Limburg, welke in den loop van het vorig jaar onder leiding van dr F. C.
Bursch, den directeur van het Rijksbureau, geschiedden en de ontdekking van een
eenvoudig Romeinsch gebouw tot resultaat hadden, zijn dit jaar voortgezet, thans
volgens aanwijzingen van den assistent, drs. W. J. de Boone. In de onmiddellijke
omgeving van het terrein van verleden jaar heeft men nu bij de boerderij de Gangelt
een kleine Romeinsche luxe villa opgegraven, waarvan de plattegrond duidelijk kan
worden gereconstrueerd.
Daar de overblijfselen van dezen aanleg gedeeltelijk slechts op een diepte van 10 à
15 cm. onder het maaiveld liggen, zooals een kamervloer van gemalen baksteen en
specie, rustend op een laag veldkeien, is het gebouw wel grondig vernield door den
#287
54
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3210
3215
3220
3225
3230
3235
3240
3245
3250
3255
3260
3265
3270
ploeg. De villa is voorzien geweest van een centrale verwarmingsinstallatie, een z.g.
hypocaustum aanleg. Twee verwarmingskelders, hierbij behorende, zijn blootgelegd. Ook
bleek uit talrijke fragmenten, dat de muren gedeeltelijk met eenvoudig
muurschilderwerk bedekt zijn geweest. Door de grondige vernieling is het te
verklaren, dat geen voorwerpen, behoorende tot het huisraad, zijn gevonden. Ook
munten heeft men niet aangetroffen. De dateering zal dan ook moeten geschieden op
grond van het gevonden schervenmateriaal. Naar het zich laat aanzien, zal dit gebouw
thuisbehooren in de tweede of derde eeuw.
Het Rijksbureau heeft zeer veel hulp gehad van den heer L. D. Keus, uit Venlo. Deze
onvermoeide en succesrijke speurder op oudheidkundig gebied heeft reeds jaren geleden
als correspondent van het muesum te Leiden het vermoeden geopperd, dat men in Kessel
te doen zou hebben met een nederzetting uit den Romeinschen tijd. Zag hij verleden
jaar zijn vermoeden bewaarheid, in zekeren zin krijgt hij nu, door de ontdekking van
de luxe villa, de kroon op zijn werk gezet. Intusschen heeft hij niet van de twee nu
bekende gebouwen alweer de sporen gevonden van minstens twee andere bouwwerken,
zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat door toedoen van dezen Limburgschen oudheid
vorscher bij uitnemendheid ook het volgend jaar de opgravingen te Horst zullen worden
voortgezet.
22 mei 1942 Merkwaardige vondst. – Een dezer dagen vond dhr. W. V.
bij het turfgraven ongeveer één meter onder de turf een ouderwetsche snuifdoos. Dhr.
V. heeft echter nog niet kunnen constateeren van welk metaal de doos vervaardigd is.
11 juni 1943 UIT DE OUDE LANTSCHAP
[...] met vlier- en andere takken terwijl aan het losse veen daar boven te zien was
dat hier een begraving had plaats gehad. Gedachtig aan de woorden van Tacitus: "De
lafhartigen en onstrijdbaren en de eerloozen van lichaam stoppen zij in een
modderpoel en leggen er horden overheen", dacht men ook hier aan een Oud-Germaansche
begrafenis. Echter werden bij het lijkental negen zilveren en zeven koperen munten
gevonden, dateerend uit de laatste helft van de 16e eeuw. De heer G. J. Landweer, die
toch een onderzoek instelde en van dit onderzoek een uitvoerig verslag geeft in de
ND. V. van 1903, merkt naar aanleiding van deze muntvondsten op dat deze terzelfder
tijd in het veen zijn gekomen als de lijken en dus mag worden aangenomen dat deze
laatste niet ouder zijn. De heer Landweer vermoedt verder dat in het algemeen de
veenlijken van betrekkelijk jongen datum zijn.
Vroeger kon men langs den Valtherdijk in de slootswallen groote hoeveelheden
vivianiet (fosforzuurijzer) opmerken, kenbaar aan de blauwe kleur. Wellicht zijn ze
afkomstig van vergane beenderen, zegt de heer L.
Het is de geleerden nog niet mogen gelukken vast te stellen van welke diersoort de
huid afkomstig is waarin het veenlijk van Emmer Erfscheidenveen was gewikkeld. Wel is
komen vast te staan dat het weefsel van de zak waarin alles lag verborgen van zuiver
wol is vervaardigd en niet van jute of katoen zooals men oppervlakkig zou denken.
Misschien dat het thans aan den gang zijnd onderzoek deze zomer nadere onthullingen
zal geven.
18 februari 1944 Merkwaardig pronkstuk
Waarde Vriend,
Ge vraagt me naar een merkwaardig pronkstuk, dat te Deurne te zien moet zijn en zelfs
in de kringen van hen, die zich bijzonder vor het schoone in het eigene onzer streek
interesseeren, maar weinig bekend is. Ik begrijp wat ge bedoelt: het is het afgietsel
van den Romeinschen helm, dat in de burgemeesterskamer van het Deurnesche raadhuis
staat opgesteld. Een merkwaardig pronkstuk Is het zeer zeker, al is het slechts een
vervangingsmiddel voor het echte. In weinige oudheidskamers, Ja zelfs in weinig
musea, hier te lande vindt ge zulk een zeldzaam voorwerp. Wat het eigenlijk beteekent
en hoe het er kwam?
Op een Junidag van het jaar 1910 was de veenarbeider G. Smolenaars uit Meyel aan het
werk in de Peel tusschen de z.g. Hermanshuizen en Helenaveen, aan den linkerkant van
den weg (als men van Liessel komt). Hij was bezig in het grauwe veen. Opeens stiet
hij op iets hards, ditmaal echter geen kienhout. Was het een ineengeslagen pot? Hij
groef hem uit, ging er mee naar een sloot en toen hij hem had afgespoeld, zag hij,
dat het een oude helm moest zijn. Vlakbij vond hij in een kuiltje als een vogelnestje
nog een aantal munten en verder andere kleine voorwerpen van metaal alsmede resten
van schoeisel en een schabrak. Hij droeg het naar huis en verborg het als iets
kostbaars in zijn bedstede.
Dat er in de Peel een schat was opgegraven, was weldra tot ver bulten de streek
bekend. Velen togen naar Meyel om het gevondene te zien; de eenvoudige man, die nu in
#287
55
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3275
3280
3285
3290
3295
3300
3305
3310
3315
3320
3325
3330
3335
veler oogen een onnoemelijk groot fortuin bezat en tot wien burgemeester Truyen van
Meyel gezegd zou hebben: "Ik ben rijk, maar gij bent nog veel rijker!", toonde zijn
ongewone vondst aan de talrijke bezoekers. Al gauw kwamen er ook kooplustigen
opdagen. Gelukkig werd echter het Rijksmuseum voor Oudheden te Lelden tijdig
gewaarschuwd. Het zond een deskundige, die het gevondene schatte en er een bepaalde
som voor bood. Smolenaars werd het met hem eens en zoo werd 't gevaar, dat deze
zeldzame vondst in verkeerde handen zou geraken, bezworen.
Daarmede was deze zaak evenwel nog niet afgehandeld. De veenarbeider kon immers
slechts voor de helft als eigenaar van den schat worden beschouwd. Van wien de andere
helft eigenlijk was, viel niet zoo gemakkelijk uit te maken. De vinder was bezig met
het steken van turf voor de firma Steegh en Esser en wel in het grauwveen, dat door
de gemeente Deurne als eigenares der veengronden verpacht was aan de firma Terwindt
en Arnzt. Een niet alledaagsch en dus moeilijk op te lossen vraagstuk! Na
rechtskundig advies ingewonnen te hebben, achtte de gemeente Deurne zich evenwel
eigenares der tweede helft en besloot baar raad op 18 November 1910 ze voor den
geboden prijs van duizend gulden aan de wetenschappelijke instelling af te staan.
Het Rijksmuseum voor Oudheden liet het gedeukte uitrustingsstuk, waarvan aanstonds
werd aangenomen, dat het moest hebben toebehoord aan een Romeinsch officier,
herstellen. Dit moeilijk werk werd met goed gevolg uitgevoerd door den goudsmid L.
Verkuil, werkzaam in het atelier van Van Rossum du Chattel te Leiden. "Eenmaal
gerestaureerd", schreef later Dr. M. A. Evelein in een geïllustreerd
tijdschriftartikel, "bleek welk een schitterend stuk het museum rijker was geworden,
dat, in vergelijking met dergelijke helmen in het buitenland, zelfs een unicum mag
genoemd worden". Volledig is de helm echter niet: alleen de verguld-zilveren
buitenbekleeding bleef bewaard; de ijzeren binnenkap roestte geheel weg. De helmkap
bestaat uit twee losse gelijkvormige deelen, welke elk weer in drie onderling
verbonden stukken verdeeld zijn en door een kam tesamengehouden worden. Het
uitrustingsstuk had verder een nekbeschermer, een neusbeschermer en twee wangplaten.
Een dezer laatste onderdeelen vond men niet terug.
Van het wapentuig der Romeinsche legioenen, welke toch eeuwenlang ons land en een
groot gedeelte van ons werelddeel bezet hielden, Is maar heel weinig bewaard
gebleven. Er zijn voor zoo ver bekend in het geheel slechts zeven helmen gevonden,
welke van de Romeinen afkomstig moeten zijn; die van de Peel is daarvan wel de meest
waardevolle. Eén kwam er aan het licht bij Kertsj aan de bekende zeestraat tusschen
de Zee van Azow en de Zwarte Zee, twee werden er te Pfersee bij Augsburg en een te
Worms in Duitschland opgegraven, in Hongarije vond men er een in de Donau bij
Boedapest en in Denemarken werd er bij Thorsbjerg een in het veen aangetroffen.
Opmerkelijk is, dat ze, volgens Dr. Evelein, veel overeenstemming in bouw en
bewerking vertoonen. Deze geleerde is van meening, dat ze wel in dezelfde werkplaats
van Constantinopel vervaardigd zouden kunnen zijn. De helm is kunstig bewerkt en
toont aan, dat de Romeinsche ambachtslieden bekwaam waren. Het geheel pleit overigens
voor de veronderstelling, dat de drager ervan een honderdman geweest moet zijn. Staat
zijn naam er in gekrast? Prof. O. Bonn van Berlijn zag, naar we in het artikel van
Dr. Evelein kunnen lezen, in de inscriptie in den nekbeschermer eerder een
gewlchtsopgave met den naam van den verificateur Titus Valonius Ursus. Het woord
"Stablesia VI" op den helmrand moet een afdeeling aanduiden van het ruitercorps der
Equites Stablesiani, vooral uit het latere tijdperk van het Romeinsche Rijk bekend.
Wat nu de groote waarde voor de geschiedeniswetenschap van deze Vondst in de Peel is?
Dat ligt eigenlijk buiten den helm op zich zelf. Er werden immers ook munten
gevonden. Deze bleken alle te dateeren uit den tijd van keizer Constantijn; men kon
zelfs vaststellen waar ze geslagen werden. Ze bieden een vast uitgangspunt voor
vergelijkende studie. Men mag toch aannemen, dat de centurio slechts geld bij zich
droeg, dat in die jaren gangbaar was. Zoo valt niet alleen de helm van de Peel ten
naastebij te dateeren, doch kan door vergelijking ook geschat worden uit welken tijd
de elders gevonden Romeinsche helmen zijn. Van belang Is deze vondst overigens, omdat
ze bewijst, dat het ruitercorps der "Equites Stablesiani" zich ook in de Lage Landen
moet hebben opgehouden en dat het grauwe veen in onze streek in de derde eeuw onzer
jaartelling nog niet gevormd was.
Natuurlijk blijven er om den dood van den Romeinschen honderdman in het Peelmoeras
nog vele raadsels zweven. Van waar kwam hij en waar reed hij heen? Waarom werd er bij
hem zwaard noch dolk, lans noch schild gevonden? Is de dolk of het korte zwaard, dat
gestoken moet hebben in de korte scheede, welke wel in het moer bewaard bleef,
evenals de ijzeren binnenkap van den helm geheel vergaan, of is het verloren,
gestolen of misschien eerder gevonden? In dit verband is een briefje uit de eerste
helft der vorige eeuw interessant, dat ik in het Deurnesche gemeente-archief aantrof:
de districtscommissaris van Helmond vraagt daarin den burgemeester van Deurne en
#287
56
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3340
3345
3350
3355
3360
3365
3370
3375
3380
3385
3390
3395
3400
Liessel of 't waar is, dat een boer onder Deurne een gouden zwaard gevonden heeft. Al
haar scherpzinnigheid ten spijt zal de hedendaagsche wetenschap op al deze vragen wel
nooit een afdoend antwoord vermogen te geven. We weten, dat er zich hier in dien
verren, donkeren voortijd een drama moet hebben afgespeeld; meer niet.
Eerst in 1934 keerde de helm van de Peel in onze streek terug, zij het dan in den
vorm van eenige afgietsels. Behalve in het Deurnesche raadhuis valt er een te
bezichtigen in het gemeentemuseum van Helmond. De rest van de zeldzame en
opmerkelijke vondst — zooals boven al geschetst echter van niet minder belang voor
onze geschiedenis — zal nog wel te Lelden bewaard worden.
Deurne, Sprokkelmaand 1944.
W. A. M. VAN HEUGTEN.
1 januari 1945 De kantharos van Stevensweert -1Er zijn nogal wat overeenkomsten te zien tussen de Peelhelm en de Kantharos van
Stevensweert, ook een zilveren voorwerp uit de Romeinse tijd, maar klaarblijkelijk
van enkele eeuwen vóór de Peelhelm.
De geheimzinnigheid rond de datum van de vondst komt niet overeen, maar de
verwikkelingen rond het eigendom en waardebepaling van de Kantharos vertonen
frappante parallellen. Ook hier ontbreken onderdelen, namelijk de twee “oren”. Verder
is het een vergulde zilveren sier-voorwerp, dat na veel omzwervingen in het museum
Het Valkhof in Nijmegen terecht is gekomen. De inscripties hebben hetzelfde doel,
namelijk de eigenaar en het gewicht weergeven.
Andere vondsten in Stevensweert:
Daarom is het des te boeiender om ook eens te kijken naar andere Romeinse vondsten
uit de omgeving van Stevensweert. Als afkomstig van baggerwerk uit de Maas bij
Stevensweert (1939) zijn in 1953 door het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden drie
zilveren objecten aangekocht. Het betreft een complete tafelpoot, een bovenzijde van
een tafelpoot en een fragment van een tussenstang. [...]
Aan de Kantharos is recentelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan m.b.t. de chemische
samenstelling van het metaal. Hierbij werd röntgenfluorescentie gebruikt. De
resultaten worden hier weergegeven ter informatie:
Binnenkant binnenbeker
Buitenkant binnenbeker
Buitenbeker
Op het gezicht van een van de figuren
Onderkant voet
Verguldsel cither
Verguldsel pijlenkoker
Op soldeerresten binnenkant buitenbeker
Soldeerresten op binnenbeker + parelrand
Goudkleurige aanslag binnenzijde buitenbeker
Ag
97.83
98.32
97.69
98.71
97.01
64.65
77.29
94.97
95.69
79.28
Cu
0.63
0.45
0.89
0.51
1.36
0.24
0.39
0.65
0.33
0.25
Au
0.63
0.58
0.85
0.67
0.37
34.84
21.91
0.81
0.40
19.91
Pb
0.25
0.16
0.28
Sn
0.29
0.45
0.09
0.22
1.62
0.95
0.23
0.45
0.10
1.68
2.02
0.26
28 augustus 1951 De kantharos van Stevensweert -2De volgende stukken tekst zijn overgenomen uit Museumstukken 10, Vereniging van
Vrienden van Museum Het Valkhof Nijmegen 2006, door A.M. Gerhartl-Witteveen
28 augustus 1951 “Voormelde beker heeft mijn zwager de Heer J. Bongers [...] mij
voor het eerst in het najaar van negentienhonderd drie en veertig vertoond. Mijn
zwager Bongers was destijds werkzaam op de baggermolen “De Dekker” welke grind
baggerde in de uiterwaarden van de Maas genaamd “de Sleyen”, nabij Stevensweert.
Bij het vertonen van de beker deelde mijn zwager mij mede, dat enkele dagen daarvoor,
toen de baggermolen was ingesteld op een graafdiepte van zestien meter beneden de
waterspiegel, hij het voorwerp in twee afzonderlijke delen had opgevangen uit de
afvoergoot van de molen waarin de emmers hun inhoud overstorten. Daarna had Bongers
de beide delen thuis van klei en slik gereinigd en toen bleek dat de twee delen als
een binnen- en buitenbeker nauwkeurig in elkaar pasten en te zamen een dubbelwandige
beker op kleine voet vormden.
Bongers deelde daarbij nog mede dat één van de zes beeltenissen waarmede de
buitenbeker oorspronkelijk versierd bleek te zijn geweest, reeds bij het vinden van
de voorwerpen ontbrak en dat een van de vijf nog aanwezige koppen voor de reiniging
rondom reeds zodanig gescheurd was, dat deze kop nog slechts op één plaats ter
breedte van niet meer dan enkele millimeters met het lichaam van de buitenbeker
verbonden was. Deze zwakke verbinding was bij het reinigen gebroken, zodat toen [...]
#287
57
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3405
3410
3415
3420
3425
3430
3435
3440
3445
3450
3455
3460
3465
[ik] de voorwerpen voor de eerste maal te zien kreeg een der koppen zich los bij den
beker bevond. De scheuren en de beschadigingen, die in het metaal te zien waren
werden door Bongers toegeschreven aan de onzachte aanrakingen van de voorwerpen met
de ijzeren baggeremmers, deze scheuren waren immers geheel vers, het metaal op de
breukvlakken was geheel blank. Ook twee oren welke zich blijkens aanwezige
uitsteeksels oorspronkelijk aan de buitenbeker moeten hebben bevonden ontbraken reeds
op het ogenblik van de vondst.”
Zie ook: http://www.museumhetvalkhof.nl/collecties/archeologie/142-nu/actueel/955de-kantharos-van-stevensweert.html
17 november 1951 De Kantharos van Stevensweert
In een bijzondere vergadering van de afdeling Letterkunde van de Koninklijke
Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam heeft de bekende edelsmid Leo H.
M. Brom de in zijn bezit zijnde zogenaamde Kantharos van Stevensweert in bruikleen
afgestaan. Zo, als men zich herinnert is de Kantharos een antieke zilveren
drinkbeker, vermoedelijk afkomstig uit de schatten van een aan Zeus gewijde tempel
op Sicilië en later door de Romeinen vandaar weggevoerd. In 1942 werd de beker bij
het oude dorp Stevensweert gevonden, in de diepe grindbanken van de Maas, totaal
onherkenbaar en met leem overdekt. Tweeduizend jaar heeft de drinkbeker in
Nederlandse bodem gerust, thans maakt hij deel uit van de schat aan kunstwerken van
ons land. Velen van over de grenzen zullen ons dit bezit benijden, aldus prof. van
Groningen bij de overdracht, welke samenviel met het honderdjarig bestaan van de
Akademie, maar het behoort thuis in Nederland. Nadat hij zijn dank had uitgesproken
jegens de heer Brom, wees deze op het boeiende onderzoek van de beker. De
medewerking die hij hierbij ondervond van mej. A. Osterkamp en van prof. en mevr.
Vollgraff werden dankbaar door hem gememoreerd. De Kantharos van Stevensweert zal
binnenkort een waardige plaats krijgen, waar ieder dit meesterwerk van
Hellenistische zilversmeedkunst zal kunnen bewonderen, tot zolang zal hij bewaard
worden in de veilige kluis van een bank. De Kantharos wordt dus niet bewaard in het
Trippenhuis te Amsterdam, de zetel van de Akademie.
7 december 1951 Veenlijk gevonden
Arbeiders, die werkzaam waren in een plaatsje onder de gemeente Zweeloo, hebben bij
graafwerkzaamheden een veenlijk blootgelegd. Men brengt deze vondst in verband met
de legende van het meisje, dat in vroeger jaren langs een binnenweg van Meppel naar
Westerbork ging, de goede koers kwijtraakte en in het veen wegzakte, waar zij haar
droevig einde vond. Deze omgeving heet nog steeds het “juffersveen”. Prof. dr A. E.
van Giffen, directeur van het Biologisch-archeologisch instituut te Groningen stelt
een nader onderzoek in.
1 juli 1958 INSCRIPTIE PAS LATER ONTDEKT
Edelsmid mag zijn offerbeker behouden
Bittere teleurstelling voor Roermondse familie
De Utrechtse edelsmid L. H. M. Brom mag de kostbare offerbeker, die hü in 1950 van
de familie Van der Linden—Schoonenberg uit Roermond kocht voor f125.— behouden. Dit
heeft vorige week het Amsterdamse Gerechtshof beslist na een slepend proces, dat
bijna vier jaar heeft geduurd. Dit betekent een zeer bittere teleur, stelling voor
de Roermondse familie, die niet alleen de kostbare "kantharos" niet terug krijgt,
doch tevens de proceskosten ad f1500 moet betalen. [...]
26 mei 1966 Dat geschiedt in Stevensweert zelfs
met een oude Romeinse pokaal, die er alleen maar toevallig in de Maas werd
opgedolven. Nadat er voldoende mee gemarchandeerd was en hij op deskundige wijze was
opgepoetst en tegen verderf bewaard in de handen van Nederlands first class
edelsmeden, de Utrechtse Broms, kwam het stuk als de beroemde Kantharos van
Stevensweert in zijn vindplaats terug. Er zit zolang de Kantnaros op zijn stalen
stolp eenzaam in een café-zaal te prijken staat een politieagent de wacht bij te
houden en 's nachts gaat het pronkstuk in een solide safe. De verzekering kent er
een waarde aan toe van f100.000. Een baggermolen vond het ding tussen het grind en
slik. Men vermoedt dat de Kantharos nog een even interessant zusje heeft. Die is nog
op te duikelen.
29 maart 1961 Resten Romeinse veenbrug te Emmer-Erfscheidenveen
Te Emmer-Erfscheidenveen aan de Tweede Groenedijk is tijdens het turfgraven een deel
van de Romeinse veenbrug gevonden, die momenteel door medewerkers van het Biologisch
Archeologisch Instituut te Groningen nauwkeurig wordt bestudeerd en blootgelegd.
#287
58
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3470
3475
3480
3485
3490
3495
3500
3505
3510
3515
3520
3525
3530
De brug is indertijd door de Romeinen dwars door het veenmoeras aangelegd en diende
als een soort weg Enige jaren geleden werd een deel van deze veenbrug of veenweg in
de nabijheid van de Heerenstreek te Nw-Dordrecht gevonden en over een lengte van
enige tientallen meters uitgegraven.
De brug bestaat uit boomstammen, die met houten pinnen door dwarsliggers zijn
verbonden.
31 december 1964 Archeologische afdeling van het Fries niet vergeten.
Kleine keur uit de nieuwste aanwinsten uit vele eeuwen.
zie http://kranten.delpher.nl/nl/view/index?query=turfgraven&coll=ddd&image=ddd
%3A010617040%3Ampeg21%3Aa0520&page=107&maxperpage=10&facets%5Btype
%5D=artikel&sortfield=date
31 december 1987 LETTERS UIT LOTTUM
J.E. BOGAERS
In 1926 schonk de Lottumse veerman L. Vergeldt aan het museum van het Provinciaal
Geschied- en Oudheidkundig Genootschap in Limburg te Maastricht een fragment van een
Romeins wijaltaar, dat gevonden was bij het maken van een kelder voor het door hem
bewoonde veerhuis 1.
Dit stuk (afb. 1 a-b), dat thans bewaard wordt in het Bonnefantenmuseum (Limburgs
Museum voor Kunst en Oudheden) te Maastricht, de opvolger van het museum van het
Limburgs Genootschap 2, is van z.g. Lotharings kalksteen, d.i. jurakalksteen 3. [...]
1. De Maasgouw 46, 1926, 48; (W.) G(oossens): ...
2. Inv.nr. 745.- In de onder n.1 vermelde litteratuur wordt ook gesproken over
fragmenten van een Romeins zwaard, die op dezelfde plaats waren gevonden en eveneens
door Vergeldt aan het museum te Maastricht zouden zijn afgestaan, maar deze zijn daar
naar het schijnt nooit gearriveerd, en in ieder geval niet geregistreerd.
3. [...]
14. Mialaret (1937) [...] “Eindelijk zegt de overlevering, dat het voormelde Rom.
gebouw aan de Maas (dat volgens een mededeling op p. 69 gestaan zou hebben “Op den
oever der Maas, op de plaats van het tegenwoordige veerhuis”, waar “In ‘t jaar 1854
(...0 de oudheidkundige Notaris Guillon te Roermond (...) een steen met Romeinsch
opschrift (ontgroef), waarschijnlijk afkomstig [...]
19 mei 1990 Wetenschappelijke detective over de oorsprong
van Nederlandse veenlijken
GEOFFERD IN HET MOERAS?
Op 5 december 1951 troffen arbeiders bij het ontginnen van het Juffersveen bij het
Drentse Zweeloo de stoffelijke resten van een mens aan. Op die dag begon het
wetenschappelijk onderzoek aan het veenlijk, dat bekend staat als 'De juffer van
Zweeloo'. Een speurtocht, die veel interessante gegevens opleverde over dit
menselijk wezen dat ooit in het veen terecht was gekomen.
Het geslacht van het lijk kon niet meer met zekerheid vastgesteld worden. Wel werd
op grond van de veensoort waarin het veenlijk aangetroffen werd, en aan de hand van
stuifmeelkorrels van onder andere de haagbeuk vastgesteld, dat hij/zij omstreeks 200
na Christus in het veen begraven werd. Op het moment van overlijden was de man of
vrouw ouder dan 35 jaar, had waarschijnlijk bloedgroep O, was niet lang voor het
overlijden 'naar de kapper' geweest en had in lichte mate last van spoelwormen.
Laatste maaltijd
[...] Uit onderzoek aan de goed geconserveerde darmen kon opgemaakt worden dat de
laatste maaltijd bestaan had uit een wat aangebrande pap waarvan gierst het
hoofdbestanddeel vormde. Misschien zat er wat koolzaad in het voedsel. In ieder
geval werden er ook bramen genuttigd.
Dit laatste gegeven maakte het voor de onderzoekers duidelijk dat de man of vrouw
van Zweeloo tussen eind augustus en begin oktober gestorven moest zijn. Deze
reconstru
ctie van 'De juffer van Zweeloo' is terug te vinden in het proefschrift 'Mens en
Moeras, veenlijken in Nederland van de bronstijd tot en met de Romeinse tijd',
waarop de archeoloog W.A.B, van der Sanden eind vorige maand aan de Leidse
Universiteit promoveerde. De heer Van der Sanden is conservator van de afdeling
archeologie van het Drents Museum in Assen. In dit museum bevinden zich de 12
bewaard gebleven Nederlandse veenlijken, die sinds 1987 zijn onderworpen aan een
uitvoerig onderzoek, waaraan talrijke specialisten van diverse wetenschappelijke
instituten in binnen- en buitenland hun medewerking verleenden.
Veenlijken, de menselijke resten uit een grijs verleden, die in het veen al of niet
#287
59
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3535
3540
3545
3550
3555
3560
3565
3570
3575
gedwongen hun laatste rustplaats vonden. Over heel Europa van Finland tot
Griekenland en van lerland tot Rusland zijn deze lijken in de afgelopen eeuwen uit
het veen te voorschijn gekomen. Mannen, vrouwen en kinderen. Geofferd of gestraft,
zoals de Romeinse schrijver Tacitus ergens schreef.
In Europa werd de ontdekking van een veenlijk voor het eerst beschreven in het
midden van de 17de eeuw. Het ging daarbij om een lijk dat in 1640 in het
Schalkholzer Moor in Sleeswijk-Holstein werd aangetroffen. Van de 12 in Nederland
bewaard gebleven veenlijken is 'Het meisje van Yde', dat op 12 mei 1897 werd ontdekt
het oudst.
In zijn proefschrift komt Van der Sanden overigens tot de conclusie dat er in totaal
in Nederland in de loop van de eeuwen zeker 48 veenlijken zijn gevonden. Gegevens
over deze vondsten trof hij aan in overzichten van oudere veenlijk-onderzoekers, in
krantenberichten uit de vorige eeuw en in andere bronnen, zoals het verhaal van de
naakte man die in 1791 bij Kibbelgaarn in de gemeente Veendam werd ontdekt en die
uiteindelijk werd vermalen tot 'geneesmiddel.
27 februari 1992 [...] Als bestuurslid van het Goud en
Zilvermuseum kreeg hij de beker uit Stevensweert getoond en hij was er direct 'weg'
van. Uit in de stukken van de Hoge Raad opgenomen briefwisseling blijkt hij Van
Baaren al in oktober 1949 met de Schoonenbergs laat onderhandelen over de prijs van
de beker. Op 9 februari 1950 komt het tot een deal. Brom betaalt 125 gulden. In die
dagen een niet onaanzienlijk bedrag overigens en bovendien ook de vraagprijs van de
familie.
In eerste instantie is de familie best tevreden ook al omdat de zilverprijs op dat
moment laag stond.
De koop werd gesloten in Roermond door Van Baaren. Harrie Schoonenberg: "Er bestond
op dat moment geen enkele argwaan binnen de familie, alleen vonden we het een beetje
vreemd dat Brom in de auto bleef zitten toen de koop in de huiskamer werd gesloten."
Brom, die altijd heeft volgehouden op dat moment niet te weten dat hij een absolute
wereldvondst in handen had, blijkt op het moment van de koop de Kantharos in
Roermond bij zich te hebben gehad. Hij bood glazenier Schoonenberg nadat de deal was
gesloten, zelfs nog enkele honderden guldens aan voor een ontbrekend ornamentje van
de beker. "Dat stukje was op de een of andere manier in huis kwijtgeraakt en is ook
nooit meer teruggevonden. Op dat moment stonden wij er niet zo bij stil. Later des
te meer."
Eigenaar Brom, die later zei dat hij wel vermoedde dat hij 'iets bijzonders in
handen had' liet de Kantharos nog in 1950 per ommegaande post door een deskundige op
het gebied van de Grieks-Romeinse kunst onderzoeken. Nog geen drie weken later liet
die deskundige, professor Volgraff in Huis ter Heide weten dat 'de Kantharos echt
is'.
1 januari 2005 H.A. Hiddink beschrijft de Romeinse waterbron bij Deurne, of beter
gezegd op het Rosveld bij Nederweert. In 2008 van dezelfde auteur onderzoek op de
Groot Bottelsche Akker bij Deurne.
3580
3585
3590
3595
3600
4 juli 2011 lemma in Wikipedia over Charles Guillon
Gérard Charles Hubert Guillon is een Roermondse notaris en politicus leefde van 1811
tot 1873. Het bekendst is Guillon om zijn archeologische verzameling.
Guillon werd geboren te Roermond op 13 juli 1811 als zoon van een Franse vader en een
Nederlandse moeder. Zijn vader, Charles François Guillon (1776-1851) was met de
legers van Napoleon naar Nederland gekomen waar hij uiteindelijk trouwde met de
Roermondse Maria Aldegonda Bongaerts (1783-1846). Uit dit huwelijk worden in totaal
negen kinderen geboren, het merendeel van de kinderen blijft ongehuwd of sterft jong.
Enkel Charles junior en zijn jongere broer Constant bereiken een leeftijd boven de 35
jaar. Na enige jaren in Stramproy te hebben gewoond, vestigde de familie zich in 1814
definitief in Roermond, waar de vader als procureur van de Arrondissements Rechtbank
werkzaam was. De Franse Guillon kan goed aarden in de ‘nieuwe’ provincie Limburg en
weet volwaardig in te burgeren in de sociale bovenlaag van Roermond. Het duurt echter
tot 1817 eer hij zich naturaliseert tot Nederlander.
In Roermond volgt Charles Guillon junior zijn middelbaar onderwijs op het Koninklijk
College en na voltooiing gaat hij in de leer bij een notaris. In 1843 wordt hij zelf
als notaris in Roermond beëdigd. In 1849 trouwt hij met Maria Elisabeth Engels
(geboren te Helden in 1821) die hem in 1850 een zoon schenkt. Een lang leven is dit
huiselijke geluk niet beschoren. Op 30 augustus 1850 sterft Guillons enige kind, zoon
Albert Jean François, nog geen half jaar oud en een klein jaar later sterft ook
Elisabeth. Beiden worden begraven in een familiegraf in Panningen waarvoor
#287
60
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
3605
3610
beeldhouwer en vriend Henri Leeuw sr. (1819-1909) een monument maakt dat in 1856
gereed is. In 1873 wordt ook Guillon zelf bijgezet in dit familiegraf.
Guillon heeft gedurende zijn leven een enorme (kunst) historische verzameling
aangelegd die hij tentoonstelde in zijn woonhuis aan de Swalmerstraat. Deze
verzameling stond bekend onder de naam 'Musée Guillon'. In zijn collectie bevonden
zich onder andere 68 schilderijen, 830 charters, bijna 1800 munten en rond de 1000
Romeinse en Germaanse oudheden waarvan een deel zelf opgegraven. Daarnaast had
Guillon een eigen bibliotheek die 3114 naslagwerken bevatte. Na zijn dood is de
gehele collectie in twee delen geveild. In 1874 kwamen de boeken, charters en de
kunstobjecten onder de hamer. Pas in 1890 werden de munten en de oudheden geveild.
Een groot deel van de oudheden is aangekocht door het Rijksmuseum van Oudheden te
Leiden. De overige stukken zijn veelal gekocht door particulieren en handelaren.
Personenregister
inwoner van Valognes................................................................2
lijk van een Romeinsch veldheer, krijgsmakker van Cesar.............................2
Cesar, Pompejus, Mitridates, Cleopatra, Crassus, Spartacus, Sijlla, Anibal, Asdrubal,
Scipio Africanus, Phillippus van Macedonien, Pharnacus, Nicomede, Perpenna en
Sertorius...........................................................................2
Heer D'AUMERIE......................................................................6
Heer WALTER, Wethouder te Grave.....................................................6
Jan Peters zoon Dou.................................................................6
Jan van Coll Uurmaker...............................................................6
PARINGET............................................................................6
overledene Luitenant-Generaal DE MAN................................................6
Heer HAMELBERG......................................................................6
DE BAST.............................................................................7
L. J. F. JANSSEN, Conservator bij 's Rijks Museum te Leijden........................7
ANTONIUS PIUS.......................................................................7
Heer LOSGERT........................................................................8
arbeider, met name H. SCHANENK......................................................9
TRAIANUS AUGUSTUS...................................................................9
PLUTARCHUS..........................................................................9
SMETIUS............................................................................10
het muntkabinet van SCHIJNVOET.....................................................10
Wel Eerw. Heer HANEWINCKEL.........................................................10
Heer W. H. J. VAN WESTREENEN.......................................................11
Philarchaeus.......................................................................11
Heer PIETER VAN DAMME, Directeur van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen....11
Bibliothecaris Dr. HERMANS.........................................................11
WESTENDORP Antiquiteiten...........................................................11
heer P. C. G. GUYOT, te Nijmegen...................................................11
S. H. van der Noordaa te Dordrecht.................................................11
Heer van der Veur..................................................................11
Hoofd-Ingenieur Karsten............................................................11
verhalen bij Picardt...............................................................12
Dr. H.C. Gallois...................................................................12
Fr. Drexel.........................................................................12
M. Rostovtzeff.....................................................................12
heer M. Engels toen burgemeester van Helden........................................12
heer notaris Guillon te Roermond...................................................12
met zijn dochter Elisabeth gehuwd..................................................12
luitenant-kolonel jhr. VAN DER BRUGGHE VAN CROY....................................12
Antoninus Pius.....................................................................13
een landbouwer op dezelfde plaats..................................................13
veen van G. Schuur alhier..........................................................14
keizer Tiberius....................................................................14
heer Powis de Tenbossche...........................................................25
heer Jos. Gielen, oudheidkundige te Measeyck.......................................25
Heer J. Bults......................................................................25
Dr. Splieth, uit Kiel..............................................................25
professor mejuffrouw Mestorf en door dr. Grotrian..................................25
Heer G. M. Kam, te Nijmegen........................................................26
heer van Beurden...................................................................26
baron von Geijr Schweppenburg......................................................26
#287
61
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]
Naspeuringen naar de N.V. Maatschappij Helenaveen: Archeologische vondsten
prof. Goossens te Rolduc...........................................................26
heeren dr. J. H. Holwerda, conservator en N. J. Krom, assistent aan het Rijksmuseum
van Oudheden te Leiden.............................................................26
mr. L. G. Brouwer..................................................................26
expert J. Schülman.................................................................26
turfsteker uit Helden, officieel Peter Janssen geheten.............................27
Gebbel Smolenaars..................................................................27
Maria Wilhelmina Peters uit Tegelen................................................27
heer B. A. Burggraeff..............................................................32
heer H. G. Uniken te Nieuw-Buinen..................................................32
landbouwer J. Sikken...............................................................32
Verzameling L. Vierordt............................................................35
firma J. Schulman..................................................................35
paters Trappisten der abdij van Achel..............................................37
vermaarden Titiaan (1477—1576).....................................................37
zekere Theelen uit Horn............................................................37
GERH. KREKELBERG...................................................................37
geleerde Patricius.................................................................38
J. Habets..........................................................................38
Hendrik van den Berch, wapenheraut van het prinsdom Luik...........................38
Knippenbergh.......................................................................38
PETRUS SCHREURS....................................................................39
Pastoor Franssen van Ittervoort....................................................39
heer Jos. Pieters, rustend onderwijzer van Roermond................................39
dr A. E. v. Giffen te Groningen....................................................40
prof. J. van Baren. “De bodem van Nederland”.......................................40
vervener A. Middeljans.............................................................40
veendeskundlge, dr O. Vlohrschütz te Wageningen....................................40
heer H. T. Buiskool, conservator van de Oudheidskamer te Emmen.....................40
Kapitein H. J. Bellen te Assen.....................................................41
#287
62
Paul Theelen, Monarchstraat 19, 5641 GH Eindhoven 040-2814621 [email protected]