Bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 2014

Planidentificatie: NL.IMRO.0484.B126buitengebrijnw-VO01
Plantstatus: voorontwerp
Datum: 04-06-2014
Bestemmingsplan
Buitengebied Rijnwoude 2014
Planidentificatie: NL.IMRO.0484.B126buitengebrijnw-VO01
Plantstatus: voorontwerp
Datum: 04-06-2014
Bestemmingsplan
Buitengebied Rijnwoude 2014
2
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
7
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
8
1.4
Gemeente Rijnwoude gefuseerd
9
1.5
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Bestaande ruimtelijke en functionele structuur
11
Hoofdstuk 3
Beleidskader
15
3.1
Nationaal beleid
15
3.2
Provinciaal beleid
16
3.3
Gemeentelijk beleid
21
Hoofdstuk 4
Keuzes voor het bestemmingsplan
25
4.1
Planregels
25
4.2
Agrarische sector
26
4.3
Landschap en cultuurhistorie
30
4.4
Overige onderwerpen
31
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
35
5.1
PlanMER
35
5.2
Water
38
5.3
Ecologie
42
5.4
Archeologie
45
5.5
Landschap en cultuurhistorie
48
5.6
Verkeer
54
5.7
Geluidhinder
56
5.8
Luchtkwaliteit
57
5.9
Bodemkwaliteit
61
5.10
Externe veiligheid
63
5.11
Milieuhinder agrarische bedrijven
69
5.12
Milieuhinder niet-agrarische bedrijven
70
5.13
Kabels en leidingen
70
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
73
6.1
Wettelijk kader
73
6.2
Bestemmingen
73
6.3
Opbouw planregels
74
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
3
6.4
Artikelsgewijze toelichting op de planregels
74
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
85
Hoofdstuk 8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
87
Bijlagen bij toelichting
89
Bijlage 1
Toelichting op de Staat van Bedrijfsactiviteiten
91
Bijlage 2
Notitie reikwijdte en detailniveau
93
Bijlage 3
PlanMER
95
Bijlage 4
Monumenten
97
Bijlage 5
Ruimtelijke onderbouwing Westeinde 9
99
Bijlage 6
Nota van beantwoording vooroverleg
101
Regels
103
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
106
Artikel 1
Begrippen
106
Artikel 2
Wijze van meten
116
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
118
Artikel 3
Agrarisch
118
Artikel 4
Bedrijf
124
Artikel 5
Bedrijf - Opstijgpunt
127
Artikel 6
Groen
128
Artikel 7
Kantoor
129
Artikel 8
Molen
130
Artikel 9
Natuur
131
Artikel 10
Recreatie
132
Artikel 11
Verkeer
133
Artikel 12
Verkeer - Railverkeer
134
Artikel 13
Water
135
Artikel 14
Wonen
136
Artikel 15
Leiding - Brandstof
139
Artikel 16
Leiding - Gas
140
Artikel 17
Leiding - Hoogspanning
141
Artikel 18
Leiding - Hoogspanning 2
142
Artikel 19
Leiding - Hoogspanningsverbinding 1
143
Artikel 20
Leiding - Hoogspanningsverbinding 2
145
Artikel 21
Leiding - CO2
147
Artikel 22
Leiding - Water
148
Artikel 23
Waarde - Archeologie 1
149
Artikel 24
Waarde - Archeologie 2
150
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
4
Artikel 25
Waarde - Archeologie 3
152
Artikel 26
Waarde - Archeologie 4
154
Artikel 27
Waterstaat - Waterkering
156
Hoofdstuk 3
Algemene regels
158
Artikel 28
Anti-dubbeltelregel
158
Artikel 29
Algemene bouwregels
159
Artikel 30
Algemene gebruiksregels
161
Artikel 31
Algemene aanduidingsregels
162
Artikel 32
Algemene afwijkingsregels
177
Artikel 33
Algemene wijzigingsregels
180
Artikel 34
Overige regels
182
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
184
Artikel 35
Overgangsrecht
184
Artikel 36
Slotregel
185
Bijlagen bij regels
186
Bijlage 1
188
Rho adviseurs voor leefruimte
Staat van Bedrijfsactiviteiten
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
5
Toelichting
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
6
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Op 29 april 2004 is het bestemmingsplan Buitengebied door de gemeenteraad van de voormalige
gemeente Rijnwoude vastgesteld. Naar aanleiding van gedeeltelijke goedkeuring van het
bestemmingsplan door Gedeputeerde Staten (14 december 2004) en de uitspraak van de Raad van State
e
(28 december 2005) is de 1 herziening opgesteld. Deze is op 5 juni 2008 vastgesteld en op
19 september 2008 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 geldt dat voor het hele
grondgebied van een gemeente één of meer bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld.
Bovendien geldt dat de bestemmingsplannen binnen een periode van 10 jaar, gerekend vanaf het
tijdstip van vaststelling, moeten worden geactualiseerd. Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude
dient op basis van deze wetgeving vóór 29 april 2014 geactualiseerd te zijn. Naast de Wro is op
1 oktober 2010 de Wabo in werking getreden. Het nieuwe bestemmingsplan dient aan deze wet te
voldoen.
De visie van de gemeente voor het buitengebied is de afgelopen jaren niet gewijzigd. In december 2008
is de samengestelde structuurvisie van de voormalige gemeente Rijnwoude vastgesteld. Deze
structuurvisie omvat tevens het buitengebied van de gemeente. De structuurvisie bevestigt in grote
lijnen de in het bestemmingsplan Buitengebied uitgezette beleidslijnen. Voorafgaand aan het nieuwe
bestemmingsplan wordt daarom geen nieuw visiedocument opgesteld.
De opgave voor het nieuwe bestemmingsplan is daarmee tweeledig. Ten eerste dient voldaan te worden
aan de verplichting tot actualisering. Daarbij dient het bestemmingsplan de bepalingen uit de RO
Standaarden 2012 en de Wabo te volgen. Ten tweede moet een nieuw bestemmingsplan aansluiten bij
het gewijzigde overheidsbeleid. Vooral de provinciale Verordening Ruimte is hierbij van belang.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het bestemmingsplan omvat nagenoeg het gehele buitengebied van de voormalige gemeente
Rijnwoude. Niet meegenomen worden het sierteeltgebied in het oosten van de voormalige gemeente
Rijnwoude, het PTC-terrein in het zuidoosten en het Bentwoud in het zuiden. In figuur 1.1 is de
begrenzing van het plangebied opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
8
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Het bestemmingsplan vervangt het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 29 april 2004 en de
e
1 herziening Buitengebied, vastgesteld op 5 juni 2008.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
9
1.4
Gemeente Rijnwoude gefuseerd
Op 1 januari 2014 is de gemeente Rijnwoude gefuseerd met de gemeenten Boskoop en Alphen aan den
Rijn. De drie gemeenten zijn verdergegaan onder de naam Alphen aan den Rijn. In de plantekst wordt
daarom zowel gebruikgemaakt van de termen 'gemeente Rijnwoude', 'voormalige gemeente
Rijnwoude', 'voormalige gemeente Boskoop', voormalige gemeente Alphen aan den Rijn' als 'gemeente
Alphen aan den Rijn. De laatste betreft de nieuwe fusiegemeente.
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt kort ingegaan op het plangebied en de zonering uit het vigerende
bestemmingsplan. Het gewijzigde overheidsbeleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau
wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 gaat in op de gemaakte keuzes bij de vertaling van het
gewijzigde overheidsbeleid naar de nieuwe planregels. In hoofdstuk 5 zijn de relevante
omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 6 geeft een beschrijving van de juridische planregels. Ten
slotte wordt in hoofdstuk 7 en 8 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
10
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
11
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Bestaande ruimtelijke en functionele structuur
Het buitengebied van de gemeente Rijnwoude ligt midden in het Groene Hart en is divers van karakter.
Op basis van de verschillende sectorale belangen en prioriteitstelling, de potenties die bodem en water
in het plangebied bieden en het grondgebruik, is het plangebied in het vigerende bestemmingsplan
Buitengebied verdeeld in drie zones:
 het noordelijk veenweidegebied;
 het zuidelijk veenweidegebied;
 de droogmakerijen.
In figuur 2.1 is de zonering weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
12
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
13
Noordelijk veenweidegebied (zone 1)
Door het ontbreken van bebouwing vormt het noordelijk veenweidegebied één van de meest weidse
open veenweidegebieden van het Groene Hart. De grond is in gebruik bij de melkveehouderij.
Landschappelijk is het gebied waardevol vanwege de karakteristieke openheid. Het verkavelingspatroon
in samenhang met de kleinschalige lintbebouwing, van waaruit de ontginning van het gebied heeft
plaatsgevonden, zijn cultuurhistorisch van grote betekenis. Het open veenweidelandschap biedt de
voorwaarden voor een goed weidevogelgebied.
Het ontwikkelingsperspectief voor deze zone ligt op het gebied van duurzame grondgebonden
veehouderij, verweven met landschaps- en natuurwaarden. De a-biotische omstandigheden en de
externe productiefactoren voor de landbouw leiden tot een relatief extensief grondgebruik. Verbetering
van de externe productiefactoren zal moeten worden afgewogen tegen de belangen van natuur en
landschap. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is gezien de kwetsbaarheid van het gebied niet aan
de orde. Met name in deze zone kan verbrede landbouw een rol spelen om het inkomen van de agrariër
aan te vullen. Bij bedrijfsbeëindiging zal in deze zone uiterst zorgvuldig met vervolgfuncties moeten
worden omgegaan. Met name vervolgfuncties, die veel verkeer aantrekken, zijn, gezien de capaciteit
van de wegen, niet gewenst. Gezien het aantrekkelijke landschap en de cultuurhistorische waarden in
deze zone is het gebied aantrekkelijk voor recreatie. Gezien de kwetsbaarheid van het gebied is alleen
kleinschalige recreatie toelaatbaar. Zowel verbrede landbouw en vrijkomende agrarische bedrijven
kunnen daarin een rol spelen.
Zuidelijk veenweidegebied (zone 2)
Ook het zuidelijk veenweidegebied wordt gekenmerkt door openheid en grasland als grondgebruik, zij
het dat de weidsheid minder groot is dan in zone 1 doordat hier meer bebouwing, opgaande beplanting
en infrastructuur voorkomt. Het gebied is hoofdzakelijk in gebruik bij de grondgebonden veehouderij.
Daarnaast komen ook enkele sierteeltbedrijven voor. De landbouw in deze zone is intensiever dan in
zone 1. In het gebied is het als Natura 2000 aangewezen natuurgebied De Wilck gelegen. De
landschappelijke openheid in het veenweidegebied staat garant voor het voorkomen van weidevogels.
Het ontwikkelingsperspectief voor zone 2 ligt eveneens op het gebied van duurzame grondgebonden
veehouderij, verweven met landschaps- en natuurwaarden. In het kader van de ruilverkaveling
Rijnstreek-Zuid zijn boerderijen verplaatst van het bebouwingslint langs de Oude Rijn naar het zuidelijk
veenweidegebied. Ook zijn in dat kader de externe productieomstandigheden verbeterd, zodat met
name de ontsluiting en de verkaveling voor de melkveehouderij goed te noemen zijn. De
melkveehouderij heeft daarmee een goed ontwikkelingsperspectief. Gezien de druk op de grondmarkt
en de trend van vrijkomende agrarische bedrijven is nieuwvestiging echter niet aan de orde. In zone 2
komt ook een aantal sierteeltbedrijven voor. Uitbreiding van deze bedrijven is om diverse redenen
(milieu, landschap, concentratie) niet aan de orde. Het toekomstperspectief voor de sierteelt in deze
zone is daarmee beperkt. Gezien de intensiteit van de agrarische bedrijfsvoering, leent zone 2 zich
minder goed voor verbrede landbouw. Nieuwe functies in vrijkomende agrarische bebouwing kennen
minder beperkingen dan in zone 1, gezien de dimensionering van de wegen in het gebied. De
perspectieven voor natuur en landschap zijn goed te noemen. De landschappelijke openheid en de
grondgebonden melkveehouderij sluiten goed op elkaar aan. Door de ruilverkaveling en aanleg van
infrastructuur (N11, HSL) is het verkavelingspatroon echter minder gaaf dan in zone 1. Het vrijwillig
agrarisch natuurbeheer maakt behoud en ontwikkeling van de weidevogelstand kansrijk. Potenties voor
recreatie liggen in zone 2 vooral op het vlak van (verbetering van) routestructuren en mogelijk
kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie die aan deze routestructuren kunnen worden
verbonden.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
14
Droogmakerij (zone 3)
De droogmakerij heeft een geheel ander karakter dan het veenweidegebied. Het gebied kent
verschillende vormen van agrarisch grondgebruik en is grootschalig en rationeel ingericht met grote
blokvormige kavels en rechte wegen. Opvallend is de aanwezigheid van het grote aantal
sierteeltbedrijven, naast grondgebonden veehouderijen, akkerbouw- en vollegrondstuinbouwbedrijven.
Ondanks dat de droogmakerij wordt doorsneden door Hazerswoude-Dorp en aangrenzende
bebouwingslinten, speelt de landschappelijke openheid hier ook een rol. Naast de openheid zijn er
nauwelijks natuur- en landschapswaarden in deze zone aanwezig.
Het ontwikkelingsperspectief voor deze zone ligt op het vlak van de grondgebonden landbouw. De
externe productiefactoren zijn uitstekend. Er zijn nauwelijks beperkingen voor de grondgebonden
landbouw. Voor de sierteelt geldt echter hetzelfde stramien als in zone 2. Gezien de druk op de
grondmarkt en de trend van vrijkomende agrarische bedrijven is nieuwvestiging echter niet aan de orde.
De kenmerken van het gebied in ogenschouw genomen, heeft deze zone minder perspectief voor
verbrede landbouw en zijn de restricties voor nieuwe functies voor vrijkomende agrarische bebouwing
het minst in vergelijking met de beide andere zones. Behalve het streven naar behoud van de
landschappelijke openheid, zijn er voor landschap en natuur in zone 3 weinig toekomstperspectieven.
Hetzelfde geldt voor recreatie, gezien het feit dat potenties voor recreatie vaak samenhangen met de
kwaliteiten van natuur en landschap.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
15
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk worden kort de wijzigingen van het hoger overheidsbeleid ten opzichte van het
vigerende bestemmingsplan beschreven. In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de wijze waarop dit
nieuwe beleid vertaald wordt naar het nieuwe bestemmingsplan.
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Wet ruimtelijke ordening (Wro)
De Wro regelt hoe de ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen. Een
voorbeeld van een ruimtelijk plan is het bestemmingsplan voor een gemeente. In plaats van
Planologische kernbeslissingen, streekplannen en structuurplannen wordt nu door de gemeente, de
provincie en het Rijk een structuurvisie opgesteld. De provincie gebruikt de eigen structuurvisie om de
plannen van de gemeente daaraan te toetsen, net zoals het Rijk de plannen van de provincie aan hun
structuurvisie toetst. Het is de bedoeling dat de structuurvisies op elkaar worden afgestemd en als
uitgangspunt gelden voor bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten. Onder de
nieuwe Wro is het voor gemeentes, provincies en het Rijk sinds 1 januari 2010 verplicht om ruimtelijke
plannen digitaal vast te leggen en via elektronische weg openbaar beschikbaar te stellen. Hiervoor zijn
landelijk geldende open standaarden ontwikkeld, de RO Standaarden. Per 1 juli 2013 zijn de RO
Standaarden 2012 verplicht.
3.1.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort Wabo) is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De
Wabo integreert een groot aantal (circa 25) vergunningen, ontheffingen en meldingen (verder te
noemen toestemmingen) tot één omgevingsvergunning. De samenvoeging van deze toestemmingen
leidt tot een omvangrijke vermindering van het aantal toestemmingen en een daarmee
overeenkomende vermindering van administratieve lasten. Als gevolg van de Wabo zijn vele wetten die
betrekking hebben op de fysieke leefomgeving (op het terrein van milieu, wonen, ruimtelijke ordening,
natuurbescherming enz.) aangepast. De belangrijkste uitvoeringsregelingen van de Wabo zijn het Besluit
omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor).
3.1.3
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 12 februari 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In de nieuwe
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft
het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en
op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Het Rijk legt met deze
structuurvisie meer bevoegdheden in de ruimtelijke ordening bij gemeenten en provincies. Dit betekent
minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
vervangt verschillende bestaande nota's, onder andere de Nota Ruimte, Structuurvisie Randstad 2040,
de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving, de agenda
Landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
16
Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale
ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het
ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het
Rijk formuleert in de Structuurvisie drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar
en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
 Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de
ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
 Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de
gebruiker voorop staat;
 Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en
cultuurhistorische waarden behouden zijn.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal
neerslaan. Voor alle nationale opgaven worden rijksinstrumenten ingezet, waarbij financiering slechts
één van de instrumenten is. Ook decentrale overheden en marktpartijen dragen bij aan de realisatie van
nationale opgaven. Gemeente Rijnwoude behoort tot het gebied Zuidvleugel/ Zuid-Holland. In de
Zuidvleugel ligt een grote woningbouwopgave. Tot 2040 moeten er in dit gebied nog ongeveer 280.000
woningen worden bijgebouwd en ongeveer 220.000 woningen worden vervangen. Voor wat betreft de
voormalige gemeente Rijnwoude is de ontwikkeling van greenport regio Boskoop van belang. Het Rijk
wil de ruimtelijk-economische structuur van Nederland verbeteren door te zorgen voor een
aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met
een concentratie van topsectoren. Deze stedelijke regio's beschouwt het Rijk van nationale betekenis en
hiermee gaat het Rijk samen met decentrale overheden aan de slag.
3.1.4
Structuurvisie buisleidingen
De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30
jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het
betreft ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën van
nationaal belang. De structuurvisie sluit aan bij de structuurvisie voor Infrastructuur en Ruimte. Het
netwerk aan buisleidingen is essentieel voor de energievoorziening en voor het veilig vervoeren van
gevaarlijke stoffen voor de petrochemische industrie. Dit vraagt om een uitbreiding van de
infrastructuur binnen Nederland en richting buurlanden. Leidingen van nationaal belang moeten in
beginsel in de gereserveerde stroken gelegd worden. De visiekaart geeft aan waar ruimte wordt
gereserveerd voor de nieuwe tracés van transportbuisleidingen voor aardgas, olie(producten) en
chemicaliën. Deze tracés zijn gekozen na een zorgvuldige afweging van de behoeften aan verbindingen
van nationaal belang, de beschikbaarheid van ruimte en de onderzochte milieueffecten op basis van een
milieu-effectrapportage. Op alle locaties met voldoende ruimte geldt een strookbreedte van 70 meter.
Eén van de nieuwe tracés doorsnijdt het plangebied.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland' (t/m actualisatie 2013)
In de Visie op Zuid-Holland beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De kern
van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen
Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische
concurrentiepositie. De visie is opgebouwd uit vijf integrale hoofdopgaven, namelijk:
 aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
 duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
 divers en samenhangend stedelijk netwerk;
 vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
17

stad en land verbonden.
Functiekaart
Op de functiekaart van de structuurvisie is het plangebied aangewezen als 'Agrarisch landschap,
inspelen op verbinding stad-land'. Dit betreft het landelijk gebied in de stedelijke invloedssfeer met
landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve waarden met een overwegend agrarische functie.
Daarnaast komen (verspreid gelegen) natuurwaarden en bebouwingslinten voor. In figuur 3.1 is een
uitsnede van de functiekaart opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
18
Figuur 3.1 Uitsnede functiekaart Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland'
 Belangrijk weidevogelgebied
In deze gebieden zijn geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief
effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied tenzij daarmee een groot
openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn.
 Natura 2000-gebied De Wilck
Gebieden of wateren met hoge natuurwaarden die internationale bescherming genieten. Het gebied De
Wilck is aangewezen onder de Vogelrichtlijn.
 Gebiedsprofiel Hollandse Plassen en gebiedsprofiel Wijk en Wouden
Sturen op ruimtelijke kwaliteit is sterk verbonden met de uitwerking op regionaal en gemeentelijk
niveau. Voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt dan ook gebouwd aan een kwaliteitskader dat
werkzaam is op verschillende schalen. De gebiedsprofielen slaan een brug tussen het globale van de
kwaliteitskaart en de concreetheid van de beeldkwaliteitsparagraaf en zijn daarmee bruikbaar voor
kwaliteitsbeoordeling aan de voorkant van het planproces; met andere woorden, ze bieden een
handreiking bij het opstellen van regionale en gemeentelijke structuurvisies en bij bestemmingsplannen.
Het plangebied ligt binnen twee gebiedsprofielen, namelijk Hollandse Plassen en Wijk en Wouden. Het
gebiedsprofiel Wijk en Wouden is nog niet gereed.
 Groene Hart
In het Groene Hart is behoud en ontwikkeling van de onderscheiden waardevolle landschappen
gekoppeld aan verschillende opgaven. Versterking van de landschappelijke kwaliteit richt zich globaal op
de vier kernkwaliteiten die benoemd zijn in de Voorloper Groene Hart: landschappelijke diversiteit,
veenweidekarakter (inclusief de strokenverkaveling en lintbebouwing), openheid en rust & stilte. De
landbouw, de (melk)veehouderij, is naast de natuur een belangrijke drager van de kernkwaliteiten van
een groot deel van het Groene Hart en zal waar mogelijk de ruimte voor ontwikkeling krijgen. Een ander
aspect is het benutten van de economische waarde van deze kwaliteiten. Dit kan zowel via toerisme en
recreatie als via de kwaliteiten van woon- en werkmilieus in dit gebied en het nabijgelegen stedelijk
netwerk.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
19
 Cultuurhistorie
Een groot deel van het plangebied is aangewezen als topgebied cultureel erfgoed. Een topgebied
cultureel erfgoed is een gebied met een gave cultuurhistorische samenhang, met betrekking tot
archeologie, landschapshistorie en nederzettingen. Dit betreft bijvoorbeeld gebiedsspecifieke
ontginningspatronen, bebouwingslinten en afzonderlijke bouwwerken als molens en historische
boerderijen. De bescherming in topgebieden richt zich op de continuïteit van het karakter, door behoud
en versterking van de structuur. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, binnen randvoorwaarden
vanuit cultuurhistorie.
 Landbouw en landschap
Bij veel ruwvoederteelt, zoals maïs, wordt de bodem bewerkt die dan lang blootgesteld ligt aan de lucht.
Dat leidt tot oxidatie, dat weer afbraak van veen tot gevolg heeft. Bij de verbouw van gras is dit niet aan
de orde omdat gras ook na scheuren van het grasland snel weer een gesloten zode vormt. In de
landbouwgebieden met veengronden, die kwetsbaar zijn voor oxidatie bij bodembewerking, is de
mogelijkheid van ruwvoerteelt (bijvoorbeeld maïsteelt) beperkt.
In het plangebied komen de volgende gebieden voor:
 teelt van ruwvoeder geheel uitgesloten (noordoostelijke punt zone 1 en zuidelijk deel zone 2);
 teelt van ruwvoeder toegestaan tot 20% van de totale bedrijfsoppervlakte (rest zone 1 en noordelijk
deel zone 2);
 geen beperkingen voor de teelt van ruwvoeder (zone 3).
3.2.2
Verordening Ruimte (t/m actualisatie 2013)
In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze
verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende
bepalingen zijn relevant voor het bestemmingsplan.
Regels voor het gebied buiten de bebouwingscontouren
Bebouwing ten behoeve van stedelijke functies buiten bebouwingscontouren is niet toegestaan,
uitzonderingen hierop zijn onder andere:
 Ruimte voor Ruimte;
 nieuwe landgoederen;
 niet-agrarische functies in vrijkomende agrarische bebouwing;
 functies en bebouwing passend bij stedelijk groen;
 woningen in bebouwingslinten na sloop van bestaande bebouwing;
 onder voorwaarden uitbreiden van bestaande niet-agrarische functies met 10% van de
inhoudsmaat;
 onder voorwaarden toestaan van bebouwing voor recreatieve functies tot 1.000 m².
Agrarische bedrijven
In de verordening zijn specifieke regels opgenomen waarmee in bestemmingsplannen rekening moet
worden gehouden, namelijk:
a. agrarische bebouwing (uitgezonderd kassen) wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel dat
een maximale omvang heeft van 2 ha;
b. nieuwe bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering
van volwaardige agrarische bedrijven;
c. voor een volwaardig agrarisch bedrijf is maximaal één agrarische bedrijfswoning toegestaan, of het
aantal dat al is vergund;
d. nieuwe intensieve veehouderij wordt uitgesloten;
e. bestaande volwaardige intensieve veehouderijbedrijven mogen in beperkte mate uitbreiden in
overeenstemming met door de gemeente te bepalen regels;
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
20
f.
bestaande intensieve veehouderij als neventak bij agrarische bedrijven mag eenmalig met ten
hoogste 10% van de inhoud worden uitgebreid, of meer indien dat nodig is om te kunnen voldoen
aan wettelijke eisen.
Een bestemmingsplan kan een schuilgelegenheid voor vee buiten het bouwperceel toelaten of een stal
voor het hobbymatig houden van vee toelaten, voor zover dat noodzakelijk is voor de agrarische
bedrijfsvoering of het welzijn van het vee.
Bestemmingsplannen voor gronden gelegen buiten de gebieden voor glastuinbouw wijzen geen
bestemmingen aan die nieuwvestiging van agrarische bedrijven met glastuinbouw mogelijk maken en
bevatten bepalingen die erin voorzien dat alleen bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven een
oppervlakte van ten hoogste 2 ha aan kassen per bedrijf mogelijk wordt gemaakt.
Bestemmingsplannen voor gronden gelegen buiten het boom- en sierteeltgebied wijzen geen
bestemmingen aan die nieuwvestiging van agrarische bedrijven met boom- en sierteelt mogelijk maken
en bevatten bepalingen die erin voorzien dat alleen bij bestaande volwaardige boom- en
sierteeltbedrijven een oppervlakte tot hoogstens 300 m² aan kassen per bedrijf mogelijk wordt gemaakt.
Bestemmingsplannen voor gronden gelegen buiten de bebouwingscontour kunnen bestemmingen
aanwijzen die het mogelijk maken om bij agrarische bedrijven nevenactiviteiten te laten plaatsvinden,
bijvoorbeeld zorg, minicampings en overige agro-gerelateerde voorzieningen.
Ecologische Hoofdstructuur
Bestemmingsplannen voor gronden aangeduid als overige nieuwe natuur, zoekgebied of ecologische
verbinding wijzen geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke
kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken.
Bescherming veenweideverkavelingspatroon en graslanden
Bestemmingsplannen voor gronden aangeduid als veen(weide)gebied bevatten regels ter bescherming
van het veenweideverkavelingspatroon. Hier valt in ieder geval onder een verbod op het dempen van
lengtesloten en voor gebieden met een blokverkaveling een verbod op het dempen van alle aanwezige
sloten. Een uitzondering hierop is alleen mogelijk voor de aanleg van een dam over een slootlengte van
maximaal 8 m of als sprake is van een groot maatschappelijk belang, mits het
veenweideverkavelingspatroon niet in onevenredige mate wordt aangetast.
Waterkeringen
Een bestemmingsplan geeft de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' aan gronden waarop een
regionale waterkering ligt. Een bestemmingsplan geeft de aanduiding 'vrijwaringszone' aan gronden die
deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering.
Vrijwaringszone provinciale vaarwegen
Een bestemmingsplan geeft de aanduiding 'vrijwaringszone' aan de zone grenzend aan de oever van een
provinciale vaarweg. Een bestemmingsplan geeft de aanduiding 'oeverstrook' aan het deel van de
vrijwaringszone, dat direct grenst aan de oever van een provinciale vaarweg. De breedte van de
oeverstrook gemeten vanuit de oever bedraagt 2 m aan weerszijden van een provinciale vaarweg van
CEMT-klasse III (Oude Rijn).
Molenbiotoop
Bestemmingsplannen voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens
moeten de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende garanderen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
21
Archeologie en Limes
Een bestemmingsplan voor gronden die onderdeel uitmaken van de Limes of aangeduid zijn als terrein
met een hoge of zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde, bevat bestemmingen die de bekende
archeologische waarden beschermen. Bij gronden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde
valt hier in ieder geval onder een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan
30 cm onder het maaiveld wordt geroerd. Bij gronden met een hoge of zeer hoge archeologische
verwachtingswaarde valt hier in ieder geval onder de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij
werken en werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 100 m² en waarbij de bodem tot meer dan
30 cm onder het maaiveld wordt geroerd.
3.2.3
Herziening Provinciale Structuurvisie en Verordening
De provincie Zuid-Holland is gestart met een integrale herziening van de Provinciale Structuurvisie en
Verordening. Hoewel sinds de vaststelling en de inwerkingtreding van de structuurvisie en de
verordening pas enkele jaren zijn verstreken, zijn er dusdanige veranderingen in de ruimtelijke ordening
en de samenleving dat het systeem van jaarlijkse actualisering daarvoor niet meer voldoet. Er is
behoefte om delen van het ruimtelijke beleid tegen het licht te houden, waarbij ook de hoofdopgaven
en de provinciale belangen opnieuw moeten worden bezien. Het planproces is gericht op vaststelling
door Provinciale Staten in juli 2014.
Eén van de vier inhoudelijke hoofdpunten betreft: Nadere invulling van de provinciale rol waar het gaat
om programmering en ruimtelijke kwaliteit en de provinciale (wettelijke) verantwoordelijkheden, mede
in het licht van de veranderende rol van de overheid. Het gaat daarbij onder andere om beter sturen op
ruimtelijke kwaliteit, een andere manier van sturen op programmering en om het herijken van de
provinciale belangen.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Samengestelde structuurvisie gemeente Rijnwoude 2008
Het hoofduitgangspunt voor de Structuurvisie Rijnwoude is dat nieuwe ontwikkelingen aan moeten
sluiten bij, of moeten zorgen voor een versterking van de identiteit en het profiel van de voormalige
gemeente Rijnwoude. Deze identiteit wordt op hoofdlijnen bepaald door de unieke kwaliteiten van de
gemeente. Door deze als inspiratie te gebruiken, wordt bijgedragen aan erkenning en een verdere
versterking van de positie van Rijnwoude in de regio. Tegelijkertijd wordt hierdoor ook bijgedragen aan
het tot stand brengen van de Deltametropool als een 'compleet stedelijk netwerk', waarin de regio's
elkaar aanvullen. Wat zijn nu die unieke kwaliteiten van de voormalige gemeente Rijnwoude?
Op regionaal niveau zijn dat:
 de ligging in het Groene Hart, met haar veenweidelandschap en de droogmakerijen;
 de ligging aan de Oude Rijn;
 de goede ontsluiting via de weg (N11);
 het openbaar vervoer voor Hazerswoude Rijndijk (HOV-net).
Door deze (ruimtelijke) kwaliteiten en de beleving van de mens ervan als hoofduitgangspunt te hanteren
in plaats van een kwantitatief ontwikkelingsprogramma, wordt bijgedragen aan een duurzame
ruimtelijke ontwikkeling van Rijnwoude. De ruimtelijke mogelijkheden bepalen hierbij het
ontwikkelingsprogramma.
Vanuit de unieke kwaliteiten, gecombineerd met de aandachtspunten en wensen die uit het interactieve
proces rondom de Toekomstvisie Rijnwoude naar voren gekomen zijn, kunnen de volgende
hoofdkeuzen voor de Structuurvisie Rijnwoude geformuleerd worden (deze worden hierna toegelicht):
Rijnwoude 'Dorpen tussen steden':
1. ontwikkelen Oude Rijnzone op basis van kwaliteiten.
a. Rijnwoude een complete, leefbare gemeente van subregionaal niveau;
b. versterken voorzieningencentrum.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
22
2.
3.
Hazerswoude-Rijndijk als hoofdvoorzieningencentrum Rijnwoude:
a. versterken structuur Hazerswoude Dorp;
b. Benthuizen aan het Bentwoud.
Verschil in ontwikkelingsmogelijkheden 'grasland' en 'akkerland':
a. behouden en versterken graslandschap;
b. geleidelijke transformatie akkerland.
Met betrekking tot het buitengebied wordt in de structuurvisie het volgende gesteld.
Rode, stedelijke ontwikkelingen zijn niet wenselijk in dit gebied, evenals een verdere omzetting van
grasland naar akkerbouw of naar sierteelt. De graslanden (en de akkerbouwgronden) maken onderdeel
uit van het Groene Hart, waar een restrictief beleid geldt ten aanzien van bouwontwikkelingen. Daarbij
komt dat de noordelijke polders onderdeel uitmaken van een Belvedèregebied. Omdat in het gebied
tussen de Oude Rijnzone en Hazerswoude-Dorp reeds diverse functies en gebouwen aanwezig zijn, zoals
boerderijen in het ruilverkavelinglint, sierteelt bij het cluster Bent, rondom de Gemeneweg en in het
concentratiegebied in de oosthoek van de voormalige gemeente Rijnwoude, komen mensen regelmatig
in de verleiding en ontstaan er initiatieven voor bepaalde ontwikkelingen in het gebied. Om de unieke
kwaliteit van het gebied te behouden en ook te versterken, is het wenselijk om de mogelijkheden tot
herschikking van functies in veenweidegebieden te onderzoeken. Onderdeel hiervan is het analyseren
van de mogelijkheden van verplaatsing van sierteeltbedrijven naar of het concentratiegebied, of
(wanneer omzetting naar niet grondgebondenteelt mogelijk is) naar het pot- en containerteeltterrein
(PCT-terrein).
In tegenstelling tot de gronden ten noorden van Hazerswoude-Dorp, is een geleidelijke transformatie
van de akkergebieden ten zuiden van deze kern bespreekbaar. Hier wordt immers ook al het Bentwoud
ontwikkeld, is het ITC-terrein gerealiseerd en is het gemeentelijke en provinciale beleid gericht op het
ontwikkelen van de PCT-locatie. Het overblijvende akkerlandgebied zal naar verwachting langzamerhand
van een te kleine omvang worden, om ook op de lange termijn bedrijfseconomisch duurzaam voort te
kunnen bestaan. Daarbij komt dat in het zuidelijk deel van de gemeente in het streekplan een
zoekgebied voor waterberging opgenomen is.
Een geleidelijke, gestructureerde ontwikkeling van het gebied is gewenst, waarbij kwaliteitsverhoging
centraal staat en aangehaakt wordt bij de ontwikkeling van het Bentwoud. Gekozen wordt voor de
ontwikkeling van een groen raamwerk, waar op termijn diverse groene, blauwe of
buitengebiedgerelateerde/agrarische functies, maar zelfs ook enkele rode functies ingepast kunnen
worden.
3.3.2
Beleidsregels en -uitgangspunten voor planologische afwijkingsmogelijkheden ten aanzien
van het gebruik van rijks- en gemeentelijke monumenten in de voormalige gemeente Rijnwoude
De gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijnwoude heeft besloten om verruiming van de
planologische gebruiksmogelijkheden mogelijk te maken voor een monument in de gemeentelijke
bestemmingsplannen. Het verruimen van de planologische gebruiksmogelijkheden, door het toekennen
van neven- en vervolgfuncties (hergebruik), zulks in afwijking van het vigerende bestemmingsplan,
wordt door de gemeenteraad van belang geacht voor het welslagen van de ambitie om
cultuurhistorische panden en complexen aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument en deze
voor de toekomst te behouden.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
23
In het beleid wordt niet in limitatieve zin functies opgesomd die het gemeentebestuur voor ogen staan
bij meervoudig of hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle panden of complexen. Elk initiatief
wordt afzonderlijk beoordeeld. De inpasbaarheid van het initiatief in ruimtelijke zin en het behoud van
cultuurhistorische waarden staat voorop. Om enig inzicht te verschaffen wat bovenstaande regeling aan
functies mogelijk maakt, kan gedacht worden aan de volgende functies: woningen, kleine ambachtelijke
bedrijven, beperkte kantoorfuncties, zorgfuncties, maatschappelijke functies, recreatieve functies en
dergelijke. Detailhandel, aannemersbedrijven en andere functies die in ruimtelijke zin een aanzienlijke
verkeersaantrekkende werking hebben, dan wel een aanzienlijk beslag op de beschikbare (openbare)
ruimte leggen of waaruit milieubelastende beperkingen voortvloeien, worden niet wenselijk geacht.
De beleidsnotitie maakt de realisatie van een initiatief niet zonder meer mogelijk. Vrijwel altijd zal een
project omgevingsvergunningsprocedure of een bestemmingsplanwijziging ten grondslag liggen aan de
realisatie van een plan.
De (aangepaste) beleidsnotitie is in september 2013 besproken in de commissie Ruimtelijke Zaken en op
26 september 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De uitgangspunten van de beleidsnotitie
worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
3.3.3
Duurzaamheidsagenda 2011-2014
Samen met de Omgevingsdienst West-Holland heeft de voormalige gemeente Rijnwoude de
Duurzaamheidsagenda 2011-2014 opgesteld. Hierin staat beschreven hoe de gemeente samen met de
Omgevingsdienst werkt aan het uitvoeren van haar ambities en doelstellingen voor een duurzaam
Rijnwoude. De voormalige gemeente wil vooral zo veel mogelijk duurzaamheidkansen benutten.
Speerpunten en prioriteiten voor de komende periode op het gebied van gezondheid, veiligheid en
duurzaamheid zijn:
 Aandacht voor energiebesparing bij gemeentelijke gebouwen, bestaande woningen en nieuwbouw.
 Duurzaamheid wordt als belangrijk uitgangspunt gehanteerd bij het opstellen van
bestemmingsplannen en stedebouwkundige visies.
 De gemeente geeft het goede voorbeeld door onder andere in 2015 alles duurzaam in te kopen.
 Stimuleren van scheiden en duurzaam verwerken van huishoudelijk afval.
 Bevorderen van duurzaam vervoer door het openen van oplaadpunten voor elektrische auto’s,
vergroten van het gebruik van deelauto’s en verbeteren van lokale openbaar vervoer.
Een duurzaam ingericht gebied kan niet zonder groene en natte ruimte. We willen groen en water in de
woonwijk op bedrijfsterreinen en in de recreatiegebieden. Verder willen we natuurgebieden in en om
onze gemeente sparen en waar mogelijk verbeteren en uitbreiden. Ook ons afvalwater willen we op
duurzame wijze afvoeren en (laten) verwerken. Eén van de doelstelling om dit te bereiken is
natuurontwikkeling in het buitengebied ten behoeve van recreatie. Aangezien hiervoor nog geen
concrete plannen in ontwikkeling zijn, wordt nieuwe natuur niet mogelijk gemaakt in het nieuwe
bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
24
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
25
Hoofdstuk 4
Keuzes voor het bestemmingsplan
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze de nieuwe wet- en regelgeving en het gewijzigde
beleidskader, zoals beschreven in hoofdstuk 2, vertaald wordt naar het nieuwe bestemmingsplan.
4.1
Planregels
4.1.1
Zonering
In het vigerende bestemmingsplan is het plangebied opgedeeld in 3 zones; noordelijk veenweidegebied,
zuidelijk veenweidegebied en droogmakerij.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Voorgesteld wordt om de verdeling in deze drie zones in stand te laten, inclusief de daarbij behorende
gebruiks- en bouwmogelijkheden. Het onderscheid in grondgebruik en ontwikkelingsmogelijkheden op
basis van natuur- en landschapswaarden en het a-biotische milieu geldt nog steeds. In de volgende
paragraaf ten aanzien van de agrarische sector wordt hier verder op ingegaan.
4.1.2
Systematiek planregels
Het vigerende bestemmingsplan is opgebouwd volgens de zogenaamde 3-lagen systematiek. Dit
betekent dat de voorschriften zijn opgebouwd op 3 verschillende niveaus, namelijk als eerste de
bestemmingen op perceelsniveau, daarna de bestemmingen op gebiedsniveau en daarna de
beschrijving op hoofdlijnen voor het gehele plangebied.
In de bestemmingen op perceelsniveau zijn gebruiks- en bouwvoorschriften opgenomen voor alle in het
bestemmingsplan voorkomende functies. Binnen deze bestemmingen is met subbestemmingen een
specifieker gebruik vastgelegd.
In de bestemmingen op gebiedsniveau zijn per zone de betreffende voorschriften opgenomen gericht
op grondgebruik en ontwikkelingsmogelijkheden. Ook in de voorschriften voor neven- en
vervolgfuncties en het aanlegvergunningenstelsel wordt verwezen naar de zonering.
In de beschrijving op hoofdlijnen is een algemeen referentiekader gesteld voor het gehele plangebied
waaraan getoetst moet worden bij de toepassing van vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden, het
verlenen van een aanlegvergunning en het stellen van nadere eisen.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Binnen de RO Standaarden is de opbouw van de planregels vastgelegd; inleidende regels,
bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De zogenaamde 3-lagen-systematiek,
zoals gebruikt in het vigerende bestemmingsplan, is onder de RO Standaarden niet meer toegestaan. De
nieuwe planregels worden conform de RO Standaarden 2012 opgesteld. Wel wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij de systematiek van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied en het
bestemmingsplan Sierteeltgebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
26
De bestemmingen op perceelsniveau worden vertaald naar enkel- en dubbelbestemmingen.
Voorbeelden hiervan zijn: 'Agrarische doeleinden' wordt 'Agrarisch' en 'Primair waterkeringsdoeleinden'
wordt 'Waterstaat - Waterkering'. De enkelbestemming Molen bestaat niet in de SVBP2012. De molens
worden onder de hoofdgroep Overig geschaard, aangezien het gebruik niet onder één bestaande
enkelbestemming valt.
De subbestemmingen worden vertaald naar functieaanduidingen. In de SVBP2012 is een lijst met
functieaanduidingen opgenomen, zoals 'sierteelt'. Voor functies waarvoor geen aanduiding is
opgenomen in deze lijst, wordt gebruikgemaakt van de verzamelaanduiding 'specifieke vorm van', zoals
'specifieke vorm van agrarisch - paardenfokkerij'.
De bestemmingen op gebiedsniveau worden vertaald naar gebiedsaanduidingen, vernoemd naar de drie
zones. In de planregels worden de regels omtrent grondgebruik, ontwikkelingsmogelijkheden, neven- en
vervolgfuncties en omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden per gebiedsaanduiding
opgenomen.
De beschrijving op hoofdlijnen komt onder de RO Standaarden 2012 te vervallen. Belangrijke regels
worden verwerkt in de andere planregels. Meer informerende bepalingen worden opgenomen in de
toelichting.
Het bestemmingsplan Buitengebied wordt afgestemd op de Wabo, dit heeft voornamelijk betrekking op
formuleringen en benamingen binnen de planregels.
4.2
Agrarische sector
4.2.1
Gebruiksmogelijkheden
Productietakken
In het vigerende bestemmingsplan is grondgebonden veehouderij rechtstreeks toelaatbaar in alle zones.
Akkerbouw en vollegrondstuinbouw is alleen toelaatbaar in zone 3 (droogmakerij). De productietakken
bosbouw, fruitteelt en glastuinbouw komen in het plangebied niet voor en zijn in het vigerende
bestemmingsplan ook niet toegestaan. Ten behoeve van de productietakken sierteelt, intensieve
veehouderij en intensieve kwekerij zijn alleen de bestaande bedrijven toegestaan.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Voor wat betreft het grondgebruik wordt aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan. De
toelaatbare productietakken worden met een functieaanduiding op de verbeelding opgenomen.
Intensieve veehouderij
In het vigerende bestemmingsplan zijn bestaande volwaardige intensieve veehouderijen aangeduid met
de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Aan deze bedrijven is een bouwvlak van 1 ha toegekend, welke
geheel bebouwd mag worden. Nieuwe intensieve veehouderijbedrijven zijn niet toegestaan.
Intensieve veehouderij bij wijze van neventak is in bestemmingsplan Buitengebied 2004 toegestaan in
zone 3 (droogmakerij). In de 1e herziening is deze regeling verwijderd en is intensieve veehouderij bij
wijze van neventak niet meer toegestaan.
In de Verordening Ruimte is opgenomen dat nieuwe intensieve veehouderijbedrijven niet zijn
toegestaan. Bestaande volwaardige intensieve veehouderijbedrijven mogen beperkt uitbreiden conform
de door de gemeente te bepalen regels. Bestaande intensieve veehouderijen bij wijze van neventak
mogen eenmalig uitbreiden met ten hoogste 10% van de inhoud, of meer indien dat nodig is om te
kunnen voldoen aan wettelijke eisen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
27
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In de nieuwe planregels wordt aangesloten bij de Verordening Ruimte. Nieuwe intensieve
veehouderijbedrijven blijven uitgesloten. In het plangebied zijn geen volwaardige intensieve
veehouderijbedrijven (meer) aanwezig, maar komt de intensieve veehouderij uitsluitend als neventak
voor. Bestaande intensieve veehouderijen bij wijze van neventak worden aangeduid met een
functieaanduiding. Deze mogen conform de Verordening Ruimte eenmalig met 10% van de inhoud
uitbreiden (of meer indien nodig om te kunnen voldoen aan wettelijke eisen).
Ruwvoeder
In onderstaande tabel is per zone aangegeven hoe de teelt van ruwvoeder in het vigerende
bestemmingsplan en in het nieuwe provinciale beleid is geregeld.
zone vigerend bestemmingsplan
1.
maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak
2.
aanlegvergunningplichting in beoogde
natuurgebieden, rest maximaal 20%
3.
geen beperkingen
provinciaal beleid
deels geheel uitgesloten, rest maximaal 20%
deels geheel uitgesloten, deels maximaal 20%
geen beperkingen
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In de nieuwe planregels wordt aangesloten bij het provinciale beleid. Voor elke zone wordt een
gebiedsaanduiding opgenomen.
Nevenfuncties
In het vigerende bestemmingsplan is een regeling opgenomen voor nevenfuncties bij agrarische
bedrijven en niet-agrarische bedrijven. Hiervoor is in de voorschriften een limitatieve lijst met functies
opgenomen.
In de provinciale Verordening Ruimte is een regeling opgenomen voor nevenfuncties bij agrarische
bedrijven. Gedacht kan worden aan zorg, minicampings en overige agro-gerelateerde voorzieningen.
Het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de nevenfunctie is in beperkte
mate mogelijk binnen het agrarische bouwvlak.
De gemeente is voornemens om nieuw beleid ten behoeve van nevenfuncties in monumenten te
formuleren. Hierbij wordt geen limitatieve lijst opgenomen.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In het nieuwe bestemmingsplan worden twee regelingen opgenomen.
1. Nevenfuncties bij agrarische bedrijven. Er wordt een lijst met mogelijke nevenfuncties opgenomen
en een lijst met maximale oppervlakte aan bebouwing dat gebruikt mag worden voor de functie.
Hierbij wordt aangesloten bij tabel 4.1 in artikel 16 van het vigerende bestemmingsplan. Door
gewijzigde wet- en regelgeving en jurisprudentie dienen een aantal nevenfuncties als milieugevoelig
aangemerkt te worden. Deze nevenfuncties kunnen, in tegenstelling tot het vigerende
bestemmingsplan, niet langer rechtstreeks mogelijk worden gemaakt. Het betreft de nevenfuncties:
a. bed & breakfast;
b. kampeerboerderij;
c. kleinschalige horecagelegenheid;
d. sociale nevenfuncties.
Tevens wordt een regeling opgenomen dat ook andere nevenfuncties zijn toegestaan die niet in de lijst
voorkomen, indien deze naar aard en omvang gelijk te stellen zijn aan de functies in de lijst. De
provinciale Verordening Ruimte biedt geen mogelijkheid voor nevenfuncties bij niet-agrarische
bedrijven. Deze regeling vervalt in het nieuwe bestemmingsplan.
2. Er wordt een algemene regeling opgenomen voor nevenfuncties in monumenten, conform de
beleidsnotitie van de gemeente.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
28
Paarden
In het vigerende bestemmingsplan zijn de volgende bepalingen opgenomen met betrekking tot paarden.
 Paardenbakken dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Overschrijding van het bouwvlak
ten behoeve van paardenbakken is alleen toegestaan bij de nevenfunctie paardenstalling.
 Maneges zijn als vervolgfunctie bij agrarische bedrijven alleen in zone 3 (droogmakerij) toegestaan.
 Paardenstalling en paardrijactiviteiten zijn als neven- en vervolgfunctie bij agrarische bedrijven in
het gehele plangebied toegestaan.
 Africhtingsbedrijven voor paarden zijn als neven- en vervolgfunctie bij agrarische bedrijven alleen
toegestaan in zone 2 (zuidelijk veenweidegebied) en zone 3 (droogmakerij).
In de provinciale Verordening Ruimte zijn geen specifieke regels opgenomen over paarden.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In de nieuwe planregels wordt aangesloten bij de regeling van het vigerende bestemmingsplan.
Daarnaast worden de begrippen 'paardenhouderij' en 'paardenpension' overgenomen uit het
bestemmingsplan Sierteeltgebied.
Plattelandswoning
Op 1 januari 2013 is de Wet Plattelandswoning (Wpl) van kracht geworden. De regeling voor de
plattelandswoning maakt het mogelijk om een bewoning van een agrarische bedrijfswoning door
derden planologisch te legaliseren, zonder dat het betreffende agrarische bedrijf daardoor wordt
belemmerd in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Het gaat daarbij alleen om het bedrijf
waar de woning bij hoorde.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In het nieuwe bestemmingsplan wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor nieuwe
plattelandswoningen. Burgers kunnen bestaande plattelandswoningen kenbaar maken door middel van
het indienen van een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan. Bij de beantwoording van de
zienswijze wordt de situatie getoetst aan de Wpl en indien de situatie hieraan voldoet, wordt in het
bestemmingsplan de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' opgenomen. Indien
vooraf situaties bekend zijn waarin het toekennen van een plattelandswoning uitkomst biedt, worden
deze situaties als opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Voorwaarde hiervoor is wel dat een
aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor deze woningen is aangetoond.
Vervolgfuncties
In het vigerende bestemmingsplan is een regeling opgenomen voor vervolgfuncties ter plaatse van
agrarische bouwvlakken en de bestemmingen Bedrijfsdoeleinden, Detailhandelsdoeleinden en overige
bouwvlakken. Voorwaarde hierbij is dat de bestaande bebouwing in geen geval mag worden uitgebreid.
Nieuwbouw is alleen toegestaan als er ook bebouwing gesaneerd wordt, waarbij geldt dat 50% van de
gesloopte bebouwing mag worden teruggebouwd tot een maximum van 150 m².
In de provinciale Verordening Ruimte is een regeling opgenomen voor vervolgfuncties in vrijkomende
agrarische bebouwing. Voorwaarde hierbij is dat de nieuwe functie in de bestaande bebouwing wordt
gehuisvest. Alleen indien sprake is van een zorgfunctie is gehele of gedeeltelijke herbouw en beperkte
uitbreiding van de bebouwing toegestaan.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In het nieuwe bestemmingsplan wordt een regeling voor vervolgfuncties bij agrarische bedrijven
opgenomen, inclusief saneringsregeling. Daarbij wordt de saneringsregeling opgenomen voor alle
toegestane vervolgfuncties en niet alleen voor zorgfuncties zoals opgenomen in de Verordening Ruimte.
De provinciale Verordening Ruimte biedt geen mogelijkheid voor nevenfuncties bij niet-agrarische
bedrijven. Deze regeling vervalt in het nieuwe bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
29
4.2.2
Bouwmogelijkheden
Omvang agrarisch bouwvlak
In het vigerende bestemmingsplan is voor het oppervlak van de agrarische bouwvlakken 1 ha als
uitgangspunt genomen. In de regels is een ontheffing opgenomen om het bouwvlak aan één zijde met
10 m te mogen overschrijden Tevens is een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak
naar 1,5 ha opgenomen.
In de provinciale Verordening Ruimte is opgenomen dat bouwvlakken niet groter mogen zijn dan 2 ha.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Aangezien de verwachtingen voor de ontwikkeling van de agrarische sector niet veranderd zijn, wordt
verwacht dat bouwvlakken van 1 ha in de meeste gevallen nog voldoende mogelijkheden bieden voor
de agrarische bedrijfsvoering. Bij de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak wordt
aangesloten bij de provinciale regeling, namelijk vergroting tot 2 ha.
Bedrijfswoning
In het vigerende bestemmingsplan zijn bestaande bedrijfswoningen positief bestemd. Er is een
vrijstelling opgenomen voor de realisatie van nieuwe eerste bedrijfswoningen.
Voor agrarische bedrijfswoningen is in het vigerende bestemmingsplan een maximale inhoudsmaat van
650 m³ opgenomen. In zone 3 (droogmakerij) mag een bedrijfswoning 750 m³ groot zijn. Voor overige
(bedrijfs)woningen is een maximale inhoudsmaat opgenomen van 600 m³.
In de Verordening Ruimte zijn nieuwe woningen niet toegestaan. Er is geen maximale inhoudsmaat voor
bedrijfswoningen opgenomen.
In het bestemmingsplan Sierteeltgebied van de voormalige gemeente Rijnwoude geldt voor de
woningen in het agrarisch+-gebied een maximale inhoudsmaat van 650 m³. In de overige gebieden
wordt een maximale inhoudsmaat van 750 m³ aangehouden.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
De noodzaak om op agrarische bedrijven een nieuwe bedrijfswoning te realiseren kan op basis van
bedrijfseconomische en bedrijfstechnische motieven steeds minder onderbouwd worden. Conform de
Verordening Ruimte wordt geen mogelijkheid meer opgenomen voor de realisatie van nieuwe
bedrijfswoningen.
De inhoudsmaat voor alle (bedrijfs)woningen (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde
bijgebouwen en overkappingen) wordt verruimd naar 750 m³. Daarnaast is een oppervlak van 50 m² aan
vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen toegestaan.
Hiermee wordt aangesloten bij het bestemmingsplan Sierteeltgebied, waardoor voor de gehele
gemeente een eenduidige regeling ontstaat.
Schuilstallen
In het vigerende bestemmingsplan dienen alle gebouwen binnen de bouwvlakken gebouwd te worden.
In de provinciale Verordening Ruimte is de mogelijkheid opgenomen om een schuilstal toe te staan
buiten het bouwvlak. Deze regeling heeft betrekking op twee zaken, namelijk schuilgelegenheden voor
vee behorende bij een volwaardig agrarisch bedrijf en schuilgelegenheden voor hobbydieren bij
woningen.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Gelet op de huidige bedrijfsvoering en technieken is de vraag naar schuilgelegenheden voor vee bij
agrarische bedrijven klein. In het nieuwe bestemmingsplan wordt daarom geen regeling opgenomen
voor schuilgelegenheden voor vee bij agrarische bedrijven.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
30
De vraag naar schuilgelegenheden voor hobbydieren is wel groot. In het nieuwe bestemmingsplan
wordt hiervoor een regeling opgenomen. Hiervoor zijn twee mogelijkheden, namelijk het toestaan van
de bouw van een schuilstal op agrarische gronden nabij het bouwvlak wonen of het toestaan van een
groter oppervlak aan bijgebouwen binnen het bouwvlak wonen. Gelet op de kwetsbaarheid van het
open landschap wordt in het nieuwe bestemmingsplan de tweede optie opgenomen. Hiermee kan
concentratie van bebouwing binnen het bouwvlak worden gehandhaafd.
Teeltondersteunende voorzieningen
In het vigerende bestemmingsplan is ondersteunend glas toegestaan bij de sierteeltbedrijven. Binnen de
boomteeltgebieden is 3.000 m² ondersteunend glas toegestaan en buiten de boomteeltgebieden
300 m².
In de provinciale Verordening Ruimte is voor ondersteunend glas het volgende opgenomen:
 300 m² kassen bij boom- en sierteeltbedrijven buiten het boom- en sierteeltgebied;
 maximaal 1/3 van het bedrijfsoppervlak mag gebruikt worden voor kassen bij boom- en
sierteeltbedrijven binnen het concentratiegebied.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In het nieuwe bestemmingsplan worden de vigerende rechten gerespecteerd. Voor de sierteeltgebieden
2
aan de Noordpolder, Gemeneweg en Westzijderweg wordt 3.000 m aan ondersteunend glas
toegestaan. Voor de overige sierteeltpercelen wordt aangesloten bij de provinciale regeling, namelijk
300 m² aan ondersteunend glas.
4.3
Landschap en cultuurhistorie
4.3.1
Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning)
In het vigerende bestemmingsplan is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van
natuur- en landschapswaarden en cultuurhistorische waarden.
In de Verordening Ruimte is een deel van het plangebied aangewezen als gebied met waardevol
veenweideverkavelingspatroon, hetgeen beschermd dient te worden.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In het nieuwe bestemmingsplan worden opnieuw regels opgenomen voor omgevingsvergunningen voor
werken en werkzaamheden (voorheen aanlegvergunningenstelsel), conform het vigerende
bestemmingsplan.
Tevens
worden
regels
opgenomen
ter
bescherming
van
het
veenweideverkavelingspatroon, waaronder een verbod op het dempen van lengtesloten, conform de
Verordening Ruimte.
4.3.2
Gebiedsprofielen
Aan de structuurvisie Visie op Zuid-Holland zijn gebiedsprofielen gekoppeld. Het plangebied is gelegen
binnen twee gebiedsprofielen: Hollandse Plassen en Wijk en Wouden.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In de toelichting van het bestemmingsplan wordt een paragraaf opgenomen waarin wordt ingegaan op
de wijze waarop het bestemmingsplan de waarden van het gebied beschermd. De voornaamste
methode is via de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden (aanlegvergunningenstelsel).
Hiermee zijn de waarden uit de gebiedsprofielen voldoende geborgd en beschermd.
4.3.3
Archeologie
In het vigerende bestemmingsplan is een dubbelbestemming opgenomen voor de archeologisch
waardevolle gebieden.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
31
In het nieuwe bestemmingsplan wordt wederom een dubbelbestemming opgenomen voor de
archeologische waarden in het gebied. De begrenzing en de bijbehorende planregels worden afgestemd
op het gemeentelijk Archeologiebeleid.
4.4
Overige onderwerpen
4.4.1
Niet-agrarische bedrijven
In het vigerende bestemmingsplan zijn bestaande niet-agrarische bedrijven positief bestemd. Bedrijven
in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn rechtstreeks toelaatbaar. Bedrijven in een
hogere categorie zijn voorzien van een specifieke aanduiding. Op de plankaart is aangegeven hoeveel
procent van het bouwvlak bebouwd mag worden met bedrijfsgebouwen. Hierbij is uitgegaan van een
maximale uitbreidingsruimte van circa 15% van het bestaande bebouwingsoppervlak.
In de provinciale Verordening Ruimte zijn regels opgenomen voor bestaande stedelijke functies in het
buitengebied. Bestaande niet-agrarische bedrijven en niet-volwaardige agrarische bedrijven mogen
eenmalig uitbreiding met ten hoogste 10% van de inhoud. Agrarisch aanverwante bedrijven mogen
eenmalig uitbreiden met ten hoogste 10% van de inhoud, of 30% indien verplaatsing naar een
bedrijventerrein niet mogelijk is en maatregelen worden getroffen voor een zorgvuldige
landschappelijke inpassing. Nieuwe niet-agrarische bedrijven, agrarisch aanverwante bedrijven en
niet-volwaardige agrarische bedrijven zijn niet toegestaan.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Ten behoeve van het gebruik wordt aangesloten bij de regeling uit het vigerende bestemmingsplan.
Bestaande niet-agrarische bedrijven worden positief bestemd met de bestemming Bedrijf. Binnen deze
bestemmingsvlakken zijn bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten rechtstreeks
toelaatbaar. Bestaande bedrijven in een hogere categorie worden aangeduid met een
functieaanduiding. Bij bedrijfsbeëindiging kan zich ter plaatse eenzelfde type bedrijf vestigen of een
bedrijf in categorie 1 en 2.
Ten behoeve van het bouwen wordt aangesloten bij de regelgeving uit de provinciale Verordening
Ruimte. Bestaande niet-agrarische bedrijven mogen eenmalig met 10% van de inhoud uitbreiden. Deze
uitbreidingsmogelijkheid kan een beperking zijn ten opzichte van de in het vigerende bestemmingsplan
geboden uitbreidingsmogelijkheden van 10% van het bebouwd oppervlak. Dit is zeker het geval indien in
de afgelopen periode geen gebruik is gemaakt van de bebouwingsmogelijkheden.
Voor agrarisch aanverwante bedrijven, zoals agrarische loonbedrijven, wordt een afwijkingsbevoegdheid
opgenomen voor uitbreiding met 30% van de inhoud, met als voorwaarden dat verplaatsing naar een
bedrijventerrein niet mogelijk is en maatregelen worden getroffen voor een zorgvuldige
landschappelijke inpassing. Dit is een verruiming ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.
4.4.2
Landgoederen
In het vigerende bestemmingsplan worden nieuwe landgoederen niet mogelijk gemaakt. Bij de
gemeente komen regelmatig verzoeken binnen om mee te werken aan de vestiging van nieuwe
landgoederen in het landelijk gebied. Alphen aan den Rijn is een agrarische gemeente en wil dat blijven:
dat houdt in dat landgoedontwikkeling alleen in beperkte mate mogelijk is. Om plaats, aantal en
verschijningsvorm te kunnen regisseren, is de nota Landgoederenbeleid Rijnwoude opgesteld, bedoeld
als toetsingskader en handleiding bij de behandeling van dergelijke verzoeken.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
32
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
Een nieuw landgoed kan een landschappelijke meerwaarde genereren indien strikte eisen worden
gesteld aan de locatie, omvang en vormgeving van de gebouwen alsmede aan inrichting en beheer van
de buitenruimte. Indien dergelijke randvoorwaarden niet strikt worden gehanteerd, ontstaat het risico
van een verdere verrommeling en verstedelijking van het open landschap. Omdat deze eisen per locatie
verschillen, kunnen de voorwaarden niet generiek opgenomen worden in een wijzigingsbevoegdheid. In
het nieuwe bestemmingsplan wordt daarom geen regeling opgenomen voor nieuwe landgoederen.
Hiervoor is maatwerk vereist, waarbij het Landgoederenbeleid van de gemeente als uitgangspunt wordt
gehanteerd.
4.4.3
Woonschepen
Binnen het plangebied zijn woonschepen gelegen. Hiervoor is binnen de woonbestemming een
specifieke bouwregeling opgenomen.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
De vigerende regeling wordt overgenomen.
4.4.4
Waterkeringen
In het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van de waterkering de dubbelbestemming Primair
waterkeringsdoeleinden opgenomen.
Met ingang van 1 oktober 2012 geldt op grond van het Besluit algemene regels omgevingsrecht (Barro)
een instructie ten aanzien van de wijze van bestemmen van de waterkering (kernzone) en de
bijbehorende beschermingszone. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de wijze van bestemmen
van de kernzone (dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering) en de beschermingszone
(vrijwaringszone - dijk).
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
De waterkering wordt conform de vereisten uit het Barro bestemd.
4.4.5
Stiltegebieden
In de Provinciale Milieuverordening zijn regels omtrent stiltegebieden opgenomen. Een groot gedeelte
van het plangebied is aangeduid als stiltegebied; de Lagenwaardse Polder in het noorden van het
plangebied en het gebied ten westen van Hazerswoude-Dorp/polder in Noordplas/De Wilck.
Stiltegebieden zijn gebieden van (minimaal) enkele kilometers grootte waar de natuurlijke
geluidsbelasting door de afwezigheid van stationaire geluidsbronnen relatief laag is (minder dan 40
dB(A)). Het ruimtelijk beleid voor stiltegebieden is gericht op handhaving en versterking van het landelijk
karakter, het tegengaan van die vormen van recreatie die lawaai veroorzaken en het weren van
lawaaimakende menselijke activiteiten.
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
In het bestemmingsplan worden via de regeling voor neven- en vervolgfuncties nieuwe functies in het
gebied mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de stiltegebieden worden enkele recreatieve functies
uitgesloten, welke geluid produceren dat niet als gebiedseigen kan worden geclassificeerd. Het betreft:
paardenstalling/paardrijactiviteiten en dierenpension/hondenfokkerij. Tevens wordt in de
afwijkings/wijzigingsbevoegdheid als voorwaarde opgenomen dat de neven/vervolgfunctie geen nadelig
effect mag hebben op het stiltegebied.
4.4.6
Nieuwe ontwikkelingen
In het plan worden de volgende 'nieuwe' ontwikkelingen meegenomen:
1. Randstad 380 kV Noordring (tracé Beverwijk-Zoetermeer);
2. gasleiding Beverwijk - Wijngaarden;
3. HSL;
4. Westeinde 9, Hazerswoude-Dorp
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
33
Bestemmingsplan Buitengebied 2014
De plannen genoemd onder punt 1 t/m 3 hebben een eigen planologische procedure doorlopen en
worden een-op-een overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied.
Westeinde 9, Hazerswoude-Dorp
Met het vaststellen van het rijksinpassingsplan voor de 380 kV leiding van Beverwijk naar Zoetermeer is
het nieuwe tracé voor de ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbindingen bepaald. De
bedrijfswoning op het perceel Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp is in het kader van het Randstad 380
kV-project aangemerkt als gevoelige bestemming. Na overleg tussen TenneT en de eigenaar zal de
bestaande woning worden gesloopt en een nieuwe woning buiten de magneetveldzone worden
gebouwd. Om in het bebouwingslint ruimte voor de nieuwe woning te creëren wordt de bestaande
agrarische bedrijfshal achter de woning verplaatst. Daarnaast is de eigenaar voornemens een aantal
wijziging in de indeling op het perceel door te voeren.
Voor de ontwikkelingen aan het Westeinde 9 is nog geen planologische procedure doorlopen. Ten
behoeve van deze is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing inclusief
onderzoeken is opgenomen in bijlage 4 van de toelichting en zal procedureel meegenomen worden in
het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude.
4.4.7
Actualiseren omgevingsaspecten
In het vigerende bestemmingsplan zijn onderzoeken verricht ten aanzien van de aspecten milieu
(agrarische bedrijven en milieuhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, industrielawaai, bodem en
niet-agrarische bedrijven en milieuhinder), verkeer, ecologie en water. De onderzoek worden voor alle
aspecten geactualiseerd.
Milieu
Agrarische bedrijven en milieuhinder
Bovenstaand aspect wordt in het kader van de planMER onderzocht. In het planMER wordt aangegeven
wat de gevolgen zijn van de mogelijke toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden en
op welke wijze hiermee in het bestemmingsplan wordt omgegaan. Om te voorkomen dat
burgerwoningen binnen de stankcirkel van een agrarisch bedrijf komen te liggen en daarmee de
ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf beperken, worden de woningen gefixeerd op de
bestaande locatie.
Externe veiligheid
Voor dit aspect is de nieuwe wet- en regelgeving ten aanzien van buisleidingen en de plaatsgebonden
-6
risicocontour (PR 10 ) van belang. Binnen deze contour mogen niet zonder meer nevenfuncties,
vervolgfuncties en woningsplitsing worden toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn mogelijk indien
nadrukkelijk het belang van deze objecten is afgewogen tegen het belang van de risicocontour. Binnen
de contour zijn in ieder geval geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan.
Niet-agrarische bedrijven en milieuhinder
In het bestemmingsplan wordt de meest actuele versie van de VNG-publicatie Bedrijven en
Milieuzonering opgenomen. De systematiek van deze Staat van Bedrijfsactiviteiten is op hoofdlijnen
gelijk, maar de Staat geeft nog een onderscheid binnen de categorieën 3 en 4 (bijvoorbeeld onderscheid
tussen categorie 3.1 en 3.2).
Verkeer
In het vigerende bestemmingsplan is een regeling opgenomen voor de afstand tussen woningen en
wegen in verband met de Wet geluidhinder. In een tabel zijn de minimale afstanden opgenomen die
aangehouden moeten worden in verband met wegverkeerslawaai.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
34
Aan het actualiseren van dit akoestisch onderzoek voor alle wegen in het plangebied zijn veel tijd en
kosten gebonden. Er is voor gekozen dit onderzoek niet te actualiseren, maar om in het nieuwe
bestemmingsplan woningen op de bestaande locatie te fixeren. Hierdoor wordt een mogelijke
strijdigheid met de Wet geluidhinder voorkomen. Herbouw op een andere locatie is alleen mogelijk met
een omgevingsvergunning of wijzigingsplan waarbij akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd.
Ecologie
De wijzigingen ten aanzien van de natuurbescherming (gebieds- en soortenbescherming) komen in het
planMER aan de orde.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
35
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de
toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de
milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de
geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is
een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en
ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid
beschreven. Het betreft de thema's planMER, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en
parkeren, wegverkeerslawaai, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en
milieuzonering en kabels en leidingen.
5.1
PlanMER
5.1.1
Toetsingskader
In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk
geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld.
Projectmer-plicht en mer-beoordelingsplicht
In het Besluit mer wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, waarvoor altijd een mer-procedure
moet worden doorlopen (mer-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag nader moet
beoordelen of een mer-procedure al dan niet nodig is (mer-beoordelingsplicht). In onderdeel C en D in
de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is in kolom 4 aangegeven voor welk type activiteiten
een projectmer (ook wel besluitmer genoemd) of mer-beoordeling moet worden doorlopen en in het
kader van welk besluit deze verplichting geldt.
Planmer-plicht
Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan:
 kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten:
bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu
mer-(beoordelings)plichtig zijn. De kaderstellende plannen zijn opgenomen in kolom 3 van de
onderdelen C en D bij het Besluit mer;
 mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op
Natura 2000-gebieden (waardoor het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de
Natuurbeschermingswet 1998 is noodzakelijk).
5.1.2
Mer-plicht
Projectmer-plicht / mer-beoordelingsplicht
Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude is hoofdzakelijk conserverend van aard. Het plan maakt
geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een directe projectmer-plicht of mer-beoordelingsplicht.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
36
Planmer-plicht
Het bestemmingsplan Buitengebied biedt wel ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij in relatie tot de
drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. alleen de veehouderijen van belang zijn. Conform wet- en
regelgeving en jurisprudentie, dient bij de beoordeling of sprake is van een planmer-plicht rekening te
worden gehouden met onbenutte ruimte die wordt overgenomen uit vigerende bestemmingsplannen
en eventuele afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden.
Door de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude biedt, is het
mogelijk dat in bepaalde gevallen bij toekomstige uitbreidingen van veehouderijen drempelwaarden uit
het Besluit m.e.r. zullen worden overschreden. Daarmee vormt het bestemmingsplan het kader voor
mogelijke toekomstige besluiten over mer(-beoordelings)plichtige activiteiten. Om deze reden is voor
het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude sprake van een planmer-plicht.
Daarnaast kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het bestemmingsplan significante negatieve
effecten op Natura 2000 heeft. In het plangebied en in de omgeving daarvan zijn Natura 2000-gebieden
gelegen. Met name als het gaat om stikstofdepositie, kan op vele kilometers afstand sprake zijn van
waarneembare effecten als gevolg van de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan. Wanneer voor
een plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, leidt
dit automatisch tot een planmer-plicht.
5.1.3
Doel en procedure planMER
Doel van een planMER is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van in dit geval een
bestemmingsplan. Daarbij dient te worden getoetst of de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het
bestemmingsplan biedt kan leiden tot ongewenste effecten. Waar relevant dient te worden bekeken op
welke wijze negatieve effecten kunnen worden beperkt of voorkomen (of positieve effecten kunnen
worden versterkt).
De planmer-procedure bestaat uit de volgende stappen:
1. openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan;
2. raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER ;
3. opstellen
planMER,
uitvoeren
onderliggende
onderzoeken
en
doorvertaling
ontwerpbestemmingsplan;
4. terinzagelegging planMER met ontwerpbestemmingsplan (zienswijzen);
5. toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.;
6. vaststelling bestemmingsplan. Het planMER vormt een bijlage bij het bestemmingsplan.
in
In het concept-ontwerpbestemmingsplan is een Notitie reikwijdte en detailniveau (Nrd) opgenomen,
waarin is beschreven op welke wijze in het planMER de milieueffecten inzichtelijk worden gemaakt.
Hiermee hebben de overlegpartners de mogelijkheid gehad om te reageren op de reikwijdte en het
detailniveau van het planMER. Ook is de Nrd ter inzage gelegd. De Commissie voor de m.e.r. is in de
voorfase niet betrokken (een advies van de Commissie voor de m.e.r. over de reikwijdte en detailniveau
van een planMER is vrijwillig).
Het planMER wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. Op dat
moment vindt ook de wettelijk verplichte toetsing door de Commissie voor de m.e.r. plaats. Het
planMER is opgenomen in bijlage 3.
5.1.4
Resultaten en conclusies planMER
Uit de beschrijvingen en beoordelingen in het planMER blijkt dat effecten van de ontwikkelingsruimte in
het bestemmingsplan Buitengebied over het algemeen beperkt zijn. Voor vrijwel alle milieuthema's kan
zonder meer worden aangetoond dat geen knelpunten ontstaan in relatie tot de wettelijke normen en
grenswaarden die vanuit de sectorale toetsingskaders gelden. Waar relevant is in de regels van het
bestemmingsplan geborgd dat geen negatieve milieueffecten optreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
37
Uit het planMER blijkt verder dat met de zonering die is opgenomen in het bestemmingsplan, de
bouwmogelijkheden die daaraan zijn gekoppeld en de voorwaarden en uitgangspunten die daarbij in
acht dienen te worden genomen, op een goede manier invulling is gegeven aan het behouden en
versterken van de aanwezige landsschappelijke en cultuurhistorische waarden. Lokaal kan sprake zijn
van beperkte negatieve effecten, maar op gebiedsniveau leidt het bestemmingsplan niet tot aantasting
van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Effecten op Natura 2000
Het belangrijkste inhoudelijke aandachtspunt in relatie tot de ontwikkelingsruimte in het
bestemmingsplan vormt het thema stikstofdepositie en de gevolgen daarvan voor Natura 2000.
Conform het Besluit milieueffectrapportage en jurisprudentie dient bij de effectbeschrijvingen in een
planMER uit te worden gegaan van de maximale ontwikkelingsruimte die het bestemmingplan biedt. Uit
de passende beoordeling volgt dat bij een maximale invulling van de bouwmogelijkheden uit het
bestemmingsplan Buitengebied significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de
Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. De bouwmogelijkheden voor de veehouderijen zijn daarbij
maatgevend. Als gevolg van de overige ontwikkelingen (waaronder neven- en vervolgfuncties) zijn geen
relevante effecten te verwachten. Ook neven- en vervolgfuncties kunnen weliswaar extra verkeer
genereren en daardoor leiden tot een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000, maar in de
afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden is als voorwaarde opgenomen dat geen sprake is
van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. Daarnaast
zullen de neven- en vervolgfuncties binnen het bouwvlak moeten worden gerealiseerd (en daardoor ten
koste gaan van de potentiële maximale ruimte die binnen het bestemmingsplan kan worden benut voor
stallen). Om deze redenen zijn de gevolgen van de neven- en vervolgfuncties voor de stikstofdepositie
binnen Natura 2000 in het planMER niet afzonderlijk in beeld gebracht.
Bij een maximale invulling van de ontwikkelingsruimte voor veehouderijen is sprake van een forse
toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000 en op de ter plaatse aanwezige verzuringsgevoelige
habitattypen. In het planMER zijn maatregelen in beeld gebracht waarmee de toename van
stikstofdepositie kan worden voorkomen of beperkt. Daarbij is in eerste instantie gekeken naar de
volgende maatregelen:
 Uitsluiten omschakeling naar grondgebonden veehouderij;
 Uitsluiten omschakeling, in combinatie met het laten vervallen van de wijzigingsbevoegdheden voor
vergroting van het bouwvlak (uitbreiding is uitsluitend mogelijk binnen het bouwvlak zoals
opgenomen op de verbeelding);
 Uitsluiten omschakeling, vervallen wijzigingsbevoegdheden en toepassen emissiearme
stalsystemen;
Uit de passende beoordeling blijkt dat ook met een combinatie van de voorgenoemde maatregelen op
locaties binnen de Natura 2000-gebieden sprake is van significantie negatieve effecten. Dit is gevolg van
het feit dat de dieraantallen (gemiddeld) relatief laag zijn binnen de gemeente Rijnwoude, waardoor er
relatief veel onbenutte ruimte is binnen de bouwvlakken. Het volledig uitsluiten van significante
negatieve effecten binnen het bestemmingsplan Buitengebied is alleen mogelijk met een ingrijpende
aanpassing van de bestemmingsregeling. Wanneer omschakeling van akkerbouw naar grondgebonden
veehouderij wordt uitgesloten en wijzigingsbevoegdheden worden geschrapt, worden de effecten
weliswaar beperkt maar zijn significante negatieve effecten niet uit te sluiten. Om significante negatieve
effecten volledig uit te sluiten, dienen voorwaarden te worden verbonden aan de bouwmogelijkheden
die bij recht worden geboden (zie nadere toelichting in paragraaf 5.1.5).
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
38
5.1.5
Doorvertaling in bestemmingsplan
Het past niet binnen de gemeentelijke visie op het buitengebied om de agrarische bedrijven op slot te
zetten om op die wijze significante negatieve effecten op Natura 2000 uit te sluiten. Het is wenselijk om
zowel bij recht als via wijzigingsbevoegdheden ontwikkelingsruimte en flexibiliteit te bieden aan de
agrarische bedrijven binnen het plangebied. In de praktijk zijn er voldoende mogelijkheden om
toekomstige initiatieven te realiseren zonder nadelige effecten op Natura 2000, bijvoorbeeld door
gebruik te maken van saldering of het treffen van technische maatregelen. Naar aanleiding van de
uitkomsten van de passende beoordeling is binnen de bestemming Agrarisch de volgende voorwaarde
opgenomen.
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, wordt in ieder geval
gerekend: het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding of wijziging van
de bestaande veestapel (de veestapel zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het
bestemmingsplan met dien verstande dat dit niet meer mag zijn dan is toegestaan op basis van de
milieuvergunning of melding) waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het
betreffende agrarische bedrijf.
Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, waardoor bij een uitbreiding van de
veestapel de ammoniakemissie mag toenemen, mits:
de toename van de ammoniakemissie wordt gemitigeerd door middel van maatregelen. Onder een
mitigerende maatregel als hiervoor bedoeld wordt mede begrepen:
 mitigatie door middel van een minimaal gelijkwaardige afname van de bestaande depositie op
hetzelfde kwetsbare gebied, afkomstig van één of meer andere agrarische bedrijven;
 mitigatie door middel van het toepassen van emissiearme staltechnieken of andere
emissiebeperkende voorzieningen zoals luchtwassers.
Met deze regeling wordt voorkomen dat de uitvoering van het bestemmingsplan leidt tot een toename
van stikstofdepositie binnen Natura 2000 en daarmee tot significante negatieve effecten op Natura
2000-gebieden. Bij de beoordeling of sprake is van een toename van ammoniakemissie is de huidige,
feitelijke, legale situatie op het moment van inwerking treding van het bestemmingsplan bepalend. De
bestaande emissie wordt berekend op basis van enerzijds dieraantallen en -soorten en anderzijds de
stalystemen (rekening houdend met de emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij). Bij
het bepalen van de bedrijfsspecifieke huidige, feitelijke, legale situatie wordt gebruik gemaakt van de
beschikbare bedrijfsgegevens, waaronder bouwvergunningen, milieuvergunningen / meldingen en
gegevens die beschikbaar zijn vanuit milieucontroles.
5.2
Water
5.2.1
Toetsingskader
Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de
uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer:
Europa:
 Kaderrichtlijn Water (KRW)
Nationaal:
 Nationaal Waterplan (NW)
 Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)
 Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
 Waterwet.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
39
Waterbeheerplan 2010-2015
Voor de planperiode 2010 -2015 zal het Waterplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan
geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen n het
watersysteem getroffen worden. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. de drie
hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft
veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven end at rekening
wordt gehouden met toekomstige dijkverbetering. Wat betreft voldoende water gaat het erom het
complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil
Rijnland dat het watersysteem goed op orde en toekomst vast wordt gemaakt, rekening houdend met
de klimaatverandering. immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale
en hevigere buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het WBP sorteert voor op deze
ontwikkelingen.
Keur en Beleidsregels 2009
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels die in
2011 geactualiseerd zijn. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de nieuwe
Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn
aan deze keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water
in de bodem. De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland
haar taken als waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen)
voor:
 waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
 watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
 andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde
waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te
mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op
grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en
handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen,
is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt.
Watertoets
De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid,
wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van
water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het
bestemmingsplan buitengebied vindt afstemming plaats met de waterbeheerder, in dit geval het
Hoogheemraadschap van Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en
waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.
5.2.2
Onderzoek en conclusie
Waterkwantiteit
Het plangebied wordt doorkruist door verschillende watergangen. Het gaat hierbij om primair
polderwater, primair boezemwater en overig polderwater. De belangrijkste watergangen zijn de
Molenwatering; Molenboezem; Zwet; Bruine Wetering; Doespolderwatering; Papenvaart; Oostvaart;
Westvaart; Tweede, Derde en Vierde Tocht, Brandwetering en Slingerwetering. Rondom de
watergangen zijn beschermingszones aanwezig:
 primaire oppervlaktewateren: ter weerzijden van het oppervlaktewater dient een zone van 5 m,
gemeten vanaf de insteek, vrijgehouden te worden voor onderhoud en inspectie tot een hoogte van
minimaal 4 m ten opzichte van het maaiveld;
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
40

overige oppervlakte wateren: ter weerzijden van het oppervlaktewater dient een strook van 2 m,
gemeten vanaf de insteek vrijgehouden te worden voor onderhoud en inspectie tot een hoogte van
minimaal 4 m ten opzichte van het maaiveld.
Grondwater
In het plangebied komen verschillende grondwatertrappen voor. Ter plaatse van het noordelijk en
zuidelijk veenweidegebied komen met name de grondwatertrappen II en III voor. Ter plaatse van de
droogmakerij komen lagere grondwaterstanden voor, met name de grondwatertrap VI. Ook de
grondwatertrappen II, III, IV en V komen voor (figuur 5.1). Binnen het plangebied zijn geen
grondwaterbeschermingsgebieden gelegen.
Figuur 5.1
Grondwatertrappen (www.bodemdata.nl)
Watersysteemkwaliteit
In het plangebied zijn geen Kader Richtlijn Water (KRW)-lichamen gelegen. Wel worden in de
Kaderrichtlijn Water ook algemene eisen aan de kwaliteit van polderwater en boezemwater gesteld. In
het buitengebied overschrijden de gehaltes fosfor en stikstof deze normen in vrijwel het gehele
veenweidegebied (Hoogheemraadschap ven Rijnland, Vlietpolder zoektocht naar verbetering van de
waterkwaliteit in het veenweidegebied, april 2012). Afspoeling van landbouwgronden blijkt hiervan een
grote oorzaak te zijn.
Waterkeringen
Binnen het plangebied zijn geen primaire waterkering gelegen. Wel zijn er verschillende regionale
waterkeringen gelegen. Het gaat hierbij onder andere om de keringen langs de Mattenkade,
Hoogenwaard, Lagewaard, Papenvaart, Oostvaart en Westvaart. Rondom de keringen zijn
beschermingszones aanwezig. Binnen deze zones mag niet zonder ontheffing van het
hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen worden. Dit moet voorkomen dat de stabiliteit,
het profiel en/of de veiligheid van de waterkeringen wordt aangetast.
Afvalwaterketen en riolering
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
41
Het plangebied is grotendeels aangesloten op een drukriolering. Overeenkomstig het rijksbeleid (de
voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord
waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het
doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de
bescherming van het milieu vereist dat:
a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige
gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
d. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft
overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd;
e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht;
De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het
gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke
afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet
staan.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater
Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve
maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de
bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen
hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater
mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt
voorkomen. Door bijvoorbeeld:
 duurzaam bouwen;
 het toepassen van berm- of bodempassage;
 toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van
verkeerde aansluitingen;
 het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten
(putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
 adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten
zuigen);
 het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
 de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist
gebruik hiervan;
 het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische
onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar
verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg
tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd
gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in
overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan
expliciet gemaakt worden in het GRP.
Opbarstgevoeligheid
Binnen het plangebied bevinden zich enkele droogmakerijen. In deze droogmakerijen zijn diepe
watergangen niet altijd gewenst, gezien de toename van nutrientrijk, zoute of zuurstofarme kwel.
Bovendien kunnen in deze droogmakerijen watergangen met te grote bodembreedte en of te grote
bodemdiepte opbarsten. Het toepassen van flauwe taluds of ondiepe zonering langs de watergang
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
42
kunnen oplossingen zijn waardoor de opbarst risico wordt verkleind.
Conclusie
In het planMER is ingegaan op de effecten van het bestemmingsplan op de waterkwaliteit en
kwantiteit. De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan beperkte negatieve effecten hebben op
de waterkwantiteit en –kwaliteit door de reeds aanwezige waterbergingsopgaven en door de zwaardere
belasting van het oppervlaktewater met vermestende stoffen (N en P) via af- en uitspoeling door de
ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Bij toekomstige initiatieven dient te worden
voldaan aan diverse watergerelateerde randvoorwaarden en eisen. Bij verschillende
flexibiliteitsbepalingen is in het bestemmingsplan als voorwaarde opgenomen dat geen sprake is van
onevenredige gevolgen voor het waterbeheer (waarbij schriftelijk advies van de waterbeheerder
noodzakelijk is). Hiermee is uitgesloten dat er relevante negatieve effecten optreden als gevolg van de
ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan.
5.3
Ecologie
5.3.1
Toetsingskader
Beleid
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de
leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel
uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de
Provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die
onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij
ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.
Normstelling
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht
op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer
verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dieren plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De
wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van
bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de
verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover
deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing
te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Voor de zwaar
beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
 er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw,
bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
 er geen alternatief is;
 geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels
overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor
dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de
volgende interpretatie van artikel 11:
De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed
wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende
de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
43
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
1. Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele
seizoen. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in
gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer
honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats
zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden
en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de
nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn
een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als
categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor
hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit
beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit
categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.
Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische
omstandigheden dat rechtvaardigen.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet
onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
A. door de minister van EZ aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
B. door de minister van EZ aangewezen beschermde natuurmonumenten;
C. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van
verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van
EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het
bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a en b) hebben een externe werking, zodat ook
ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden
getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet
1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering niet leidt tot
significante negatieve effecten op natura 2000.
5.3.2
Onderzoek en conclusie
Beschermde gebieden
In het PlanMER en de daarin opgenomen passende beoordeling (bijlage 3) is een beschrijving
opgenomen van de beschermde gebieden in en rond het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
44
Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten
Binnen het bestemmingsplangebied en in de omgeving daarvan zijn verschillende Natura 2000-gebieden
en beschermde natuurmonumenten gelegen. Met name als het gaat om het thema stikstofdepositie kan
ontwikkelingsruimte voor veehouderijen (ook op grote afstand) leiden tot negatieve effecten binnen
Natura 2000. Vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden en beschermde
natuurmonumenten is in het planMER een passende beoordeling opgenomen. De maatgevende
gebieden met betrekking tot vermesting/verzuring zijn Kennemerland-Zuid, Coepelduynen, Meijendel &
Berkheide en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In al deze gebieden is de achtergronddepositie hoger
dan de kritische depositiewaarde van het meest gevoelige habitattype. Dat betekent dat elke toename
van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot negatieve effecten. Uit de berekeningsresultaten
blijkt dat de maximale invulling van alle bouwmogelijkheden (bij recht en via wijzigingsbevoegdheden)
tot een forse toename van stikstofdepositie leidt op maatgevende locaties binnen de Natura
2000-gebieden (in het bijzonder binnen het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck). De
realistische invulling van de bouwmogelijkheden leidt tot een veel beperktere toename van
stikstofdepositie, maar in de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en de Coepelduynen is de toename toch
nog ruim 1 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten zijn om deze reden niet uit te sluiten. In de
passende beoordeling zijn maatregelen beschreven waarmee in het bestemmingsplan of buiten het
bestemmingsplan om kan worden geborgd dat geen negatieve effecten binnen Natura 2000 optreden.
In paragraaf 5.1.5 van dit bestemmingsplan is toelicht op welke wijze in het plan is omgegaan met de
uitkomsten van de passende beoordeling.
Als het gaat om verstoring en versnippering binnen Natura 2000-gebieden en beschermde
natuurmonumenten, zijn er geen relevante effecten te verwachten als gevolg van de
ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt.
Ecologische Hoofdstructuur en weidevogelgebied
Binnen het plangebied zijn verschillende gebieden gelegen die deel uitmaken van de ecologische
hoofdstructuur (EHS). Het gaat hierbij om De Wilck (tevens Natura 2000-gebied) en rondom De Wilck,
het natuurgebied rondom Spookverlaat/Kruiskade, een nieuw gebied westelijk van het Oostvaartpad, en
de ecologische verbindingszone langs de Broekweg. Het bestemmingsplan biedt bouwmogelijkheden op
de bestaande bouwvlakken. Deze bouwmogelijkheden leiden niet tot areaalverlies van de EHS.
Daarnaast biedt het bestemmingsplan mogelijkheden voor recreatieve neven- en vervolgfuncties. Een
deel van de extra recreanten wil wandelen, fietsen of varen door of langs de EHS. Deze extra bezoekers
maken gebruik van bestaande routes. De geringe extra bezoekersstromen als gevolg van de
uitgebreidere recreatiemogelijkheden hebben geen effect op de EHS.
Een groot deel van het plangebied is daarnaast aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. De kievit
komt talrijk voor en ook scholekster, grutto en wulp komen hier, in kleinere aantallen, voor. De
mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de teelt van mais- en ruwvoer zorgt mogelijk voor
een potentieel negatief effect op weidevogels. Door de zonering en de daaraan gekoppelde percentages
van het oppervlakte dat mag worden gebruikt voor mais- en ruwvoer, zullen de gevolgen in de praktijk
beperkt zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
45
Beschermde soorten
Het plangebied biedt leefgebied aan verschillende beschermde soorten. Het betreft voornamelijk
algemeen voorkomende soorten en daarnaast enkele matig en zwaar beschermde soorten zoals
rietorchis, kleine modderkruiper, bittervoorn, vleermuizen, rugstreeppad, buizerd, sperwer, gierzwaluw
en huismus. De ruimtelijke ontwikkelingen vinden hoofdzakelijk plaats op of direct in de buurt van de
bestaande bouwkavels. Plaatselijk kan dit leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, zoals
aantasting van vaste nestplaatsen van broedvogels of aantasting van leefgebied beschermde vissen. De
aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen wel worden
uitgesloten omdat goede mitigerende maatregelen zijn te treffen. In het planMER is een overzocht
opgenomen van deze maatregelen.
Conclusie
Naar aanleiding van de uitkomsten van de passende beoordeling is in het bestemmingsplan een regeling
opgenomen om een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000 te voorkomen.
5.4
Archeologie
5.4.1
Toetsingskader
Rijksbeleid - Monumentenwet
De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Monumentenwet
1988. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de
Monumentenwet 1988 is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd
monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten,
archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De Monumentenwet 1988 regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing
ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter
plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan
bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch
onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het
belangrijkste doel is de bescherming van het archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) omdat de
bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het
basisprincipe de 'verstoorder betaalt' voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen
waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Provinciaal beleid
Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het
behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het
opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van
archeologische waarden in het plangebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld
in de Nota archeologie Provincie Zuid-Holland (dd. 27-07-2009).
Gemeentelijk beleid
Het archeologisch beleid van de voormalige gemeente Rijnwoude - vastgelegd door de raad op 13
december 2012 - is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te
behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door
middel van opgravingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
46
De bodem in het plangebied is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of
maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de
aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische
verwachting. Indien in een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan gebieden met archeologische
waarden en/of verwachtingen aanwezig zijn dan staan deze gebieden aangegeven op de plankaart
binnen de aanduiding “Waarde – Archeologie 1” tot en met “Waarde – Archeologie 4”. Voor
werkzaamheden die in deze gebieden de grond verstoren, is een omgevingsvergunning noodzakelijk,
zoals aangegeven in de regels van het bestemmingsplan, met uitzondering van Waarde – Archeologie 1,
daarvoor geldt de vergunningplicht van artikel 11 van de Monumentenwet 1988.
Initiatiefnemers dienen bij de aanvraag van bovengenoemde vergunningen een rapport te overleggen.
Daarin moet de daadwerkelijke archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord zijn
vastgesteld.
Het vaststellen van de archeologische waarde vindt binnen de archeologische monumentenzorg
gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het
veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend
archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de
keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het
bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Voor zover deze stappen gevolgd moeten
worden, dienen deze in dat rapport opgenomen te worden met vermelding van de resultaten. Teneinde
onnodige procedures te vermijden wordt initiatiefnemer verzocht vooraf contact op te nemen met de
gemeente. Uitvoering van archeologisch (voor)onderzoek is in Nederland voorbehouden aan daarvoor
vergunninghoudende bedrijven of instanties.
5.4.2
Onderzoek en conclusie
Sinds 2007 is de gemeente het bevoegd gezag voor archeologie en daarmee gehouden archeologische
waarden adequaat te beschermen. Het Archeologiebeleid is bedoeld om de in de grond aanwezige
archeologische waarden te beschermen, daar waar dat in bestemmingsplannen nog niet afdoende
geregeld is. In het gemeentelijke Archeologiebeleid wordt aan de hand van verschillende categorieën
bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de
archeologische verwachtingswaarde, die is aangegeven op de bijbehorende kaart. De bodem in het
plangebied is rijk aan archeologische waarden (zie figuur 5.2). Veel daarvan zijn echter nog niet of maar
ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de
aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische
verwachting. Er is sprake van 4 verwachtingswaarden.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
47
Figuur 5.2
Beleidskaart Archeologie Rijnwoude en Zoeterwoude (bron: Buro de Brug-rapport B11-124).
Het veenweidegebied en enkele linten en oude waterlopen hebben een hoge archeologische
verwachtingswaarde. De droogmakerij heeft een matige/lage verwachtingswaarde. De uitbreiding van
agrarische bedrijven en nieuwe bebouwing ten behoeve van nevenactiviteiten kunnen leiden tot
aantasting van de archeologische waarden. In het bestemmingsplan is een beschermende regeling
opgenomen. Door de onderzoeksplicht in het bestemmingsplan is gegarandeerd dat de eventueel
aanwezige waarden worden gedocumenteerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
48
Beschermingsregiem bestemmingsplan:
Waarde
vrijstelling oppervlakte
Waarde - Archeologie 1
0
2
Waarde - Archeologie 2
100 m
2
Waarde - Archeologie 3
1.000 m
2
Waarde - Archeologie 4
10.000 m
5.5
vrijstelling diepte
0
30 cm
30 cm
30 cm
Landschap en cultuurhistorie
5.5.1
Toetsingskader
Gebiedsprofielen Hollandse Plassen en Wijk en Wouden
Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en de beeldkwaliteitsplannen
van lokale overheden in en is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Voor lokale overheden en
initiatiefnemers dient het gebiedsprofiel als bron van inspiratie en biedt het handvatten om nieuwe
ontwikkelingen met kwaliteit te initiëren. Voor de provincie dient het gebiedsprofiel als handleiding om
de kwaliteit van plannen/ontwikkelingen aan de voorkant van planprocessen te stimuleren. Het
gebiedsprofiel vormt de basis voor de ontwerpopgave, elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om
maatwerk.
Regioprofiel Cultuurhistorie
De provincie Zuid-Holland heeft, vanwege de grote betekenis van cultuurhistorie vanaf 1997 de
Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) opgesteld. Op basis van deze CHS zijn vervolgens 15
topgebieden voor cultureel erfgoed aangewezen. Topgebieden zijn gebieden waar cultuurhistorische
waarden in bijzondere mate en onderlinge samenhang voorkomen. De selectiecriteria zijn:
 minimaal
2
van
de
drie
typen
cultuurhistorische
waarden
(archeologische,
historisch-landschappelijke en historisch-stedenbouwkundige) zijn aanwezig;
 er dient sprake te zijn van een combinatie van hoge en zeer hoge waarden die tevens in opvallende
mate voorkomen op de grond van de CHS;
 er is een goede ruimtelijke samenhang tussen de (zichtbare) waarden;
 er dient sprake te zijn van een bovenlokaal schaalniveau (dat wil zeggen gebiedsomvang dient
groter te zijn dan een enkele plaats, polder of site).
Binnen het plangebied liggen delen van de topgebieden 'Kaag/Oude Rijn' en 'Zoeterwoude/Stompwijk'
(zie figuur 5.3). Binnen de topgebieden is een beperkt aantal gebieden of elementen benoemd met een
zeer gave, kwetsbare cultuurhistorische samenhang die door hun unieke karakter bepalend zijn voor de
identiteit van een plek, zogenaamde Kroonjuwelen. Binnen het plangebied zijn geen Kroonjuwelen
aanwezig.
De topgebieden hebben als basis gediend voor in 2010 opgestelde regioprofielen. De regioprofielen zijn
opgesteld met het volgende doel:
 een handreiking/kompas voor planvormers, met name bij gemeenten en voor de provincie zelf om
de cultuurhistorische waarden te respecteren en benutten bij het ontwikkelen van de ruimten in
Zuid-Holland;
 (bij)sturing van (lokale) ruimtelijke plannen.
In paragraaf 5.5.2 zijn de topgebieden nader omschreven.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
49
Figuur 5.3
Topgebieden (Bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
Cultuurhistorisch waardevolle en karakteristieke panden
In het plangebied zijn verschillende gebouwen aangemerkt als rijks- provinaiaal of gemeentelijk
monument. Van belang is dat deze panden behouden en beschermd worden in het bestemmingsplan.
een overzicht van de betreffende monumenten is opgenomen in Bijlage 4.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
50
5.5.2
Onderzoek en conclusie
Ontstaansgeschiedenis
In een ver verleden bestond het gebied rondom de voormalige gemeente Rijnwoude uit schorren en
kwelders, die onder getijdeninvloed stonden van de Noordzee. Door de verdergaande duinvorming aan
de huidige westkust van Nederland verminderde deze getijdeninvloed en kreeg de Oude Rijn een
rustiger verloop. Hierdoor ontstonden geschikte omstandigheden voor grootschalige veenvorming,
terwijl door de Oude Rijn een stelsel van stroomruggen en oeverwallen werd gevormd.
Vanaf 900 is men in dit gebied begonnen met de ontginning van de veenwildernis. Naast ontginning
voor landbouwkundig gebruik, is de veenwinning voor turfbereiding van grote invloed geweest op het
gebied. Het nabij de rivier gelegen veen was ongeschikt voor turfbereiding, het verder van de rivier af
gelegen veen was wel geschikt. Het gewonnen veen werd over een stelsel van gegraven vaarten en de
Oude Rijn naar de steden vervoerd.
e
Doordat het veen tot op grote diepte werd gewonnen ontstond een zeer nat gebied. In de 17 eeuw was
de omgeving van Hazerswoude-Dorp zelfs verworden tot één grote plas. Deze plas is door inpoldering
van kleine gebieden en door bemaling met watermolens later weer teruggewonnen voor
landbouwkundig gebruik. Deze gebieden worden droogmakerijen genoemd. De droogmakerijen zijn nog
steeds in het landschap te herkennen door hun diepe ligging. Het maaiveld in de droogmakerijen is
gelegen tussen de 4 m en 5,5 m -NAP terwijl de maaiveldhoogte in de overige delen van het plangebied
tussen de 0,5 m +NAP en de 2 m -NAP ligt.
Landschapstypen
Op grond van gemeenschappelijke hoofdkenmerken kan een landschap in landschapstypen
onderverdeeld worden. Het onvergraven veen aan weerszijden van de Oude Rijn maakt deel uit van het
slagenlandschap. Ten zuiden daarvan ligt het laaggelegen droogmakerijenlandschap. Beide
landschapstypen worden hieronder beschreven.
Slagenlandschap
In het gebied ten noorden van de Oude Rijn is de bebouwing geconcentreerd in de linten langs de rivier
en in het lint van Lage waard. Van oudsher was langs de Oude Rijn veel industrie aanwezig. Ten behoeve
van de baksteen- en dakpannenindustrie zijn de kleigronden langs deze rivier plaatselijk afgegraven.
Landschappelijk gezien leidde deze activiteit tot plaatselijke hoogteverschillen. Bovendien werden de
rivieroevers te laag en te nat voor akkerbouw, zodat tegenwoordig het agrarische beeld van de oevers
bepaald wordt door grasland. Uit de vroegere baksteenindustrie zijn de huidige grote betonindustrieën
voortgekomen die vanwege hun omvang eveneens sterk beeldbepalend zijn voor de rivierzone.
Vanwege het overwegende graslandgebruik is het landschap aan weerzijden van de rivierzone zeer
open. De hoofdrichting in dit landschap is oost-west, evenwijdig aan de Oude Rijn. Vanuit de omliggende
polders wordt het rivierlint ervaren als een grotendeels gesloten bebouwingsmassa doch vanuit het lint
zijn er vele doorzichten mogelijk naar de open polders. Deze doorzichten zijn zeer waardevol om de
landschappelijke hoofdstructuur van dit gebied (stedelijk rivierlint in open agrarisch landschap) te
kunnen "lezen" en tevens om het karakteristieke slotenpatroon, loodrecht op de rivier, te kunnen
waarnemen. Ook de op enige afstand van de rivier gelegen historische windmolens en de hakhoutkade
langs de Zwet aan de noordrand zijn dankzij de doorzichten in het rivierlint zichtbaar.
Het rivierlint zelf is zeer gevarieerd met veel karakteristieke historische bebouwing op wisselende
afstand van de weg en vele soms fraaie oude erfbeplantingen en (restanten van)
hoogstamboomgaarden. Door het slingerende tracé van de Oude Rijn biedt een tocht langs de rivier, in
combinatie met de eerder genoemde doorzichten, een voortdurende en gevarieerde afwisseling van
beelden.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
51
Bijzonder is de afzonderlijke open ruimte van de Hoogewaardse polder. Deze wordt van de
Lagenwaardse polder aan de noordzijde afgeschermd door het bebouwingslint van de Lage waard. Dit
lint is waarschijnlijk ontstaan langs een vroegere loop van de Oude Rijn. Daarnaast vormen de restanten
van het vroegere slot Groot Poelgeest (een cirkelvormige omgrachting, een torentje en het voormalig
koetshuis) een bijzonder element op de plaats waar beide bebouwingslinten samenkomen.
Het slagenlandschap aan de zuidzijde van de Oude Rijn wordt beheerd vanuit een boerderij"strook" op
circa 1 kilometer van de rivier die is ontstaan nadat bij de laatste ruilverkaveling een aantal agrarische
bedrijven is verplaatst vanuit het bebouwingslint langs de rivier. In deze strook ligt ook het gemaal in de
Westvaart met omliggende beplanting. Daarnaast zijn in het open landschap de sierteeltbedrijven en de
bijbehorende kassen opvallend aanwezig. Langs de Spookverlaat is bij de ruilverkaveling een
bos/natuurstrook aangelegd die eveneens sterk opvalt in het open landschap. Ondanks de recente
toevoegingen aan dit eeuwenoude landschap kan nog steeds gesproken worden van een karakteristiek
slagenlandschap met de daarbij horende kenmerken als openheid, grasland en een fijnmazig evenwijdig
slotenpatroon. Het verkavelingspatroon is echter minder gaaf dan in het gebied ten noorden van de
Oude Rijn.
De richting in dit gebied is eveneens gerelateerd aan de Oude Rijn en wordt geaccentueerd door de
hooggelegen spoorlijn en de N11 (beide buiten het plangebied). Het slotenpatroon staat evenals aan de
noordzijde van de rivier loodrecht op de Oude Rijn. Karakteristiek zijn de verschillende hoger gelegen
vaarten van waaruit de omliggende polders worden ontwaterd in de richting van de Oude Rijn.
Droogmakerijenlandschap
Het landschapstype van de droogmakerijen is eveneens zeer open door het overheersende agrarische
grondgebruik (grasland op het restveen ten noorden van Hazerswoude-Dorp en akker- en tuinbouw op
de oude zeeklei ten zuiden daarvan, het bebouwingslint van Hazerswoude wordt geflankeerd door
sierteelt). Hazerswoude is bij het ontvenen van het gebied gespaard gebleven en ligt nu opvallend hoger
in het landschap.
Bij de inrichting van de droogmakerij de Noordplas heeft men dit dorpslint weer als ontginningbasis
gebruikt. Het verkavelingspatroon heeft daardoor dezelfde richting als voor de ontvening. Karakteristiek
voor deze ontginning zijn de op regelmatige afstand oostwestgelegen "tochten" die als
hoofdwatergangen het gebied ontwateren.
Opvallend is de zware beplanting langs de Gemeneweg en de Hoogeveenseweg. Langs deze laatste weg
liggen ook de boerderijen van waaruit deze polder wordt beheerd.
Waardering
De landschappelijke waardering kan worden beschreven in termen van samenhang, herkenbaarheid en
identiteit. In het plangebied is sprake van een grote mate van samenhang op verschillende niveaus. Het
gaat daarbij om de samenhang tussen:
 abiotisch systeem en grondgebruik (bebouwingslinten op kleigrond, grasland op veengrond, kades,
dijken en watergangen bepaald door de waterhuishouding);
 grondgebruik en landschapsbeeld (besloten bebouwingslinten, open graslandgebieden);
 landschappelijke patronen en elementen (kades, dijken, watergangen, bebouwing, beplanting).
De grote mate van samenhang is visueel ook goed herkenbaar en draagt bij aan de identiteit van het
veenweidegebied. Op grond van deze aspecten wordt aan het landschap in het plangebied een hoge
waardering toegekend. Deze waardering is ook beleidsmatig vastgelegd. Zo ligt het plangebied in het
Groene Hart. Ten noorden van de Oude Rijn maakt het plangebied deel uit van het provinciale
regioprofiel Hollandse Plassen. Daarbinnen is het cultuurhistorische topgebied Kaag/Oude Rijn gelegen
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
52
(zie figuur 5.3). Het noordwesten van het plangebied ligt binnen het regioprofiel Wijk en Wouden.
Daarbinnen ligt het cultuurhistorische topgebied Zoeterwoude/Stompwijk.
Topgebied Kaag/Oude Rijn
Topgebied Kaag/Oude Rijn wordt gekenmerkt door een open, gaaf en herkenbaar
veenontginningslandschap. Het gebied is onderscheidend vanwege de onregelmatige blokverkaveling
en het afwijkende bewoningspatroon. Hier geen kilometerslange bebouwingslinten en rechtlijnige
copeverkavelingen, maar een grillig en kleinschalig veenweidelandschap met verspreide bebouwing. Het
gebied heeft een waterrijk karakter met door afslag vergrote veenmeren, brede poldersloten en bekade
boezemwateren. Bij de boezemwateren is een hoge concentratie van oude windmolens te vinden
(inclusief de enige twee twaalfkantige molens in Nederland). De kenmerkende structuren en elementen
in het plangebied zijn in het regioprofiel als volgt opgenomen:
 De opstrekkende verkaveling langs de Oude Rijn: middeleeuwse ontginningen met een vanaf de
rivieroever gerend verloop.
 Onderscheidend karakter door het ontbreken van de typerende cope-verkaveling en het toepassen
van opstrekkende heerden vanaf de Oude Rijn.
 Contrast tussen de hoger gelegen boezemwateren en de ingeklonken veenweidepolders.
 Rijkdom aan water door de aanwezigheid van brede poldersloten, boezemwateren en veenplassen.
 Grote afleesbaarheid van het landschap: de gave kavelstructuur, het uitgebreide watersysteem en
het grote aantal nog functionerende windmolens maken de geschiedenis van de waterbeheersing in
het gebied inzichtelijk.
 Vierentwintig molens (in totale gebied).
Topgebied Zoeterwoude/Stompwijk
Topgebied Zoeterwoude / Stompwijk vormt de meest westelijke rand van het veenpolder- en
droogmakerijlandschap van Midden-Holland. De kwaliteit van het topgebied ligt vooral in het
herkenbare open, agrarisch cultuurlandschap en in de contrastrijke overgangen van dit landschap naar
de verstedelijkte omgeving. Het plangebied maakt deel uit van de noordelijke gebiedseenheid: een gaaf
veenweidegebied met typische ingrediënten als vergezichten, monumentale boerderijlinten (Weipoort),
langgerekte strokenverkaveling, sloten en weteringen. Het zuidelijk deel bestaat uit voormalige
natuurlijke meren en als gevolg van de vervening ontstane plassen, vanaf de zeventiende eeuw
drooggemaakt.
In het regioprofiel zijn de kenmerkende structuren en elementen van het topgebied opgenomen. Omdat
slechts een klein deel van het plangebied in het topgebied is gelegen, betreft het in het plangebied
alleen de contrastrijke overgangen tussen stad en land door harde stedelijke en infrastructurele
begrenzingen.
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie (figuur 5.4) zijn de aanwezige kenmerken
gewaardeerd, zoals de hoge landschappelijke waarde van (delen van) de Hondsdijkse Polder,
Lagenwaardse Polder, polder Gnephoek, Geer- en Buurtpolder en de polder Groenendijk, de
lintbebouwing van de Lagewaard, enkele dijken en de molens.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
53
Figuur 5.4 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Zuid-Holland (bron: geoloket provincie
Zuid-Holland)
Conclusie
In het planMER is een beschrijving worden opgenomen van de gevolgen van het bestemmingsplan
Buitengebied voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. HIeruit blijkt dat de
ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan plaatselijk tot een aantasting van met name de openheid
van het landschap kan leiden. In het bestemmingsplan zijn beschermde regels opgenomen, zodat de
aantasting beperkt blijft.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
54
5.6
Verkeer
Verkeersstructuur
Ontsluiting gemotoriseerd verkeer
De hoofdwegenstructuur van het zuidelijke plandeel wordt gevormd door de Provincialeweg N209. De
N209 sluit ter hoogte van de kern Hazerswoude-Rijndijk aan op de autoweg N11. De N209 verbindt
Hazerswoude-Rijndijk / N11 via Hazerswoude-Dorp en Benthuizen met Zoetermeer-Oost. De N11 geeft
verbinding met de A4 (bij Leiden) en met de A12 (Bij Bodegraven). De N209 en de N11 kruisen elkaar
ongelijkvloers.
Daarnaast bevinden zich in het plangebied een aantal erftoegangswegen die onderscheiden worden in
erftoegangswegen met een ontsluitingsfunctie voor de kernen en plattelandswegen met een functie ter
ontsluiting van woningen en bedrijven.
Ontsluiting langzaam verkeer
Het langzaam verkeer, met name (brom)fietsers, maakt gebruik van dezelfde wegen als het
gemotoriseerd verkeer met uitzondering van de N209. Langs de N209 liggen vrijliggende fietspaden die
een functie vervullen als regionale fietsroutes met zowel een utilitaire als een recreatieve functie.
Door het plangebied zijn verder routes uit het knooppunten netwerk gelegen. Knooppuntroutes,
oftewel fietsroutenetwerken, bestaan uit een groot aantal genummerde knooppunten. Tussen die
knooppunten lopen in twee richtingen bewegwijzerde verbindingsroutes. Deze routes zijn voornamelijk
gericht op recreatief verkeer en juist in het buitengebied, met diverse recreatieve voorzieningen, van
belang. Tevens lopen door het plangebied lange afstandsfietspaden.
Ontsluiting openbaar vervoer
Door het plangebied loopt de HSL, deels in een tunnelbak en deels bovengronds. In het plangebied van
bestemmingsplan Tussen Rijn en Rijksweg ligt de spoorlijn Gouda-Leiden. Ter hoogte van het plangebied
bevindt zich geen NS-station.
Het plangebied worden ontsloten via busdiensten in de richtingen Alphen aan den Rijn, Leiden,
Oegstgeest, Gouda en Zoetermeer. Deze buslijnen hebben hun route via de Rijndijk, de Hoogewaard en
de N209 en halteren dan ook langs deze wegen. Vanuit het plangebied kan de afstand tot deze haltes
oplopen tot een kilometer.
Inmiddels is duidelijk geworden dat de eerder beoogde halte ter hoogte van de kern
Hazerswoude-Rijndijk voor de RijnGouwelijn er niet komt. Wel wordt in het kader van HOV-net
Zuid-Holland Noord gewerkt aan nieuwe plannen voor een NS-station. Het station zal vermoedelijk
gebouwd worden aan de westkant van Hazerswoude-Rijndijk, bij de kruising van de spoorbaan met de
Gemeneweg naar Hazerswoude-Dorp. Als de huidige plannen doorgaan zal de halte in 2018 worden
geopend.
Verkeersveiligheid
In het kader van Duurzaam Veilig zijn de wegen gecategoriseerd. De N11 is gecategoriseerd als
stroomweg met een maximumsnelheid van 100 km/h. De N209 is gecategoriseerd als
gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/h. De overige
wegen binnen het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen buiten de bebouwde kom met
een maximumsnelheid van 60 km/h.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
55
Binnen het plangebied bevinden zich vrijliggende fietspaden langs de provinciale weg (N209). Het fietsen voetgangersverkeer binnen het plangebied wordt op de erftoegangswegen (60 km/h) grotendeels
samen met het gemotoriseerd verkeer afgewikkeld. Dit is conform de inrichting volgens Duurzaam
Veilig.
Verkeersafwikkeling
De gemeente heeft geen gemeentelijk verkeer- en vervoerplan. Wel wordt vanuit de regio Holland
Rijnland, in samenwerking met de regiogemeenten, veel gedaan op het gebied van beleidsontwikkeling
en projecten. Ten aanzien van de mobiliteitsprojecten is dit het Uitvoeringsplan van het Regionaal
Verkeer en Vervoersplan (UP RVVP).
Hieruit blijkt dat de groei van het verkeer op verschillende plaatsen op de N209 tot knelpunten leidt.
Kruispunten kunnen het groeiende verkeersaanbod niet afdoende verwerken, de verkeersveiligheid is in
het geding en het verkeer leidt tot meer hinder op het gebied van onder andere geluid en luchtkwaliteit.
De herinrichting (Duurzaam Veilig) van de N209 voor het deel Hazerswoude - Zoetermeer is met
prioriteit opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
Ook het vele vrachtverkeer over de N209 leidt in Hazerswoude-Dorp tot knelpunten. In 2007 is de
Corridorstudie N207 uitgevoerd. In die studie zijn knelpunten op de N207 en omgeving geïnventariseerd
en voorstellen voor mogelijke oplossingen gedaan. Ook de problemen bij Hazerswoude-Dorp zijn in deze
studie meegenomen. De studie komt met twee opties om het probleem in Hazerswoude-Dorp aan te
pakken:
 een tunnel ter hoogte van het kruispunt Gemeneweg (N209) / Dorpsstraat;
 een omleidingsweg.
In 2014 is besloten dat er definitief geen viaduct komt onder Hazerswoude-Dorp. dit viaduct zou de
noord- en zuidzijde van de Gemeneweg (N209) met elkaar moeten gaan verbinden. De drie
overgebleven opties zijn een grote tunnelbak ter hoogte van het kruispunt Gemeneweg/Dorpsstraat,
een kleine tunnelbak op dezelfde plek en een omleidingsweg die ten oosten van Hazerswoude-Dorp
wordt aangelegd vanaf de Hoogeveenseweg (N445) en aansluit op de Gemeneweg.
Wanneer een van deze opties wordt gerealiseerd zal de doorstroming en daarmee de leefbaarheid in
Hazerswoude Dorp sterk verbeteren.
Conclusie en aanbevelingen
De bereikbaarheid voor de verschillende vervoerswijzen is in de huidige situatie goed te noemen. Wel
leidt de groei van het verkeer op de N209 tot problemen ten aanzien van de doorstroming,
verkeersveiligheid en leefbaarheid. De gemeente streeft naar een optimale bereikbaarheid van de
kernen.
De aanpak van knelpunten en ontbrekende schakels zowel utilitair als recreatief is gewenst zodat een
compleet fijnmazig langsverkeersnetwerk ontstaat dat de verschillende gebieden onderling met elkaar
kan verbinden.
Er zijn in het bestemmingsplan voor het buitengebied geen ontwikkelingen voorzien ten aanzien van
verkeer waarover reeds een afgeronde besluitvorming heeft plaatsgevonden. Het onderhavige plan
heeft dan ook geen effect op de huidige of toekomstige ontsluitingsstructuur.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
56
5.7
Geluidhinder
5.7.1
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de
Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet
worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten
stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook
bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.
Onderzoek en conclusie
Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies direct bestemd. Tevens
worden geen nieuwe wegen / aanpassingen aan wegen mogelijk gemaakt waar binnen bestaande
geluidsgevoelige functies zijn gelegen. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan hierdoor
achterwege blijven.
5.7.2
Spoorweglawaai
Toetsingskader
Langs spoorwegen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de
geluidhinder moet worden getoetst. De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van
het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste
spoorstaaf.
Onderzoek en conclusie
Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies direct bestemd. Akoestisch
onderzoek naar spoorweglawaai kan hierdoor achterwege blijven.
5.7.3
Industrielawaai
Toetsingskader
Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of
kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken (zoals bedoeld in
artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht), gezoneerd te zijn. Rondom deze industrieterreinen
dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone
mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen.
Onderzoek en conclusie
Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van verschillende industrieterreinen, namelijk het
industrieterrein “Hogewaard”, het industrieterrein “Barre Polder” en het industrieterrein Honsdijk
(BCK). Op deze terreinen zijn inrichtingen gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen
veroorzaken. De geluidszones van de betreffende terreinen zijn, voor zover deze binnen het plangebied
zijn gelegen, opgenomen op de verbeelding. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige
bestemmingen mogelijk binnen de contouren.
5.7.4
Stiltegebied
Toetsingskader
De provincie Zuid-Holland heeft stiltegebieden aangewezen en stelt in de provinciale milieuverordening
regels aan activiteiten die de natuurlijke rust zouden kunnen verstoren. Voor sommige activiteiten in
een stiltegebied kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen. Het is gewenst via de ruimtelijke
ordening bestemmingen die geluid produceren te weren uit stiltegebieden.
Onderzoek en conclusie
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
57
Delen van het plangebied zijn aangewezen als stiltegebied. Het betreft het meest noordelijke deel van
het plangebied en het zuidwestelijke deel van het plangebied. Figuur 5.5 geeft een overzicht van de
begrenzing van de gebieden.
Figuur 5.5 Begrenzing stiltegebieden
De aard en omvang van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Buitengebied mogelijk maakt zijn
dermate kleinschalig dat deze geen relevante gevolgen hebben voor de geluidbelasting binnen de
stiltegebieden.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Toetsingskader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen
2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide
en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke
ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn
stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel
5.1 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in
de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Tabel 5.1
Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
58
Stof
stikstofdioxide (NO2)
toetsing van
grenswaarde
geldig
jaargemiddelde
60 µg / m³
2010 tot en met 2014
concentratie
jaargemiddelde
40 µg / m³
vanaf 2015
concentratie
1)
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde
40 µg / m³
vanaf 11 juni 2011
concentratie
24-uurgemiddelde
max. 35 keer p.j. meer
concentratie
dan 50 µg / m³
1)
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing
(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen
hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een uitwerkingsplan) uitoefenen indien:
 de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1
onder a);
 de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die
bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
 bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de
uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die
uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
 de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de
buitenlucht (lid 1 onder c);
 het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op
het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).
Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit
niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
 een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
 een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze
categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één
ontsluitingsweg.
5.8.2
Onderzoek en conclusie
De monitoringstool die onderdeel is van het NSL geeft inzicht in de concentraties luchtverontreinigende
stoffen (stikstofdioxide en fijn stof) langs de belangrijkste wegen in de gemeente. Figuur 5.6 geeft een
overzicht van de concentraties stikstofdioxide (in 2015) en figuur 5.7 van fijn stof (in 2011) langs het
hoofdwegennet in en rond het buitengebied. Uit de onderstaande figuren blijkt dat de concentraties
stikstofdioxide en fijn stof ter hoogte van het plangebied in alle gevallen onder de 35 µg/m³ zijn gelegen.
Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende grenswaarde voor stikstof en fijn stof.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
59
Figuur 5.6
Concentraties stikstofdioxide (2015), monitoringstool NSL
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
60
Figuur 5.7
Concentraties fijn stof (2015), monitoringstool NSL
Uit de onderliggende gegevens bij de monitoringstool blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende
stoffen binnen de planperiode verder zullen dalen. In 2020 liggen de concentraties stikstofdioxide circa 4
µg/m³ lager dan in 2015 en de concentraties fijn stof circa 2 µg/m³ lager dan in 2015.
Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die relevante gevolgen kunnen hebben voor
de luchtkwaliteit (zie ook de nadere analyse in het planMER) . De Wlk staat de uitvoering van het
bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
61
5.9
Bodemkwaliteit
5.9.1
Toetsingskader
Wet ruimtelijke ordening
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen
regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater)
dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn.
Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel
aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het
bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan
vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig
verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:
 er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
 het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan;
 er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.
Wet bodembescherming (Wbb)
Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet
Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en
een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of
risicolocaties”).
Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit
binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte
voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit
van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met
betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
Lokaal bodembeleid
De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. In de gemeente is voor locaties
binnen het plangebied het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan
twee eisen moet voldoen:
 toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem - (op niveau van
bodemkwaliteitsklasse)
 toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als geldt voor de op betreffende plek
geldende bodemfunctieklasse.
De voormalige gemeente Rijnwoude beschikt over een bodemfunctieklassenkaart (in 2011 door het
college van B&W vastgesteld). Eventueel aanvullende regels worden opgenomen in de regionale
bodembeheernota.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
62
5.9.2
Onderzoek
Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk een conserverend plan waarin geen ontwikkelingen zijn
meegenomen. Wanneer er binnen een gebied geen ontwikkelingen zijn gepland hoeft de bodem alleen
gesaneerd te worden indien sprake is van een risicovolle bodemverontreiniging; een zogenaamde
“spoedlocatie”. De Omgevingsdienst West-Holland is in samenwerking met Provincie Zuid-Holland is al
enkele jaren bezig om deze locaties in kaart te brengen. Locaties waar sprake is van humane risico's
dienen voor 2011 beheerst te zijn. Een lijst met locaties waar sprake is van verspreidingsrisico's en/of
risico's voor het ecosysteem dient uiterlijk in 2015 gereed te zijn.
Op locaties waar wel ontwikkelingen plaatsvinden dient de bodem gesaneerd te worden als sprake is
van een ernstige bodemverontreiniging. In dat geval dient voorafgaand aan ontwikkelingen een
saneringsplan opgesteld te worden dat goedgekeurd moet worden door de Omgevingsdienst zijnde het
bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb).
Door de Omgevingsdienst is een inventarisatie gemaakt van de meest relevante bodemgegevens uit het
plangebied. Het gaat hierbij om informatie uit tank-, bodemonderzoek- en verontreinigingsbronnen. De
informatie is afkomstig uit de volgende archieven:
 het bodeminformatiesysteem (BIS/GIS)
 het tankinformatiesysteem
 het historische bedrijvenbestand (HBB)
Bodeminformatiesysteem
Gebleken is dat van een groot deel van het plangebied de bodemkwaliteit niet bekend is. In het
plangebied zijn een aantal locaties aanwezig waar sterke verontreinigingen met zware metalen (vnl
koper, lood en zink) zijn aangetroffen, waarschijnlijk als gevolg van langdurig gebruik en ophooglagen. Er
bevinden zich in het gebied geen zogenaamde spoed locaties of locaties waar binnen een bepaalde
termijn saneringen moeten worden uitgevoerd.
Verder is in het BIS gekeken naar locaties die in het verleden zijn aangepakt in het kader van de Wbb en
waarvoor de provincie beschikkingen heeft afgegeven. Ter plaatse van oude bebouwingslinten, met
name langs de noordzijde van de Oude Rijn, zijn dergelijke locaties bekend. Verontreinigingsbronnen zijn
doorgaans oude ophooglagen en bedrijfsactiviteiten. Ontwikkeling of bouw kan leiden tot een
saneringsplicht.
Historisch bedrijvenbestand
In het plangebied zijn bedrijven aanwezig geweest die potentieel verdacht zijn op het veroorzaken van
bodemverontreiniging. Historisch onderzoek en/ of oriënterend onderzoek moet hier nog worden
uitgevoerd. Andere locaties zijn bij bouwwerkzaamheden al wel onderzocht. De Omgevingsdienst
verwacht echter geen belemmeringen voor het bestemmingsplan
Tankinformatiesysteem
Verspreid over het plangebied is een aantal tanks aanwezig. Een groot aantal is conform
KIWA-richtlijnen/ BOOT gesaneerd. Van andere tanks is geen informatie bekend. De Omgevingsdienst
verwacht geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
5.9.3
Conclusie
Het bestemmingsplan is conserverend van aard. Voor de vaststelling van het plan worden vanuit het
vakgebied bodem geen belemmeringen verwacht.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
63
In het algemeen geldt dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming, de
aanvraag van een omgevingsvergunning of graafwerkzaamheden. Indien sprake is van ernstige
bodemverontreiniging, zal op basis van de Wbb en de Wabo (art 6.2c) pas gebouwd/ontwikkeld mogen
worden wanneer bij de omgevingsaanvraag een door het bevoegd gezag (Omgevingsdienst
West-Holland) goedgekeurd saneringsplan is gevoegd. Indien er grond wordt afgevoerd of toegepast op
een locatie, dient dit plaats te vinden conform de van overheidswege gestelde regels. In het bijzonder
wordt gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.
5.10
Externe veiligheid
5.10.1 Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden
gekeken, namelijk:
 bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
 vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het
plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk
wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag
gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt
weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans
per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval
waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd
gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe
veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een
risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt
-6
kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet
aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een
verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het
externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze
verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor
het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire
is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare
-5
-6
objecten 10 per jaar en de streefwaarde 10 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het
-6
PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe
-6
situaties geldt een richtwaarde van 10 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding
van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze
verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op
een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het
ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.
De cRVGS zal worden vervangen door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev), waarin de
normen zijn vastgelegd die het bevoegd gezag in de ruimtelijke ordening moet hanteren vanwege het
Basisnet. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
64
waarover dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd wordt binnen bepaalde grenzen.
Het Btev treedt naar verwachting in de loop van 2014 in werking. Vooruitlopend op de vaststelling van
het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de cRVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze
wijziging zijn de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Wegen en
Basisnet Water opgenomen in de circulaire.
Risicorelevante leidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Met de
AMvB is aangesloten bij de risiconormering uit het Bevi. Daarbij worden de toetsings- en
bebouwingsafstand uit de oude Circulaire vervangen door een afstand voor het PR en een afstand voor
het invloedsgebied van het GR. Het Bevb heeft vooralsnog betrekking op aardgasleidingen (drooggas,
natgas en zuurgas) en K1,K2, en K3 leidingen (brandbare vloeistoffen). In de toekomst zal het Bevb ook
gaan gelden voor leidingen met andere gevaarlijke stoffen, zoals etheenoxide, chloor, ammoniak,
waterstof, CO.
Binnen de belemmeringenstrook langs leidingen zijn in beginsel geen bebouwing en andere
grondroerende activiteiten toegestaan. De belemmeringenstrook vormt het uitgangspunt voor de
bestemmingslegging. De belemmeringenstrook geldt aan weerszijden van de leiding vanaf de hartlijn
van de leiding.
Nota externe veiligheid Rijnwoude 2011
De gemeenteraad heeft in haar vergadering van 10 november 2011 de Nota externe veiligheid
Rijnwoude 2011 vastgesteld. In deze nota heeft de gemeente vastgelegd wat haar beleid is ten aanzien
van risicovolle activiteiten in de gemeente en de relatie van deze risicovolle activiteiten met kwetsbare
en beperkt kwetsbare bestemmingen zoals woningen, winkels, recreatie-inrichtingen etc. In de nota is
in bijlage 7 een afwegingskader voor het groepsrisico opgenomen op basis van zonering van het
groepsrisicodiagram (het fN-diagram). Het model gaat uit van de oriëntatiewaarde voor het
groepsrisico. Aan de zones in het diagram zijn verschillende handelswijzen gekoppeld. Als de
groepsrisicocurve voor een bepaalde activiteit of ruimtelijke ontwikkeling in een bepaalde zone uitkomt,
volgt uit het beslismodel onder welke voorwaarden de activiteit of ruimtelijke ontwikkeling is
toegestaan.
5.10.2 Onderzoek en conclusie
Bij de beschrijving van de risicosituatie is uitgegaan van de gegevens die beschikbaar zijn via de
provinciale risicokaart.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
65
Figuur 5.8
Risicobronnen in en rond het plangebied (uitsnede provinciale risicokaart)
Inrichtingen
Binnen het plangebied
In het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig. Wel zijn er meerdere risicovolle inrichtingen
aanwezig. Het gaat hierbij ni vrijwel alle gevallen om propaantanks van beperkte omvang met een kleine
-6
PR 10 risicocontour. Het bestemmingsplan maakt geen kwetsbare objecten mogelijk binnen deze PR
-6
10 risicocontouren.
Buiten het plangebied
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
66
Buiten het plangebied zijn wel Bevi-inrichtingen aanwezig. Ten oosten van het plangebied is de
Bevi-inrichting Helm Chemicals gelegen. Het invloedsgebied van deze inrichting is 2.225 m. Het
plangebied ligt op circa 1.700 m van de inrichting en daarmee gedeeltelijk binnen het invloedsgebied.
Uit onderstaande figuur blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie ruim onder de oriënterende
waarde is gelegen. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een
relevante toename van de personendichtheden binnen het invloedsgebied. Het bestemmingsplan heeft
dan ook geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico.
Figuur 5.9
Groepsrisico Helm Chemicals
Ten oosten van het plangebied is tevens de Bevi-inrichting Avery Dennison Materials Nederland B.V.
gelegen. Het invloedsgebied van deze inrichting is 1.700 m. De grens van plangebied ligt op circa 1.650
m van de inrichting. Een klein deel van het plangebied is dan ook binnen het invloedsgebied gelegen.
Volgens de Provinciale Risicokaart vindt er geen overschrijding van het groepsrisico plaats. Het
bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een relevante toename
van de personendichtheden binnen het invloedsgebied. Het bestemmingsplan heeft dan ook geen
gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. Van de overige Bevi-inrichtingen die ten oosten van het
plangebied zijn gelegen reikt het invloedsgebied niet tot het plangebied. De aanwezigheid van deze
inrichtingen vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan.
-6
Ook is ten oosten van het plangebied de Bevi-inrichting Hoogvliet B.V. gelegen. De PR 10 risicocontour
van deze inrichting is 30 m. Het invloedsgebied van het groepsrisico is 1670 m. Het plangebied ligt op
circa 900 m van de inrichting. Een deel van het gebied is dan ook binnen het invloedsgebied gelegen.
Volgens de Provinciale Risicokaart vindt er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het
groepsrisico plaats.
Van de overige Bevi-inrichtingen die ten oosten van het plangebied zijn gelegen reikt het invloedsgebied
niet tot het plangebied. De aanwezigheid van deze inrichtingen vormt dan ook geen belemmering voor
het bestemmingsplan. Het invloedsgebied van l'Oreal (Boerhaaveweg 10-16 in Alphen aan den Rijn,
geen Bevi-inrichting) reikt wel tot over het plangebied. In dat deel van het plangebied is nauwelijks
bebouwing gesitueerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
67
Ten zuiden van het plangebied is het tankstation De Weegbrug gelegen. Hier vindt verkoop van LPG
plaats (vergunde jaardoorzet 999 m3). Het invloedsgebied van deze Bevi-inrichting is 150 m en ligt
gedeeltelijk over. het plangebied. Gezien de personendichtheid rondom de inrichting vindt in de huidige
situatie geen overschrijding van 0,1 maal de oriënterende waarde plaats. Het bestemmingsplan maakt
geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden
binnen het invloedsgebied.
Ten westen van het plangebied is de inrichting van Heineken Nederland gelegen. De PR 10
risicocontour en het invloedsgebied voor het groepsrisico reiken niet tot over het plangebied.
-6
Transport van gevaarlijke stoffen
Transport over de weg
Binnen het plangebied vindt ververoer van gevaarlijke stoffen plaatse over de N209 en de N455. Volgens
-6
de risicokaart is de PR 10 risicocontour voor de N209 niet buiten de weg gelegen. Het groepsrisico van
de weg is in de huidige situatie kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Ook over de N455 vindt
vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit tellingen blijkt dat over de weg 213 GF3 transporten per jaar
-6
plaatsvinden. Pas bij 500 transporten of meer is sprake van een PR 10 risicocontour. Hiervan is bij deze
weg dus geen sprake. De hoeveelheid transporten van GF3 is daarnaast dusdanig laag vergeleken met
de drempelwaarden uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Ministerie van infrastructuur en milieu,
d.d. 1 november 2011) dat er ook geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het
groepsrisico. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een
relevante toename van de personendichtheden binnen het invloedsgebied.
Buiten het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N11. Uit de risicokaart blijkt
-6
dat de PR 10 risicocontour niet buiten de weg is gelegen. Uit het bijlagenrapport van het Basisnet Weg
blijkt daarnaast dat er geen sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Uit het Basisnet Weg blijkt dat
het groepsrisico kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde is. Het bestemmingsplan maakt geen
ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden
binnen het invloedsgebied.
Transport over het spoor
Over de Hogesnelheidslijn vindt uitsluitend personenvervoer plaats. Deze spoorlijn levert dan ook geen
externe veiligheidsrisico's op voor de omgeving. Ook over de spoorlijn Leiden – Woerden vindt geen
vervoer van gevaarlijke stoffen over plaats.
Transport door buisleidingen
In en in de omgeving van het plangebied vindt tevens vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door
meerdere leidingen, hoofdtransport aardgasleidingen, olieleidingen en een CO2-leiding. Figuur 5.9 geeft
een overzicht van de ligging van de leidingen. De belangrijkste gegevens van deze leidingen zijn in
-6
onderstaande tabel weergegeven. Plaatselijk ligt de PR 10 risicocontour buiten de leidingen (zie figuur
5.8, zwarte stippellijn). Binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten gelegen. Ook maakt het
-6
bestemmingsplan geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk binnen de PR 10 risicocontouren. Gezien
de personendichtheden in de zones langs de leidingen ligt het groepsrisico naar verwachting in alle
gevallen ruimschoots onder de oriënterende waarde. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen
mogelijk die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden binnen de
invloedsgebieden langs de leidingen. De risicorelevante leidingen zijn met een bijbehorende
belemmeringenstrook opgenomen op de verbeelding en in de regels.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
68
Tabel 5.2 Transport door buisleidingen
Buisleiding
PR 10-6 contour (max)
Binnen het plangebied
W-517
50 m
A-518
130 m
A-533
0m
A-553
130 m
A-803
Binnen belemmeringenstrook
DPO leiding P31B
0m
NPM-leiding 31385
4m
NPM-leiding 31384
4m
CO2-leiding
4m
Buiten het plangebied
A-515
250 m
Effectafstand
140 m
410 m
430 m
430 m
580 m
30 m
23 m
23 m
onbekend
600 m
In de structuurvisie buisleidingen wordt in het plangebied een strook gereserveerd voor toekomstige
leidingen. De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor de komende 20
tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen.
Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en
chemicaliën, die provinciegrens- en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt
een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook
in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te
maken. De Structuurvisie Buisleidingen is het vervolg op het Structuurschema Buisleidingen uit 1985. De
breedte van de leidingstrook die wordt gereserveerd is in het plangebied over het algemeen 70 m. Deze
breedte maakt het mogelijk om overal zes tot acht nieuwe leidingen aan te leggen op een onderlinge
afstand van 5 tot 7 m.
Figuur 5.10
Gereserveerde leidingstrook (Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035)
Verantwoording groepsisico
Het voorontwerpbestemmingsplan wordt voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Op basis van
het advies zal in het ontwerpbestemmingsplan een verantwoording van het groepsrisico worden
opgenomen. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt aangesloten bij de Nota externe
veiligheid Rijnwoude 2011.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
69
5.11
Milieuhinder agrarische bedrijven
5.11.1 Toetsingskader
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat een beoordelingskader voor geurhinder van
veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
(Wabo). Het beoordelingskader luidt als volgt (zie ook tabel 5.3):
 voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en
veehouderij (Rgv)) geldt een waarde (maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
 voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van
geurgevoelige objecten;
 daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en
niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde
kom.
Tabel 5.3
Geldende waarden/afstanden veehouderijen
concentratiegebied niet
afstand buitenzijde
concentratiegebied dierenverblijf tot
buitenzijde
geurgevoelig object
binnen bebouwde diercategorieën Rgv max. 3 ouE/m³
max. 2 ouE/m³
min. 50 m
kom
andere
min. 100 m t.o.v.
min. 100 m t.o.v.
diercategorieën
geurgevoelig object geurgevoelig object
buiten bebouwde diercategorieën Rgv max. 14 ouE/m³
max. 8 ouE/m³
min. 25 m
kom
Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit
gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven
en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de
Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt
(diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in
andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is
vastgesteld, waaronder melkrundvee).
5.11.2 Onderzoek en conclusie
In het plangebied zijn meerdere agrarische bedrijven van uiteenlopende aard gevestigd. In de afweging
van belangen die noodzakelijk zijn bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, waaronder het
wonen in de nabijheid van deze bedrijven, dient rekening te worden gehouden met de van toepassing
zijnde wet- en regelgeving. Dat geldt evenzeer bij het mogelijk maken van uitbreiding van bestaande
agrarische bedrijven. In het planMER is aandacht besteed aan de afstemming tussen agrarische
activiteiten en gevoelige functies (in het bijzonder als het gaat om het thema geurhinder). Hieruit blijkt
dat er geen onaanvaardbare situaties of knelpunten ontstaan als gevolg van de uitvoering van het
bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
70
5.12
Milieuhinder niet-agrarische bedrijven
5.12.1 Toetsingskader
In het plangebied komt een aantal niet-agrarische bedrijven voor. In het kader van een goede
ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van inrichtingen in de omgeving van
milieugevoelige functies zoals woningen:
1. ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
2. rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen belastende en gevoelige functies met
betrekking tot milieu mee te nemen, wordt in dit bestemmingsplan gebruikgemaakt van een
milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten
(SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt
naar mate van milieubelasting. De standaard SvB is gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en
milieuzonering (2009). Voor een nadere toelichting op deze Staat wordt verwezen naar Bijlage 1.
5.12.2 Onderzoek en conclusie
Op de bedrijfspercelen binnen het plangebied worden activiteiten uit categorie 1 en 2 van de SvB
algemeen toelaatbaar geacht. Op een aantal percelen worden bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste
categorie 3.1 of ten hoogste categorie 3.2 toelaatbaar geacht, omdat sprake is van voldoende afstand
tot omliggende woningen. De bestemmingslegging is conform het vigerende bestemmingsplan.
Bedrijven die niet binnen de algemene toelaatbaarheid vallen, zijn voorzien van een specifieke
aanduiding. Op basis van de specifieke aanduiding kunnen bedrijven de activiteiten voortzetten die
vallen onder deze aanduiding. Omschakeling van het bedrijf naar een andere activiteit dan in de
bestemming is vermeld, kan alleen plaatsvinden wanneer deze activiteit past binnen de algemeen
toelaatbare categorieën van bedrijfsactiviteiten. Bij bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing kan zich dan
alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, of een bedrijf dat past binnen de algemene
toelaatbaarheid.
In dit bestemmingsplan wordt door de gehanteerde milieuzonering, die in de bestemmingsplanregeling
en op de plankaart wordt opgenomen, zorg gedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse
van gevoelige functies en worden bestaande bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.
5.13
Kabels en leidingen
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens
dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke
beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten
worden vervoerd:
 gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
 aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
 defensiebrandstoffen;
 warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met
een diameter groter of gelijk aan 18”.
Onderzoek en conclusie
In de paragraaf externe veiligheid is ingegaan op de risicorelevante leidingen binnen het plangebied. In
het plangebied zijn daarnaast bovengrondse hoogspanningsleidingen gelegen. In de omgeving van
hoogspanningsverbindingen dient rekening te worden gehouden met de 'indicatieve zone' waarbinnen
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
71
sprake kan zijn van verhoogde magneetvelden. Het beleid is erop gericht om geen nieuwe gevoelige
functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en
kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de indicatieve zone. Voor de betreffende verbinding
bedraagt de indicatieve zone 80 m aan weerszijden. Het voorliggende bestemmingsplan is
consoliderend van aard en maakt dus geen ontwikkelingen mogelijk binnen de indicatieve zone. De
hoogspanningsverbinding vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit
bestemmingsplan.
In het plangebied is daarnaast een hoofdwatertransportleiding gelegen (zowel bestaande als
geprojecteerde verbindingen). Alle planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen zijn
met dubbelbestemmingen als zodanig bestemd. Bouwen ten behoeve van samenvallende
bestemmingen is alleen onder voorwaarden toegestaan. Alvorens het bevoegd gezag over een verzoek
om afwijking beslist, wint zij schriftelijk advies in bij de desbetreffende leidingbeheerder. Ter
bescherming van aanwezige leidingen is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen
bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
72
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
73
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben
gelegen en hoe deze is vormgegeven.
6.1
Wettelijk kader
De vorige Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna WRO) en het daarbij behorende Besluit op de
ruimtelijke ordening (Bro 1985) bevatten bijna geen bepalingen over de opbouw en de verbeelding van
het bestemmingsplan. Dit heeft ertoe geleid dat in de praktijk allerlei varianten zijn toegepast. Hierdoor
zijn er zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan.
Bestemmingsplannen met dezelfde beleidsmatige inhoud en met hetzelfde doel zagen er geheel anders
uit en waren moeilijk vergelijkbaar.
Hierdoor ontbrak het aan duidelijkheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan. En dit terwijl
leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid ook juist voor de gebruiker van het bestemmingsplan
van groot gewicht zijn.
Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die betrokken
zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, de monitoring van beleid en de handhaving.
De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) maakt het mogelijk om
bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier
worden verbeeld.
6.2
Bestemmingen
Dit bestemmingsplan is hoofdzakelijk een conserverend bestemmingsplan en op onderdelen
ontwikkelingsgericht. De ontwikkelingsgerichtheid blijkt met name uit de opgenomen
flexibiliteitbepalingen (afwijkingsregels- en wijzigingsbevoegdheden) voor onder andere neven- en
vervolgfuncties en de bouwmogelijkheden op agrarische bedrijven en de vervolgfuncties voor
niet-agrarische bedrijven. Wat de overige functies betreft is het bestemmingplan hoofdzakelijk
conserverend van aard. Er wordt niet voorzien in de mogelijkheid voor nieuwe functies en de
bouwmogelijkheden zijn beperkt. Daarnaast zijn waar mogelijk de provinciale en regionale richtlijnen
gevolgd.
In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties
zijn afzonderlijke bestemmingsregelingen opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de
voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord.
In dit bestemmingsplan wordt van de standaarden Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen
(SVBP2012), de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP2012) en de Standaard Toegankelijkheid
Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012), voor zover van toepassing, gebruikgemaakt. Hiermee wordt de
rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen
gediend.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
74
6.3
Opbouw planregels
De planregels zijn als volgt opgebouwd.
 In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen en de Wijze van
meten.
 In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, zijn de regels, behorende bij de verschillende bestemmingen,
opgenomen. Per hoofdfunctie (agrarisch, wonen, bedrijf en dergelijke) is een bestemmingsregeling
opgenomen, bestaande uit:
1. bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt;
2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken;
en indien van toepassing:
3. nadere eisen: de nadere eisen die aan het bouwen gesteld worden;
4. afwijken van de bouwregels: bevoegdheid van burgemeester en wethouders;
5. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden;
6. afwijken van de gebruiksregels: bevoegdheid van burgemeester en wethouders;
7. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden;
8. wijzigingsbevoegdheden: mogelijkheden om het bestemmingsplan te wijzigen.
 Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn op
elke bestemming uit hoofdstuk 2.
 Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4.
6.4
Artikelsgewijze toelichting op de planregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze
begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de
toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende
begrippen toegekende betekenis.
Artikel 2 Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te
worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch
Gronden bestemd voor de bestemming 'Agrarisch' mogen rechtstreeks gebruikt worden ten behoeve
van de grondgebonden veehouderij. Gebruik ten behoeve van andere productietakken, zoals
akkerbouw, vollegrondstuinbouw, sierteelt en intensieve veehouderij, is alleen toegestaan indien de
gronden zijn voorzien van een bijbehorende functieaanduiding. De productietakken glastuinbouw,
fruitteelt, bollenteelt en bosbouw komen in het plangebied niet voor en zijn ook niet toegestaan.
Elk agrarisch bedrijf is voorzien van een bouwvlak, waarbinnen alle gebouwen en bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, geplaatst dienen te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het
bouwvlak toegestaan. Voor de grondgebonden bedrijven (veeteelt, akkerbouw en vollegrondstuinbouw)
is een bouwvlak met een oppervlak van 1 ha opgenomen, conform het vigerende bestemmingsplan.
Voor de overige productietakken is tevens het bouwvlak uit het vigerende bestemmingsplan
overgenomen. Uitbreiding van het bouwvlak is rechtstreeks niet mogelijk, aangezien de ruimtelijke
impact van uitbreiding op de omgeving eerst beoordeeld dient te worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
75
Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Indien ter plaatse meerdere of geen bedrijfswoningen
zijn toegestaan, is dit met een maatvoeringaanduiding op de verbeelding aangeduid. In de bouwregels
van de bestemming Agrarisch zijn tevens regels opgenomen omtrent inhouds- en oppervlaktematen,
goot- en bouwhoogten en onderlinge afstanden.
Beperking uitbreiding agrarische bedrijven
Belangrijkste aandachtspunt dat volgt uit de effectbeschrijvingen in het planMER zijn de gevolgen van de
mogelijke toename van stikstofdepositie. Uit de passende beoordeling blijkt dat met de
vigerende bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan Buitengebied significante negatieve effecten
als gevolg van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten niet
zijn uit te sluiten. Om die reden is een uitbreiding of wijziging van de bestaande veestapel, waarbij een
toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf niet toegestaan.
Hiervan kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken indien de toename van
ammoniakemissie wordt gemitigeerd door middel van maatregelen. Onder een mitigerende maatregel
als hiervoor wordt mede begrepen:
 mitigatie door middel van een minimaal gelijkwaardige afname van de bestaande depositie op
hetzelfde kwetsbare gebied, afkomstig van één of meer andere agrarische bedrijven;
 mitigatie door middel van het toepassen van emissiearme staltechnieken of andere
emissiebeperkende voorzieningen zoals luchtwassers.
Flexibiliteitsbepalingen
Binnen de bestemming Agrarisch zijn verder de volgende flexibiliteitsbepalingen opgenomen:
 afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van de overschrijden van het bouwvlak;
 afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van een extra woonruimte ten behoeve van de huisvesting van
een tweede arbeidskracht;
 afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van de realisaties van watersilo's buiten het bouwvlak;
 afwijkingsbevoegdheid voor de realisatie van oeverbeschoeiingen;
 afwijkingsbevoegdheid voor het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning;
 wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van een bouwvlak tot maximaal 2 ha;
 wijzigingsbevoegdheid voor de toepassing van de provinciale Ruimte voor ruimteregeling;
 wijzigingsbevoegdheid om de bestemming te wijzigen naar Natuur ten behoeve van grootschalige
natuurontwikkeling.
Artikel 4 Bedrijf
Niet-agrarische bedrijven hebben de bestemming Bedrijf toegekend gekregen. Deze bedrijven kunnen
op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ingedeeld worden in categorieën gebaseerd op de invloed
die bedrijven hebben op hun omgeving gelet op geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijven die vallen onder
categorie 1 en 2 hebben een beperkte invloed op hun omgeving en mogen daarom op korte afstand van
woningen en andere gevoelige functies gerealiseerd worden. Deze bedrijven zijn daarom algemeen
toelaatbaar binnen de bestemming Bedrijf. Dit betekent dat op een locatie met de bestemming Bedrijf
zonder planologische procedure een ander niet-agrarisch bedrijf in categorie 1 of 2 zich mag vestigen.
Bedrijven in een hogere categorie (3 of hoger) hebben een grotere invloed op hun omgeving en mogen
zich daarom niet overal vestigen. Bestaande, legale bedrijven worden positief bestemd door middel van
een functieaanduiding. Ter plaatse van deze functieaanduiding is het bestaande bedrijf toegestaan, een
bedrijf met dezelfde aard en invloed op de omgeving of een bedrijf in categorie 1 of 2.
Bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. De bestaande bedrijfsgebouwen
mogen eenmalig met 10% van de inhoudsmaat worden vergroot. Conform de Provinciale Verordening
mogen agrarische loonbedrijven eenmalig met 30% van de inhoudsmaat worden vergroot, mits
aangetoond kan worden dat verplaatsing naar een bedrijventerrein niet mogelijk is.
Indien bij algehele beëindiging van het niet-agrarische bedrijf geen nieuw bedrijf op de locatie gevestigd
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
76
wordt, kan een planologische procedure aangevraagd worden voor de wijziging naar de bestemming
Wonen. Hiervoor is een wijzigingsbevoegdheid in de planregels opgenomen.
Artikel 5 Bedrijf - Opstijgpunt
Conform het Inpassingsplan Randstad 380 kV-verbinding Beverwijk-Zoetermeer is de bestemming
'Bedrijf - Opstijgpunt' opgenomen. Deze bestemming is gelegd op de gronden die de overgang markeren
van de bovengrondse leidingen naar de ondergrondse. Van belang is dat indien nodig de opstijgpunten
landschappelijk worden ingepast. Bijvoorbeeld door beplanting kunnen de opstijgpunten enigszins aan
het zicht worden onttrokken. Daarom zijn ook groenvoorzieningen binnen deze bestemming mogelijk
gemaakt.
Artikel 6 Groen
Kenmerkende groenstroken binnen het plangebied zijn bestemd met de bestemming 'Groen'. Binnen
deze bestemming zijn beplanting, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen
toegestaan.
Artikel 7 Kantoor
Voor het kantoor gelegen aan de Hondsdijk 3 is de bestemming Kantoor opgenomen. In de bouwregels
zijn maatvoeringen voor goot- en bouwhoogten opgenomen. Er is geen bedrijfswoning toegestaan.
Artikel 8 Molen
Omdat niet alle molens worden bewoond of een specifieke functie hebben, is ervoor gekozen om voor
de molens de bestemming conform de hoofdgroep 'Overig'. De naamgeving van deze 'overige'
bestemming wordt 'Molen'. Deze bestemming garandeert in ieder geval de instandhouding van de
molen en maakt bestaande bewoning van een molen mogelijk. Nieuwe woningen zijn niet toegestaan.
2
De inhoud van de woning mag ten hoogste 350 m³ bedragen. Daarnaast mag 25 m aan vrijstaande
bijgebouwen aanwezig zijn.
Artikel 9 Natuur
De bestaande natuur is, conform het vigerende bestemmingsplan, als zodanig bestemd. Het betreft het
Natura 2000-gebied De Wilck. Tevens zijn de overige als EHS aangewezen gronden bestemd als Natuur.
EHS gebieden zoals aan Ter plaatse mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken,
geen gebouwen zijnde, tot 2 m hoogte. Ter bescherming van de natuurwaarden zijn bepaalde werken
en werkzaamheden niet toegestaan en is voor enkele werken en werkzaamheden een
omgevingsvergunning vereist.
Artikel 10 Recreatie
Binnen het plangebied zijn enkele recreatieve functies gelegen, namelijk een ijsbaan, een
recreatiewoning en een volkstuinencomplex. Deze functies zijn niet onderling uitwisselbaar. In de
bouwregels zijn per functie bijbehorende maatvoeringen voor oppervlaktes en hoogtes opgenomen.
Artikel 11 Verkeer
Wegen met een stroomfunctie (over het algemeen 50 km/h-wegen) inclusief bijbehorende voet- en
fietspaden zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'.
Artikel 12 Verkeer - Railverkeer
Daar waar de HSL bovengronds gelegen is, is deze bestemd voor Verkeer - Railverkeer.
Artikel 13 Water
Alleen hoofdwatergangen zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Overige watergangen zijn
toegestaan binnen de opgenomen enkelbestemming. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en
voorzieningen die ten dienste staan van de bestemming, zoals kademuren en duikers zijn toegestaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
77
Voor een steiger is naast de omgevingsvergunning van de gemeente ook toestemming van het
waterschap nodig vanwege het waterhuishoudkundig belang. De regels voor steigers van het
waterschap zijn te vinden op www.rijnland.net/regels. In 2015 zal het waterschap nieuwe regels
vaststellen, die voor steigers naar verwachting een versoepeling betekenen.
Artikel 14 Wonen
Burgerwoningen in het plangebied hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Binnen deze bestemming
staat het wonen centraal. Naast wonen mag onder voorwaarden ook in de woning worden gewerkt in
de vorm van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis.
Binnen de bestemming Wonen gekozen voor ruime bouwvlakken. Binnen deze bouwvlakken zijn zowel
de hoofdgebouwen als de erfbebouwing (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen)
toegestaan. Voor de inhoud en de hoogte van de woningen is een generieke regeling opgenomen. De
inhoud van de woning, inclusief aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen,
2
bedraagt ten hoogste 750 m³. Tevens mag 50 m aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden
gebouwd.
Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om een groter oppervlak aan bijgebouwen toe te staan, ten
behoeve van hobbymatige agrarische activiteiten. Hiervoor mag het oppervlak aan bijgebouwen
2
verruimd worden tot 150 m . Voorwaarde is dat bij het betreffende perceel 1 ha grond aanwezig is dat
gebruikt wordt voor de uitoefening van deze hobbymatige agrarische activiteiten.
Ter ondersteuning van het behoud van monumenten en MIP-panden staat het bestemmingsplan
splitsing van deze panden in twee wooneenheden toe. De achterliggende gedachte hierachter is dat de
kosten voor het behoud van het pand gezamenlijk gedragen worden.
Artikel 15 Leiding - Brandstof
Artikel 16 Leiding - Gas
Artikel 17 Leiding - Hoogspanning
Artikel 21 Leiding - CO2
Artikel 22 Leiding - Water
De planologisch relevante leidingen zijn in deze dubbelbestemmingen als zodanig bestemd. Bouwen ten
behoeve van samenvallende bestemmingen is alleen onder voorwaarden toegestaan. Alvorens het
bevoegd gezag over een verzoek om afwijking beslist, wint zij schriftelijk advies in bij de desbetreffende
leidingbeheerder. Ter bescherming van aanwezige leidingen is een omgevingsvergunning voor het
uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.
Artikel 18 Leiding - Hoogspanning 2
Artikel 19 Leiding - Hoogspanningsverbinding 1
Artikel 20 Leiding - Hoogspanningsverbinding 2
Conform het Inpassingsplan Randstad 380 kV-verbinding Beverwijk-Zoetermeer zijn de bestemmingen
Leiding - Hoogspanning 2, Leiding - Hoogspanningsverbinding 1 en Leiding - Hoogspanningsverbinding 2
opgenomen. De dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning 2' geeft een regeling voor de ondergrondse
150 kV hoogspanningsverbinding, de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' voorziet
in een regeling voor de bovengrondse 380 kV hoogspanningsverbinding en de dubbelbestemming
'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2' voorziet in een regeling voor een gecombineerde bovengrondse
380 kV/150 kV hoogspanningsverbinding.
Artikel 23 Waarde - Archeologie 1
Artikel 24 Waarde - Archeologie 2
Artikel 25 Waarde - Archeologie 3
Artikel 26 Waarde - Archeologie 4
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
78
In deze artikelen is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied
geregeld met zogenoemde dubbelbestemmingen. Hierin is nadrukkelijk gesteld dat gebouwen (die op
basis van de bestemmingen mogelijk zijn) op gronden met een archeologische verwachtingswaarde, ter
bescherming van die waarden, moeten worden gebouwd binnen de bebouwingsgrenzen. Voorts is een
groot aantal werken en werkzaamheden opgenomen. Voor het verlenen van een vergunning dient
advies te worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.
De dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie zijn opgesteld op basis van de beleidskaart
archeologie van de voormalige gemeente Rijnwoude. Hierop zijn gebieden met een verschillende
archeologische verwachtingswaarde en het beleid ten aanzien van deze gebieden weergegeven.
Artikel 27 Waterstaat - Waterkering
De regionale waterkeringen zijn voorzien van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Het
bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan
als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie
hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een
zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek
om af te wijken.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 28 Anti-dubbeltelregel
Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt
gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van
eigenaars wisselen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw.
Artikel 29 Algemene bouwregels
In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle enkel- en dubbelbestemmingen gelden.
Het betreft regels voor:
 de overschrijding van bouwgrenzen;
 dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties;
 ondergronds bouwen;
 bouwen voor de rooilijn;
 bouwen in de zijerfscheiding;
 bestaande maten;
 de herbouw van (bedrijfs)woningen.
Artikel 30 Algemene gebruiksregels
In de algemene gebruiksregels zijn regels opgenomen voor het gebruik van gronden en gebouwen die
voor alle bestemmingen in het gehele plangebied gelden. Er is een algemeen verbod opgenomen voor
strijdig gebruik. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in
bijgebouwen is toegestaan als die niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze
specifieke gebruiksregel het gebruik van bijgebouwen, bed & breakfast, kampeerboerderijen en
recreatiewoningen als zelfstandige woonruimte uitgesloten. Verder zijn regels opgenomen over
kleinschalige beroepen en bedrijven aan huis.
Artikel 31 Algemene aanduidingsregels
 geluidszone - industrie
Binnen deze zone is de oprichting van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing niet toegestaan.
 milieuzone - geurzone
Binnen deze zone is de oprichting van nieuwe geurgevoelige objecten niet toegestaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
79
 milieuzone - stiltegebied
Binnen deze zone zijn de neven- en vervolgfuncties paardenstalling/partijactiviteiten
dierenpension/hondenfokkerij niet toegestaan.
en
 veiligheidszone - windturbine
Ter plaatse van de 4 windturbines langs de N11 is deze gebiedsaanduiding opgenomen. Hierin is
geregeld dat ter plaatse de wiekenoverslag van de windturbines is toegestaan. Tevens zijn geen nieuwe
kwetsbare objecten toegestaan onder de wiekenoverslag.
 vrijwaringszone - dijk
Deze aanduiding komt voort uit de regelgeving van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
(Barro). Deze gronden zijn bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de instandhouding van de
primaire waterkering. Op deze gronden mag zonder toestemming van de waterbeheerder niet gebouwd
worden.
 vrijwaringszone - molenbiotoop 1
Deze aanduiding is opgenomen indien zowel de molen als de biotoop in het plangebied gelegen zijn. In
dit artikel zijn beperkende regels voor wat betreft de hoogte van nieuwe bouwwerken en gebouwen
opgenomen vanwege de in het plangebied aanwezige molenbiotoop. Onderstaande figuur geeft de
regeling weer, waarbij de blauwe arcering het gebied van de molenbiotoop en daarmee de toegestane
bouwhoogte aangeeft.
Figuur 6.1 Molenbiotoop indien molen in plangebied
 vrijwaringszone - molenbiotoop 2
Deze aanduiding is opgenomen indien de molen buiten het plangebied gelegen is, maar de biotoop wel
in het plangebied ligt. In dit artikel zijn beperkende regels voor wat betreft de hoogte van nieuwe
bouwwerken en gebouwen opgenomen vanwege de in het plangebied aanwezige molenbiotoop.
Onderstaande figuur geeft de regeling weer, waarbij de blauwe arcering het gebied van de
molenbiotoop en daarmee de toegestane bouwhoogte aangeeft.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
80
Figuur 6.2
Molenbiotoop indien molen buiten plangebied
 vrijwaringszone
De Oude Rijn is in de Provinciale Verordening aangemerkt als provinciale vaarweg CEMT-klasse III.
Conform de Provinciale Verordening is een vrijwaringszone - vaarweg opgenomen voor de gronden
langs de Oude Rijn. Binnen deze zone mag geen verstoring ontstaan voor de zichtlijnen voor de
scheepvaart en de bedienings- en begeleidingsobjecten.
De bijbehorende oeverstrook is conform de Provinciale Verordening bestemd door middel van de
functieaanduiding 'specifieke vorm van water - oeverstrook' binnen de betreffende
enkelbestemmingen.
 vrijwaringszone - windturbine
Op de gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine' is de rotoroverslag van de
windturbines toegestaan. Binnen deze zone is de bouw van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten
uitgesloten. Op de gronden met de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' is de bouw van kwetsbare
objecten uitgesloten. Dat is nodig om aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico voor
kwetsbare objecten te voldoen.
 overige zone - gezoneerd industrieterrein
Voor het industrieterrein langs de Hondsdijk is de aanduiding 'gezoneerd industrieterrein' opgenomen,
om te regelen dat ter plaatse wel geluidshinderlijke inrichtingen zijn toegestaan. Deze zijn namelijk in de
rest van het plangebied uitgesloten.
 overige zone - noordelijk veenweidegebied
 overige zone - zuidelijk veenweidegebied
 overige zone - droogmakerij
De drie zones zijn aangeduid met een gebiedsaanduiding. Voor elke zone is een beschrijving van de
karakteristieke natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden opgenomen. Per zone is aangegeven
welke nevenfuncties bij agrarische bedrijven rechtstreeks of via afwijking zijn toegestaan. Tevens is een
regeling voor vervolgfuncties bij agrarische bedrijven opgenomen. Het type neven- en vervolgfuncties
verschilt per zone, afhankelijk van de invloed van de functie op de omgeving en de aanwezige waarden.
Ter bescherming van de karakteristieke waarden per zone is voor bepaalde werken en werkzaamheden
een omgevingsvergunning vereist. Ten slotte is in de gebiedsaanduidingen opgenomen dat bij het
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
81
verlenen van een afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, welke opgenomen zijn in de
enkelbestemmingen, getoetst dient te worden dat de beoogde ontwikkeling de beschreven waarden
van de zone niet onevenredig aantasten.
 overige zone - ruwvoeder uitgesloten
 overige zone - ruwvoeder 20%
 overige zone - ruwvoeder toegestaan
Agrarische gronden worden vaak gebruikt voor de teelt van ruwvoedergewassen, zijnde gewassen welke
speciaal geteeld worden voor veevoerdoeleinden, niet zijnde weidegras. De teelt van deze gewassen
kan in kwetsbare veenweidegebieden leiden tot extra bodemdaling. Daarom zijn beperkende regels
opgenomen voor de teelt van ruwvoedergewassen, conform de Provinciale Verordening. Met
gebiedsaanduidingen is verschil aangegeven tussen de gebieden waar ruwvoeder is uitgesloten, waar
een beperking geldt van maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak en waar ruwvoeder onbeperkt is
toegestaan.
 overige zone - sierteelt
2
Voor sierteeltbedrijven is in de bouwregels opgenomen dat 300 m aan kassen is toegestaan. In het
vigerende bestemmingsplan waren op themakaart 1 bij de regels gebieden aangewezen waarbinnen
2
3.000 m aan kassen was toegestaan. Deze gebieden zijn in het nieuwe bestemmingsplan aangeduid als
'overige zone - sierteelt'.
 geen gevoelige bestemming
Conform het Inpassingsplan Randstad 380 kV-verbinding Beverwijk-Zoetermeer is de gebiedsaanduiding
'geen gevoelige bestemming' opgenomen. Ter plaatse kan pas tot realisatie van de
hoogspanningsverbinding worden overgegaan indien aan de Minister van Economisch Zaken, Landbouw
en Innovatie na nadere technische uitwerking van de verbinding een rapport is overlegd met de
weergave van de berekende specifieke magneetveldzone.
 magneetveldzone
Conform het Inpassingsplan Randstad 380 kV-verbinding Beverwijk-Zoetermeer is de gebiedsaanduiding
'magneetvelzone' opgenomen. Ter plaatse is de bouw van gebouwen en het gebruik van gronden ten
behoeve van een gevoelige bestemming niet toegestaan. Hiervan kan afgeweken worden indien na
nadere technische uitwerking van de verbinding een rapport is overlegd met de weergave van de
berekende specifieke magneetveldzone.
Artikel 32 Algemene afwijkingsregels
 Algemene afwijking regels ten behoeve van geringe afwijkingen
In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre afgeweken kan worden voor geringe afwijkingen van de
bouwregels (maatvoering), voor zover al niet elders in de planregels in afwijkingen is voorzien.
 Zijerfscheiding
Middels deze afwijkingsbevoegdheid kan afgeweken worden van het bepaalde in de algemene
bouwregels om binnen de zijerfscheiding te kunnen bouwen, mits de bouw- en gebruiksmogelijkheden
van aangrenzende percelen niet onevenredig wordt geschaad.
 Afwijkingsregels voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten
De herbouw van woningen buiten de fundamenten is mogelijk als de herbouw plaatsvindt binnen
hetzelfde bouwvlak, er geen beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden
en de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer de voorkeursgrenswaarde, zoals
vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijdt.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
82
 Splitsing monumenten en MIP-panden
Met deze regeling wordt de splitsing van monumenten en MIP-panden in twee wooneenheden mogelijk
gemaakt, ter ondersteuning aan het behoud van deze panden.
 Nevenfuncties in monumenten en MIP-panden
Met deze regeling worden nevenfuncties mogelijk gemaakt in monumenten en MIP-panden, ter
ondersteuning aan het behoud van deze panden.
Artikel 33 Algemene wijzigingsregels
 Algemene wijzigingsbevoegdheid
Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.
 Herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten
Om te voorkomen dat er in het kader van dit bestemmingsplan milieukundig en geluidsonderzoek moet
worden uitgevoerd, is het verplaatsen van de (bedrijfs)woning binnen het bouwperceel niet rechtstreeks
toegestaan. Voor de verplaatsing van het bouwvlak binnen of buiten het bouwvlak is respectievelijk een
afwijking en een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Bij toepassing van deze bevoegdheden moet
worden aangetoond dat er voor wat betreft de aspecten geluid en milieu geen belemmeringen zijn. Ook
dient ter plaatse sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 Vervolgfuncties in monumenten en MIP-panden
Met deze regeling worden vervolgfuncties mogelijk gemaakt in monumenten en MIP-panden, ter
ondersteuning aan het behoud van deze panden.
Artikel 34 Overige regels

Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening
Deze bepaling geeft invulling aan de afstemmingsbepaling tussen de bouwverordening en het
bestemmingsplan ingevolge artikel 9 van de Woningwet. Artikel 9 van de Woningwet regelt primair dat
de bouwverordening buiten toepassing blijft voor zover deze niet overeenstemt met het desbetreffende
bestemmingsplan. Voor zover het bestemmingsplan geen regels bevat ten aanzien van een onderwerp
dat in de bouwverordening is geregeld, is de bouwverordening wel van toepassing, tenzij het
bestemmingsplan anders bepaalt.
De bepaling dient als uitwerking van de laatste zinsnede en voorkomt dat de bouwverordening
onbedoeld aanvullend werkt bij onderwerpen die in het bestemmingsplan bewust niet zijn geregeld,
bijvoorbeeld omwille van globaliteit. De relevante onderwerpen staan in paragraaf 2.5 van de
bouwverordening.
 Werking wettelijke regelingen
Met dit artikel wordt geregeld dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, de
regelingen betreffen zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
 Relatie
Een aantal bedrijven beschikt over twee, ruimtelijk van elkaar gescheiden bouwvlakken. Deze
bouwvlakken zijn op de plankaart met elkaar verbonden door middel van de figuur 'relatie'. Deze figuur
geeft aan dat het om één bedrijf gaat en niet om twee bedrijven. De ontwikkelingsmogelijkheden op
beide locaties worden dus bepaald door het feit dat het hier om één bedrijf gaat.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 35 Overgangsrecht
 Overgangsrecht bouwwerken
Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk wanneer het
bevoegd gezag afwijkt in het kader van een omgevingsvergunning.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
83
 Overgangsrecht gebruik
De overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover
dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.
Artikel 36 Slotregel
Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Algemeen
In het bestemmingsplan worden verschillende ontwikkelingen mogelijk gemaakt mits het bevoegd gezag
hiervoor vergunning verleend. Van belang is dat het bevoegd gezag de vergunning verleend op basis van
het bestemmingsplan er dus toets aan het ruimtelijk aspect. In voorkomende gevallen kan het zijn dat
naast de vergunning van het bevoegd gezag ook in het kader van een ander spoor dan het ruimtelijke
spoor vergunning nodig is (denk bijvoorbeeld aan een watervergunning van het hoogheemraadschap).
Deze vergunningen staan los van het bestemmingsplan en worden hier derhalve ook niet in benoemd.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
84
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
85
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
In de nieuwe Wro is de mogelijkheid opgenomen om bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een
eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats
door het opstellen van een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vastligt. Een exploitatieplan is
niet noodzakelijk als de overheid en de ontwikkelende partij, de initiatiefnemer, privaatrechtelijk tot
overeenstemming komen.
De Wro stelt eisen aan het exploitatieplan en in het Bro is geregeld voor welke type bouwplannen een
exploitatieplan noodzakelijk is, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om
nieuwbouwplannen (woningen of andere hoofdgebouwen), forse uitbreidingen van bestaande
gebouwen of kassen (met ten minste 1.000 m²) of forse verbouwingen, bijvoorbeeld als bedrijfsruimten
worden omgezet in (ten minste 10) woningen.
In dit bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die nog niet mogelijk waren in
de vigerende bestemmingsplannen of waarvoor geen privaatrechtelijke overeenkomst is opgesteld.
Derhalve hoeft er geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
86
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
87
Hoofdstuk 8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het
voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende personen en/of instanties:
3. Provincie Zuid-Holland;
4. Ministerie van Defensie;
5. Cultureel Erfgoed;
6. Hoogheemraadschap van Rijnland;
7. gemeente Alphen aan den Rijn;
8. gemeente Boskoop;
9. gemeente Kaag en Braassem;
10. gemeente Leiderdorp;
11. gemeente Zoeterwoude;
12. LTO Noord;
13. N.V. Nederlandse Gasunie;
14. Regionale Brandweer Hollands Midden;
15. TenneT;
16. PipeLine Control;
17. Stedin;
18. Oasen;
19. Kamer van Koophandel, Den Haag;
20. Milieufederatie Zuid-Holland.
De instanties 4, 10, 12 en 13 hebben inhoudelijk gereageerd. De instanties onder 7 en 9 hebben
aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. In verband met de fusie
per 1 januari 2014 van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude zijn de reacties onder
5. en 6. niet verder inhoudelijk behandeld, omdat in de nieuwe organisatie hierover afstemmingsoverleg
heeft plaatsgevonden. De overige instanties hebben niet gereageerd. De vooroverlegreacties naar
aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan zijn samengevat en beantwoord in een separate Nota,
de 'Nota van beantwoording vooroverleg'. Deze nota is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting.
Het voorontwerp, en later ook het ontwerp, van het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude wordt
gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om een
schriftelijke en/of mondelinge zienswijze in te dienen.
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
88
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
89
Bijlagen bij toelichting
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
90
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
91
Bijlage 1 Toelichting op de Staat van Bedrijfsactiviteiten
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
Bijlage Toelichting op de aanpak van
milieuzonering met behulp van de
'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'
1
1. Algemeen
Regeling toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten met behulp van milieuzonering
Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende
functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk
voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat
van Bedrijfsactiviteiten.
Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in
een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang:
geluid;
geur;
stof;
gevaar (met name brand- en explosiegevaar).
In specifieke situaties kan daarnaast de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf relevant zijn.
2. Toepassing 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'
Algemeen
De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten' ('standaard SvB') zijn gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
(2009), op de Voorbeeld Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen1). De 'standaard SvB' kan in verschillende situaties gehanteerd worden, bijvoorbeeld:
om de milieuzonering van bedrijfsactiviteiten op een samenhangend bedrijventerrein te
regelen;
in buitengebieden;
op losliggende relatief grootschalige bedrijfspercelen op enige afstand van burgerwoningen;
1) Aangezien de wijze van milieuzonering met richtafstanden reeds vele jaren de standaardmethodiek voor milieuzonering is in Nederland, wordt voor het gebruik van de daarop gebaseerde Staat van Bedrijfsactiviteiten de 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten' genoemd.
2
Bijlage
-
om indien gewenst de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten te regelen in stedelijk
gebied of (delen van) woongebieden met enige vorm van bedrijvigheid.
In dit soort situaties zorgt de milieuzonering ervoor dat hinderlijke bedrijfsactiviteiten op
voldoende afstand van woningen of andere gevoelige functies worden gesitueerd. Dit gebeurt
door het aanhouden van richtafstanden tussen deze milieugevoelige en milieubelastende
activiteiten.
Richtafstanden bepalend voor de categorie-indeling
In de 'standaard SvB' is voor elke bedrijfsactiviteit voor ieder van de ruimtelijke relevante
milieuaspecten (zie hiervoor) een richtafstand ten opzichte van een 'rustige woonwijk' vermeld. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarnaast vermeldt de 'standaard SvB' indicaties voor verkeersaantrekkende werking.
Omgevingstype bepalend voor de daadwerkelijk te hanteren afstanden
De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies
zoals scholen) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. Conform de VNG-publicatie worden daarbij twee omgevingstypen onderscheiden: rustige woonwijk en gemengd gebied. De richtafstanden die zijn vermeld in de 'standaard SvB'
gelden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). Voor
een gemengd gebied (en daarmee te vergelijken gebieden) gelden kleinere afstanden. Daarnaast dient in de milieuzonering rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van
eventuele bedrijfswoningen op een bedrijventerrein.
Omgevingstype rustige woonwijk
In een rustige woonwijk komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en vrijwel geen andere functies zoals kantoren of bedrijven. Langs de randen (in de overgang naar eventuele
bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Als daarmee vergelijkbare omgevingstypen noemt de VNG-publicatie onder meer een rustig buitengebied (eventueel met verblijfsrecreatie) en een stilte- of natuurgebied.
Omgevingstype gemengd gebied
In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals winkels, horeca
en kleine bedrijven. Daarmee vergelijkbare gebieden zijn lintbebouwingen in het buitengebied waarin functiemenging voorkomt en gebieden gelegen direct langs een hoofdinfrastructuur. Kenmerkend voor het omgevingstype gemengd gebied is dat sprake is van een zekere
verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied.
Bedrijfswoningen
Een bedrijfswoning op een bedrijventerrein is een specifiek woningtype waar minder hoge
eisen aan het woon- en leefklimaat kunnen worden gesteld. Bedrijfswoningen zijn in het algemeen minder milieugevoelig dan de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied.
Te hanteren richtafstanden
De 'standaard SvB' onderscheidt een tiental milieucategorieën. De volgende tabel geeft voor
beide omgevingstypen (rustige woonwijk en gemengd gebied) per milieucategorie inzicht in
de gewenste richtafstanden. De richtafstand geldt tussen de grens van de bestemming die
bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan (of via vergunningvrij bouwen) mogelijk is. Daarbij gaat het nadrukkelijk om
een richtafstand. Kleinere afwijkingen ten opzichte van deze afstand zijn mogelijk zonder dat
hierdoor knelpunten behoeven te ontstaan.
Bijlage
milieucategorie
3
richtafstand (in meters)
rustige woonwijk
gemengd gebied
1
101
0
2
30
102
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
6
1.000
1.500
700
1.000
Toelaatbaarheid van bedrijven die onder een specifieke regelgeving vallen
In de 'standaard SvB' zijn ook aanduidingen opgenomen die aangeven dat bepaalde bedrijven onder een specifieke wettelijke regeling kunnen vallen. Het betreft:
bedrijven die 'in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in
de Wet geluidhinder (zogenoemde grote lawaaimakers); deze bedrijven zijn alleen toegestaan op industrieterreinen die in het kader van deze wet gezoneerd zijn;
bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kunnen vallen (nu
of in de toekomst); het betreft risicovolle bedrijven waar gebruik, opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; voor dergelijke bedrijven gelden (wettelijke)
normen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico;
bedrijven die onder het Vuurwerkbesluit vallen; voor dergelijke bedrijven gelden (wettelijke) afstandsnormen.
In de regels van dit bestemmingsplan is aangegeven of en zo ja, onder welke voorwaarden
dergelijke bedrijven in het plangebied zijn toegestaan.
De toegepaste 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'
De in dit bestemmingsplan opgenomen 'standaard SvB' komt in verregaande mate overeen
met de VoorbeeldStaat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen uit de VNG-publicatie.
Conform de aanbevelingen van de publicatie is de Staat aangepast aan de specifieke kenmerken van dit bestemmingsplan.
In de toegepaste 'standaard SvB' zijn alle activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan. Dit
heeft geleid tot een aantal aanpassingen (toevoegingen en weglatingen) ten opzichte van de
activiteiten die in de VoorbeeldStaat zijn opgesomd. Onder de volgende SBI-codes 0112,
014, 05011, 05012, 0502, 2612, 63.1 en 63.21 zijn activiteiten toegevoegd die vallen onder
de definitie 'bedrijf'. In de VNG-publicatie is een aparte lijst van opslagen en installaties opgenomen. Deze lijst is verwerkt in de 'standaard SvB' voor zover sprake is van activiteiten
die vallen onder het begrip 'bedrijf'. Hierdoor hebben toevoegingen plaatsgevonden bij de
SBI-code 51.512. Groothandels voor professioneel vuurwerk en vuurwerkfabrieken zijn vanwege strenge eisen uit het Vuurwerkbesluit nooit toegestaan op een bedrijventerrein en dus
niet in de 'standaard SvB' opgenomen. Dit geldt ook voor bedrijven die kernenergie produceren.
1) Het betreffen bedrijfsactiviteiten die gelet op hun aard en invloed op de omgeving toelaatbaar zijn in woonwijken.
2) Het betreffen bedrijfsactiviteiten die gelet op hun aard en invloed op de omgeving zelfs toelaatbaar zijn tussen of
onmiddellijk naast woonbebouwing in gemengde gebieden.
4
Bijlage
Bij enkele activiteiten heeft een nadere specificatie van de activiteiten plaatsgevonden met
bijbehorende categorie-indeling die is afgestemd op de verwachte milieueffecten1) van deze
activiteiten. Voor de volgende SBI-codes heeft een specificatie van de categorie-indeling
plaatsgevonden naar gelang het oppervlak van het bedrijf: 15.2 en 51.8. Voor de volgende
SBI-codes heeft een specificatie naar categorie-indeling plaatsgevonden naar gelang sprake
is van reparatie of incidenteel bouwen dan wel reguliere productie: 29 en 35.1. Voor aannemers, SBI-code 45, is een nadere indeling van diverse aannemersactiviteiten gemaakt met
bijbehorende categorie-indeling.
3. Flexibiliteit
De 'standaard SvB' blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door
bedrijfsactiviteiten in te schatten. De richtafstanden en inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald
bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de 'standaard SvB' is verondersteld. In de regels is daarom bepaald dat het bevoegd gezag bij een
omgevingsvergunning kan afwijken van de 'standaard SvB' en een dergelijk bedrijf toch kan
toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de 'standaard
SvB' is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal twee categorieën (dus bijvoorbeeld categorie
3.2 in plaats van 2 of categorie 4.2 in plaats van 3.2). Om deze omgevingsvergunning te
kunnen verlenen moet worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met
andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie.
Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in
de 'standaard SvB' niet zijn genoemd, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan. Met het oog hierop is in de regels bepaald dat het bevoegd
gezag vestiging van een dergelijk bedrijf via een omgevingsvergunning kan toestaan. Om
deze omgevingsvergunning te kunnen verlenen, moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar
is met direct toegelaten bedrijven.
In de 'standaard SvB' is bij de indeling van sommige bedrijfsactiviteiten uitgegaan van een
continue bedrijfsvoering, waarbij de hinderlijke activiteiten ook 's nachts plaatsvinden. Dit is
in de 'standaard SvB' aangegeven met een 'C' in de laatste kolom. Het kan echter voorkomen dat een specifiek bedrijf niet continu werkt. Dit gegeven kan eveneens aanleiding zijn
om het bedrijf via de bovengenoemde afwijkingsbevoegdheid een categorie lager in te delen.
Voor de concrete toetsing van een verzoek om afwijking middels een omgevingsvergunning
wordt verwezen naar bijlage 5 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering.
SBI 93/standaard SvB
oktober 2010
1) Inschatting van milieueffecten heeft plaatsgevonden op basis van dezelfde expertise die bij het opstellen van de
nieuwe VNG-uitgave is gebruikt.
92
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
93
Bijlage 2 Notitie reikwijdte en detailniveau
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
RIJNWOUDE
BUITENGEBIED
NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU
Rijnwoude Buitengebied Notitie Reikwijdte en detailniveau identificatie planstatus projectnummer: datum: status: 167200.18076.00 04‐09‐2013 definitief projectleider: drs. M. van der Meulen auteurs: mw. drs. L.M. de Ruijter drs. M. van der Meulen Inhoud 1. Inleiding 1.1. Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 1.2. Waarom een planMER? 1.3. Doel en procedure planMER 1.4. Leeswijzer 3 3 3 4 4 2. Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 2.1. Het plangebied 2.2. Bouwmogelijkheden agrarische bedrijven 2.2.1. Grondgebonden veehouderijen 2.2.2. Intensieve veehouderijen en neventakken 2.2.3. Sierteelt 2.2.4. Nevenfuncties 2.2.5. Paarden 2.2.6. Vrijkomende agrarische bebouwing 2.2.7. Landschap en cultuurhistorie 5 5 8 8 8 8 8 8 9 9 3. Reikwijdte en detailniveau 3.1. Inleiding 3.2. Alternatieven 3.2.1. Referentiesituatie 3.2.2. Plansituatie 3.3. Detailniveau planMER 3.3.1. Natuur 3.3.2. Geurhinder 3.3.3. Luchtkwaliteit 3.3.4. Overige milieuthema’s 3.4. Inhoudelijke afstemming met bestemmingsplan 11 11 11 11 11 13 13 14 15 15 15 4. Slot 17 Bijlagen: 1. 2. 3. Drempels besluit milieueffectrapportage Inhoudsopgave planMER Overzicht beschermde gebieden Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 2 Inhoud 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 3 1. Inleiding 1.1.
Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude De gemeente Rijnwoude stelt een nieuw, actueel bestemmingsplan voor het buitengebied op. De opgave voor het nieuwe bestemmingsplan is tweeledig: ‐ ten eerste dient voldaan te worden aan de verplichting tot actualisering. In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat bestemmingsplannen binnen een periode van 10 jaar, gerekend vanaf het tijdstip van vaststelling, moeten worden geactualiseerd. Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude dient op basis van deze wetgeving voor 29 april 2014 geactualiseerd te zijn. Daarbij dient het bestemmingsplan de bepalingen uit de RO Standaarden 2012 en de Wabo te volgen; ‐ ten tweede moet het nieuwe bestemmingsplan aansluiten bij het gewijzigde overheidsbeleid. Vooral de provinciale Verordening Ruimte is hierbij van belang. Het bestemmingsplan is op hoofdlijnen conserverend van aard, maar biedt wel ontwikkelingsruimte aan agrarische bedrijven. De bouwmogelijkheden voor de veehouderijen leiden tot verplichtingen op grond van het Besluit milieueffectrapportage. 1.2.
Waarom een planMER? In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer‐plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan: - kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer‐(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer‐
(beoordelings)plichtig zijn; -
mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura 2000‐gebieden (het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is noodzakelijk). Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude is hoofdzakelijk conserverend van aard, maar biedt wel ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische bedrijven. Daarbij gaat het onder andere om uitbreidingsmogelijkheden voor grondgebonden veehouderijen. Binnen het plangebied is ook een aantal intensieve veehouderijen als neventak aanwezig. Deze bestaande intensieve veehouderijen (neventak) krijgen beperkte bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak. De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer‐ of mer‐beoordelingsplichtig. Dit betekent dat bij een concreet initiatief in het kader van de vergunningaanvraag een mer‐beoordeling of mer‐
procedure dient te worden doorlopen. Deze mer‐(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. Zowel voor melkrundveehouderijen als voor intensieve veehouderijen zijn drempelwaarden opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Bijlage 1 geeft een overzicht van de drempelwaarden uit de C‐ en D‐lijst. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 4 Inleiding Conform wet‐ en regelgeving en jurisprudentie dient bij de beoordeling of sprake is van een planmer‐
plicht ook rekening te worden gehouden met onbenutte ruimte die wordt overgenomen uit vigerende bestemmingsplannen en eventuele afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden. Door de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude biedt, is het mogelijk dat in bepaalde gevallen bij toekomstige uitbreidingen van veehouderijen drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. zullen worden overschreden. Daarmee vormt het bestemmingsplan het kader voor mogelijke toekomstige besluiten over mer(‐beoordelings)plichtige activiteiten. Om deze reden is voor het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude sprake van een planmer‐plicht. Binnen de gemeente is het Natura 2000‐gebied De Wilck gelegen. In de ruime omgeving van het plangebied zijn ook diverse Natura 2000‐gebieden gelegen (Coepelduynen, Kennemerland‐Zuid, Meijendel & Berkheide, Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck). In de Natuurbeschermingswet 1998 is vastgelegd dat voor plannen die mogelijk leiden tot significante negatieve effecten op Natura 2000 een zogenaamde ‘passende beoordeling’ noodzakelijk is. Voor wat betreft het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het bestemmingsplan significante negatieve effecten op Natura 2000 heeft. Met name als het gaat om het aspect stikstofdepositie kan op vele kilometers afstand sprake zijn van waarneembare effecten als gevolg van de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan. Dit bekent dat een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd. Wanneer voor een plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, leidt dit automatisch tot een planmer‐plicht. In hoofdstuk 3 van deze notitie wordt hier nader op ingegaan. 1.3.
Doel en procedure planMER Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Doel van een planMER is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van in dit geval een bestemmingsplan. De m.e.r.‐procedure is gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenoemde ‘moederprocedure'. De planmer‐procedure bestaat uit de volgende stappen: 1. openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan; 2. raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER; 3. opstellen planMER en ontwerpbestemmingsplan; 4. terinzagelegging planMER met ontwerpbestemmingsplan; 5. toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.; 6. vaststelling bestemmingsplan. Het planMER vormt een bijlage bij het bestemmingsplan. Met de voorliggende Notitie reikwijdte en detailniveau worden overlegpartners en bestuursorganen geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. De Notitie reikwijdte en detailniveau wordt ook ter inzage gelegd. De Commissie voor de m.e.r. wordt in deze voorfase niet betrokken. Advies van de Commissie voor de m.e.r. over de reikwijdte en het detailniveau van het planMER is vrijwillig, het toetsingsadvies is wettelijk verplicht. 1.4.
Leeswijzer In deze Notitie reikwijdte en detailniveau wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de ontwikke‐
lingsmogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude biedt. In hoofdstuk 3 komen de reikwijdte en het detailniveau van het planMER aan de orde, met een overzicht van de te onderzoeken alternatieven, de relevante milieuthema's en de wijze waarop de milieueffecten inzichtelijk worden gemaakt. Hoofdstuk 4 tot slot geeft een overzicht van de vervolgstappen. In de bijlagen is achtergrondinformatie opgenomen. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 5 2. Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 2.1.
Het plangebied Figuur 2.1 geeft een overzicht van de begrenzing van het plangebied. Het bestemmingsplan omvat nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente Rijnwoude. Niet meegenomen worden het sierteeltgebied in het oosten van de gemeente, het PTC‐terrein in het zuidoosten en het Bentwoud in het zuiden. In figuur 2.1 is de begrenzing van het plangebied opgenomen. Figuur 2.1 Begrenzing plangebied Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 6 Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude De visie van de gemeente voor het buitengebied is de afgelopen jaren niet gewijzigd. In 2009 is de sa‐
mengestelde structuurvisie gemeente Rijnwoude vastgesteld. Deze structuurvisie omvat tevens het buitengebied van de gemeente. De structuurvisie bevestigt in grote lijnen de in het bestemmingsplan Buitengebied uitgezette beleidslijnen. Het buitengebied van de gemeente Rijnwoude ligt midden in het Groene Hart en is divers van karakter. Op basis van de verschillende sectorale belangen en prioriteitstelling, de potenties die bodem en water in het plangebied bieden en het grondgebruik, is het plangebied in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied verdeeld in drie zones: het noordelijk veenweidegebied; het zuidelijk veenweidegebied; de droogmakerijen. Figuur 2.2 geeft de zonering weer. Figuur 2.2 Zonering binnen het plangebied Noordelijk veenweidegebied (zone 1) Door het ontbreken van bebouwing vormt het noordelijk veenweidegebied één van de meest weidse open veenweidegebieden van het Groene Hart. De grond is in gebruik bij de melkveehouderij. Land‐
schappelijk is het gebied waardevol vanwege de landschappelijke openheid. Het verkavelingspatroon in samenhang met de kleinschalige lintbebouwing, van waaruit de ontginning van het gebied heeft plaats‐
gevonden, zijn cultuurhistorisch van grote betekenis. Het open veenweidelandschap biedt de voorwaar‐
den voor een goed weidevogelgebied. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 7 Het ontwikkelingsperspectief voor deze zone ligt op het gebied van duurzame grondgebonden veehou‐
derij, verweven met landschaps‐ en natuurwaarden. De a‐biotische omstandigheden en de externe productiefactoren voor de landbouw leiden tot een relatief extensief grondgebruik. Verbetering van de externe productiefactoren zal moeten worden afgewogen tegen de belangen van natuur en landschap. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is gezien de kwetsbaarheid van het gebied niet aan de orde. Met name in deze zone kan verbrede landbouw een rol spelen om het inkomen van de agrariër aan te vullen. Bij bedrijfsbeëindiging zal in deze zone uiterst zorgvuldig met vervolgfuncties moeten worden omgegaan. Met name vervolgfuncties, die veel verkeer aantrekken, zijn, gezien de capaciteit van de wegen, niet gewenst. Gezien het aantrekkelijke landschap en de cultuurhistorische waarden in deze zone is het gebied aantrekkelijk voor recreatie. Gezien de kwetsbaarheid van het gebied is alleen klein‐
schalige recreatie toelaatbaar. Zowel verbrede landbouw en vrijkomende agrarische bedrijven kunnen daarin een rol spelen. Zuidelijk veenweidegebied (zone 2) Ook het zuidelijk veenweidegebied wordt gekenmerkt door openheid en grasland als grondgebruik, zij het dat de weidsheid minder groot is dan in zone 1 doordat hier meer bebouwing, opgaande beplanting en infrastructuur voorkomt. Het gebied is hoofdzakelijk in gebruik bij de grondgebonden veehouderij. Daarnaast komen ook enkele sierteeltbedrijven voor. De landbouw in deze zone is intensiever dan in zone 1. In het gebied is het als Natura 2000 aangewezen natuurgebied De Wilck gelegen. De landschap‐
pelijke openheid in het veenweidegebied staat garant voor het voorkomen van weidevogels. Het ontwikkelingsperspectief voor zone 2 ligt eveneens op het gebied van duurzame grondgebonden veehouderij, verweven met landschaps‐ en natuurwaarden. In het kader van de ruilverkaveling Rijn‐
streek‐Zuid zijn boerderijen verplaatst van het bebouwingslint langs de Oude Rijn naar het zuidelijk veenweidegebied. Ook zijn in dat kader de externe productieomstandigheden verbeterd, zodat met name de ontsluiting en de verkaveling voor de melkveehouderij goed te noemen zijn. De melkveehouderij heeft daarmee een goed ontwikkelingsperspectief. Gezien de druk op de grond‐
markt en de trend van vrijkomende agrarische bedrijven is nieuwvestiging echter niet aan de orde. In zone 2 komt ook een aantal sierteeltbedrijven voor. Uitbreiding van deze bedrijven is om diverse rede‐
nen (milieu, landschap, concentratie) niet aan de orde. Het toekomstperspectief voor de sierteelt in deze zone is daarmee beperkt. Gezien de intensiteit van de agrarische bedrijfsvoering, leent zone 2 zich minder goed voor verbrede landbouw. Nieuwe functies in vrijkomende agrarische bebouwing kennen minder beperkingen dan in zone 1, gezien de dimensionering van de wegen in het gebied. De perspec‐
tieven voor natuur en landschap zijn goed te noemen. De landschappelijke openheid en de grondge‐
bonden melkveehouderij sluiten goed op elkaar aan. Door de ruilverkaveling en aanleg van infrastruc‐
tuur (N11, HSL) is het verkavelingspatroon echter minder gaaf dan in zone 1. De grondgebonden vee‐
houderij is voorwaarde voor weidevogelbeheer. En het vrijwillig agrarisch natuurbeheer maakt behoud en ontwikkeling van de weidevogelstand kansrijk. Potenties voor recreatie liggen in zone 2 vooral op het vlak van (verbetering van) routestructuren en mogelijk kleinschalige vormen van dag‐ en verblijfsrecrea‐
tie die aan deze routestructuren kunnen worden verbonden. Droogmakerij (zone 3) De droogmakerij heeft een geheel ander karakter dan het veenweidegebied. Het gebied kent verschil‐
lende vormen van agrarisch grondgebruik en is grootschalig en rationeel ingericht met grote blokvor‐
mige kavels en rechte wegen. Opvallend is de aanwezigheid van het grote aantal sierteeltbedrijven, naast grondgebonden veehouderijen, akkerbouw‐ en vollegrondstuinbouwbedrijven. Ondanks dat de droogmakerij wordt doorsneden door Hazerswoude‐Dorp en aangrenzende bebouwingslinten, speelt de landschappelijke openheid hier ook een rol. Naast de openheid zijn er nauwelijks natuur‐ en land‐
schapswaarden in deze zone aanwezig. Het ontwikkelingsperspectief voor deze zone ligt op het vlak van de grondgebonden landbouw. De ex‐
terne productiefactoren zijn uitstekend. Er zijn nauwelijks beperkingen voor de grondgebonden land‐
bouw. Voor de sierteelt geldt echter hetzelfde stramien als in zone 2. Gezien de druk op de grondmarkt Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 8 Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude en de trend van vrijkomende agrarische bedrijven is nieuwvestiging echter niet aan de orde. De ken‐
merken van het gebied in ogenschouw genomen, heeft deze zone minder perspectief voor verbrede landbouw en zijn de restricties voor nieuwe functies voor vrijkomende agrarische bebouwing het minst in vergelijking met de beide andere zones. Behalve het streven naar behoud van de landschappelijke openheid, zijn er voor landschap en natuur in zone 2 weinig toekomstperspectieven. Hetzelfde geldt voor recreatie, gezien het feit dat potenties voor recreatie vaak samenhangen met de kwaliteiten van natuur en landschap. 2.2.
Bouwmogelijkheden agrarische bedrijven 2.2.1. Grondgebonden veehouderijen In alle 3 de zones wordt grondgebonden veehouderij toegestaan. Bij recht wordt aan een agrarisch bedrijf een bouwvlak van 1 ha toegekend of groter indien dit in de bestaande situatie het geval is. Tevens wordt een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak naar 1,5 ha opgenomen. Bij uitzondering wordt, indien daar op grond van initiatieven in de afgelopen 10 jaar behoefte aan blijkt te zijn, een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak naar 2 ha opgenomen. De teelt van ruwvoeder is niet toegestaan, met uitzondering van de gebieden die aangeduid zijn. Daarbij worden twee functieaanduidingen opgenomen; voor de gebieden waar maximaal 20% van de bedrijfsoppervlakte gebruikt mag worden en voor de gebieden waar geen beperking geldt. 2.2.2. Intensieve veehouderijen en neventakken In het plangebied komen geen volwaardige intensieve veehouderijen voor. Er zijn wel intensieve neventakken in het plangebied. In navolging van de provinciale Verordening Ruimte wordt eenmalige uitbreiding met ten hoogste 10% van de inhoud, of meer indien dat nodig is om te kunnen voldoen aan wettelijke eisen via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. 2.2.3. Sierteelt In het bestemmingsplan worden alleen de bestaande sierteeltbedrijven toegestaan. Uitbreiding of nieuwvestiging is niet mogelijk. Voor bestaande bedrijven wordt aangesloten bij de provinciale regeling voor teeltondersteunende voorzieningen voor boom‐ en sierteeltbedrijven buiten de boom‐ en sierteeltgebieden, namelijk 300 m² aan ondersteunend glas. 2.2.4. Nevenfuncties De gemeente Rijnwoude speelt in op de verbrede landbouw door nevenactiviteiten mogelijk te maken. Deze nevenactiviteiten worden deels bij recht en deels via afwijking mogelijk gemaakt. Het gaat om kleinschalige activiteiten die onder andere gericht zijn op recreatie. Voor het toestaan van nevenfuncties wordt onderscheid gemaakt per productietak. Tevens is gekeken naar de kenmerken per gebied en de vigerende mogelijkheden. 2.2.5. Paarden In het bestemmingsplan worden de volgende bepalingen opgenomen met betrekking tot paarden: Paardenbakken dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Overschrijding van het bouw‐
vlak ten behoeve van paardenbakken is alleen toegestaan bij de nevenfunctie paardenstalling. Maneges zijn als vervolgfunctie bij agrarische bedrijven alleen in zone 3 (droogmakerij) toege‐
staan. Paardenstalling en paardrijactiviteiten zijn als neven‐ en vervolgfunctie bij agrarische bedrijven in het gehele plangebied toegestaan. Africhtingsbedrijven voor paarden zijn als neven‐ en vervolgfunctie bij agrarische bedrijven alleen toegestaan in zone 2 (zuidelijk veenweidegebied) en zone 3 (droogmakerij). 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 9 2.2.6. Vrijkomende agrarische bebouwing In het bestemmingsplan wordt een regeling opgenomen voor vervolgfuncties ter plaatse van agrarische bouwvlakken. Voorwaarde hierbij is dat de bestaande bebouwing in geen geval mag worden uitgebreid. Nieuwbouw is alleen toegestaan als er ook bebouwing gesaneerd wordt, waarbij geldt dat 50% van de gesloopte bebouwing mag worden teruggebouwd tot een maximum van 150 m². 2.2.7. Landschap en cultuurhistorie Ter bescherming van natuur‐ en landschapswaarden en cultuurhistorische waarden wordt in het nieuwe bestemmingsplan een aanlegvergunningenstelsel (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) opgenomen. Tevens worden regels opgenomen ter bescherming van het veenweideverkavelingspatroon, waaronder een verbod op het dempen van lengtesloten, conform de Verordening Ruimte. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 10 Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 11 3. Reikwijdte en detailniveau 3.1.
Inleiding De reikwijdte en het detailniveau van een planMER is afhankelijk van het abstractieniveau van het plan. In een planMER: wordt voor alle milieuaspecten systematisch ingegaan op de huidige situatie en de eventuele autonome ontwikkelingen (referentiesituatie); wordt nagegaan of en in welke mate de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt effect heeft op de diverse milieuaspecten en welke maatregelen mogelijk zijn om eventuele negatieve effecten te voorkomen. Het planMER moet inzichtelijk maken of de gemaakte planologische keuzes en ontwikkelingsruimte op gebiedsniveau leiden tot belangrijke gevolgen voor het milieu. Daarbij wordt enerzijds gekeken naar de wettelijke normen en grenswaarden die vanuit de verschillende sectorale wet‐ en regelgeving gelden. Anderzijds wordt in de effectbeschrijvingen waar relevant ook een relatie gelegd met de doelstellingen en visie op het buitengebied zoals die in het bestemmingsplan is geformuleerd. Bijlage 2 geeft een overzicht van de indeling van het planMER. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de wijze waarop de onderzoek in het kader van het planMER worden opgezet en uitgevoerd. 3.2.
Alternatieven 3.2.1. Referentiesituatie In het planMER wordt per milieuthema de huidige milieusituatie beschreven en wordt aangegeven wat er in het studiegebied zal gebeuren als de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd: de autonome ontwikkelingen. De vaststaande ontwikkelingen worden in het planMER al onderdeel van de referentiesituatie beschouwd. Het betreft onder andere de realisatie van een nieuwe 380 kV hoogspanningsleiding en de nieuwe gasleiding Beverwijk – Wijngaarden. Voor deze beide initiatieven is reeds een eigen planologische procedure doorlopen. De beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkelingen vormt het referentiekader voor de effectbeschrijving van de plansituatie. Per milieuthema kan de referentiesituatie overigens verschillen. Ten aanzien van het aspect natuur, dient in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 naar de feitelijke situatie gekeken te worden (zonder rekening te houden met eventuele autonome ontwikke‐
lingen en/of onbenutte ruimte in de milieuvergunningen). Voor andere milieuthema's wordt in de beschrijving van de referentiesituatie voor zover relevant wel rekening gehouden met autonome ontwikkelingen. 3.2.2. Plansituatie De ontwikkelingsruimte voor de veehouderijen vormt de directe aanleiding voor het opstellen van het planMER en neemt daarom een belangrijke plaats in de effectbeschrijvingen in. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan, zullen de veehouderijen ook voor een belangrijk deel bepalend zijn voor de milieusituatie binnen het plangebied en de mogelijke effecten Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 12 Reikwijdte en detailniveau op de Natura 2000‐gebieden buiten het plangebied. De overige ontwikkelingen die het bestemmings‐
plan mogelijk maakt zijn dermate kleinschalig (of via afwijking / met een wijzigingsbevoegdheid, onder strikte voorwaarden), dat kan worden volstaan met een effectbeschrijving op hoofdlijnen. Ontwikkelingsruimte veehouderijen Het planMER biedt generieke ontwikkelingsruimte aan de grondgebonden veehouderijen. Het is daarbij onduidelijk waar, op welk moment en in welke omvang gebruik zal worden gemaakt van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude biedt. Uitgangspunt voor de onderzoeksopzet is dat het planMER de bandbreedte aan mogelijk optredende milieueffecten in beeld brengt. Voor de meeste milieuthema’s kan worden volstaan met een beschrijving van de referentiesituatie en de maximale invulling van het bestemmingsplan. Voor het thema stikstofdepositie worden om inzicht te krijgen in de (potentiële) milieugevolgen twee alternatieven doorgerekend. Maximale invulling bouwmogelijkheden veehouderij Gelet op de eisen uit het Besluit mer en jurisprudentie dient het planMER in ieder geval inzicht te geven in de milieugevolgen van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Deze maximale ontwikkelingsruimte omvat niet alleen de mogelijkheden die in het bestemmingsplan bij recht worden geboden, maar ook via afwijking met een omgevingsvergunning of wijzigingsbevoegdheden. Concreet betekent dit dat bestaande grondgebonden veehouderijen uitbreiden totdat het bouwvlak volledig volgebouwd is. Voor het bepalen van de maximale invulling van de bouwvlakken wordt gebruikgemaakt van kentallen van Alterra en LTO. Realistische invulling bouwmogelijkheden veehouderij Gezien trends de agrarische sector en daarmee samenhangende afname van het aantal agrarische bedrijven, is het niet reëel dat alle veehouderijen binnen het plangebied zullen uitbreiden. Naast het maximale ontwikkelingsalternatief is in het onderzoek stikstofdepositie daarom ook een realistische invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt onderzocht. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het CBS (Statline) over de ontwikkeling van het aantal stuks vee binnen de gemeente Rijnwoude. Uit deze gegevens blijkt dat over de afgelopen 10 jaar voor de meeste diercategorieën binnen de gemeente Rijnwoude sprake is geweest van een afname van het aantal bedrijven en ook van het aantal stuks vee. De intensieve neventakken varkenshouderij zijn nagenoeg geheel uit het plangebied verdwenen. Wel is nog sprake van een tweetal intensieve neventakken vleeskuikens. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de betreffende CBS‐gegevens. Tabel 3.1 Aantal dieren gemeente Rijnwoude (CBS) diercategorie Aantal bedrijven Aantal stuks vee 2000 2012 2000 2012 rundvee 77 59 6.161 5.570 schapen 72 54 4.752 3.443 vleeskuikens 1 2 22.000 86.500 varkens 6 1 1.662 80 De verwachting is dat binnen de komende planperiode de omvang van de melkrundveestapel binnen de gemeente Rijnwoude niet relevant zal wijzigen. Enerzijds zal een aantal bedrijven binnen de planperiode bedrijfsactiviteiten beëindigen, anderzijds zal (mede vanwege het wegvallen van de melkquota in 2015) een aantal bedrijven verder doorgroeien. In het planMER wordt zowel voor de grondgebonden veehouderijen als voor de intensieve neventakken op basis van de CBS‐gegevens een realistische invulling uitgewerkt. Uitvoerbaar alternatief Naar verwachting zijn bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, significante negatieve effecten op Natura 2000 niet uit te sluiten. Als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, wordt een aantal maatregelen doorgerekend waarmee significante negatieve 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Reikwijdte en detailniveau 13 effecten kunnen worden voorkomen (of zo veel mogelijk beperkt) om te komen tot een uitvoerbaar alternatief binnen de kaders die de Natuurbeschermingswet stelt. Hierbij kan gedacht worden aan het uitsluiten van omschakeling naar veehouderijen, het schrappen van wijzigingsbevoegdheden, het beperken van de bouwmogelijkheden bij recht, het toepassen van emissiearme stalsystemen. Overige ontwikkelingsmogelijkheden Het planMER gaat niet alleen in op de wijze waarop de effecten van de veehouderijen inzichtelijk worden gemaakt, maar ook op de overige effecten als gevolg van de overige ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Het betreft onder andere neven‐ en vervolgfuncties bij agrarische bedrijven. Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 gaat het om kleinschalige nevenactiviteiten, voorzieningen en vervolgfuncties met een beperkte milieu uitstraling. Gezien de aard en omvang van deze ontwikkelingsruimte kan worden volstaan met een beschrijving op hoofdlijnen van de maximale ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Er is geen aanleiding voor het beschrijven van alternatieven. 3.3.
Detailniveau planMER In het kader van het planMER worden voor alle relevante milieuthema’s sectorale onderzoeken en analyses uitgevoerd. Het studiegebied is het gebied waar milieueffecten, als gevolg van de ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijen, (kunnen) optreden. Het betreft het plangebied en de omgeving ervan. De reikwijdte van milieugevolgen kan aanzienlijk verschillen per milieuaspect. Voor bepaalde milieuaspecten komt het studiegebied vrijwel overeen met het plangebied, voor andere milieuthema's kan het studiegebied zich tot (ver) buiten het plangebied uitstrekken. Een voorbeeld van de laatstgenoemde categorie is het thema stikstofdepositie. 3.3.1. Natuur Natura 2000 Wanneer een plan mogelijk significante effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000‐gebieden heeft, is een passende beoordeling noodzakelijk. Binnen het Buitengebied van de gemeente Rijnwoude ligt het Vogelrichtlijngebied De Wilck. Dit agrarische grasland gebied is niet stikstofgevoelig. Dit gebied is wel gevoelig voor verstoring (geluid, recreatie, areaalverlies foerageergebied) en verandering van waterhuishouding. In het gebied zelf kunnen geen ingrepen plaatsvinden zodat versnippering en areaalverlies niet optreden. Ook buiten het plangebied zal echter naar stikstofdepositie op Natura 2000‐gebieden moeten worden gekeken. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000‐gebieden die voor vermesting/verzuring gevoelig zijn, zal de nadruk in het onderzoek liggen op de stikstofdepositie als ge‐
volg van de uitbreidingsmogelijkheden die worden geboden aan de veehouderijen. Deze effecten kunnen op vele kilometers afstand optreden. In het planMER worden de effecten op de maatgevende gebieden (de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebieden), Coepelduynen, Kennemerland‐Zuid, Meijendel & Berkheide en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck in beeld gebracht. Gezien de afstand van het plangebied tot deze gebieden kunnen andere effecten, zoals verstoring, versnippering, areaalverlies en verandering waterhuishouding uitgesloten worden. Voor het gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein wordt onderzocht of de ontwikkelingsmogelijkheden leiden tot aantasting/verstoring van foerageergebied van de aangewezen vogelsoorten. Bijlage 3 geeft een beschrijving van de Natura 2000‐
gebieden. De stikstofdepositie van de in paragraaf 3.2 beschreven onderzoekssituaties wordt vergeleken met de referentiesituatie (het bestaand gebruik). In het onderzoek ligt de nadruk op de meest kritische habitattypen, waar elke extra depositie kan leiden tot het belemmeren van de instandhoudingsdoelen voor dit type. Als significante effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten zal in het planMER worden onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn om deze effecten teniet te doen (uitvoerbaar Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 14 Reikwijdte en detailniveau alternatief). Waar nodig kunnen de uitkomsten van de berekeningen leiden tot een aanscherping van de bestemmingsregeling. Beschermde Natuurmonumenten Ten noorden van het plangebied, in het Braassemermeer ligt het beschermd natuurmonument “Oeverlanden Braassemermeer”. In de Crisis en herstelwet is bepaald dat onder de vergunningplicht voor een beschermd natuurmonument de schadelijke handelingen vallen die in het gebied zelf plaatshebben, en niet de handelingen buiten het gebied (externe werking) tenzij dat in het aanwijzingsbesluit uitdrukkelijk is geregeld (artikel 16, vierde lid, Nb‐wet). Aangezien het beschermd natuurmonument “Oeverlanden Braassemermeer” buiten het plangebied valt en in het aanwijzingsbesluit niet over externe werking wordt gesproken, wordt dit gebied niet in de onderhavige toetsing meegenomen. Andere beschermde natuurmonumenten liggen binnen de grenzen van Natura 2000‐gebieden. In de passende beoordeling wordt rekening gehouden met de beschermde waarden van deze gebieden. In de passende beoordeling wordt ook ingegaan op de overige ontwikkelingsruimte die in het bestemmingsplan wordt geboden, bijvoorbeeld in de vorm van neven‐ en vervolgfuncties (kleinschalig kamperen). Hiervoor wordt volstaan met een beschrijving op hoofdlijnen. Uitgangspunt voor deze effectbeschrijving is de maximale benutting van alle ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan bij recht, via afwijking en met wijzigingsbevoegdheden biedt. Gedetailleerd, kwantitatief onderzoek wordt gezien de aard en omvang van deze ontwikkelingsruimte niet noodzakelijk geacht. Wanneer de maximale invulling leidt tot significante effecten, worden in het planMER maatregelen uitgewerkt waarmee deze effecten kunnen worden voorkomen. Overige ecologische aspecten Het planMER beschrijft ook de Ecologische Hoofdstructuur en belangrijke weidevogelgebieden in en rond het plangebied en de beschermde soorten die in het plangebied aanwezig zijn (op basis van beschikbare basisgegevens en bronnen, gedetailleerd veldonderzoek vindt waar nodig plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief). In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van de beschermde gebieden. Voor de verschillende bouwmogelijkheden en ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt, wordt bekeken in hoeverre sprake kan zijn van relevante ecologische effecten. Waar nodig worden in het planMER maatregelen en/of randvoorwaarden geformuleerd waarmee negatieve effecten kunnen worden voorkomen. 3.3.2. Geurhinder In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheid gemaakt in diercategorieën waarvoor: geuremissiefactoren zijn vastgesteld (intensieve diercategorieën); -
vaste afstanden gelden (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden). Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen. Wel worden op beperkte schaal bouwmogelijkheden geboden voor intensieve neventakken. In het planMER wordt de maximaal optredende geurbelasting als gevolg van een dergelijke neventak inzichtelijk gemaakt. Voor grondgebonden veehouderijen zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Dat betekent dat geurberekeningen niet mogelijk zijn. Op basis van de afstandseisen uit de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit geeft het planMER inzicht in de gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de geurhinder. Daarbij wordt niet alleen ingegaan op de uitbreidingsmogelijkheden voor de veehouderijen binnen het plangebied, maar ook op eventuele nieuwe geurgevoelige functies die in het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt (bijvoorbeeld bepaalde nevenfuncties). 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Reikwijdte en detailniveau 15 3.3.3. Luchtkwaliteit Ten behoeve van het planMER wordt de luchtkwaliteit in beeld gebracht op basis van gegevens van de Monitoringstool die in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) wordt beheerd. Op basis van de resultaten van de Monitoringstool wordt beoordeeld of de luchtkwaliteit in het plangebied in de bestaande situatie en bij autonome ontwikkeling knelpunten vertoont. Hierbij worden uitsluitend de componenten stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in beschouwing genomen, omdat de grenswaarden voor de overige componenten die in de Wet milieubeheer titel 5.2 ('Wet luchtkwaliteit') zijn opgenomen in Nederland niet worden overschreden. Rond melkrundveehouderijen zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen over het algemeen zeer beperkt. Rond intensieve neventakken kan sprake zijn van verhoogde concentraties, met name als het gaat om pluimvee. Op basis van kentallen wordt in het planMER ingegaan op de concentraties luchtverontreinigende stoffen rond veehouderijen en de gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor deze concentraties. 3.3.4. Overige milieuthema’s Bodem en water In het planMER wordt ingegaan op de relevante bodem‐ en watergerelateerde aspecten. Daarbij wordt aangesloten bij de informatie uit de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan. Op hoofdlijnen wordt ingegaan op de mogelijke effecten die samenhangen met de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt, zoals de waterkwaliteit. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Het plangebied heeft grote landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ook hebben delen van het plangebied een archeologische verwachtingswaarde. Het planMER beschrijft de aanwezige waarden en gaat in op de mogelijke gevolgen van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor deze waarden. Verkeer De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan leiden tot een verkeerstoename op de wegen in en rond het plangebied. Het planMER beschrijft de mogelijke gevolgen voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op hoofdlijnen. Geluid Een deel van het plangebied is aangewezen als stiltegebied. Het planMER beschrijft de gevolgen van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan voor de geluidbelasting binnen het stiltegebied. Externe veiligheid Het planMER geeft een beschrijving van de risicobronnen (leidingen, vervoer, propaantanks) binnen het plangebied en de eventuele ruimtelijke beperkingen als gevolg daarvan. Daarbij wordt uitgegaan van een kwalitatieve beschrijving op basis van beschikbare informatie. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan, wordt gedetailleerd, kwantitatief onderzoek niet noodzakelijk geacht. 3.4.
Inhoudelijke afstemming met bestemmingsplan De onderzoeken en effectbeschrijvingen in het planMER sluiten vanzelfsprekend aan bij de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Waar nodig worden de gevolgen cumulatief, worstcase in beeld gebracht. Wanneer uit de onderzoeken en analyses blijkt dat ongewenste situaties kunnen ontstaan, beschrijft het planMER randvoorwaarden, maatregelen en/of uitgangspunten waarmee dergelijke negatieve effecten kunnen worden voorkomen. Het planMER kan op die manier leiden tot een aanscherping van de bestemmingsregeling. Conform de eisen uit het Besluit milieueffectrapportage dient in het bestemmingsplan te worden gemotiveerd op welke wijze in het plan wordt omgegaan met de resultaten en conclusies uit het planMER. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 16 Reikwijdte en detailniveau 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 17 4. Slot Met de voorliggende Notitie reikwijdte en detailniveau worden overlegpartners en bestuursorganen geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. De Notitie reikwijdte en detailniveau wordt ook ter inzage gelegd. In het planMER wordt een overzicht opgenomen van de reacties op de voorliggende Notitie reikwijdte en detailniveau en de wijze waarop hiermee is omgegaan. Het planMER wordt samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd (volgens planning voorzien in het laatste kwartaal van 2013). Op dat moment vindt ook de toetsing door de Commissie voor de m.e.r. plaats. Daarmee is de planmer‐procedure in principe afgerond. In het vervolg van de bestemmingsplanprocedure vormt het planMER een bijlage bij het bestemmingsplan.In het bestemmingsplan zal worden gemotiveerd op welke manier er rekening wordt gehouden met de uitkomsten van het MER. Waar relevant zullen de conclusies en resultaten uit het planMER worden door vertaald in de bestemmingsregeling. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Bijlage 1
1 Drempels besluit milieueffectrapportage Mer‐plichtig Mer‐beoordelingsplichtig De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of fokken, mesten of houden van dieren. In gevallen waarin de activiteit varkens. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft betrekking heeft op meer dan: op meer dan: 1)
1. 85.000 stuks mesthoenders (Rav cat. E 3 t/m 5);
2. 60.000 stuks hennen (Rav cat. E 1 en E2); 3. 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3); 4. 900 stuks zeugen (Rav cat. D 1.2 en D 1.3). 1)
1.
40.000 stuks pluimvee (Rav cat. E, F, G en J); 2.
3.
2.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3); 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft); 3.750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1); 5.000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3); 1.000 stuks voedsters of 6.000 vlees‐ en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2); 4.
5.
6.
200 stuks melk‐, kalf‐ of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2); 7.
340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3); 8.
340 stuks melk‐, kalf‐ en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3); 1.200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7); 2.000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3); 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld (Rav cat. K.2 en K.4); 1.000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3). 9.
10.
11.
12.
13.
1) Regeling ammoniak en veehouderij.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Bijlage 2
1 Inhoudsopgave planMER Samenvatting 1. Inleiding 2. Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 3. Aanpak planMER 4. Natuur (passende beoordeling) 4.1. Toetsingskader 4.2. Referentiesituatie 4.3. Plansituatie 4.4. Effectbeoordeling 5. 6. Landschap, cultuurhistorie en archeologie 5.1. Toetsingskader 5.2. Referentiesituatie 5.3. Plansituatie 5.4. Effectbeoordeling Woon‐ en leefklimaat 6.1. Geurhinder 6.1.1. Toetsingskader 6.1.2. Referentiesituatie 6.1.3. Plansituatie 6.2. 6.3. Luchtkwaliteit 6.2.1. Toetsingskader 6.2.2. Referentiesituatie 6.2.3. Plansituatie Externe veiligheid 6.3.1. Toetsingskader 6.3.2. Referentiesituatie 6.3.3. Plansituatie Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 2
Bijlage 2
6.4. 7. Geluidhinder bedrijven 6.4.1. Toetsingskader 6.4.2. Referentiesituatie 6.4.3. Plansituatie 6.5. Effectbeoordeling Bodem en water 7.1. Toetsingskader 7.2. Referentiesituatie 7.3. Plansituatie 7.4. Effectbeoordeling 8. Overige milieuaspecten 9. Conclusies en vertaling in bestemmingsplan 9.1. Conclusies 9.2. Leemten in kennis en monitoring 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 3
Overzicht beschermde gebieden 1 Natura 2000 In het plangebied ligt het Natura 2000‐gebied De Wilck. Dit gebied is niet stikstofgevoelig, maar effecten als verandering waterhuishouding, aantasting foerageergebied en verstoring zouden wel op kunnen treden. Versnippering en areaalverlies treden niet op aangezien het gebied een natuurbestemming krijgt. Op ruimere afstand (< 20 km) van het plangebied liggen verschillende stikstofgevoelige Natura 2000‐gebieden. Op grond van de externe werking van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen ook mogelijke effecten van buiten de Natura 2000‐gebieden onderzocht worden. In dit geval zal het daarbij vooral gaan over het thema stikstofdepositie; het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude biedt namelijk mogelijkheden voor uitbreiding van veehouderijbedrijven, hetgeen kan leiden tot extra emissie van stikstof en deze stikstof zal deels neerslaan in de Natura 2000‐gebieden. Het Natura 2000‐gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein is niet stikstofgevoelig, maar de smient en kleine zwaan zouden wel in het plangebied kunnen foerageren. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende Natura 2000‐gebieden aanwezig: - Kennemerland‐Zuid -
Coepelduynen -
Meijendel en Berkheide -
De Wilck -
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck -
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Deze gebieden zijn op figuur 1 weergegeven. Deze gebieden en hun gevoeligheid voor stikstofdepositie worden hieronder beschreven. Uit deze analyse blijkt welke gebieden relevant zijn voor het planMER. Kennemerland‐Zuid Kennemerland‐Zuid is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig. Hier is een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 2
Bijlage 3
Figuur 1 Natura 2000‐gebieden in en nabij Rijnwoude Kennemerland‐Zuid is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. Het is nog niet bekend wanneer het gebied definitief als Natura 2000‐gebied wordt aangewezen. Instandhoudingsdoelstellingen SVI Landelijk
Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop.
Habitattypen H2110 Embryonale duinen + = = H2120 Witte duinen ‐ > > H2130A *Grijze duinen (kalkrijk) ‐‐ > > H2130B *Grijze duinen (kalkarm) ‐‐ = > H2130C *Grijze duinen (heischraal) ‐‐ > > H2150 *Duinheiden met struikhei + = = H2160 Duindoornstruwelen + = (<) = H2170 Kruipwilgstruwelen + = (<) = H2180A Duinbossen (droog) + = = H2180B Duinbossen (vochtig) ‐ = > H2180C Duinbossen (binnenduinrand) ‐ = = H2190A Vochtige duinvalleien (open water) ‐ > > H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) ‐ > > 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 3 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) = = H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) ‐ > > 3
Habitatsoorten H1014 Nauwe korfslak ‐ = = = H1903 Groenknolorchis ‐‐ > > > * prioritair habitattype. Legenda W Kernopgave met wateropgave % Sense of urgency: beheeropgave
% Sense of urgency opgave m.b.t. watercondities
SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (‐‐ zeer ongunstig; ‐ matig ongunstig, + gunstig)
= Behoudsdoelstelling > Verbeter‐ of uitbreidingsdoelstelling
=(<) Ontwerp‐aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering
In Kennemerland‐Zuid zijn meerdere stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. In onderstaande tabel zijn de kritische depositiewaarden (KDW’s) van de habitattypen weergegeven. Voor de oranje gekleurde habitattypen wordt de achtergronddepositie overschreden. Habitattype kritische N‐depositie H2110 Embryonale witte duinen 1429 H2120 witte duinen 1429 H2130A *grijze duinen (kalkrijk) 1071 H2130B *grijze duinen (kalkarm) 714 H2130C *Grijze duinen (heischraal) 714 H2150 *duinen met struikhei 1071 H2160 duindoornstruwelen 2000 H2170 kruipwilgstruwelen 2286 H2180A duinbossen (droog) 1071 H2180B duinbossen (vochtig) 2214 H2180C duinbossen (binnenduinrand) 1786 H2190A vochtige duinvalleien (open water) 1000 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 1429 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) 1071 H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) > 2400 Achtergronddepositie hoger dan de KDW Achtergronddepositie lager dan de KDW Coepelduynen Het Natura 2000‐gebied Coepelduynen omvat de smalle strook kustduinen tussen Katwijk en Noordwijk. Het relatief kleine gebied is van bijzondere waarde omdat er op grote schaal goed ontwikkeld, kalkrijk duingrasland voorkomt dat kenmerkend is voor het zeedorpenlandschap. Andere habitattypen nemen in het gebied een marginale plaats in. Het relatief kleine gebied heeft een gevarieerd duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het gebied behoort tot de kalkrijke jonge duinen. Er is geen duidelijke binnenduinrand Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 4
Bijlage 3
aanwezig, waardoor de overgang naar het polderlandschap vrij abrupt is. Delen zijn in het verleden door de mens beïnvloed en gebruikt voor het drogen van netten, het weiden van vee en als duinakkers. Hierdoor is een specifiek open duinlandschap ontstaan met een afwisseling van duingraslanden, struwelen en bos waarin waardevolle flora en fauna voorkomt. Deze vegetaties zijn de aanleiding geweest het gebied als Natura 2000‐gebied aan te wijzen. Coepelduynen is een Habitatrichtlijngebied en is in 2009 definitief als Natura 2000‐gebied aangewezen. In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen opgenomen. Instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen SVI Lande‐
Doelst. Doelst. Doelst. lijk Opp.vl. Kwal. Pop. H2120 Witte duinen ‐ = > H2130A *Grijze duinen (kalkrijk) ‐‐ = = H2160 Duindoornstruwelen + = = H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) = > * prioritair habitattype. Ook in Coepelduynen zijn enkele stikstofgevoelige habitattypen aanwezig en is voor drie van de vier habitattypen de achtergronddepositie hoger dan de KDW. Habitattype kritische N‐depositie H2120 witte duinen 1429 H2130A *grijze duinen (kalkrijk) 1071 H2160 duindoornstruwelen 2000 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 1429 Meijendel en Berkheide Meijendel en Berkheide bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestoven duinvlakten', dat in het zuidelijk deel minder reliëfrijk is. In het noordelijke deelgebied Berkheide liep het zand vast in de oorspronkelijk natte stroombedding van de oude Rijn. Het is gevormd door overstuiving van oude duinen, waardoor het een relatief hooggelegen duinmassief is. Hier is de kweldruk dan ook groter dan in Meijendel. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. Dit zijn duinakkers die nu vooral uit bos bestaan; het gebied kent dan ook een aantal goed ontwikkelde bostypen. Plaatselijk, zoals in de Libellenvallei, komen soortenrijke duinvalleibegroeiingen voor. Na grootschalig herstel van een aantal valleien bij de Wassenaarse Slag breiden deze begroeiingen zich uit. In Berkheide is, met name in de buurt van Katwijk, een groot areaal goed ontwikkeld kalkrijk duingrasland aanwezig, ontstaan door het eeuwenlange menselijke gebruik van het zogenaamde zeedorpenlandschap. Meijendel en Berkheide is een Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. Het is nog niet bekend wanneer het gebied definitief als Natura 2000‐gebied wordt aangewezen. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 3 5
Instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen SVI Lande‐
Doelst. Doelst. Doelst. lijk Opp.vl. Kwal. Pop. H2120 Witte duinen ‐ = > H2130A *Grijze duinen (kalkrijk) ‐‐ > > H2130B *Grijze duinen (kalkarm) ‐‐ > > H2160 Duindoornstruwelen + = (<) = H2180A Duinbossen (droog) + = = H2180B Duinbossen (vochtig) ‐ = = H2180C Duinbossen (binnenduinrand) ‐ = > H2190A Vochtige duinvalleien (open water) ‐ > > H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) ‐ > > H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) ‐ > > H1014 Nauwe korfslak ‐ = = = H1318 Meervleermuis ‐ = = = Habitatsoorten * prioritair habitattype. In onderstaande tabel zijn de KDW’s van de habitattypen in Meijendel en Berkheide opgenomen. De achtergronddepositie is in de meeste gevallen hoger dan de KDW. Habitattype kritische N‐depositie H2120 witte duinen 1429 H2130A *grijze duinen (kalkrijk) 1071 H2130B *grijze duinen (kalkarm) 714 H2160 duindoornstruwelen 2000 H2170 kruipwilgstruwelen 2286 H2180A duinbossen (droog) 1071 H2180B duinbossen (vochtig) 2214 H2180C duinbossen (binnenduinrand) 1786 H2190A vochtige duinvalleien (open water) 1000 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 1429 H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) > 2400 De Wilck Het gebied De Wilck bestaat uit vochtige en natte graslanden. De Wilck maakt onderdeel uit van het Hollands‐Utrechtse veenweidegebied. De veengebieden zijn pas vanaf de 10e eeuw in gebruik genomen en vanaf de dertiende eeuw is sprake van een systeem van polders en boezems waarop het water wordt uitgeslagen. De Slingerwetering die door het gebied loopt maakte vroeger deel uit van de loop van een eertijds uit het hoogveen ontspringend veenstroompje de Wilck. Het gebied is van betekenis als foerageergebied en vooral rustplaats voor kleine zwanen, die van hieruit ook in de omgeving van het gebied foerageren. Daarnaast is het gebied van enige betekenis als rust‐ en foerageergebied voor smienten. De Wilck is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het is nog niet bekend wanneer het gebied definitief als Natura 2000‐gebied wordt aangewezen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de vogelsoorten waar het gebied voor is aangewezen. De kleine zwaan en smient zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 6
Bijlage 3
Instandhoudingsdoelstellingen Niet‐broedvogels SVI Landelijk Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop. Draagkracht aantal Draagkracht vogels aantal paren A037 Kleine Zwaan ‐ = = 10 foer./160 slaap A050 Smient + = = 2100 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. De is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger, snor, rietzanger). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras‐ en watervogels (zwartkopmeeuw, zwarte stern). Voor de zwartkopmeeuw betreft het de grootste broedkolonie buiten de Delta. De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck is aangewezen als Vogel‐ en Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor vogels en habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. Het is nog niet bekend wanneer het gebied definitief als Natura 2000‐gebied wordt aangewezen. Instandhoudingsdoelstellingen SVI Landelijk
Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Kranswierwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Vochtige heiden (laagveengebied) ‐‐ > > ‐ > > ‐ > = Blauwgraslanden Overgangs‐ en trilvenen (trilvenen) Overgangs‐ en trilvenen (veenmosrietlanden) ‐‐ > > ‐‐ > > ‐ > > H7210 *Galigaanmoerassen ‐ = = H91D0 *Hoogveenbossen ‐ = = Doelst. Pop. Draagkracht aantal vogels Draagkracht aantal paren Habitattypen H3140 H3150 H4010B H6410 H7140A H7140B Habitatsoorten H1082 Gestreepte waterroofkever ‐‐ > > > H1134 Bittervoorn ‐ = = = H1149 Kleine modderkruiper + = = = H1318 Meervleermuis ‐ = = = H1340 *Noordse woelmuis ‐‐ = = = H1903 Groenknolorchis ‐‐ = = = H4056 Platte schijfhoren ‐ = = = Broedvogels A021 Roerdomp ‐‐ > > 6 A022 Woudaapje ‐‐ > > 5 A029 Purperreiger ‐‐ = = 120 Zwartkopmeeuw + = = 9 A176 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 3 7
A197 Zwarte Stern ‐‐ > > 100 A292 Snor ‐‐ > > 50 A295 Rietzanger ‐ = = 340 A298 Grote karekiet ‐‐ > > 5 Niet‐broedvogels A027 Grote Zilverreiger + = = 60 A041 Kolgans + = = 3000 A050 Smient + = = 3500 A051 Krakeend + = = 90 * prioritair habitattype. Ook in de Nieuwkoopse Plassen & de Haeck zijn meerdere stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. De achtergronddepositie is ook hoger dan de KDW van deze habitattypen. 2
Habitattype kritische N‐depositie H3140 (lv) Kranswierwateren (in laagveengebieden) 2143 H3150 (baz) Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (buiten afgesloten zeearmen) 2143 H4010B Vochtige heide 786 H6410 Blauwgraslanden 1071 H7140A Overgangs‐ en trilvenen (trilvenen) 1214 H7140B Overgangs‐ en trilvenen (veenmosrietlanden) 714 H7210 * Galigaanmoerassen (kalkhoudend) 1571 H91D0 * Hoogveenbossen 1786 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ligt in het Groene Hart van Zuid‐Holland in een nat graslandgebied. Op klei‐op‐veengronden in de nabijheid van rivieren komt hier van oudsher de kievitsbloem voor, een soort die zich sterk wist uit te breiden in de Gouden Eeuw, toen in dit gebied de weinig productieve blauwgraslanden geschikter werden gemaakt als landbouwgrond door bemesting met slootbagger, koemest, compost en huishoudelijk afval. De poldergraslanden rondom Gouda en Reeuwijk zijn sinds die tijd vermaard om de massaal bloeiende kievitsbloemen, die hier 'wilde tulpen' werden genoemd. Polder Steijn, in de nabijheid van Reeuwijk, herbergt momenteel het laatste belangrijke restant in West‐Nederland van de hier ooit wijd verspreid voorkomende hooilanden met wilde kievitsbloem. Het open water en de graslanden dienen als foerageer‐ en rustgebied voor watervogels, met name kleine zwaan en smient. Daarnaast van enige betekenis voor krakeend en slobeend (Broekvelden/Vettenbroek). Als slaapplaats dient vooral de plas Broekvelden/Vettenbroek, voor de kleine zwaan tevens Polder Stein, waar ze, vooral in het noordelijk deel, ook overdag te vinden zijn. Dit Vogelrichtlijngebied is op 30 december 2010 definitief aangewezen als Natura 2000‐gebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. De vogelsoorten zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie. Zij kunnen echter wel in het plangebied foerageren. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 8
Bijlage 3
Instandhoudingsdoelstellingen SVI Landelijk Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop.
Draagkracht aantal vogels Draagkracht aantal paren Niet‐broedvogels A037 Kleine Zwaan ‐ = = 40 A050 Smient + = = 7500 A051 Krakeend + = = 70 A056 Slobeend + = = 50 Te onderzoeken gebieden De Natura 2000‐gebieden Kennemerland‐Zuid, Coepelduynen, Meijendel en Berkheide en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn gevoelig voor stikstofdepositie. In 2011 was de achtergronddepositie in alle gebieden ook hoger dan de kritische depositiewaarde van de meeste gevoelige habitattypen. Dat betekent dat elke extra mol stikstof in deze gebieden kan leiden tot negatieve effecten. Het Natura 2000‐gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein is niet gevoelig voor stikstofdepositie. De aangewezen vogelsoorten kunnen wel foerageren in het plangebied. Onderzocht wordt of er verstoring/aantasting van het foerageergebied optreedt. Gezien de afstand tot het plangebied (> 7 km) kunnen andere effecten, zoals versnippering, areaalverlies en verandering waterhuishouding uitgesloten worden. Ook het Natura 2000‐gebied De Wilck is niet gevoelig voor stikstofdepositie, maar vanwege de ligging in het plangebied kunnen verstoring (geluid, recreatie, areaalverlies foerageergebied) en verandering van waterhuishouding mogelijk wel optreden. In het gebied zijn geen ingrepen mogelijk, zodat versnippering en areaalverlies op voorhand uitgesloten kunnen worden. EHS en weidevogelgebieden Delen van het plangebied zijn onderdeel van de EHS of aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. Figuur 2 geeft een overzicht van de ligging van deze gebieden. Vrijwel heel zone 1 (noordelijk veenweidegebied) en zone 2 (zuidelijk veenweidegebied) zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. De gebieden die zijn aangewezen als EHS zijn met name gelegen in het zuidelijk veenweidegebied. Figuur 2 Ecologische Hoofdstructuur en belangrijke weidevogelgebieden (bron: geo‐loket provincie Zuid‐Holland) 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 95
Bijlage 3 PlanMER
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
Datum: 14-04-2014
PlanMER
Buitengebied Rijnwoude 2014
Inhoud Samenvatting 5 1. Inleiding 1.1. Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 1.2. Waarom een planMER? 1.3. Doel en procedure planMER 1.4. Leeswijzer 11 11 11 12 13 2. Het bestemmingsplan 2.1. Het plangebied 2.2. Beleid en visie 2.3. Bouwmogelijkheden agrarische bedrijven 2.3.1. Grondgebonden veehouderijen 2.3.2. Intensieve veehouderijen (neventakken) 2.3.3. Sierteelt 2.3.4. Neven‐ en vervolgfuncties 2.3.5. Paarden 15 15 16 18 18 19 19 20 20 3. Opzet planMER 3.1. Plangebied en studiegebied 3.2. Alternatieven 3.2.1. Referentiesituatie 3.2.2. Plansituatie 3.3. Sectorale onderzoeken 21 21 21 21 23 25 4. Natuur: passende beoordeling 4.1. Toetsingskader 4.1.1. Toetsingscriteria 4.2. Referentiesituatie 4.2.1. Natura 2000‐gebieden en beschermde natuurmonumenten 4.2.2. Beschermde Natuurmonumenten 4.2.3. Ecologische Hoofdstructuur 4.2.4. Beschermde soorten 4.3. Plansituatie 4.3.1. Natura 2000‐gebieden en beschermde natuurmonumenten 4.3.2. Ecologische Hoofdstructuur, weidevogelleefgebieden 4.3.3. Beschermde soorten 4.4. Effectbeoordeling 4.4.1. Effecten 4.5. Maatregelen 27 27 29 30 31 39 39 40 42 42 44 44 45 45 46 5. Landschap, cultuurhistorie en archeologie 5.1. Toetsingskader 5.2. Referentiesituatie 5.2.1. Landschap en cultuurhistorie 5.2.2. Archeologie 5.3. Plansituatie 5.3.1. Landschap en Cultuurhistorie 49 49 51 51 54 55 55 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 4 5.4. 5.3.2. Archeologie Effectbeoordeling 56 56 6. Woon‐ en leefklimaat 6.1. Geurhinder 6.1.1. Toetsingskader 6.1.2. Referentiesituatie 6.1.3. Plansituatie 6.2. Luchtkwaliteit 6.3. Gezondheid 6.4. Geluid 6.4.1. Toetsingskader 6.4.2. Referentiesituatie 6.4.3. Plansituatie 6.5. Externe veiligheid 6.5.1. Toetsingskader 6.5.2. Referentiesituatie 6.5.3. Plansituatie 6.6. Effectbeoordeling 59 59 59 60 61 62 66 66 66 67 67 68 68 68 72 72 7. Overige milieuaspecten 7.1. Bodem en water 7.1.1. Toetsingskader 7.1.2. Referentiesituatie 7.1.3. Plansituatie 7.2. Verkeer en vervoer 7.2.1. Toetsingskader 7.2.2. Referentiesituatie 7.2.3. Plansituatie 7.3. effectbeoordeling 73 73 73 73 77 78 78 78 80 80 8. Conclusies en doorvertaling in bestemmingsplan 8.1. Conclusies 8.2. Leemten in kennis en monitoring 83 83 86 Bijlagen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. Drempels besluit milieueffectrapportage Maatregelen beschermde soorten Onderzoek stikstofdepositie Onderzoek geurhinder Luchtkwaliteit veehouderijen Neven‐ en vervolgfuncties 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Samenvatting Inleiding De gemeente Alphen aan den Rijn stelt een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied van de voormalige gemeente Rijnwoude op, om te voldoen aan de verplichting tot actualisering (het vigerende bestemmingsplan dateert uit 2004) en aan te sluiten bij het gewijzigde overheidsbeleid. Het bestemmingsplan maakt geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen of functiewijzigingen mogelijk. De vigerende bestemmingen vormen het uitgangspunt voor het nieuwe bestemmingsplan. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage leiden de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt aan veehouderijen tot een planmer‐plicht. Vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 is een passende beoordeling noodzakelijk. Het planMER (met de daarin opgenomen passende beoordeling) wordt gelijktijdig met het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied in procedure gebracht. In het planMER is voor de verschillende relevante milieuthema's ingegaan op de mogelijke milieugevolgen van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan Buitengebied. Opzet van het planMER Het planMER geeft per milieuthema een beschrijving van de huidige milieusituatie en eventuele autonome ontwikkelingen. Deze zogenaamde referentiesituatie bevat een beschrijving van de binnen het plangebied aanwezige waarden (landschap, cultuurhistorie, archeologie, natuur). Daarnaast is bekeken in hoeverre in de referentiesituatie sprake is van knelpunten en/of overbelaste situaties (voor onder andere de thema’s geurhinder, luchtkwaliteit en stikstofdepositie). De referentiesituatie dient als vertrekpunt voor de effectbeschrijvingen. Per milieuthema is in het planMER ingegaan op de (potentiële) milieugevolgen als gevolg van de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt. De ontwikkelingsruimte voor de veehouderijen vormt de directe aanleiding voor het opstellen van het planMER en neemt daarom een belangrijke plaats in de sectorale analyses in. Bij de effectbeschrijvingen is in principe de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt als uitgangspunt gehanteerd. Voor het thema stikstofdepositie is naast deze maximale invulling ook een realistische invulling van de bouwmogelijkheden onderzocht (op basis van CBS‐gegevens over de ontwikkeling van de agrarische sector binnen de voormalige gemeente Rijnwoude). Het planMER gaat niet alleen in op de effecten van de veehouderijen, maar ook op de effecten van de overige ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt. Het gaat om kleinschalige ontwikkelingen (zoals neven‐ en vervolgfuncties bij agrarische bedrijven), waaraan in de regels strikte voorwaarden worden gesteld. Gezien de aard en omvang van deze ontwikkelingsruimte is volstaan met een beschrijving op hoofdlijnen van de maximale ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt (zowel bij recht, als via afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden). Daar waar de ontwikkelingsruime en flexibiliteit binnen het bestemmingsplan leidt tot ongewenste effecten, geeft het planMER inzicht in maatregelen waarmee deze effecten kunnen worden voorkomen of beperkt. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 6 Samenvatting Resultaten en effectbeoordeling Natuur Natura 2000 Binnen het bestemmingsplangebied ligt het Natura 2000‐gebied De Wilck. Ook in de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000‐gebieden gelegen. Met name als het gaat om het thema stikstofdepositie kan ontwikkelingsruimte voor veehouderijen (ook op grote afstand) leiden tot negatieve effecten binnen Natura 2000. Vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 is in het planMER een passende beoordeling opgenomen. De maatgevende gebieden met betrekking tot vermesting/verzuring zijn Kennemerland‐Zuid, Coepelduynen, Meijendel & Berkheide en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In al deze gebieden is de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde van het meest gevoelige habitattype. Dat betekent dat elke toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot negatieve effecten. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de maximale invulling van alle bouwmogelijkheden (bij recht en via wijzigingsbevoegdheden) tot een forse toename van stikstofdepositie leidt op maatgevende locaties binnen de Natura 2000‐gebieden (in het bijzonder binnen het Natura 2000‐gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck). De realistische invulling van de bouwmogelijkheden leidt tot een veel beperktere toename van stikstofdepositie, maar in de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en de Coepelduynen is de toename toch nog ruim 1 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten zijn om deze reden niet uit te sluiten. In de passende beoordeling zijn maatregelen beschreven waarmee in het bestemmingsplan of buiten het bestemmingsplan om kan worden geborgd dat geen negatieve effecten binnen Natura 2000 optreden. Als het gaat om verstoring en versnippering binnen Natura 2000‐gebieden, zijn er geen relevante effecten te verwachten als gevolg van de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Ecologische Hoofdstructuur Binnen het plangebied zijn verschillende gebieden gelegen die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Het gaat hierbij om De Wilck (tevens Natura 2000‐gebied) en rondom De Wilck, het natuurgebied rondom Spookverlaat/Kruiskade, een nieuw gebied westelijk van het Oostvaartpad, en de ecologische verbindingszone langs de Broekweg. Het bestemmingsplan biedt bouwmogelijkheden op de bestaande bouwvlakken. Deze bouwmogelijkheden leiden niet tot areaalverlies van de EHS. De mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de teelt van mais‐ en ruwvoer zorgt mogelijk voor een beperkt negatief effect op weidevogels. Daarnaast biedt het bestemmingsplan mogelijkheden voor recreatieve neven‐ en vervolgfuncties. Een deel van de extra recreanten wil wandelen, fietsen of varen door of langs de EHS. Deze extra bezoekers maken gebruik van bestaande routes. De geringe extra bezoekersstromen als gevolg van de uitgebreidere recreatiemogelijkheden hebben geen effect op de EHS. Soortenbescherming Het plangebied biedt leefgebied aan verschillende beschermde soorten. Het betreft voornamelijk algemeen voorkomende soorten en daarnaast enkele matig en zwaar beschermde soorten zoals rietorchis, kleine modderkruiper, bittervoorn, vleermuizen, rugstreeppad, buizerd, sperwer, gierzwaluw en huismus. De ruimtelijke ontwikkelingen vinden hoofdzakelijk plaats op of direct in de buurt van de bestaande bouwkavels. Plaatselijk kan dit leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, zoals aantasting van vaste nestplaatsen van broedvogels of aantasting van leefgebied beschermde vissen. De aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen wel worden uitgesloten omdat goede mitigerende en compenserende maatregelen zijn te treffen. Het planMER geeft een beschrijving van deze maatregelen. Landschap, cultuurhistorie en archeologie In het plangebied zijn twee landschapstypen te onderscheiden met specifieke landschappelijke waarden: het Slagenlandschap en het laaggelegen droogmakerijenlandschap. Tevens zijn binnen het plangebied twee topgebieden gelegen, namelijk Kaag/Oude Rijn en Zoeterwoude/Stopwijk. Hier komen cultuurhistorische waarden in bijzondere mate en in onderlinge samenhang voor. De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan plaatselijk tot een aantasting van met name de 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Samenvatting 7 openheid van het landschap leiden. In het bestemmingsplan zijn beschermde regels opgenomen, zodat de aantasting beperkt blijft. Ook bestaat er binnen delen van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde, met name in het veenweidegebied. De doormakerij heeft een matige / lage verwachtingswaarde. Toekomstige initiatieven binnen of aansluitend op de bouwvlakken kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden. In het bestemmingsplan is een beschermende regeling opgenomen, waarmee is gegarandeerd dat eventueel aanwezige waarden worden gedocumenteerd. Woon‐ en leefklimaat Geurhinder veehouderijen De veehouderijen binnen het plangebied zijn gevestigd langs de belangrijkste oost‐west verbindingen (zoals de Rijndijk, Vierheemskinderenweg en Westeinde). Het betreft met name grondgebonden veehouderijen. Op grond van de wet‐ en regelgeving gelden vaste minimale afstanden tussen veehouderijen en omliggende geurgevoelige objecten (gemeten vanaf de emissiepunten). De uitbreiding van grondgebonden veehouderijen in het plangebied kan leiden tot een verslechtering van de geursituatie in het plangebied en de omgeving. Met name binnen het noordelijke deel van het plangebied (ten noorden van de N11) liggen de veehouderijen over het algemeen op korte afstand van geurgevoelige objecten van derden. De begrenzing van de bouwvlakken is echter zodanig dat bij toekomstige initiatieven eventuele nieuwe dierverblijven zo binnen het bouwvlak te situeren dat wordt voldaan aan de geldende afstandseisen. Binnen het plangebied zijn drie intensieve veehouderijen (het betreft neventakken iv) aanwezig. Uit het onderzoek blijkt dat bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, sprake kan zijn van een zeer beperkte toename van geurhinder in vergelijking met de referentiesituatie. Luchtkwaliteit De concentraties luchtverontreinigende stoffen liggen in het buitengebied van Rijnwoude ruim onder de wettelijke grenswaarden. De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het gevolg van de emissies vanuit stallen en de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan. Uit het planMER blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen binnen het plangebied echter dermate ver onder de wettelijke grenswaarden liggen, dat een beperkte toename van emissies als gevolg van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan in geen geval leidt tot een overschrijding van grenswaarden. Gezondheid Binnen veehouderijen en in de omgeving daarvan kunnen gezondheidsaspecten een rol spelen. De onderzoeken en beleidsvorming op dit vlak richten zich met name op de intensieve veehouderij. De huidige inzichten geven geen aanleiding om te veronderstellen dat ter plaatse van grondgebonden veehouderijen van relatief beperkte omvang zoals aanwezig binnen het plangebied, sprake is van relevante gezondheidseffecten die een rol dienen te spelen bij de afwegingen in het kader van een bestemmingsplan landelijk gebied. Geluid In en rond het plangebied zijn verschillende geluidbronnen aanwezig (wegverkeer, railverkeer en industrie). Met het bestemmingsplan Buitengebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies bij recht mogelijk gemaakt. Akoestisch onderzoek kan hierdoor achterwege blijven. Delen van het plangebied zijn door de provincie aangewezen als stiltegebied. De stiltegebieden leiden niet tot beperkingen voor het normale agrarische gebruik. De overige ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn dermate kleinschalig dat deze geen relevante gevolgen hebben voor de geluidsbelasting binnen de stiltegebieden. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 8 Samenvatting Externe veiligheid Binnen het plangebied en in de omgeving zijn verschillende risicobronnen aanwezig (waaronder propaantanks, transport over de weg en risicorelevante buisleidingen). Het bestemmingsplan maakt geen kwetsbare objecten mogelijk binnen PR 10‐6‐contouren. Ook maakt het plan geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied en daarmee gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van het groepsrisico. Overige milieuthema's De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de bodemkwaliteit in het gebied. Wel kan de ontwikkelingsruimte negatieve effecten hebben op de waterkwantiteit en –kwaliteit door de reeds aanwezige waterbergingsopgaven en door de zwaardere belasting van het oppervlaktewater met vermestende stoffen (N en P) via af‐ en uitspoeling door de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Bij toekomstige initiatieven dient te worden voldaan aan diverse watergerelateerde randvoorwaarden en eisen. Bij verschillende flexibiliteitsbepalingen is als voorwaarde opgenomen dat geen sprake is van onevenredige gevolgen voor het waterbeheer (waarbij schriftelijk advies van de waterbeheerder noodzakelijk is). Hiermee is uitgesloten dat er negatieve effecten optreden als gevolg van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan. De beperkte aantallen extra vervoersbewegingen als gevolg van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied biedt, leiden niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling op de ontsluitende wegen of op het gebied van verkeersveiligheid. Conclusies en doorvertaling in het bestemmingsplan Natura 2000 Uit de beschrijvingen en beoordelingen in het planMER blijkt dat effecten van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan Buitengebied over het algemeen beperkt zijn. Uitzondering vormt het thema stikstofdepositie. Uit de passende beoordeling volgt dat bij benutting van de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan Buitengebied significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de Natura 2000‐gebieden in de omgeving van het plangebied niet zijn uit te sluiten. In de passende beoordeling is bekeken op welke wijze de stikstofdepositie kan worden beperkt, bijvoorbeeld met het schrappen van wijzigingsbevoegdheden voor de uitbreiding van bouwvlakken of het niet toestaan van omschakeling naar veehouderij. Ook bij het beperken van de bouwmogelijkheden, hebben de bestaande veehouderijen binnen het bouwvlak van 1 hectare echter nog dermate veel ruimte dat significante negatieve effecten niet zijn uit te sluiten. Het volledig uitsluiten van significante negatieve effecten binnen het bestemmingsplan Buitengebied is alleen mogelijk met een ingrijpende aanpassing van de bestemmingsregeling, waarbij veehouderijen slechts onder zeer strikte voorwaarden kunnen uitbreiden. Dit betekent echter niet dat de veehouderijen ‘op slot’ worden gezet. Door gebruik te maken van saldo dat beschikbaar komt door ‘stoppers’ en/of het toepassen van emissie‐arme staltechnieken kan worden gekomen tot uitvoerbare initiatieven. Overige milieuthema's Voor de overige milieuthema’s ontstaan geen knelpunten in relatie tot de wettelijke normen en grenswaarden die vanuit de sectorale toetsingskaders gelden. Waar relevant is in de regels van het bestemmingsplan geborgd dat geen negatieve milieueffecten optreden. In verschillende flexibiliteitsbepalingen is onder andere als voorwaarde gesteld dat de ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar is. Uit de beschrijvingen in het planMER blijkt dat binnen delen van het plangebied sprake is van grote landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Naast de toetsing aan de harde wettelijke normen en grenswaarden is van belang of de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan gevolgen heeft voor deze waarden. Uit de sectorale analyses blijkt dat met de zonering die is opgenomen in het bestemmingsplan, de bouwmogelijkheden die daaraan zijn gekoppeld en de voorwaarden en uitgangspunten die daarbij in acht dienen te worden genomen, op een goede manier invulling is 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Samenvatting 9 gegeven aan het behouden en versterken van de aanwezige waarden. De landschappelijke kenmerken en waarden blijven behouden. Dat geldt ook voor de bestaande natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Lokaal kan sprake zijn van een beperkt negatief effect als gevolg van de bouwmogelijkheden en ingrepen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, maar op gebiedsniveau zal geen sprake zijn van belangrijke negatieve effecten. In de regels van het bestemmingsplan zijn waar nodig voorwaarden opgenomen om negatieve effecten te beperken of voorkomen. Vanuit de doelstellingen voor het buitengebied is er geen aanleiding om de bestemmingsplanregeling aan te vullen of aan te scherpen naar aanleiding van de uitkomsten van het planMER. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 10 Samenvatting 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 11 1. Inleiding 1.1.
Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude De gemeente Alphen aan den Rijn stelt een nieuw, actueel bestemmingsplan voor het buitengebied van de voormalige gemeente Rijnwoude op. De opgave voor het nieuwe bestemmingsplan is tweeledig: ‐ ten eerste dient voldaan te worden aan de verplichting tot actualisering. In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat bestemmingsplannen binnen een periode van 10 jaar, gerekend vanaf het tijdstip van vaststelling, moeten worden geactualiseerd. Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude dient op basis van deze wetgeving voor 29 april 2014 geactualiseerd te zijn. Daarbij dient het bestemmingsplan de bepalingen uit de RO Standaarden 2012 en de Wabo te volgen; ‐ ten tweede moet het nieuwe bestemmingsplan aansluiten bij het gewijzigde overheidsbeleid. Vooral de provinciale Verordening Ruimte is hierbij van belang. 1.2.
Waarom een planMER? In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer‐plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan: - kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer‐(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer‐
(beoordelings)plichtig zijn; - mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura 2000‐gebieden (het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is noodzakelijk). Drempelwaarden C‐ en D‐lijst De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van grondgebonden veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer‐ of mer‐beoordelingsplichtig. Deze mer‐
(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. De drempelwaarden zijn opgenomen in de C‐ en D‐lijst bij het Besluit mer. Voor rundveehouderijen zijn de volgende drempelwaarden opgenomen in de D‐lijst (mer‐beoordelingsplicht in het kader van de omgevingsvergunning): - 200 stuks melk‐, kalf‐ of zoogkoeien ouder dan 2 jaar; -
340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar; -
340 stuks melk‐, kalf‐ en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Bijlage 1 geeft een overzicht van de drempelwaarden voor veehouderijen zoals opgenomen in de C‐ en D‐lijst bij het Besluit mer. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 12 Inleiding Planmer‐plicht Het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude is hoofdzakelijk conserverend van aard, maar biedt wel ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische bedrijven. Daarbij gaat het onder andere om uitbreidingsmogelijkheden voor grondgebonden veehouderijen. Binnen het plangebied is ook een aantal intensieve veehouderijen als neventak aanwezig. Deze bestaande intensieve veehouderijen (neventak) krijgen beperkte bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak. Door de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt is het mogelijk dat in bepaalde gevallen bij toekomstige uitbreidingen drempelwaarden uit het Besluit mer zullen worden overschreden, waarmee het bestemmingsplan het kader vormt voor mogelijk toekomstige besluiten over mer(‐beoordelings)plichtige activiteiten. Concreet betekent dit, dat binnen het bouwvlak van 2 hectare dat in het bestemmingsplan met een wijzigingsbevoegdheid wordt mogelijk gemaakt, initiatieven mogelijk zijn die betrekking hebben op meer dan 200 stuks melkrundvee ouder dan 2 jaar (drempelwaarde D‐lijst Besluit m.e.r.). Om deze reden is voor het bestemmingsplan Buitengebied sprake van een planmer‐plicht. Ook is in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied een planmer‐plicht aan de orde vanwege mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000. Binnen de gemeente is het Natura 2000‐gebied De Wilck gelegen. In de ruime omgeving van het plangebied zijn diverse andere Natura 2000‐gebieden gelegen (Coepelduynen, Kennemerland‐Zuid, Meijendel & Berkheide en Nieuwkoopse Plassen & De Haeck). In de Natuurbeschermingswet 1998 is vastgelegd dat voor plannen die mogelijk leiden tot significante negatieve effecten op Natura 2000 een zogenaamde ‘passende beoordeling’ noodzakelijk is. Voor wat betreft het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het bestemmingsplan significante negatieve effecten op Natura 2000 heeft. Met name als het gaat om het aspect stikstofdepositie kan op vele kilometers afstand sprake zijn van waarneembare effecten als gevolg van de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan (zeker wanneer de effecten alle bouwmogelijkheden cumulatief worden beoordeeld). Dit bekent dat een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd. Wanneer voor een plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, leidt dit automatisch tot een planmer‐plicht. 1.3.
Doel en procedure planMER Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Doel van een planMER is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van in dit geval een bestemmingsplan. De m.e.r.‐procedure is gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenoemde ‘moederprocedure'. De planmer‐procedure bestaat uit de volgende stappen: 1. openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan; 2. raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER; 3. opstellen planMER en voorontwerpbestemmingsplan; 4. terinzagelegging planMER met voorontwerpbestemmingsplan; 5. toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.; 6. vaststelling bestemmingsplan. Het planMER vormt een bijlage bij het bestemmingsplan. In een Notitie reikwijdte en detailniveau (Nrd) is beschreven op welke wijze in het planMER de milieueffecten inzichtelijk worden gemaakt. Deze Nrd is verzonden naar de overlegpartners (bestuursorganen) en heeft ter inzage gelegen. Hiermee hebben overlegpartners de mogelijkheid gekregen om te reageren op de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. Er zijn geen reacties ingediend die specifiek betrekking hebben op de opzet en inhoud van het planMER. De Commissie voor de m.e.r. is in de voorfase niet betrokken (een advies van de Commissie voor de m.e.r. over de reikwijdte en detailniveau van een planMER is vrijwillig). 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Inleiding 13 Het voorliggende planMER wordt samen met het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied in procedure gebracht. Op dit moment wordt het planMER ook ter toetsing voorgelegd aan de Commissie voor de m.e.r. (een toetsingsadvies door de Commissie voor de m.e.r. is wettelijk verplicht). 1.4.
Leeswijzer Het planMER is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 beschrijft de gemeentelijke visie op het buitengebied en de vertaling daarvan in het bestemmingsplan Buitengebied. Ook is een beschrijving opgenomen van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Hoofdstuk 3 beschrijft de aanpak van het planMER (reikwijdte en detailniveau), waarbij wordt ingegaan op de onderzochte alternatieven en onderzoeksmethodiek. In hoofdstuk 4 t/m 7 komen achtereenvolgens de volgende thema's aan de orde: - natuur (passende beoordeling); - landschap, cultuurhistorie en archeologie; - woon‐ en leefklimaat; - overige milieuaspecten. Per milieuthema geeft het planMER een beschrijving van de referentiesituatie en gaat in op de mogelijke gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Hoofdstuk 8 geeft een overzicht van de conclusies en de doorvertaling in het bestemmingsplan. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 14 Inleiding 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 15 2. Het bestemmingsplan 2.1.
Het plangebied Het plangebied omvat nagenoeg het gehele buitengebied van de voormalige gemeente Rijnwoude. Niet meegenomen worden het sierteeltgebied in het oosten van de gemeente, het PTC‐terrein in het zuidoosten en het Bentwoud in het zuiden. In figuur 2.1 is de begrenzing van het plangebied opgenomen. Figuur 2.1 Begrenzing plangebied Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 16 2.2.
Het bestemmingsplan Beleid en visie Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied dateert uit 2004. De visie van de gemeente voor het buitengebied is de afgelopen jaren niet gewijzigd. In 2009 is de samengestelde structuurvisie gemeente Rijnwoude vastgesteld. Deze structuurvisie omvat tevens het buitengebied van de gemeente. De structuurvisie bevestigt in grote lijnen de in het bestemmingsplan Buitengebied uitgezette beleidslijnen. Het buitengebied van de voormalige gemeente Rijnwoude ligt midden in het Groene Hart en is divers van karakter. Op basis van de verschillende sectorale belangen en prioriteitstelling, de potenties die bodem en water in het plangebied bieden en het grondgebruik, is het plangebied in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied verdeeld in drie zones (zie figuur 2.2): het noordelijk veenweidegebied; het zuidelijk veenweidegebied; de droogmakerijen. Figuur 2.2 Zonering binnen het plangebied 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Het bestemmingsplan 17 Noordelijk veenweidegebied (zone 1) Door het ontbreken van bebouwing vormt het noordelijk veenweidegebied één van de meest weidse open veenweidegebieden van het Groene Hart. De grond is in gebruik bij de melkveehouderij. Landschappelijk is het gebied waardevol vanwege de landschappelijke openheid. Het verkavelingspatroon in samenhang met de kleinschalige lintbebouwing, van waaruit de ontginning van het gebied heeft plaatsgevonden, zijn cultuurhistorisch van grote betekenis. Het open veenweidelandschap biedt de voorwaarden voor een goed weidevogelgebied. Het ontwikkelingsperspectief voor deze zone ligt op het gebied van duurzame grondgebonden veehouderij, verweven met landschaps‐ en natuurwaarden. De a‐biotische omstandigheden en de externe productiefactoren voor de landbouw leiden tot een relatief extensief grondgebruik. Verbetering van de externe productiefactoren zal moeten worden afgewogen tegen de belangen van natuur en landschap. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is gezien de kwetsbaarheid van het gebied niet aan de orde. Met name in deze zone kan verbrede landbouw een rol spelen om het inkomen van de agrariër aan te vullen. Bij bedrijfsbeëindiging zal in deze zone uiterst zorgvuldig met vervolgfuncties moeten worden omgegaan. Met name vervolgfuncties, die veel verkeer aantrekken, zijn, gezien de capaciteit van de wegen, niet gewenst. Gezien het aantrekkelijke landschap en de cultuurhistorische waarden in deze zone is het gebied aantrekkelijk voor recreatie. Gezien de kwetsbaarheid van het gebied is alleen kleinschalige recreatie toelaatbaar. Zowel verbrede landbouw en vrijkomende agrarische bedrijven kunnen daarin een rol spelen. Zuidelijk veenweidegebied (zone 2) Ook het zuidelijk veenweidegebied wordt gekenmerkt door openheid en grasland als grondgebruik, zij het dat de weidsheid minder groot is dan in zone 1 doordat hier meer bebouwing, opgaande beplanting en infrastructuur voorkomt. Het gebied is hoofdzakelijk in gebruik bij de grondgebonden veehouderij. Daarnaast komen ook enkele sierteeltbedrijven voor. De landbouw in deze zone is intensiever dan in zone 1. In het gebied is het als Natura 2000 aangewezen natuurgebied De Wilck gelegen. De landschappelijke openheid in het veenweidegebied staat garant voor het voorkomen van weidevogels. Het ontwikkelingsperspectief voor zone 2 ligt eveneens op het gebied van duurzame grondgebonden veehouderij, verweven met landschaps‐ en natuurwaarden. In het kader van de ruilverkaveling Rijnstreek‐Zuid zijn boerderijen verplaatst van het bebouwingslint langs de Oude Rijn naar het zuidelijk veenweidegebied. Ook zijn in dat kader de externe productieomstandigheden verbeterd, zodat met name de ontsluiting en de verkaveling voor de melkveehouderij goed te noemen zijn. De melkveehouderij heeft daarmee een goed ontwikkelingsperspectief. Gezien de druk op de grondmarkt en de trend van vrijkomende agrarische bedrijven is nieuwvestiging echter niet aan de orde. In zone 2 komt ook een aantal sierteeltbedrijven voor. Uitbreiding van deze bedrijven is om diverse redenen (milieu, landschap, concentratie) niet aan de orde. Het toekomstperspectief voor de sierteelt in deze zone is daarmee beperkt. Gezien de intensiteit van de agrarische bedrijfsvoering, leent zone 2 zich minder goed voor verbrede landbouw. Nieuwe functies in vrijkomende agrarische bebouwing kennen minder beperkingen dan in zone 1, gezien de dimensionering van de wegen in het gebied. De perspectieven voor natuur en landschap zijn goed te noemen. De landschappelijke openheid en de grondgebonden melkveehouderij sluiten goed op elkaar aan. Door de ruilverkaveling en aanleg van infrastructuur (N11, HSL) is het verkavelingspatroon echter minder gaaf dan in zone 1. De grondgebonden veehouderij is voorwaarde voor weidevogelbeheer. En het vrijwillig agrarisch natuurbeheer maakt behoud en ontwikkeling van de weidevogelstand kansrijk. Potenties voor recreatie liggen in zone 2 vooral op het vlak van (verbetering van) routestructuren en mogelijk kleinschalige vormen van dag‐ en verblijfsrecreatie die aan deze routestructuren kunnen worden verbonden. Droogmakerij (zone 3) De droogmakerij heeft een geheel ander karakter dan het veenweidegebied. Het gebied kent verschillende vormen van agrarisch grondgebruik en is grootschalig en rationeel ingericht met grote Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 18 Het bestemmingsplan blokvormige kavels en rechte wegen. Opvallend is de aanwezigheid van het grote aantal sierteeltbedrijven, naast grondgebonden veehouderijen, akkerbouw‐ en vollegrondstuinbouwbedrijven. Ondanks dat de droogmakerij wordt doorsneden door Hazerswoude‐Dorp en aangrenzende bebouwingslinten, speelt de landschappelijke openheid hier ook een rol. Naast de openheid zijn er nauwelijks natuur‐ en landschapswaarden in deze zone aanwezig. Het ontwikkelingsperspectief voor deze zone ligt op het vlak van de grondgebonden landbouw. De externe productiefactoren zijn uitstekend. Er zijn nauwelijks beperkingen voor de grondgebonden landbouw. Voor de sierteelt geldt echter hetzelfde stramien als in zone 2. Gezien de druk op de grondmarkt en de trend van vrijkomende agrarische bedrijven is nieuwvestiging echter niet aan de orde. De kenmerken van het gebied in ogenschouw genomen, heeft deze zone minder perspectief voor verbrede landbouw en zijn de restricties voor nieuwe functies voor vrijkomende agrarische bebouwing het minst in vergelijking met de beide andere zones. Behalve het streven naar behoud van de landschappelijke openheid, zijn er voor landschap en natuur in zone 2 weinig toekomstperspectieven. Hetzelfde geldt voor recreatie, gezien het feit dat potenties voor recreatie vaak samenhangen met de kwaliteiten van natuur en landschap. 2.3.
Bouwmogelijkheden agrarische bedrijven Deze paragraaf geeft een overzicht van de bouwmogelijkheden uit het concept‐
voorontwerpbestemmingsplan die als uitgangspunt zijn gehanteerd voor de onderzoeksopzet (alternatieven zoals beschreven in hoofdstuk 3) en de effectbeschrijvingen in het planMER. Op basis van de uitkomsten van deze toetsing is bekeken op welke onderdelen een aanscherping of beperking van de bouwmogelijkheden wenselijk of noodzakelijk is. In het voorontwerpbestemmingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze is omgegaan met de uitkomsten uit het planMER. 2.3.1. Grondgebonden veehouderijen In alle 3 de zones wordt grondgebonden veehouderij toegestaan. Bij recht wordt aan een agrarisch bedrijf een bouwvlak van 1 ha toegekend of groter indien dit in de bestaande situatie het geval is. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak naar 2 ha opgenomen. De teelt van ruwvoeder is in het plangebied zonder beperkingen toegestaan, met uitzondering van de gebieden waar volgens het provinciale beleid beperkingen gelden. Daarbij worden drie functieaanduidingen opgenomen; gebieden waar het niet is toegestaan, voor de gebieden waar maximaal 20% van de bedrijfsoppervlakte gebruikt mag worden en voor de gebieden waar geen beperking geldt. De beperkingen gelden voor het grootste deel van het veenweidegebied. Figuur 2.3 geeft een overzicht van de begrenzing van de gebieden (binnen het grijze gebied gelden geen beperkingen voor de teelt van ruwvoeder) 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Het bestemmingsplan 19 Figuur 2.3 Uitsnede kaart mais‐ en ruwvoederteelt (bron: Agenda Landbouw, provincie Zuid‐Holland) 2.3.2. Intensieve veehouderijen (neventakken) In het plangebied komen geen bedrijven voor die alleen intensieve veehouderij kennen. Er zijn wel een beperkt aantal intensieve neventakken aanwezig in het plangebied. In zone 3 worden intensieve neventakken toegestaan zoals aanwezig op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan. In navolging van de provinciale Verordening Ruimte wordt eenmalige uitbreiding met ten hoogste 10% van de inhoud, of meer indien dat nodig is om te kunnen voldoen aan wettelijke eisen via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. 2.3.3. Sierteelt In het bestemmingsplan worden alleen de bestaande sierteeltbedrijven toegestaan. Uitbreiding of nieuwvestiging is niet mogelijk. Voor bestaande bedrijven wordt aangesloten bij de provinciale regeling voor teeltondersteunende voorzieningen voor boom‐ en sierteeltbedrijven buiten de boom‐ en sierteeltgebieden, namelijk 300 m² aan ondersteunend glas. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 20 Het bestemmingsplan 2.3.4. Neven‐ en vervolgfuncties De gemeente speelt in op de verbrede landbouw door nevenactiviteiten mogelijk te maken. Deze nevenactiviteiten worden deels bij recht en deels via afwijking mogelijk gemaakt. Het gaat om kleinschalige activiteiten die onder andere gericht zijn op recreatie. Per zone is aangegeven welke nevenfuncties bij agrarische bedrijven rechtstreeks of via afwijking zijn toegestaan. Tevens is een regeling voor vervolgfuncties bij agrarische bedrijven opgenomen. Voorwaarde hierbij is dat de bestaande bebouwing in geen geval mag worden uitgebreid. Nieuwbouw is alleen toegestaan als er ook bebouwing gesaneerd wordt, waarbij geldt dat 50% van de gesloopte bebouwing mag worden teruggebouwd tot een maximum van 150 m². Het type neven‐ en vervolgfuncties verschilt per zone, afhankelijk van de invloed van de functie op de omgeving en de aanwezige waarden (zie overzicht in bijlage 6 bij het planMER). 2.3.5. Paarden In het bestemmingsplan zijn de volgende bepalingen opgenomen met betrekking tot paarden: Paardenbakken dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Overschrijding van het bouwvlak ten behoeve van paardenbakken is alleen toegestaan bij de nevenfunctie paardenstalling. Maneges zijn als vervolgfunctie bij agrarische bedrijven alleen in zone 3 (droogmakerij) toegestaan. Paardenstalling en paardrijactiviteiten zijn als neven‐ en vervolgfunctie bij agrarische bedrijven in het gehele plangebied toegestaan. Africhtingsbedrijven voor paarden zijn als neven‐ en vervolgfunctie bij agrarische bedrijven alleen toegestaan in zone 2 (zuidelijk veenweidegebied) en zone 3 (droogmakerij). 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 21 3. Opzet planMER 3.1.
Plangebied en studiegebied In paragraaf 2.1 is ingegaan op de begrenzing van het plangebied. Het studiegebied is het gebied waar milieueffecten, als gevolg van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, (kunnen) optreden. De reikwijdte van de (potentiële) milieugevolgen van het bestemmingsplan kan aanzienlijk verschillen per milieuaspect. Voor bepaalde milieuaspecten komt het studiegebied vrijwel overeen met het plangebied (bijvoorbeeld landschap, cultuurhistorie en archeologie), voor andere milieuthema's kan het studiegebied zich tot ver buiten het plangebied uitstrekken. Een voorbeeld van laatstgenoemde is het thema stikstofdepositie, vooral als gevolg van de uitbreiding van veehouderijen / de omschakeling naar veehouderij. Indien het studiegebied afwijkt van het plangebied, wordt dit in de volgende hoofdstukken per thema aangegeven. Voor de overige ontwikkelingsruimte (niet veehouderij gerelateerd) is de omvang van het studiegebied over het algemeen beperkt. Deze ontwikkelingsruimte is dermate kleinschalig dat de reikwijdte van de (potentiële) milieueffecten beperkt is. 3.2.
3.2.1.
Alternatieven Referentiesituatie De beschrijving van de referentiesituatie vormt het referentiekader voor de effectbeschrijving van de plansituatie. Per milieuthema kan de referentiesituatie verschillen: alle milieuthema’s (met uitzondering van de passende beoordeling Natura 2000): de huidige situatie + bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort worden ingevuld + generieke planoverstijgende ontwikkelingen; Passende beoordeling: huidige, feitelijke, legale situatie, exclusief onbenutte ruimte in vergunningen. In het planMER is per milieuthema de huidige milieusituatie beschreven en is aangegeven wat er in het studiegebied zal gebeuren als de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd: de autonome ontwikkelingen. De vaststaande ontwikkelingen worden in het planMER als onderdeel van de referentiesituatie beschouwd. Het betreft onder andere de realisatie van een nieuwe 380 kV hoogspanningsleiding en de nieuwe gasleiding Beverwijk – Wijngaarden. Voor deze beide initiatieven is reeds een eigen planologische procedure doorlopen. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 22 Opzet planMER Figuur 3.1 Ligging nieuwe hoogspanningsverbinding (oranje) en gasleiding (paars), voor zover gelegen binnen het plangebied In het planMER spelen de veehouderijen een belangrijke rol. De ontwikkelingsruimte voor de veehouderijen vormt de directe aanleiding voor het opstellen van het planMER en neemt daarom een belangrijke plaats in de effectbeschrijvingen in. Figuur 3.2 geeft een overzicht van de bestaande veehouderijen binnen het plangebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de grondgebonden veehouderijen en de bedrijven met een intensieve neventak. Binnen het plangebied is sprake van drie intensieve neventakken (2 neventakken pluimvee en 1 neventak varkens), waarbij één van de drie (varkenshouderij, perceel Kruiskade 4) de bedrijfsactiviteiten binnen de planperiode zal beëindigen. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Opzet planMER 23 Figuur 3.2 Aanwezige veehouderijen binnen het plangebied (groen = grondgebonden veehouderij, rood = intensieve neventak) 3.2.2. Plansituatie Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan, zijn de veehouderijen voor een belangrijk deel bepalend voor de milieusituatie binnen het plangebied en de mogelijke effecten op de Natura 2000‐gebieden buiten het plangebied. Ontwikkelingsruimte veehouderijen Het bestemmingsplan biedt generieke ontwikkelingsruimte aan de grondgebonden veehouderijen. Het is daarbij onduidelijk waar, op welk moment en in welke omvang gebruik zal worden gemaakt van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude biedt. Uitgangspunt voor de onderzoeksopzet is dat het planMER de bandbreedte aan mogelijk optredende milieueffecten in beeld brengt. Voor de meeste milieuthema’s kan worden volstaan met een beschrijving van de Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 24 Opzet planMER referentiesituatie en de maximale invulling van het bestemmingsplan. Voor het thema stikstofdepositie zijn om inzicht te krijgen in de (potentiële) milieugevolgen twee alternatieven doorgerekend. Maximale invulling bouwmogelijkheden veehouderij Gelet op de eisen uit het Besluit m.e.r. en jurisprudentie dient het planMER in ieder geval inzicht te geven in de milieugevolgen van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Deze maximale ontwikkelingsruimte omvat niet alleen de mogelijkheden die in het bestemmingsplan bij recht worden geboden, maar ook via afwijking met een omgevingsvergunning of wijzigingsbevoegdheden. Concreet betekent dit dat bestaande grondgebonden veehouderijen uitbreiden totdat het bouwvlak (2 hectare via wijzigingsbevoegdheid) volledig volgebouwd is. Daarnaast vindt op andere agrarische bouwvlakken waar mogelijk een omschakeling naar grondgebonden veehouderij plaats. Voor het bepalen van de maximale invulling van de bouwvlakken wordt gebruikgemaakt van kentallen. Bijlage 3 geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten. Realistische invulling bouwmogelijkheden veehouderij Gezien de trends binnen de agrarische sector en de daarmee samenhangende afname van het aantal agrarische bedrijven, is het niet reëel dat alle veehouderijen binnen het plangebied zullen uitbreiden. Naast de maximale invulling van alle bouwmogelijkheden is in het onderzoek stikstofdepositie daarom ook een realistische invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt onderzocht. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het CBS (Statline) over de ontwikkeling van het aantal stuks vee binnen de voormalige gemeente Rijnwoude. Uit deze gegevens blijkt dat over de afgelopen 12 jaar voor de meeste diercategorieën binnen de voormalige gemeente Rijnwoude sprake is geweest van een afname van het aantal bedrijven en ook van het aantal stuks vee. De intensieve neventakken van varkenshouderijen zijn nagenoeg geheel uit het plangebied verdwenen (er is nog sprake van één intensieve neventak met varkens, die binnen de planperiode zal worden beëindigd). Wel is nog sprake van een tweetal intensieve neventakken vleeskuikens. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de betreffende CBS‐gegevens. Tabel 3.1 Aantal dieren Rijnwoude (CBS) diercategorie Aantal bedrijven Aantal stuks vee 2000 2012 2000 2012 rundvee 77 59 6.161 5.570 schapen 72 54 4.752 3.443 vleeskuikens 1 2 22.000 86.500 varkens 6 1 1.662 80 De verwachting is dat binnen de komende planperiode het aantal veehouderijen verder zal afnemen. Voor de melkrundveehouderij dient rekening te worden gehouden met een mogelijke groei van het aantal stuks vee vanwege het wegvallen van de melkquota in 2015. In dit planMER is naast de maximale invulling op basis van de CBS‐gegevens een realistische invulling uitgewerkt. Bijlage 3 geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten. Uitvoerbaar alternatief Bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, zijn significante negatieve effecten op Natura 2000 niet uit te sluiten. In de passende beoordeling is bekeken met welke maatregelen significante negatieve effecten kunnen worden voorkomen (of zo veel mogelijk beperkt). De volgende onderzoekssituaties zijn in beeld gebracht: Uitsluiten omschakeling naar grondgebonden veehouderij; Uitsluiten omschakeling, in combinatie met het laten vervallen van de wijzigingsbevoegdheden voor vergroting van het bouwvlak (uitbreiding is uitsluitend mogelijk binnen het bouwvlak zoals opgenomen op de verbeelding); Uitsluiten omschakeling, vervallen wijzigingsbevoegdheden en toepassen emissiearme stalsystemen; 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Opzet planMER -
25 Het opnemen van een voorwaardelijke verplichting, waarmee een uitbreiding van het aantal dieren (of wijziging van de aanwezige diercategorieën afhankelijk wordt gesteld van het niet toenemen van de stikstofdepositie binnen Natura 2000). Overige ontwikkelingsmogelijkheden Het planMER gaat niet alleen in op de effecten van de veehouderijen, maar ook op de overige effecten als gevolg van de overige ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Het betreft onder andere neven‐ en vervolgfuncties bij agrarische bedrijven. Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 gaat het om kleinschalige nevenactiviteiten, voorzieningen en vervolgfuncties met een beperkte milieu uitstraling. Gezien de aard en omvang van deze ontwikkelingsruimte kan worden volstaan met een beschrijving op hoofdlijnen van de maximale ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Er is geen aanleiding voor het beschrijven van alternatieven. 3.3.
Sectorale onderzoeken Tabel 3.2 geeft een overzicht van de te onderzoeken milieuaspecten die in het planMER aan de orde komen en de wijze waarop de milieueffecten inzichtelijk zijn gemaakt. Voor zover dat nuttig is worden de effecten kwantitatief beschreven. Vanwege het schaalniveau van het bestemmingsplan Buitengebied, worden de meeste effecten echter kwalitatief beschreven. Bij de effectbeoordeling is gebruikgemaakt van een ordinale schaal, zodat de verschillende milieueffecten met elkaar kunnen worden vergeleken. Bij deze schaal worden de volgende klassen gebruikt: een zeer negatief effect: ‐‐ een negatief effect: ‐ een licht negatief effect: ‐/0 een neutraal effect: 0 een licht positief effect: 0/+ een positief effect: + een zeer positief effect: ++ Tabel 3.2 Overzicht sectorale onderzoeken thema natuur te beschrijven effecten areaalverlies, verstoring,, verandering waterhuishouding, vermesting/verzuring, versnippering beschermde gebieden -
-
aantasting leefgebied beschermde soorten werkwijze kwalitatief/kwantitatief -
-
kwalitatief landschap, cultuurhistorie en -
archeologie woon‐ en leefklimaat overige milieuaspecten Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam -
aantasting karakteristieke patronen, structuren en kenmerken -
aantasting openheid -
aantasting archeologische waarden geurhinder luchtkwaliteit gezondheid externe veiligheid geluid bodem en water verkeer en vervoer kwalitatief kwalitatief kwalitatief kwantitatief (V‐stacks gebied) kwantitatief (basisgegevens en kentallen) kwalitatief kwalitatief kwalitatief kwalitatief kwalitatief 167200.18076.00 26 Opzet planMER 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 27 4. Natuur: passende beoordeling
Bij de beoordeling van het aspect ecologie worden met betrekking tot de beschermde soorten, Natura 2000 en de Ecologische Hoofdstructuur de volgende toetsingscriteria gehanteerd: aantasting of verstoring Natura 2000, Ecologische Hoofdstructuur en Beschermde Natuurmonumenten; -
aantasting of verstoring weidevogelleefgebied; -
verstoring of vernietiging van matig en zwaar beschermde soorten of hun vaste rust‐ en verblijfs‐
plaatsen. Ten aanzien van Natura 2000 is het studiegebied groter dan het plangebied. Het studiegebied reikt tot de maatgevende Natura 2000‐gebieden in de omgeving van het plangebied zoals in paragraaf 3.1 is aangegeven. Bij het opstellen van deze paragraaf zijn de volgende bronnen gehanteerd: - Alterra, Dobben, H.F. van (2012): 'Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000' Alterra‐rapport 2397 - Krijgsveld, K.L., R.R. Smits & J. van der Winden (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Rapport 08‐173. Bureau Waardenburg, Culemborg. Gebiedendatabase Natura 2000‐gebieden - Ministerie van EL&I/EZ (2013): (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k); - Provincie Zuid‐Holland (1 december 2012): Ontwerpbeheerplan bijzondere natuurwaarden Nieuwkoopse Plassen & De Haeck periode 2013 – 2018 en bijlagenrapport; - Provincie Zuid‐Holland (2012): Beheerplan bijzondere natuurwaarden, Broekvelden, vettenbroek & Polder Stein; - www.pbl.nl; - www.rivm.nl/nl/themasites/gcn/Depositiekaarten; - http://vogelsrijnwoude.nl; - www.waarneming.nl; - www.ravon.nl. 4.1.
Toetsingskader Natuurbeschermingswet 1998 (Nb‐wet) Bescherming van Natura 2000‐gebieden is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet: verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingzones (sbz's) op grond van de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; regelt ook de bescherming van de al bestaande (staats)natuurmonumenten; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 28 -
Natuur: passende beoordeling legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van Nb‐wetvergunningen meestal bij de provincies (in dit geval Gedeputeerde Staten van Zuid‐Holland). Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten, die  gelet op de instandhoudingsdoelstelling  de kwaliteit van het gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben1). Voor vergunningverlening is dan een habitattoets nodig. Een dergelijke toets verloopt volgens verschillende stappen. De eerste stap betreft de oriëntatiefase waarin sprake is van een voortoets. Centraal staat dan de vraag of er een kans op een significant negatief effect is. Indien dit het geval is, dient aan de hand van een passende beoordeling dit effect te worden bepaald. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen dient vervolgens voldaan te worden aan de zogenaamde ADC‐criteria: zijn er geen Alternatieven? is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? zijn er Compenserende maatregelen voorzien? In de oriëntatiefase kan ook geconstateerd worden dat er wel een negatief effect wordt verwacht, maar zeker geen significant effect. In dat geval kan voor vergunningverlening volstaan worden met een zogenaamde verslechterings‐ en verstoringstoets. In deze minder diepgaande toets dient dan te worden onderbouwd dat sprake is van een aanvaardbaar of zelfs verwaarloosbaar effect. In het kader van de Natuurbeschermingswet dienen zowel interne effecten (binnen Natura 2000) als externe effecten (buiten Natura 2000) van het voornemen op de te beschermen soorten en habitats te worden onderzocht. Voor Natura 2000‐gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. In dergelijke gevallen moeten tevens inspraakmogelijkheden zijn geboden. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd terwijl het negatief beoordeeld is, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Flora‐ en faunawet Voor de soortenbescherming is de Flora‐ en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier‐ en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier‐ en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings‐ of vaste rust‐ en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover 1) Volgens de EU‐handleiding treedt 'verslechtering' op, wanneer de door de habitat ingenomen oppervlakte afneemt of wanneer er een dalende lijn optreedt met betrekking tot de specifieke betekenis van een gebied voor de instandhouding van de habitat of de daarmee 'geassocieerde typische soorten' op lange termijn. Van 'verstoring' is volgens de EU‐handleiding sprake, wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de soort het gevaar loopt niet langer een levensvatbare component van de natuurlijke habitat te blijven. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 29 deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien: er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land‐ en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang); -
er geen alternatief is; -
geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend. Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11: De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten: Nesten die het hele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen. 1.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust‐ en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2.
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3.
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4.
Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5‐soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat. 4.1.1. Toetsingscriteria In het plangebied ligt het Natura 2000‐gebied De Wilck. Dit gebied is niet stikstofgevoelig, maar effecten als verandering waterhuishouding, aantasting foerageergebied en verstoring zouden wel op kunnen treden. Versnippering en areaalverlies treden niet op aangezien het gebied een natuurbestemming Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 30 Natuur: passende beoordeling krijgt. Op ruimere afstand (< 20 km) van het plangebied liggen verschillende stikstofgevoelige Natura 2000‐gebieden. Deze gebieden zijn op figuur 4.1 weergegeven. Het betreft: - Kennemerland‐Zuid; -
Coepelduynen; -
Meijendel en Berkheide; -
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck; - Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Het Natura 2000‐gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein is niet stikstofgevoelig, maar de smient en kleine zwaan zouden wel in het plangebied kunnen foerageren. Op grond van de externe werking van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen ook mogelijke effecten van buiten de Natura 2000‐gebieden onderzocht worden. Het gaat hier om mogelijke verstoring als gevolg van een toename van het aantal recreanten en het optreden van vermesting/verzuring als gevolg van een toename van stikstofdepositie. Figuur 4.1 Natura 2000‐gebieden in en nabij Rijnwoude 4.2.
Referentiesituatie Op grond van jurisprudentie dient in een passende beoordeling in het kader van een bestemmingsplan als referentiesituatie uit te worden gegaan van de huidige, feitelijke, legale situatie (exclusief onbenutte ruimte in vergunningen). Deze referentiesituatie vormt dan ook het uitgangspunt voor de beschrijving van de effecten op Natura 2000 door het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 4.2.1.
31 Natura 2000‐gebieden en beschermde natuurmonumenten Kennemerland‐Zuid Kennemerland‐Zuid is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig. Hier is een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. Kennemerland‐Zuid is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. Het gebied is op 7 mei 2013 definitief als Natura 2000‐gebied aangewezen. Tabel 4.1 Instandhoudingsdoelstellingen Kennemerland‐Zuid SVI Landelijk
Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop.
Habitattypen H2110 Embryonale duinen + = = H2120 Witte duinen ‐ > > H2130A *Grijze duinen (kalkrijk) ‐‐ > > H2130B *Grijze duinen (kalkarm) ‐‐ = > H2130C *Grijze duinen (heischraal) ‐‐ > > H2150 *Duinheiden met struikhei + = = H2160 Duindoornstruwelen + = (<) = H2170 Kruipwilgstruwelen + = (<) = H2180A Duinbossen (droog) + = = H2180B Duinbossen (vochtig) ‐ = > H2180C Duinbossen (binnenduinrand) ‐ = = H2190A Vochtige duinvalleien (open water) ‐ > > H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) ‐ > > H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) = = H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) ‐ > > Habitatsoorten H1014 Nauwe korfslak ‐ = = = H1903 Groenknolorchis ‐‐ > > > * prioritair habitattype. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 32 Natuur: passende beoordeling Legenda W Kernopgave met wateropgave % Sense of urgency: beheeropgave
% Sense of urgency opgave m.b.t. watercondities
SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (‐‐ zeer ongunstig; ‐ matig ongunstig, + gunstig)
= Behoudsdoelstelling > Verbeter‐ of uitbreidingsdoelstelling
=(<) Ontwerp‐aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering
Figuur 4.2 Achtergronddepositie in 2012 in Kennemerland‐Zuid (bron: RIVM Geodatasite) In Kennemerland‐Zuid zijn meerdere stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. In onderstaande tabel zijn de kritische depositiewaarden (KDW’s) van de habitattypen weergegeven. Voor de oranje gekleurde habitattypen wordt de achtergronddepositie overschreden. Habitattype kritische N‐depositie H2110 Embryonale witte duinen 1429 H2120 witte duinen 1429 H2130A *grijze duinen (kalkrijk) 1071 H2130B *grijze duinen (kalkarm) 714 H2130C *Grijze duinen (heischraal) 714 H2150 *duinen met struikhei 1071 H2160 duindoornstruwelen 2000 H2170 kruipwilgstruwelen 2286 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling H2180A duinbossen (droog) 1071 H2180B duinbossen (vochtig) 2214 H2180C duinbossen (binnenduinrand) 1786 H2190A vochtige duinvalleien (open water) 1000 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 1429 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) 33 1071 H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) > 2400 Achtergronddepositie hoger dan de KDW Achtergronddepositie lager dan de KDW Coepelduynen Het Natura 2000‐gebied Coepelduynen omvat de smalle strook kustduinen tussen Katwijk en Noordwijk. Het relatief kleine gebied is van bijzondere waarde omdat er op grote schaal goed ontwikkeld, kalkrijk duingrasland voorkomt dat kenmerkend is voor het zeedorpenlandschap. Andere habitattypen nemen in het gebied een marginale plaats in. Het relatief kleine gebied heeft een gevarieerd duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het gebied behoort tot de kalkrijke jonge duinen. Er is geen duidelijke binnenduinrand aanwezig, waardoor de overgang naar het polderlandschap vrij abrupt is. Delen zijn in het verleden door de mens beïnvloed en gebruikt voor het drogen van netten, het weiden van vee en als duinakkers. Hierdoor is een specifiek open duinlandschap ontstaan met een afwisseling van duingraslanden, struwelen en bos waarin waardevolle flora en fauna voorkomt. Deze vegetaties zijn de aanleiding geweest het gebied als Natura 2000‐gebied aan te wijzen. Coepelduynen is een Habitatrichtlijngebied en is in 2009 definitief als Natura 2000‐gebied aangewezen. In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen opgenomen. Tabel 4.2 Instandhoudingsdoelstellingen Coepelduynen Habitattypen SVI Lande‐
Doelst. Doelst. Doelst. lijk Opp.vl. Kwal. Pop. H2120 Witte duinen ‐ = > H2130A *Grijze duinen (kalkrijk) ‐‐ = = H2160 Duindoornstruwelen + = = H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) = > * prioritair habitattype. Ook in Coepelduynen zijn enkele stikstofgevoelige habitattypen aanwezig en is voor drie van de vier habitattypen de achtergronddepositie hoger dan de KDW. Habitattype kritische N‐depositie H2120 witte duinen 1429 H2130A *grijze duinen (kalkrijk) 1071 H2160 duindoornstruwelen 2000 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 1429 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 34 Natuur: passende beoordeling Figuur 4.3 Achtergronddepositie in 2012 in Coepelduynen (bron: RIVM Geodatasite) Meijendel en Berkheide Meijendel en Berkheide bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestoven duinvlakten', dat in het zuidelijk deel minder reliëfrijk is. In het noordelijke deelgebied Berkheide liep het zand vast in de oorspronkelijk natte stroombedding van de oude Rijn. Het is gevormd door overstuiving van oude duinen, waardoor het een relatief hooggelegen duinmassief is. Hier is de kweldruk dan ook groter dan in Meijendel. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. Dit zijn duinakkers die nu vooral uit bos bestaan; het gebied kent dan ook een aantal goed ontwikkelde bostypen. Plaatselijk, zoals in de Libellenvallei, komen soortenrijke duinvalleibegroeiingen voor. Na grootschalig herstel van een aantal valleien bij de Wassenaarse Slag breiden deze begroeiingen zich uit. In Berkheide is, met name in de buurt van Katwijk, een groot areaal goed ontwikkeld kalkrijk duingrasland aanwezig, ontstaan door het eeuwenlange menselijke gebruik van het zogenaamde zeedorpenlandschap. Meijendel en Berkheide is een Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. Het gebied is op 7 mei 2013 definitief als Natura 2000‐gebied aangewezen. Tabel 4.3 Instandhoudingsdoelstellingen Meijendel en Berkheide Habitattypen H2120 Witte duinen SVI Lande‐
Doelst. Doelst. Doelst. lijk Opp.vl. Kwal. Pop. ‐ = > H2130A *Grijze duinen (kalkrijk) ‐‐ > > H2130B *Grijze duinen (kalkarm) ‐‐ > > H2160 Duindoornstruwelen + = (<) = H2180A Duinbossen (droog) + = = H2180B Duinbossen (vochtig) ‐ = = H2180C Duinbossen (binnenduinrand) ‐ = > H2190A Vochtige duinvalleien (open water) ‐ > > H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) ‐ > > H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) ‐ > > 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling Habitatsoorten 35 H1014 Nauwe korfslak ‐ = = = H1318 Meervleermuis ‐ = = = * prioritair habitattype. Figuur 4.4 Achtergronddepositie in 2012 in Meijendel en Berkheide (bron: RIVM Geodatasite) In onderstaande tabel zijn de KDW’s van de habitattypen in Meijendel en Berkheide opgenomen. De achtergronddepositie is in de meeste gevallen hoger dan de KDW. Habitattype kritische N‐depositie H2120 witte duinen 1429 H2130A *grijze duinen (kalkrijk) 1071 H2130B *grijze duinen (kalkarm) 714 H2160 duindoornstruwelen 2000 H2170 kruipwilgstruwelen 2286 H2180A duinbossen (droog) 1071 H2180B duinbossen (vochtig) 2214 H2180C duinbossen (binnenduinrand) 1786 H2190A vochtige duinvalleien (open water) 1000 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 1429 H2190D Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten) > 2400 De Wilck Het gebied De Wilck bestaat uit vochtige en natte graslanden. De Wilck maakt onderdeel uit van het Hollands‐Utrechtse veenweidegebied. De veengebieden zijn pas vanaf de 10e eeuw in gebruik genomen en vanaf de dertiende eeuw is sprake van een systeem van polders en boezems waarop het water wordt uitgeslagen. De Slingerwetering die door het gebied loopt maakte vroeger deel uit van de loop van een eertijds uit het hoogveen ontspringend veenstroompje de Wilck. Het gebied is van betekenis als foerageergebied en vooral rustplaats voor kleine zwanen, die van hieruit ook in de omgeving van het gebied foerageren. Daarnaast is het gebied van betekenis als rust‐ en foerageergebied voor smienten. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 36 Natuur: passende beoordeling De Wilck is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het gebied is op 7 mei 2013 definitief als Natura 2000‐
gebied aangewezen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de vogelsoorten waar het gebied voor is aangewezen. Het gebied is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Tabel 4.4 Instandhoudingsdoelstellingen De Wilck Niet‐broedvogels SVI Landelijk Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop. Draagkracht aantal Draagkracht vogels aantal paren A037 Kleine Zwaan ‐ = = 10 foer./160 slaap A050 Smient + = = 2100 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck De Nieuwkoopse Plassen en De Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. De is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger, snor, rietzanger). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras‐ en watervogels (zwartkopmeeuw, zwarte stern). Voor de zwartkopmeeuw betreft het de grootste broedkolonie buiten de Delta. De Nieuwkoopse Plassen en De Haeck is aangewezen als Vogel‐ en Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor vogels en habitattypen en –soorten. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. Het is nog niet bekend wanneer het gebied definitief als Natura 2000‐gebied wordt aangewezen. Voor het gebied is een concept‐beheerplan opgesteld. Tabel 4.5 Instandhoudingsdoelstellingen Nieuwkoopse Plassen en De Haeck SVI Landelijk
Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Kranswierwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Vochtige heiden (laagveengebied) ‐‐ > > ‐ > > ‐ > = Blauwgraslanden Overgangs‐ en trilvenen (trilvenen) Overgangs‐ en trilvenen (veenmosrietlanden) ‐‐ > > ‐‐ > > ‐ > > H7210 *Galigaanmoerassen ‐ = = H91D0 *Hoogveenbossen ‐ = = Doelst. Pop. Draagkracht aantal vogels Draagkracht aantal paren Habitattypen H3140 H3150 H4010B H6410 H7140A H7140B Habitatsoorten Gestreepte waterroofkever ‐‐ > > > H1134 Bittervoorn ‐ = = = H1149 Kleine modderkruiper + = = = H1318 Meervleermuis ‐ = = = H1340 *Noordse woelmuis ‐‐ = = = H1903 Groenknolorchis ‐‐ = = = H4056 Platte schijfhoren ‐ = = = ‐‐ > > H1082 Broedvogels A021 Roerdomp 167200.18076.00 6 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 37 A022 Woudaapje ‐‐ > > 5 A029 Purperreiger ‐‐ = = 120 A176 Zwartkopmeeuw + = = 9 A197 Zwarte Stern ‐‐ > > 100 A292 Snor ‐‐ > > 50 A295 Rietzanger ‐ = = 340 A298 Grote karekiet ‐‐ > > 5 Niet‐broedvogels A027 Grote Zilverreiger + = = 60 A041 Kolgans + = = 3000 A050 Smient + = = 3500 A051 Krakeend + = = 90 * prioritair habitattype. Figuur 4.5 Achtergronddepositie in 2012 in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (bron: RIVM Geodatasite) Ook in de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn meerdere stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. De achtergronddepositie is ook hoger dan de KDW van deze habitattypen. 2
Habitattype kritische N‐depositie H3140 (lv) Kranswierwateren (in laagveengebieden) 2143 H3150 (baz) Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (buiten afgesloten zeearmen) 2143 H4010B Vochtige heide 786 H6410 Blauwgraslanden 1071 H7140A Overgangs‐ en trilvenen (trilvenen) 1214 H7140B Overgangs‐ en trilvenen (veenmosrietlanden) 714 H7210 * Galigaanmoerassen (kalkhoudend) 1571 H91D0 * Hoogveenbossen 1786 De PAS‐analyses voor het beheerplan wijzen uit dat de hoge stikstofdepositie op de verschillende habitattypen een verslechterend effect heeft, maar dat er ook andere knelpunten zijn. Het gaat hierbij vooral om eutrofiering (intern en extern), waterkwaliteit, ontbreken van initiële verlandingsstadia, Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 38 Natuur: passende beoordeling problemen met dispersie, wegzijging van water naar laaggelegen polders in de omgeving waardoor er een verhoogde inlaatbehoefte is. Voor deze knelpunten zijn dan ook maatregelenpakketten opgesteld. Het meest stikstofgevoelige habitattype is Overgangs‐ en trilvenen (veenmosrietlanden) en heeft een kritische depositiewaarde van 714 mol N/ha/jr. De achtergrondwaarden zijn hier ruimschoots hoger dan de KDW van de veenmosrietlanden. Veenmosrietland is een tijdelijk stadium in de verlandingsreeks en kent daardoor een natuurlijke variatie in oppervlakte en kwaliteit. Omdat veenmosrietland een tijdelijk stadium is, zullen de bestaande veenmosrietlanden uiteindelijk altijd verdwijnen. Voor behoud van het areaal habitattype is het nood‐
zakelijk dat op een andere locatie uit nieuwe verlandingen weer veenmosrietlanden ontstaan. veenmosrietland kan ongeveer 50 jaar worden behouden. Stikstofdepositie zorgt voor een veranderde en versnelde successie en daarmee voor een versnelde afname in oppervlakte en kwaliteit. Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ligt in het Groene Hart van Zuid‐Holland in een nat graslandgebied. Op klei‐op‐veengronden in de nabijheid van rivieren komt hier van oudsher de kievitsbloem voor, een soort die zich sterk wist uit te breiden in de Gouden Eeuw, toen in dit gebied de weinig productieve blauwgraslanden geschikter werden gemaakt als landbouwgrond door bemesting met slootbagger, koemest, compost en huishoudelijk afval. De poldergraslanden rondom Gouda en Reeuwijk zijn sinds die tijd vermaard om de massaal bloeiende kievitsbloemen, die hier 'wilde tulpen' werden genoemd. Polder Steijn, in de nabijheid van Reeuwijk, herbergt momenteel het laatste belangrijke restant in West‐Nederland van de hier ooit wijd verspreid voorkomende hooilanden met wilde kievitsbloem. De plassen en enkele omringende polders ontlenen hun status als Vogelrichtlijngebied aan twee wintergasten: smient en kleine zwaan. Smienten gebruiken de surfplas Vettenbroek massaal als rustgebied, terwijl kleine zwanen met grote regelmatig de polders rond het plassengebied, vooral Polder Stein‐Noord (tussen de Twaalfmorgen en de spoorlijn) als voedselgebied gebruiken. In de broedtijd zijn de polders rijk aan weidevogels met een redelijke stand van onder andere de grutto en broeden op veel plaatsen langs de oevers rietvogels als rietzanger. In combinatie met de aanliggende Reeuwijkse Plassen is er nog een redelijke populatie Grote karekiet aanwezig van een tiental paren; de belangrijkste concentratie in Zuid‐Holland. Afslag van de oevers is voor deze vogels plaatslijk een probleem. Daarnaast is het gebied van enige betekenis voor krakeend en slobeend (Broekvelden/Vettenbroek). Als slaapplaats dient vooral de plas Broekvelden/Vettenbroek, voor de kleine zwaan tevens Polder Stein, waar ze, vooral in het noordelijk deel, ook overdag te vinden zijn. Dit Vogelrichtlijngebied is op 30 december 2010 definitief aangewezen als Natura 2000‐gebied. Dit betekent dat voor het gebied instandhoudingsdoelen zijn opgenomen voor niet‐broedvogels. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen. In 2012 in het beheerplan voor het gebied vastgesteld. Tabel 4.6 Instandhoudingsdoelstellingen Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein SVI Landelijk Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop.
Draagkracht aantal vogels Draagkracht aantal paren Niet‐broedvogels A037 Kleine Zwaan ‐ = = 40 A050 Smient + = = 7500 A051 Krakeend + = = 70 A056 Slobeend + = = 50 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 39 De vogelsoorten zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie. De smient en kleine zwaan kunnen echter wel in het plangebied foerageren, aangezien zij maximale foerageerafstanden van ca. 10 – 12 km 2, 3 hebben. Hoewel het zwaartepunt van het foerageergebied vooral op kortere afstand in de veenweidegebieden ten zuiden en oosten van het Natura 2000‐gebied zal liggen, vanwege tussenliggende barrières in de vorm van windturbines en hoogspanningskabels 4.2.2. Beschermde Natuurmonumenten Circa 2,7 km ten noorden van het plangebied, in het Braassemermeer ligt het beschermd natuurmonument “Oeverlanden Braassemermeer”. Het gebied bestaat uit een aantal oeverstroken en eilandjes die bezet zijn met enkele van de laatste resten van op boezempeil gelegen broekbos. Dit broekbos is omgeven door ruigten en rietstroken met de voor zulke terreinen kenmerkende vegetaties. Het natuurmonument is zeer belangrijk voor vogels. In het broekbos en rietland broeden vele vogelsoorten en het open water ten noorden van de eilanden biedt een wijkplaats aan allerlei soorten watervogels. De bosgordel op de oeverstroken van de eilandjes is vanwege de dominantie in het ten zuiden van het gebied gelegen polderland, landschappelijk van betekenis. Het gebied is op 26 juni 1973 aangewezen. Het Broekbos is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Andere beschermde natuurmonumenten zijn opgenomen binnen de begrenzing en bescherming van de Natura 2000‐gebieden. 4.2.3. Ecologische Hoofdstructuur Binnen het plangebied zijn verschillende gebieden gelegen die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Op figuur 4.6 is te zien dat het Natura 2000‐gebied De Wilck tevens als Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is aangewezen. Dat geldt ook voor de randen rondom De Wilck. Daarnaast zijn grenzen aan De Wilck kleine gebieden aangewezen als strategische reservering. Dit betekent dat in deze gebieden geen ontwikkelingen mogelijk mogen worden gemaakt die in de toekomst de EHS in deze gebieden onmogelijk maken. Het natuurgebied Spookverlaat/Kruiskade, ten noorden van Hazerswoude‐Dorp, maakt ook deel uit van de EHS. Dit gebied is van groot belang voor een groot aantal soorten. Diverse zang‐ en watervogels vinden hier hun leefgebied. Met name in de trektijd kunnen kemphanen, wulpen, grutto's, watersnippen, tureluurs, oeverlopers, groenpootruiters, zwarte ruiters, witgatjes en bosruiters gezien worden. Het gebied is ook van belang voor verschillende zwaluwsoorten, zoals de oever‐ en boerenzwaluw. Ook roofvogels, zoals buizerd, sperwer en torenvalk vinden hier geschikt leefgebied. Ook is een nieuw gebied westelijk van het Oostvaartpad aangewezen als EHS en is langs de Broekweg sprake van een ecologische verbindingszone. Een groot deel van het plangebied is daarnaast aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. De kievit komt talrijk voor en ook scholekster, grutto en wulp komen hier, in kleinere aantallen, voor. 2
Boudewijn, T.J., Müskens, G.J.D.M., Beuker, D., Kats, R. van, Poot, M.J.M. & Ebbinge, B.S. 2009. Evaluatie opvangbeleid 2005‐2008 overwinterende ganzen en smienten. Deelrapport 2. Verspreidingspatronen van foeragerende smienten. Alterra rapport 1841 / Rapport Bureau Waardenburg 08‐090. Alterra, Wageningen / Bureau Waardenburg, Culemborg. 3
Gils, J.A. van & Tijsen, W. 2007. Short‐term foraging costs and long‐term fueling rates in central‐place foraging swans revealed by giving‐up exploitation times. American Naturalist 169: 609‐620.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 40 Natuur: passende beoordeling Figuur 4.6 Ecologische Hoofdstructuur en belangrijke weidevogelgebieden (bron: geo‐loket provincie Zuid‐Holland) 4.2.4. Beschermde soorten De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl). Vaatplanten De laanbeplanting, de bermen en groenstroken binnen het plangebied bieden groeiplaatsen aan de beschermde brede wespenorchis. In en langs de waterpartijen zijn naar verwachting groeiplaatsen van de beschermde zwanenbloem, dotterbloem en rietorchis aanwezig. Het ruige plantsoen in het plangebied biedt groeiplaatsen aan de beschermde grote kaardenbol. Vogels In de tuinen en groenstroken komen tuin‐ en struweelvogels voor. Hier zijn soorten als koolmees, roodborst, winterkoning en merel aanwezig. Onder andere spreeuw, huismus, boeren‐ en gierzwaluw en kauw kunnen broeden in (de omgeving van) de bebouwing. De bomen bieden mogelijk nestgelegenheid aan soorten als de torenvalk, sperwer, buizerd, kraai en grote bonte specht. De waterpartijen bieden leefgebied aan watervogels als meerkoet, wilde eend en waterhoen. In het riet kan ook de bruine kiekendief broeden. En zoals in de vorige paragraaf al is aangegeven komen in het plangebied veel weidevogels voor. Zoogdieren Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, bunzing, hermelijn, wezel, haas en konijn. De bomen en bebouwing kunnen plaats bieden aan vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. De groenstroken en waterpartijen kunnen daarnaast fungeren als foerageergebied of onderdeel zijn van een vlieg/migratieroute van vleermuizen. De zwaar beschermde waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort komt in Zuid‐Holland buiten de kustgebieden met name in kwelgebieden voor. Amfibieën Algemene amfibieën als bruine kikker, middelste groene kikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen zeker gebruik zullen maken van het plangebied als schuilplaats in struiken, onder stenen, in kelders en als voortplantingsplaats in de waterpartijen. In het plangebied is de zwaar beschermde 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 41 rugstreeppad de afgelopen 5 jaar niet waargenomen (waarneming.nl), nabij Alphen aan de Rijn en Boskoop wel, de soort zou wel in het plangebied voor kunnen komen. Vissen De waterpartijen bieden waarschijnlijk leefgebied aan de beschermde kleine modderkruiper en bittervoorn. Weekdieren De zwaar beschermde platte schijfhoren heeft een voorkeur voor helder, stilstaand of zeer zwakstromend water met een rijke plantengroei. De trefkans is het grootst als zowel ondergedoken vaatplanten, draadalgen, als planten met drijvende bladeren aanwezig zijn. Er lijkt een zekere voorkeur voor veenbodems te bestaan, ten opzichte van zand‐ en kleibodems. De soort leeft zowel in grote plassen en meren als in smalle sloten. Het water mag niet te voedselrijk zijn, terwijl ook anderszins ionenrijk water wordt gemeden; zo komt de soort niet voor in brakke wateren. Overige soorten Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan. In tabel 4.7 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen. Tabel 4.7 Naar verwachting voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (lijst is niet limitatief) Nader onderzoek nodig bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen Vrijstellingsrege‐
ling Ffw tabel 1 Nee grote kaardenbol, brede wespenorchis, zwanenbloem en dotterbloem mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis, bunzing, hermelijn, wezel, haas en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de middelste groene kikker Ontheffingsrege‐
ling Ffw tabel 2 rietorchis
kleine modderkruiper Ja tabel 3 bijlage 1 AMvB
bittervoorn
waterspitsmuis Ja alle vleermuizen
rugstreeppad Ja Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam bijlage IV HR
167200.18076.00 42 Natuur: passende beoordeling platte schijfhoren
vogels cat. 1 t/m 4
categorie 5
buizerd, sperwer, gierzwaluw en huismus Ja boerenzwaluw, torenvalk, grote bonte Nee specht 4.3.
4.3.1.
Plansituatie Natura 2000‐gebieden en beschermde natuurmonumenten Vermesting/verzuring Uitbreiding van agrarische bedrijven door benutten van de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt kan leiden tot extra stikstofemissie en daarmee tot extra depositie op de stikstofgevoelige habitattypen binnen de Natura 2000‐gebieden. De depositie is berekend ter hoogte van 9 receptorpunten op kortste en verste afstand in de maatgevende Natura 2000‐gebieden. Tabel 4.8 geeft inzicht in de gevolgen van het benutten van de maximale uitbreidingsruimte voor alle bestaande veehouderijen binnen het plangebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de toename als gevolg van de uitbreiding van de bestaande veehouderijen en de toename die samenhangt met de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor omschakeling naar veehouderij (dit betreft een theoretisch maximale situatie waarin op ieder Agrarisch bouwvlak binnen het plangebied een veehouderij is gevestigd). Bijlage 3 bevat een overzicht van de berekeningsuitgangspunten en ‐
resultaten. Naast gevolgen van de maximale invulling, geeft tabel 4.8 ook inzicht in de te verwachten effecten bij een meer realistische invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Tabel 4.8 Toename stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie depositie (in mol/ha/jaar) Rekenpunten huidig realistisch maximaal omschakeling Totaal 1 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1 4,38 +1,28 uitbreiding
+15,02 +34,05 +49.07 2 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 2,13 +0,63 +7,18 +16,34 +23.52 3 Coepelduynen 1 2,45 +0,75 +8,01 +18,36 +26.37 4 Coepelduynen 2 2,26 +0,71 +7,43 +17,01 +24.44 5 Meijendel & Berkheide 1 1,92 +0,59 +6,64 +15,02 +21.66 6 Meijendel & Berkheide 2 1,34 +0,43 +4,65 +10,51 +15.16 7 Kennemerland‐Zuid 1 2,00 +0,63 +6,56 +15,02 +21.58 8 Kennemerland‐Zuid 2 1,27 +0,40 +4,23 +9,65 +13.88 9 Kennemerland‐Zuid 3 0,91 +0,27 +3,03 +6,92 +9.95 Uit de tabel blijkt dat in alle Natura 2000‐gebieden de stikstofdepositie toeneemt, zowel bij de uitbreiding van alle veehouderijen tot een omvang van 2 hectare als bij een realistische invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Dat betekent dat significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten. In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op de mogelijke maatregelen waarmee de negatieve effecten als gevolg van de ontwikkelingsruimte voor veehouderijen kunnen worden beperkt. Niet alleen de veehouderijen, maar ook functies die extra verkeer genereren kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000. Het bestemmingsplan maakt neven‐ en vervolgfuncties mogelijk binnen de bestemming Agrarisch. In de afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden is als voorwaarde opgenomen dat geen sprake is van een onevenredige vergroting van de publieks‐ en/of verkeersaantrekkende werking. Daarnaast zullen de neven‐ en vervolgfuncties binnen het bouwvlak moeten worden gerealiseerd (en daardoor ten koste gaan van de 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 43 potentiële maximale ruimte die binnen het bestemmingsplan kan worden benut voor stallen). Om deze redenen zijn de gevolgen van de neven‐ en vervolgfuncties voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 niet afzonderlijk in beeld gebracht. Aantasting foerageergebied Uitbreiding van de agrarische bedrijven vindt plaats op of grenzend aan de bestaande bouwvlakken. De bouwvlakken zijn geconcentreerd langs de linten. Het areaal grasland wordt relatief gezien nauwelijks aangetast door deze ontwikkelingsruimte. Nieuwe bouwvlakken worden niet mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan biedt daarnaast de mogelijkheid voor de teelt van mais‐ en ruwvoer. Als gebruik wordt gemaakt van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan, zal dit ook leiden tot een intensivering van de ruwvoederteelt. Dit zal in het veenweidegebied ten koste gaan van grasland en daarmee foerageergebied. In de regels van het bestemmingsplan zijn echter beperkingen opgenomen voor de ruwvoederteelt. In enkele gebieden in het veenweidegebied is deze teelt verboden en op andere gronden mag slechts 20% ingezet worden voor de ruwvoederteelt. Met name voor de vogels uit het Natura 2000‐gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein geldt dat het plangebied maar beperkt foerageergebied vormt. Deze vogels foerageren met name op de graslanden ten zuiden en oosten van de A12 doordat in de Krimpener‐ en Alblasserwaard honderden haectares grasland zonder al te grote barrières zijn te bereiken. Op grond van de Agenda Landbouw zijn ook grote delen van deze graslanden gevrijwaard van mais‐ en ruwvoederteelt. Uit het beheerplan voor het natura 2000‐gebied (Provincie Zuid‐Holland, 2012) blijkt dat er in de Krimpener‐ en Alblasserwaard voldoende draagkracht is voor de smient en dat er binnen het Natura 2000‐gebied zelf voldoende draagkracht is voor de kleine zwaan. Significant negatieve effecten op de aangewezen soorten uit het Natura 2000‐gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein worden dan ook uitgesloten. De vogels uit het Natura 2000‐gebied De Wilck zijn wel meer aangewezen op de graslanden in het plangebied, maar foerageren ook in de aangrenzende veenweidegebieden van Zoeterwoude en Kaag en Braassem. Ook hier gelden beperkingen op grond van de Agenda Landbouw. Het oppervlak ‘blijvend grasland’ in Rijnwoude bedroeg volgens het CBS in 2012 circa 1800 ha. Hiervan zal een groot deel, ook na maximale invulling van het bestemmingsplan beschikbaar blijven (rekening houdend met de beperkingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen voor de teelt van ruwvoer). Het oppervlakte grasland is in ruime mate voldoende voor de relatief lage aantallen vogels (zie tabel 4.4) waarvoor De Wilck is aangewezen. Significant negatieve effecten worden dan ook uitgesloten. Verstoring Uitbreiding veehouderijen In de omgeving van De Wilck zijn enkele veehouderijbedrijven gelegen. Van deze bedrijven gaat reeds verstoring uit. Uitbreiding van deze bedrijven zal met name leiden tot een tijdelijke extra verstoring door de bouwwerkzaamheden. De uitbreiding zelf zal in de bedrijfsvoering niet tot nauwelijks leiden tot extra verstoring. Significant negatieve effecten worden uitgesloten. De overige Natura 2000‐gebieden en beschermde Natuurmonumenten liggen op dermate grote afstand, dat geen sprake zal zijn van relevante effecten als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan. Recreatieve ontwikkelingen Kleinschalige recreatieve ontwikkelingen vinden plaats op of nabij de agrarische bouwvlakken. In theorie kan er sprake zijn van een extern effect als gevolg van een verhoogde recreatiedruk op Natura 2000 doordat een deel van de extra recreanten wil wandelen, fietsen en varen binnen of langs Natura 2000. De extra recreanten maken echter gebruik van bestaande intensief gebruikte wandel‐ en fietsroutes en (vaar)wegen. Verstoringsonderzoek (onder andere Krijgsveld 2008) wijst verder uit dat vogels en waarschijnlijk ook andere organismen snel wennen aan recreanten langs bestaande gebruikte routes. Omdat bezoekersstromen zich concentreren op mooi weer overdag tijdens de weekend‐ en vakantiedagen blijven er lange ongestoorde periodes over. Door het gebied De Wilck lopen overigens geen routes, alleen eromheen. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 44 Natuur: passende beoordeling Gezien bovenstaande kan worden gesteld dat de extra bezoekersstromen als gevolg van de ontwikke‐
lingsmogelijkheden voor recreatie geen effect (0) hebben op de te beschermen waarden in de Natura 2000‐gebieden en beschermde natuurmonumenten. Verandering waterhuishouding De uitbreidingsmogelijkheden in het bestemmingsplan leiden niet tot wezenlijke wijzigingen in het watersysteem (geen verandering peilen). Door de ontwikkelingen zal de verharding wel toenemen, de toename aan verharding moet echter gecompenseerd worden. Significant negatieve effecten op De Wilck worden uitgesloten. De overige Natura 2000‐gebieden en beschermde Natuurmonumenten liggen op dermate grote afstand, dat geen sprake zal zijn van relevante effecten als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan. 4.3.2. Ecologische Hoofdstructuur, weidevogelleefgebieden Bestaande natuur in de EHS wordt overeenkomstig bestemd. De bestaande agrarische bouwkavels vallen buiten de aanwijzing van de EHS. Binnen de bestemming natuur, kunnen geen ontwikkelingen plaatsvinden. Ontwikkelingsruimte agrarische bedrijven EHS De ontwikkelingen die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt, vinden plaats binnen de bestaande bouwvlakken. Deze ontwikkelingen leiden niet tot areaalverlies van de EHS. De overige ontwikkelingen buiten de EHS vinden plaats bij reeds bestaande bedrijven, de verstoring in de EHS zal dan ook niet of nauwelijks toenemen. Weidevogels Uitbreiding van de agrarische bedrijven vindt plaats op of grenzend aan de bestaande bouwvlakken. De bouwvlakken zijn geconcentreerd langs de linten. Het areaal grasland wordt relatief gezien nauwelijks aangetast door deze ontwikkelingsruimte. Nieuwe bouwvlakken worden niet mogelijk gemaakt. Aantasting of extra verstoring van het de weidevogelgebieden treedt dan ook niet of nauwelijks op. Het effect is neutraal (0). Het bestemmingsplan biedt daarnaast de mogelijkheid voor de teelt van mais‐ en ruwvoer. Als gebruik wordt gemaakt van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan, zal dit ook leiden tot een intensivering van de ruwvoederteelt. Dit zal in het veenweidegebied ten koste gaan van grasland. In de regels van het bestemmingsplan zijn echter beperkingen opgenomen voor de ruwvoederteelt. In enkele gebieden in het veenweidegebied is deze teelt verboden en op de overige gronden mag slechts 20% ingezet worden voor de ruwvoederteelt. Een beperkt negatief effect op weidevogels is echter niet uitgesloten (‐/0). Overige ontwikkelingen Recreatieve ontwikkelingen Een deel van de extra recreanten wil wandelen, fietsen of varen door of langs de EHS. Deze extra bezoekers maken gebruik van bestaande routes. Verstoringsonderzoek (onder andere Krijgsveld 2008) wijst verder uit dat vogels en waarschijnlijk ook andere organismen snel wennen aan recreanten langs bestaande gebruikte routes. Omdat bezoekersstromen zich concentreren op mooi weer overdag tijdens de weekend‐ en vakantiedagen blijven er lange ongestoorde periodes over. Daarom kan worden gesteld dat de extra bezoekersstromen als gevolg van de uitgebreidere recreatiemogelijkheden geen effect hebben op de EHS (0). 4.3.3. Beschermde soorten Het plangebied biedt leefgebied aan verschillende beschermde soorten (zie tabel 4.7). Het betreft voornamelijk algemeen voorkomende soorten en daarnaast enkele matig en zwaar beschermde soorten. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 45 Ontwikkelingsruimte agrarische bedrijven De ontwikkelingen vinden hoofdzakelijk plaats binnen de bouwvlakken of (via wijzigingsbevoegdheden) grenzend aan bestaande bouwvlakken. Plaatselijk kan dit leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, zoals aantasting van (vaste) nestplaatsen van broedvogels of aantasting van leefgebied beschermde vissen. De meeste bouwvlakken binnen het plangebied worden omsloten door watergangen, waardoor het nauwelijks mogelijk is om het bouwvlak uit te breiden zonder dat dit leidt tot aantasting van sloten en daarmee tot aantasting van leefgebied van matig beschermde vissen en zoogdieren en licht beschermde amfibieën en (oever)planten. In de regels zijn vanuit de landschappelijke waarden wel beperkingen opgelegd ten aanzien van het dempen van watergangen. Het effect is beperkt negatief (‐/0). Voor deze soorten zijn ook gemakkelijk maatregelen te treffen (zie bijlage 2), waarmee overtreding van de Flora‐ en faunawet wordt voorkomen. De zwaar beschermde platte schijfhoren komt niet voor in de aan de agrarische percelen grenzende voedselrijke watergangen. De rugstreeppad zal zich over het algemeen niet ophouden op en rond de agrarische bouwvlakken. De kans op aantasting van deze soorten is nihil tot zeer beperkt (‐/0). De rugstreeppad kan wel aangetrokken worden door grondwerkzaamheden. Er dient dan ook voorkomen te worden dat de soort zich alsnog vestigt. In bijlage 2 is opgenomen hoe dit gedaan kan worden. Op nagenoeg alle agrarische bouwkavels is erfbeplanting aanwezig. De meeste erfbeplanting staat overigens langs de weg. De kans op de aanwezigheid van beschermde soorten, in het bijzonder vleermuizen en vogels, is aanzienlijk. Als gevolg van de uitbreidingsmogelijkheden zal op de meeste bouwkavels bijna altijd een deel van de erfbeplanting gekapt moeten worden. Dit kan leiden tot een negatief effect (‐) op beschermde soorten. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen , dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden (zie bijlage 2). De aantasting van individuen is gezien bovenstaande niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau worden uitgesloten, omdat goede mitigerende en compenserende maatregelen zijn te treffen en er voor de categorie 5 soorten van vogels voldoende geschikt leefgebied aanwezig is. De kans dat de Flora‐ en faunawet een belemmering zal vormen voor de uitvoering van het bestemmingsplan is zeer gering. Overige ontwikkelingen Ten aanzien van de recreatieve ontwikkelingen geldt min of meer hetzelfde als voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven, alleen gaat het hier om veel kleinere oppervlakten. De effecten zijn daardoor beperkter van aard. 4.4.
4.4.1.
Effectbeoordeling Effecten De voorgaande effectbeschrijving leidt tot de volgende beoordeling. Tabel 4.12 Effectbeoordeling Natuur Aspect Natura 2000‐gebieden en schermde natuurmonumenten Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Beschrijving van het milieueffect (t.o.v. de autonome Waardering van het ontwikkeling) effect -
De maximale invulling van alle bouwmogelijkheden leidt tot een toename van enkele tot een tiental mol stikstof. De realistische invulling van de bouwmogelijkheden leidt tot een veel ‐‐ 167200.18076.00 46 Natuur: passende beoordeling Aspect Beschrijving van het milieueffect (t.o.v. de autonome Waardering van het ontwikkeling) effect -
-
Ecologische Hoofdstructuur Beschermde soorten beperktere toename. Significant negatieve effecten zijn door de toenames niet uit te sluiten. De extra recreanten maken gebruik van bestaande, intensief gebruikte infrastructuur, negatieve effecten treden niet op. Aantasting foerageergebied 0 0 0 0 -
Verstoring -
Verandering waterhuishouding -
Uitbreidingsmogelijkheden binnen de be‐
staande bouwvlakken leidt niet tot aantasting of extra verstoring van de EHS. -
het oppervlak geschikt weidevogelleefgebied kan in beperkte mate afnemen door intensivering van de teelt van ruwvoeders. -
De extra recreanten maken gebruik van bestaande, intensief gebruikte infrastructuur, extra verstoring treedt niet op. 0 -
Bij uitbreiding van het agrarisch bouwvlak kunnen leefgebied, rust‐ en verblijfplaatsen van beschermde soorten worden aangetast. Deze aantasting is vrij beperkt, maar vanwege het voorkomen van vleermuizen is dit als negatief beoordeeld. De effecten moeten overigens in het kader van de Ffw worden gemitigeerd en/of gecompenseerd op het moment dat er concrete bouwplannen zijn. ‐ 0 ‐/0 4.5.
Maatregelen Wanneer de maximale ontwikkelingsruimte in het nieuwe bestemmingsplan wordt afgezet tegen de huidige, feitelijke (legale) situatie blijkt dat als het gaat om het thema stikstofdepositie significante negatieve effecten kunnen optreden binnen Natura 2000. Er zijn verschillende maatregelen denkbaar om de depositie van stikstof te voorkomen, te reduceren of de effecten daarvan te minimaliseren. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in maatregelen die in het bestemmingsplan kunnen worden vastgelegd en maatregelen die in een apart spoor buiten het bestemmingsplan om kunnen worden getroffen. Deze paragraaf geeft een beschrijving van mogelijke maatregelen, zonder dat een keuze wordt gemaakt. In het bestemmingsplan vindt een afweging met betrekking tot deze maatregelen plaats. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Er kunnen verschillende maatregelen worden opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied om een (potentiële) toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000 als gevolg van de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt te beperken. Omschakeling Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden voor de omschakeling van akkerbouw (of andere vormen van grondgebonden agrarische activiteiten) naar grondgebonden veehouderij. Uit de passende 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Natuur: passende beoordeling 47 beoordeling blijkt dat deze omschakeling een belangrijke oorzaak van de (potentiële) toename van stikstofdepositie is. Door in het bestemmingsplan geen mogelijkheden te bieden voor omschakeling naar grondgebonden veehouderij neemt de depositie bij maximale benutting van de bouwmogelijkheden sterk af. De maximale uitbreiding van alle bestaande veehouderijen leidt in dat geval op vrijwel alle toetspunten binnen Natura 2000 echter nog steeds tot een toename van (minimaal) enkele mollen N/ha/jr. Wijzigingsbevoegdheden In aanvulling op het uitsluiten van omschakeling kunnen ook de wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding van het bouwvlak worden geschrapt. Daardoor kunnen veehouderijen binnen het bouwvlak (zoals vastgelegd op de verbeelding) uitbreiden, maar is het niet mogelijk om door te groeien tot een bouwvlak van 2 hectare. Een dergelijke maatregel leidt tot een beperking van de (theoretische) maximale invulling van de bouwmogelijkheden. Tabel 4.13 geeft een overzicht van de toename van stikstofdepositie bij het schrappen van de wijzigingsbevoegdheden. De opvulling van de onbenutte bouwmogelijkheden binnen de bouwvlakken leidt in dat geval op alle toetspunten binnen Natura 2000 echter nog steeds tot een toename van (minimaal) enkele mollen N/ha/jr. Beperken bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak Met een combinatie van de voorgaande maatregelen kan een grote reductie van de (potentiële) toename van stikstofdepositie als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan Buitengebied worden bereikt. Het volledig uitsluiten van significante negatieve effecten binnen het bestemmingsplan Buitengebied is alleen mogelijk met een ingrijpende aanpassing van de bestemmingsregeling. Door de realisatie van nieuwe dierverblijven binnen het bouwvlak uit te sluiten, kunnen significante negatieve effecten worden voorkomen. Dat is echter een vergaande maatregel die in vergelijking met het vigerende bestemmingsplan grote extra beperkingen oplegt aan de agrariërs in het gebied. Een alternatief is om in het bestemmingsplan in de algemene gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen, zodat een toename van het aantal dieren afhankelijk wordt gesteld van het niet optreden van een toename van de depositie in Natura 2000‐gebieden; dit kan bereikt worden door het treffen van voldoende stikstofreducerende maatregelen (toepassen van emissiearme stalsystemen) en/of saldering. Uit de CBS‐gegevens blijkt dat zowel binnen Rijnwoude als in de aangrenzende gemeenten agrarische bedrijven de bedrijfsactiviteiten beëindigen. Hierdoor ontstaat stikstofsaldo waarmee elders de uitbreiding van veehouderijen kan worden mogelijk gemaakt. Voorwaarde is dat deze saldering plaatsvindt binnen hetzelfde Natura 2000‐gebied op dezelfde habitattypen. Daarnaast is van belang dat geborgd is dat de uitbreiding pas plaatsvindt op het moment dat de bedrijfsactiviteiten elders zijn beëindigd (en ook de vergunningen zijn ingetrokken en de bestemming is gewijzigd). Enkele veehouderijen van grote omvang en/of op korte afstand van Natura 2000‐gebieden bieden voldoende saldo om binnen het plangebied een forse uitbreiding van het aantal stuks vee te kunnen realiseren. Buiten het bestemmingsplan De negatieve effecten van de extra depositie kan door intensivering en uitbreiding van beheermaatregelen in de Natura 2000‐gebieden teniet worden gedaan. Bij heide‐ en graslanden is het bijvoorbeeld mogelijk stikstof af te voeren door het beheer, maaien, plaggen, begrazen, in deze gebieden te intensiveren. Ook het verbeteren van de hydrologische situatie heeft een grote positieve invloed op de instandhoudingsdoelen van de habitattypen. Deze maatregelen vallen buiten de scope van het bestemmingsplan. In overleg met de terreinbeheerders kan worden bekeken welke maatregelen en daarbij behorende financiële investeringen het meest kansrijk zijn om negatieve gevolgen door een eventuele toename van stikstofdepositie te voorkomen. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 48 Natuur: passende beoordeling Gevolgen voor effectbeoordeling Voor de meeste van de hiervoor beschreven maatregelen geldt dat alleen met een combinatie van maatregelen effecten op Natura 2000 kunnen worden voorkomen. Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden om significante negatieve effecten uit te sluiten, zijn (combinaties van) de volgende drie maatregelen doorgerekend: - geen omschakeling naar veehouderij is toegestaan (optie 2); -
de omvang van de bouwvlakken wordt beperkt tot 1 ha (zonder wijzigingsbevoegdheden)(optie 3); -
in aanvulling op de beide voorgenoemde maatregelen, voor zowel de bestaande stallen als nieuwe stallen wordt uitgegaan van het meest gunstige stalsysteem (optie 4). Tabel 4.13 geeft een overzicht van de berekeningsresultaten. Hieruit blijkt dat ook met een combinatie van de voorgenoemde maatregelen op locaties binnen de Natura 2000‐gebieden sprake is van significantie negatieve effecten. Dit is gevolg van het feit dat de dieraantallen (gemiddeld) relatief laag zijn binnen de voormalige gemeente Rijnwoude, waardoor er relatief veel onbenutte ruimte is binnen de bouwvlakken. Wanneer in het bestemmingsplan ontwikkelingsruimte wordt geboden aan de grondgebonden veehouderijen, biedt alleen de hiervoor beschreven voorwaardelijke verplichting mogelijkheden om een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000 te voorkomen (optie 5). Een alternatief is om voor alle initiatieven die betrekking hebben op de veehouderijen een aparte (buitenplanse) ruimtelijke procedure te doorlopen en in het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 2014 uitsluitend de bestaande situatie positief te bestemmen. Tabel 4.13 Berekeningsresultaten maatregelen (toename depositie ten opzichte van bestaand gebruik) depositie (in mol/ha/jaar)
1. ID 1 2 naam Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 2.
3.
4.
Maximaal Uitsluiten Uitsluiten Uitsluiten omschakeling (benutting omschakeling omschakeling
bouwvlakken naar 2 ha) veehouderij + uitbreiding + uitbreiding tot ten hoogste 1 ha tot ten hoogste 1 ha + emissiearme stallen +49,07 +15,02 +5,32 +2,71 +23,52 +7,18 +2,53 +1,29 5. Voorwaardelijke verplichting ≤ 0 ≤ 0 3 Coepelduynen 1 +26,37 +8,01 +2,78 +1,42 ≤ 0 4 Coepelduynen 2 +24,44 +7,43 +2,59 +1,32 ≤ 0 5 Meijendel & Berkheide 1 +21,66 +6,64 +2,36 +1,20 ≤ 0 6 Meijendel & Berkheide 2 +15,16 +4,65 +1,66 +0,84 ≤ 0 7 Kennemerland‐Zuid 1 +21,58 +6,56 +2,28 +1,16 ≤ 0 8 Kennemerland‐Zuid 2 +13,88 +4,23 +1,48 +0,76 ≤ 0 9 Kennemerland‐Zuid 3 +9,95 +3,03 +1,06 +0,54 ≤ 0 . 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 49 5. Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Het bestemmingsplan kan van invloed kunnen zijn op de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden in het gebied. In dit hoofdstuk worden deze mogelijke effecten nader onderzocht. Gebruikte bronnen: - Gemeente Rijnwoude, 2012: 'Archeologische waarden‐ en verwachtingenkaart gemeente Rijnwoude en gemeente Zoeterwoude'; -
Provincie Zuid‐Holland: Regioprofiel Kaag/Oude Rijn; -
Provincie Zuid‐Holland: Regioprofiel Zoeterwoude/Stompwijk. 5.1.
Toetsingskader Monumentenwet De wet‐ en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads‐ en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De Monumentenwet 1988 regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Gebiedsprofielen Hollandse Plassen en Wijk en Wouden Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en de beeldkwaliteitsplannen van lokale overheden in en is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Voor lokale overheden en initiatiefnemers dient het gebiedsprofiel als bron van inspiratie en biedt het handvatten om nieuwe ontwikkelingen met kwaliteit te initiëren. Voor de provincie dient het gebiedsprofiel als handleiding om de kwaliteit van plannen/ontwikkelingen aan de voorkant van planprocessen te stimuleren. Het gebiedsprofiel vormt de basis voor de ontwerpopgave, elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 50 Landschap, cultuurhistorie en archeologie Regioprofiel Cultuurhistorie De provincie Zuid‐Holland heeft, vanwege de grote betekenis van cultuurhistorie vanaf 1997 de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) opgesteld. Op basis van deze CHS zijn vervolgens 15 topgebieden voor cultureel erfgoed aangewezen. Topgebieden zijn gebieden waar cultuurhistorische waarden in bijzondere mate en onderlinge samenhang voorkomen. De selectiecriteria zijn:  minimaal 2 van de drie typen cultuurhistorische waarden (archeologische, historisch‐
landschappelijke en historisch‐stedenbouwkundige) zijn aanwezig;  er dient sprake te zijn van een combinatie van hoge en zeer hoge waarden die tevens in opvallende mate voorkomen op de grond van de CHS;  er is een goede ruimtelijke samenhang tussen de (zichtbare) waarden;  er dient sprake te zijn van een bovenlokaal schaalniveau (dat wil zeggen gebiedsomvang dient groter te zijn dan een enkele plaats, polder of site). Binnen het plangebied liggen delen van de topgebieden ‘Kaag/Oude Rijn’ en ‘Zoeterwoude/Stompwijk’ (zie figuur 5.1). Binnen de topgebieden is een beperkt aantal gebieden of elementen benoemd met een zeer gave, kwetsbare cultuurhistorische samenhang die door hun unieke karakter bepalend zijn voor de identiteit van een plek, zogenaamde Kroonjuwelen. Binnen het plangebied zijn gen Kroonjuwelen aanwezig. De topgebieden hebben als basis gediend voor in 2010 opgestelde regioprofielen. De regioprofielen zijn opgesteld met het volgende doel:  een handreiking/kompas voor planvormers, met name bij gemeenten en voor de provincie zelf om de cultuurhistorische waarden te respecteren en benutten bij het ontwikkelen van de ruimten in Zuid‐Holland;  (bij)sturing van (lokale) ruimtelijke plannen. In paragraaf 5.3.3 zijn de topgebieden nader omschreven. Kaag/Oude Rijn Zoeterwoude/Stompwijk Figuur 5.1 Topgebieden (Bron: geo‐loket provincie Zuid‐Holland) 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Landschap, cultuurhistorie en archeologie 51 Archeologiebeleid Rijnwoude Sinds 2008 is de gemeente het bevoegd gezag voor archeologie en daarmee gehouden archeologische waarden adequaat te beschermen. Het Archeologiebeleid is bedoeld om de in de grond aanwezige archeologische waarden te beschermen, daar waar dat in bestemmingsplannen nog niet afdoende geregeld is. In het gemeentelijke Archeologiebeleid wordt aan de hand van verschillende categorieën bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde, die is aangegeven op de bijbehorende kaart. 5.2.
Referentiesituatie 5.2.1. Landschap en cultuurhistorie Ontstaansgeschiedenis In een ver verleden bestond het gebied rondom Rijnwoude uit schorren en kwelders, die onder getijdeninvloed stonden van de Noordzee. Door de verdergaande duinvorming aan de huidige westkust van Nederland verminderde deze getijdeninvloed en kreeg de Oude Rijn een rustiger verloop. Hierdoor ontstonden geschikte omstandigheden voor grootschalige veenvorming, terwijl door de Oude Rijn een stelsel van stroomruggen en oeverwallen werd gevormd. Vanaf 900 is men in dit gebied begonnen met de ontginning van de veenwildernis. Naast ontginning voor landbouwkundig gebruik, is de veenwinning voor turfbereiding van grote invloed geweest op het gebied. Het nabij de rivier gelegen veen was ongeschikt voor turfbereiding, het verder van de rivier af gelegen veen was wel geschikt. Het gewonnen veen werd over een stelsel van gegraven vaarten en de Oude Rijn naar de steden vervoerd. Doordat het veen tot op grote diepte werd gewonnen ontstond een zeer nat gebied. In de 17e eeuw was de omgeving van Hazerswoude‐Dorp zelfs verworden tot één grote plas. Deze plas is door inpoldering van kleine gebieden en door bemaling met watermolens later weer teruggewonnen voor landbouwkundig gebruik. Deze gebieden worden droogmakerijen genoemd. De droogmakerijen zijn nog steeds in het landschap te herkennen door hun diepe ligging. Het maaiveld in de droogmakerijen is gelegen tussen de 4 m en 5,5 m ‐NAP terwijl de maaiveldhoogte in de overige delen van het plangebied tussen de 0,5 m +NAP en de 2 m ‐NAP ligt. Landschapstypen Op grond van gemeenschappelijke hoofdkenmerken kan een landschap in landschapstypen onderverdeeld worden. Het onvergraven veen aan weerszijden van de Oude Rijn maakt deel uit van het slagenlandschap. Ten zuiden daarvan ligt het laaggelegen droogmakerijenlandschap. Beide landschapstypen worden hieronder beschreven. Slagenlandschap In het gebied ten noorden van de Oude Rijn is de bebouwing geconcentreerd in de linten langs de rivier en in het lint van Lage waard. Van oudsher was langs de Oude Rijn veel industrie aanwezig. Ten behoeve van de baksteen‐ en dakpannenindustrie zijn de kleigronden langs deze rivier plaatselijk afgegraven. Landschappelijk gezien leidde deze activiteit tot plaatselijke hoogteverschillen. Bovendien werden de rivieroevers te laag en te nat voor akkerbouw, zodat tegenwoordig het agrarische beeld van de oevers bepaald wordt door grasland. Uit de vroegere baksteenindustrie zijn de huidige grote betonindustrieën voortgekomen die vanwege hun omvang eveneens sterk beeldbepalend zijn voor de rivierzone. Vanwege het overwegende graslandgebruik is het landschap aan weerzijden van de rivierzone zeer open. De hoofdrichting in dit landschap is oost‐west, evenwijdig aan de Oude Rijn. Vanuit de omliggende polders wordt het rivierlint ervaren als een grotendeels gesloten bebouwingsmassa doch vanuit het lint zijn er vele doorzichten mogelijk naar de open polders. Deze doorzichten zijn zeer waardevol om de landschappelijke hoofdstructuur van dit gebied (stedelijk rivierlint in open agrarisch landschap) te Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 52 Landschap, cultuurhistorie en archeologie kunnen "lezen" en tevens om het karakteristieke slotenpatroon, loodrecht op de rivier, te kunnen waarnemen. Ook de op enige afstand van de rivier gelegen historische windmolens en de hakhoutkade langs de Zwet aan de noordrand zijn dankzij de doorzichten in het rivierlint zichtbaar. Het rivierlint zelf is zeer gevarieerd met veel karakteristieke historische bebouwing op wisselende afstand van de weg en vele soms fraaie oude erfbeplantingen en (restanten van) hoogstamboomgaarden. Door het slingerende tracé van de Oude Rijn biedt een tocht langs de rivier, in combinatie met de eerder genoemde doorzichten, een voortdurende en gevarieerde afwisseling van beelden. Bijzonder is de afzonderlijke open ruimte van de Hoogewaardse polder. Deze wordt van de Lagenwaardse polder aan de noordzijde afgeschermd door het bebouwingslint van de Lage waard. Dit lint is waarschijnlijk ontstaan langs een vroegere loop van de Oude Rijn. Daarnaast vormen de restanten van het vroegere slot Groot Poelgeest (een cirkelvormige omgrachting, een torentje en het voormalig koetshuis) een bijzonder element op de plaats waar beide bebouwingslinten samenkomen. Het slagenlandschap aan de zuidzijde van de Oude Rijn wordt beheerd vanuit een boerderij"strook" op circa 1 kilometer van de rivier die is ontstaan nadat bij de laatste ruilverkaveling een aantal agrarische bedrijven is verplaatst vanuit het bebouwingslint langs de rivier. In deze strook ligt ook het gemaal in de Westvaart met omliggende beplanting. Daarnaast zijn in het open landschap de sierteeltbedrijven en de bijbehorende kassen opvallend aanwezig. Langs de Spookverlaat is bij de ruilverkaveling een bos/natuurstrook aangelegd die eveneens sterk opvalt in het open landschap. Ondanks de recente toevoegingen aan dit eeuwenoude landschap kan nog steeds gesproken worden van een karakteristiek slagenlandschap met de daarbij horende kenmerken als openheid, grasland en een fijnmazig evenwijdig slotenpatroon. Het verkavelingspatroon is echter minder gaaf dan in het gebied ten noorden van de Oude Rijn. De richting in dit gebied is eveneens gerelateerd aan de Oude Rijn en wordt geaccentueerd door de hooggelegen spoorlijn en de N11 (beide buiten het plangebied). Het slotenpatroon staat evenals aan de noordzijde van de rivier loodrecht op de Oude Rijn. Karakteristiek zijn de verschillende hoger gelegen vaarten van waaruit de omliggende polders worden ontwaterd in de richting van de Oude Rijn. Droogmakerijenlandschap Het landschapstype van de droogmakerijen is eveneens zeer open door het overheersende agrarische grondgebruik (grasland op het restveen ten noorden van Hazerswoude‐Dorp en akker‐ en tuinbouw op de oude zeeklei ten zuiden daarvan, het bebouwingslint van Hazerswoude wordt geflankeerd door sierteelt). Hazerswoude is bij het ontvenen van het gebied gespaard gebleven en ligt nu opvallend hoger in het landschap. Bij de inrichting van de droogmakerij de Noordplas heeft men dit dorpslint weer als ontginningbasis gebruikt. Het verkavelingspatroon heeft daardoor dezelfde richting als voor de ontvening. Karakteristiek voor deze ontginning zijn de op regelmatige afstand oostwestgelegen "tochten" die als hoofdwatergangen het gebied ontwateren. Opvallend is de zware beplanting langs de Gemeneweg en de Hoogeveenseweg. Langs deze laatste weg liggen ook de boerderijen van waaruit deze polder wordt beheerd. Waardering De landschappelijke waardering kan worden beschreven in termen van samenhang, herkenbaarheid en identiteit. In het plangebied is sprake van een grote mate van samenhang op verschillende niveaus. Het gaat daarbij om de samenhang tussen: abiotisch systeem en grondgebruik (bebouwingslinten op kleigrond, grasland op veengrond, kades, dijken en watergangen bepaald door de waterhuishouding); grondgebruik en landschapsbeeld (besloten bebouwingslinten, open graslandgebieden); 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Landschap, cultuurhistorie en archeologie 53 landschappelijke patronen en elementen (kades, dijken, watergangen, bebouwing, beplanting). De grote mate van samenhang is visueel ook goed herkenbaar en draagt bij aan de identiteit van het veenweidegebied. Op grond van deze aspecten wordt aan het landschap in het plangebied een hoge waardering toegekend. Deze waardering is ook beleidsmatig vastgelegd. Zo ligt het plangebied in het Groene Hart. Ten noorden van de Oude Rijn maakt het plangebied deel uit van het provinciale regioprofiel Hollandse Plassen. Daarbinnen is het cultuurhistorische topgebied Kaag/Oude Rijn gelegen (zie figuur 5.1). Het noordwesten van het plangebied ligt binnen het regioprofiel Wijk en Wouden. Daarbinnen ligt het cultuurhistorische topgebied Zoeterwoude/Stompwijk. Topgebied Kaag/Oude Rijn Topgebied Kaag/Oude Rijn wordt gekenmerkt door een open, gaaf en herkenbaar veenontginningslandschap. Het gebied is onderscheidend vanwege de onregelmatige blokverkaveling en het afwijkende bewoningspatroon. Hier geen kilometerslange bebouwingslinten en rechtlijnige copeverkavelingen, maar een grillig en kleinschalig veenweidelandschap met verspreide bebouwing. Het gebied heeft een waterrijk karakter met door afslag vergrote veenmeren, brede poldersloten en bekade boezemwateren. Bij de boezemwateren is een hoge concentratie van oude windmolens te vinden (inclusief de enige twee twaalfkantige molens in Nederland). De kenmerkende structuren en elementen in het plangebied zijn in het regioprofiel als volgt opgenomen:  De opstrekkende verkaveling langs de Oude Rijn: middeleeuwse ontginningen met een vanaf de rivieroever gerend verloop.  Onderscheidend karakter door het ontbreken van de typerende cope‐verkaveling en het toepassen van opstrekkende heerden vanaf de Oude Rijn.  Contrast tussen de hoger gelegen boezemwateren en de ingeklonken veenweidepolders.  Rijkdom aan water door de aanwezigheid van brede poldersloten, boezemwateren en veenplassen.  Grote afleesbaarheid van het landschap: de gave kavelstructuur, het uitgebreide watersysteem en het grote aantal nog functionerende windmolens maken de geschiedenis van de waterbeheersing in het gebied inzichtelijk.  Vierentwintig molens (in totale gebied). Topgebied Zoeterwoude/Stompwijk Topgebied Zoeterwoude / Stompwijk vormt de meest westelijke rand van het veenpolder‐ en droogmakerijlandschap van Midden‐Holland. De kwaliteit van het topgebied ligt vooral in het herkenbare open, agrarisch cultuurlandschap en in de contrastrijke overgangen van dit landschap naar de verstedelijkte omgeving. Het plangebied maakt deel uit van de noordelijke gebiedseenheid: een gaaf veenweidegebied met typische ingrediënten als vergezichten, monumentale boerderijlinten (Weipoort), langgerekte strokenverkaveling, sloten en weteringen. Het zuidelijk deel bestaat uit voormalige natuurlijke meren en als gevolg van de vervening ontstane plassen, vanaf de zeventiende eeuw drooggemaakt. In het regioprofiel zijn de kenmerkende structuren en elementen van het topgebied opgenomen. Omdat slechts een klein deel van het plangebied in het topgebied is gelegen, betreft het in het plangebied alleen de contrastrijke overgangen tussen stad en land door harde stedelijke en infrastructurele begrenzingen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie (figuur 5.2) zijn de aanwezige kenmerken gewaardeerd, zoals de hoge landschappelijke waarde van (delen van) de Hondsdijkse Polder, Lagenwaardse Polder, polder Gnephoek, Geer‐ en Buurtpolder en de polder Groenendijk, de lintbebouwing van de Lagewaard, enkele dijken en de molens. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 54 Landschap, cultuurhistorie en archeologie Figuur 5.2 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Zuid‐Holland (bron: geoloket provincie Zuid‐Holland) 5.2.2. Archeologie De bodem van Rijnwoude is rijk aan archeologische waarden (zie figuur 5.3). Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting. Er is sprake van 4 verwachtingswaarden. De hoogste verwachtingswaarden gelden in het veenweidegebied, ter plaatse van oude waterlopen en langs enkele linten. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Landschap, cultuurhistorie en archeologie Figuur 5.3 Beleidskaart Archeologie Rijnwoude en Zoeterwoude 5.3.
55 Plansituatie Op basis van de voorgaande beschrijving van de kenmerken van het gebied zijn de volgende toetsingscriteria van belang Landschap en cultuurhistorie Openheid (contrast stad en land) Verkavelingspatroon Kenmerkende bebouwing (monumenten, molens e.d.) Structuren; dijken, wegen, watergangen Archeologie Archeologische waarden 5.3.1. Landschap en Cultuurhistorie Ontwikkelingsruimte agrarische bedrijven De uitbreiding van agrarische bedrijven kan plaatselijk tot een aantasting van de openheid van het landschap leiden. Doordat de vergroting plaatsvindt binnen het bouwvlak of aansluitend daaraan en de bouwvlakken bijna overal in het plangebied op ruime afstand van elkaar zijn gelegen, blijft de openheid van de polders behouden. De aantasting is zeer beperkt (‐/0).In het bestemmingsplan is overigens toetsing aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden als voorwaarde opgenomen. De bouwvlakken zijn grotendeels op smalle kavels gelegen, dat betekent uitbreiding zou kunnen leiden tot aantasting van het verkavelings‐ en slotenpatroon. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 56 Landschap, cultuurhistorie en archeologie ter bescherming van het veenweideverkavelingspatroon, waaronder een verbod op het dempen van lengtesloten. Aantasting van het verkavelings‐ en slotenpatroon in het veenweidegebied treedt dan ook niet op. In de droogmakerij liggen de bouwvlakken op grotere kavels. Er is dus voldoende ruimte om bouwvlakken te vergroten zonder aantasting van verkaveling‐ of slotenpatronen. De aantasting is zeer beperkt (‐/0). Rond de bestaande bouwpercelen is voldoende ruimte om de vergroting zonder aantasting van waardevolle dijken, wegen en kenmerkende bebouwing te realiseren. De vergroting van de bouwpercelen zal dan ook hoogstens in zeer beperkte mate leiden tot aantasting van deze landschappelijke en cultuurhistorische waarden (‐/0). Ruwvoeder In het bestemmingsplan is het mogelijk mais‐ en ruwvoeder te telen. De regeling is strenger dan in het vigerende plan, doordat in sommige gebieden in het veenweidegebied deze teelt niet meer is toegestaan. Als gevolg van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden kan er ten opzichte van de huidige situatie wel een toename van de mais‐ en ruwvoederteelt optreden. Dit leidt met name in het veenweidegebied tot een aantasting van de openheid. Omdat hier ook gebieden zijn uitgesloten en er een beperking geldt van maximaal 20% is het effect beperkt (‐/0). De teelt van mais‐ en ruwvoeder heeft geen invloed op de overige landschappelijk en cultuurhistorische toetsingscriteria. Omschakeling Het bestemmingsplan maakt alleen in zone 3 omschakeling van akkerbouw‐ en tuinbouwbedrijven naar grondgebonden veehouderij mogelijk. Omschakeling van grondgebonden veehouderij naar akker‐ en tuinbouw wordt niet mogelijk gemaakt. De omschakeling naar grondgebonden veehouderij kan een positief effect hebben op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden doordat het landschap beter herkenbaar wordt door het verdwijnen van opgaande teelten. Gezien de relatief beperkte omvang van de akker‐ en tuinbouw is er slechts sprake van een beperkt positief effect (0/+). Recreatieve ontwikkelingen Recreatieve ontwikkelingen kunnen alleen binnen het bouwvlak plaatsvinden en zijn beperkt van omvang. Ook hier is toetsing aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden als voorwaarde opgenomen. Negatieve effecten op landschappelijke en cultuurhistorische waarden zal dan ook niet tot nauwelijks optreden. Het effect is derhalve zeer beperkt (‐/0). 5.3.2. Archeologie Het veenweidegebied en enkele linten en oude waterlopen hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde. De droogmakerij heeft echter een matige/lage verwachtingswaarde. De uitbreiding van agrarische bedrijven en nieuwe bebouwing ten behoeve van nevenactiviteiten kunnen leiden tot aantasting van de archeologische waarden. In het bestemmingsplan is een beschermende regeling opgenomen. Door de onderzoeksplicht in het bestemmingsplan is gegarandeerd dat de eventueel aanwezige waarden worden gedocumenteerd. De effecten van het bestemmingsplan worden als beperkt negatief (‐/0) beoordeeld. 5.4.
Effectbeoordeling De voorgaande effectbeschrijving leidt tot de volgende beoordeling. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Landschap, cultuurhistorie en archeologie 57 Tabel 5.1 Effectbeoordeling landschap, cultuurhistorie en archeologie
Aspect Landschappelijke en cultuur‐
historische waarden Beschrijving van het milieueffect (t.o.v. de autonome Waardering van het ontwikkeling) Verdergaande schaalvergroting en verbreding van agrarische bedrijven kan ertoe leiden dat landschappelijke en cultuurhistorische waarden worden aangetast. Het betreft met name de openheid. Het vergroten van agrarische bouwvlakken en de realisatie van nieuwe agrarische bouwvlakken kan echter vaak zonder aantasting van waarden plaatsvinden. Hier wordt ook aan getoetst. effect -
‐/0 De teelt van mais‐ en ruwvoeder kan verder intensiveren, gezien de beperkingen in het bestemmingsplan leidt dit slechts tot beperkt negatieve effecten. -
‐/0 Omschakeling naar akker‐ en tuinbouw is niet mogelijk, omschakeling naar grondgebonden veehouderij wel. Dit zou een licht positief effect op de herkenbaarheid van het landschap kunnen hebben. -
De recreatieontwikkelingen hebben slechts zeer beperkte negatieve landschappelijke en cultuurhistorische effecten. Archeologische waarden Bodemingrepen kunnen leiden tot aantasting van 0/+ ‐/0 ‐/0 archeologische waarden. Door de onderzoeksplicht in het bestemmingsplan wordt echter wel gegarandeerd dat deze waarden worden gedocumenteerd. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 58 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 59 6. Woon‐ en leefklimaat 6.1.
6.1.1.
Geurhinder Toetsingskader Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))4) geldt een maximale geurbelasting5) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet‐
concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 6.1 Overzicht geurnormen Wgv binnen bebouwde kom diercategorieën Rgv andere diercategorieën buiten bebouwde kom diercategorieën Rgv andere diercategorieën concentratiegebied max. 3 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 14 ouE/m³ niet‐concentratiegebied max. 2 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouE/m³ Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object6) wordt gemeten. 4) Onder meer vleeskalveren en jong vleesvee, schapen, geiten, biggen en vleesvarkens, legkippen, vleeskuikens, eenden, parelhoenders. 5) De maximale geurbelasting wordt uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht (ouE/m³). Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 60 Woon‐ en leefklimaat Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Wet Plattelandswoningen Op 1 januari 2013 is de Wet Plattelandswoningen in werking getreden. Deze wet bevat twee onderdelen: 1. het planologische regime, en niet langer het feitelijk gebruik, is bepalend voor de bescherming die een gebouw of functie geniet tegen negatieve milieueffecten; 2. (voormalige) agrarische bedrijfswoningen die (tevens) door derden mogen worden bewoond (plattelandswoningen) zijn niet langer beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf. Wanneer een bestemmingsplan bewoning door derden van agrarische bedrijfswoningen toestaat, moet worden onderbouwd dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat. 6.1.2. Referentiesituatie Grondgebonden veehouderijen Binnen het plangebied zijn voornamelijk grondgebonden veehouderijen gevestigd. Een groot deel van deze veehouderijen valt onder het Activiteitenbesluit en een ander deel is vergunningplichtig. Voor de grondgebonden veehouderijen in het gebied dient rekening te worden gehouden met de normen uit het Activiteitenbesluit, dan wel de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Voor de meeste diercategorieën die aanwezig zijn op de grondgebonden bedrijven kunnen geen geurberekeningen worden uitgevoerd, omdat er geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld voor de betreffende diercategorieën. Om geurhinder te voorkomen dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen melkrundveehouderijen en omliggende geurgevoelige objecten (zoals woningen). Deze afstand wordt gemeten vanaf het meest nabijgelegen emissiepunt tot de gevel van het geurgevoelige object. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstandseis van 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom een afstandseis van 50 meter. De grondgebonden veehouderijen binnen het noordelijke deel van het plangebied (ten noorden van de N11) zijn geconcentreerd langs de Lagewaard en de Honsdijk. Deze veehouderijen liggen over het algemeen op korte afstand van geurgevoelige objecten van derden. Ook de onderling afstand tussen de veehouderijen is relatief klein. De begrenzing van de bouwvlakken is echter zodanig dat bij toekomstige initiatieven eventuele nieuwe dierverblijven zo binnen het bouwvlak te situeren dat wordt voldaan aan de geldende afstandseisen. In het deel van het plangebied ten zuiden van de N11 is zowel de afstand tussen de grondgebonden veehouderijen en de omliggende woningen als tussen de bedrijven onderling groter. Bij toekomstige initiatieven kan in vrijwel alle gevallen ruimschoots worden voldaan aan de geldende afstandseisen. Alleen langs het Westeinde is de situatie vergelijkbaar met de noordzijde van de N11. Hier dient bij de (her)inrichting op perceelsniveau nadrukkelijk rekening te worden gehouden met omliggende geurgevoelige objecten. 6) Definitie van een geurgevoelig object: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent, of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Woon‐ en leefklimaat 61 Intensieve veehouderijen (neventakken) Binnen het plangebied zijn 3 intensieve neventakken gevestigd, namelijk aan de Bentweg 6, de Burmadeweg 6 en de Kruiskade 4. Er zijn berekeningen uitgevoerd om de geurbelasting binnen het plangebied in beeld te brengen. Bijlage 4 geeft een overzicht van de berekeningsuitgangspunten en resultaten. Naast de geurbelasting op de gevels van een aantal specifieke woningen, is ook inzicht gegeven in de ligging van de geurcontouren in de referentiesituatie. De geurbelasting rond de veehouderij aan de Kruiskade 4 is dusdanig laag, lager dan 2 ouE/m3, dat rond deze veehouderij geen geurcontour wordt berekend. Figuur 6.1 Geurbelasting referentiesituatie intensieve neventakken 6.1.3. Plansituatie Het toetsingscriterium geurhinder is van belang voor de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan. Grondgebonden veehouderijen De uitbreiding van de grondgebonden veehouderijen in het plangebied kan leiden tot een verslechtering van de geursituatie in het plangebied en de omgeving. In de praktijk zullen gezien de spreiding van de veehouderijen over het plangebied, de onderlinge afstanden tussen de veehouderijen en het beperkte aantal geurgevoelige objecten geen onaanvaardbare situaties ontstaan. Toekomstige ontwikkelingen van grondgebonden veehouderijen dienen daarnaast in alle gevallen te voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (0/‐). Intensieve veehouderijen (neventakken) Uit de berekeningsresultaten in bijlage 4 blijkt dat de gevolgen van het bestemmingsplan voor de geurbelasting ter plaatse van de woningen op korte afstand van de intensieve neventakken relatief beperkt is. De afstand tussen de veehouderijen en de optredende geurbelastingen zijn zodanig dat geen sprake is van cumulatie. In de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij is aangegeven op welke wijze de geurbelastingen kunnen worden beoordeeld, door een hinderpercentage en milieukwaliteitscriteria te koppelen aan de geurbelastingen. De maximaal optreden geurbelastingen ter plaatse van de woningen nabij de intensieve neventakken bedraagt 4 – 5 ouE/m³. Bij een (voorgrond)belasting van 4 ouE/m³ wordt de milieukwaliteit beoordeeld als ‘matig’. Bij een (voorgrond)belasting van 5 ouE/m³ wordt de milieukwaliteit beoordeeld als ‘tamelijk slecht’. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 62 Woon‐ en leefklimaat Figuur 6.2 laat zien dat ook bij de maximale invulling van de bouwvlakken die het bestemmingsplan biedt geen sprake is van cumulatieve geurbelasting. De ligging van de geurcontouren wijzigt nauwelijks. De omvang van de berekende geurcontouren is beperkt. Er is geen sprake van bebouwingsconcentraties binnen deze contouren. De uitvoering van het bestemmingsplan zal in geen geval relevante gevolgen hebben voor de geurbelastingen als gevolg van de intensieve neventakken binnen het plangebied. Het effect van de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt wordt beoordeeld als beperkt negatief (0/‐). Figuur 6.2 Geurbelasting maximale invulling intensieve neventakken Overige ontwikkelingen Het bestemmingsplan biedt (deels bij recht, deels via afwijking met een omgevingsvergunning) de agrarische bedrijven binnen het plangebied de mogelijkheid om nevenfuncties te ontwikkelen. Daarnaast maakt het bestemmingsplan met een wijzigingsbevoegdheid niet‐agrarische vervolgfuncties mogelijk. Een aantal van deze neven‐ en vervolgfuncties dient te worden beschouwd als geurgevoelig object. Bij de afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden is als voorwaarde opgenomen dat deze milieuhygiënisch inpasbaar zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden. Daarmee is geborgd dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt door de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten in de omgeving (0). 6.2.
Luchtkwaliteit 6.2.1. Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 6.2 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Woon‐ en leefklimaat Tabel 6.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wlk Stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10)1) grenswaarde 60 μg / m³ jaargemiddelde concentratie 40 μg / m³ jaargemiddelde concentratie 40 μg / m³ 24‐uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg / m³ 63 geldig 2010 tot en met 2014 vanaf 2015 vanaf 11 juni 2011 1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een uitwerkingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. 6.2.2. Referentiesituatie De monitoringstool die onderdeel is van het NSL geeft inzicht in de concentraties luchtverontreinigende stoffen (stikstofdioxide en fijn stof) langs de belangrijkste wegen in de voormalige gemeente Rijnwoude. Figuur 6.3 geeft een overzicht van de concentraties stikstofdioxide (in 2015) en figuur 6.4 van fijn stof (in 2011) langs het hoofdwegennet in en rond het buitengebied. In de voormalige gemeente Rijnwoude zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen het hoogst op korte afstand van de N209. Uit de onderstaande figuren blijkt dat de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in alle gevallen onder de 35 μg/m³ zijn gelegen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende grenswaarde voor stikstof en fijn stof (beide 40 μg/m³). Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 64 Woon‐ en leefklimaat Figuur 6.3 Concentraties stikstofdioxide (2015), monitoringstool NSL Figuur 6.4 Concentraties fijn stof (2011), monitoringstool NSL Uit de achterliggende gegevens in het kader van het NSL blijkt dat de concentraties stikstofdioxide langs de N209 in 2015 22,7 – 25,8 μg/m³ bedragen en de concentraties fijn stof 26,0 – 26,9 μg/m³. In 2020 liggen de concentraties nog aanzienlijk lager dan in 2015. Op grotere afstand van het hoofdwegennet zijn de concentraties vrijwel gelijk aan de achtergrondconcentraties. Tabel 6.3 geeft een overzicht van de achtergrondconcentratie in het buitengebied van Rijnwoude. Deze concentraties zijn dermate laag dat er relatief veel milieugebruiksruimte is voor de ontwikkelingen die met de bestemmingsplan buitengebied worden mogelijk gemaakt. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Woon‐ en leefklimaat 65 Tabel 6.3 Achtergrondconcentraties luchtkwaliteit Rijnwoude fijn stof stikstofdioxide 2015 20‐21 μg / m³ 18‐19 μg / m³ 2020 16‐17 μg / m³ 17‐18 μg / m³ * Inclusief aftrek zeezout (voor de gemeente Alphen aan den Rijn 3 μg / m³) In paragraaf 6.2.3 wordt ingegaan op de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van grondgebonden veehouderijen en de intensieve veehouderijen. 6.2.3. Plansituatie Vergroting agrarisch bouwperceel Grondgebonden veehouderijen De bestaande grondgebonden veehouderijen binnen het plangebied hebben in veel gevallen nog ruimte om uit te breiden binnen het bouwvlak. Een dergelijke uitbreiding kan gevolgen hebben voor de concentraties fijn stof. In tegenstelling tot bepaalde vormen van intensieve veehouderij blijken deze gevolgen voor grondgebonden veehouderijen beperkt te zijn. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen (Infomil, mei 2010) zijn vuistregels opgenomen om zonder verdere berekeningen vast te kunnen stellen of een project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt. Met behulp van de emissiefactorenlijst van het voormalige Ministerie van VROM kan de emissie van de uitbreiding van het aantal stuks vee in beeld worden gebracht en af worden gezet tegen de vuistregels. Tabel 6.4 geeft een overzicht van de emissie waarbij mogelijk sprake is van een 'in betekende mate' toename van de concentraties fijn stof op een bepaalde afstand gemeten vanaf het dierverblijf. De betreffende emissies zijn worstcase, inclusief een veiligheidsmarge. Tabel 6.4 Vuistregel IBM conform Handreiking fijn stof en veehouderijen afstand tot te 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m toetsen plaats totale emissie 324.000 387.000 473.000 581.000 817.000 1.075.000 1.376.000 in g/jr van uitbreiding / oprichting In hoofdstuk 3 zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd voor de maximale invulling van een bouwvlak van 2 ha. Daarbij is uitgegaan van 350 stuks melkrundvee (> 2 jaar) + 245 stuks jongvee. Uitgaande van de kentallen uit de voorgenoemde Handreiking (maximaal 148 gram/dier per jaar voor een melkkoe ouder dan 2 jaar en 38 gram/dier per jaar voor vrouwelijk jongvee tot 2 jaar) genereert een bedrijf met dergelijke dieraantallen 61.110 gr/jaar. Wanneer deze emissies worden vergeleken met de getallen in tabel 6.4 kan de conclusie worden getrokken dat bij dergelijke dieraantallen de uitbreiding of omschakeling van een individueel bedrijf nooit leidt tot een overschrijding van grenswaarden. Voor paarden en schapen is in de Handreiking fijn stof en veehouderij en de bijbehorende emissiefactorenlijst geen emissiefactor vastgesteld. De effecten van deze veehouderijen op de luchtkwaliteit zijn verwaarloosbaar klein. De concentraties fijn stof dalen relatief snel op grotere afstand van de bedrijven. Over het algemeen is binnen het plangebied sprake van enige onderlinge afstand tussen de bedrijven. Aangezien de concentraties fijn stof binnen het plangebied ver onder de grenswaarden liggen (zie paragraaf 6.2.2), leidt de ontwikkelingsruimte ook cumulatief in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden (0/‐). Intensieve veehouderijen (neventakken) In bijlage 5 is ingegaan op de maximaal te verwachten concentraties luchtverontreinigende stoffen in de omgeving van de intensieve neventakken. Met name in de directe omgeving van de pluimveehouderijen Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 66 Woon‐ en leefklimaat kan sprake zijn van verhoogde concentraties. Er zullen echter in geen geval overschrijdingssituaties ontstaan als gevolg van de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt. Overige ontwikkelingen De overige ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan, onder andere de realisatie van verblijfsrecreatie, kan leiden tot een toename van verkeer en daarmee tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen langs de ontsluitende wegen. Deze ontwikkelingen hebben dan ook mogelijk een negatief effect op de luchtkwaliteit ter plaatse. De ontwikkelingen dienen echter altijd te voldoen aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet luchtkwaliteit waardoor grootschalige negatieve effecten worden voorkomen (‐/0). Nevenfuncties De nevenfuncties die bij recht worden toegestaan bij agrarische bedrijven zijn dermate kleinschalig dat de verkeersaantrekkende werking verwaarloosbaar klein is. De meer omvangrijke nevenfuncties zijn mogelijk via afwijking met een omgevingsvergunning. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om kleinschalig kamperen bij agrarische bedrijven. Als voorwaarde voor nevenfuncties is opgenomen dat de publieks‐ en verkeersaantrekkende werking van nevenfuncties niet onevenredig groot is. Hiermee is in het bestemmingsplan voldoende geborgd dat geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit zullen optreden (‐/0). 6.3.
Gezondheid Binnen veehouderijen en in de omgeving daarvan kunnen gezondheidsaspecten een rol spelen. Uitbreiding van veehouderijen kan leiden tot een hogere dichtheid van dieren binnen het plangebied en daarmee tot een toename van de kan op verspreiding van dierziekten en / of besmetting van mensen via de lucht. Dat is echter mede afhankelijk van de bedrijfsvoering en de inrichting van de bedrijven. De onderzoeken en beleidsvorming op dit vlak richten zich met name op de intensieve veehouderij. De huidige inzichten geven geen aanleiding om te veronderstellen dat ter plaatse van grondgebonden veehouderijen van relatief beperkte omvang zoals aanwezig binnen het plangebied en de op kleine schaal aanwezige intensieve neventakken, sprake is van relevante gezondheidseffecten die een rol dienen te spelen bij de afwegingen in het kader van een bestemmingsplan buitengebied. Gezien de aard en omvang de van de bedrijven binnen het plangebied is er geen aanleiding om in het kader van het planMER op dit punt nader onderzoek uit te voeren. 6.4.
Geluid 6.4.1. Toetsingskader Wet geluidhinder Langs weg, spoorwegen en industrieterreinen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder moet worden getoetst. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, dient de geluidbelasting ter plaatse te worden getoetst aan de normen uit de Wgh. Stiltegebieden In de Provinciale Milieuverordening zijn regels omtrent stiltegebieden opgenomen. Stiltegebieden zijn gebieden van (minimaal) enkele kilometers grootte waar de natuurlijke geluidsbelasting door de afwezigheid van stationaire geluidsbronnen relatief laag is (minder dan 40 dB(A)). Het ruimtelijk beleid voor stiltegebieden is gericht op handhaving en versterking van het landelijk karakter, het tegengaan van vormen van recreatie die lawaai veroorzaken en het weren van lawaaimakende menselijke activiteiten. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Woon‐ en leefklimaat 67 6.4.2. Referentiesituatie Geluidgevoelige bestemmingen Het plangebied ligt binnen de geluidzone van diverse wegen, de HSL en de spoorlijn Gouda‐Leiden. Daarnaast ligt het plangebied binnen de invloedssfeer van een aantal industrieterreinen, namelijk het industrieterrein “Hogewaard, Langs de Oude Rijn”, het industrieterrein “Barre Polder”, het industrieterrein “Oosthoek” en het industrieterrein Honsdijk (BCK). Op deze terreinen zijn inrichtingen gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Stiltegebieden Een groot gedeelte van het plangebied is aangeduid als stiltegebied; de Lagenwaardse Polder in het noorden van het plangebied en het gebied ten westen van Hazerswoude‐Dorp/polder in Noordplas/De Wilck. Figuur 6.5 geeft een overzicht van de begrenzing van de gebieden.
Figuur 6.5 Begrenzing stiltegebieden 6.4.3. Plansituatie Geluidgevoelige bestemmingen Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies direct bestemd. Akoestisch onderzoek kan hierdoor achterwege blijven. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 68 Woon‐ en leefklimaat Stiltegebieden De ontwikkelingen die het bestemmingsplan buitengebied mogelijk maakt zijn dermate kleinschalig dat deze geen relevante gevolgen hebben voor de geluidsbelasting binnen het stiltegebied. In het bestemmingsplan worden via de regeling voor neven‐ en vervolgfuncties nieuwe functies in het gebied mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de stiltegebieden worden enkele functies uitgesloten, welke geluid produceren dat niet als gebiedseigen kan worden geclassificeerd. Het betreft: paardenstalling/paardrijactiviteiten en dierenpension/hondenfokkerij. Voor de overige neven‐ en vervolgfuncties is een voorwaarde opgenomen waarmee nadelige gevolgen voor het stiltegebied worden voorkomen. 6.5.
6.5.1.
Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. 6.5.2. Referentiesituatie Inrichtingen In het plangebied zijn geen Bevi‐inrichtingen aanwezig. Wel zijn er meerdere overige risicovolle inrichtingen gelegen. Het gaat hierbij met name om propaantanks. De PR 10‐6 risicocontour van deze tanks is circa 10 m. De veiligheid rondom deze inrichtingen wordt in het milieuspoor gewaarborgd. Buiten het plangebied zijn wel Bevi‐inrichtingen aanwezig. Ten oosten van het plangebied is de Bevi‐
inrichting Helm Chemicals gelegen. Het invloedsgebied van deze inrichting is 2.225 m. Het plangebied ligt op circa 1.700 m van de inrichting. Dit is binnen het invloedsgebied. Uit onderstaande figuur blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie ruim onder de oriënterende waarde is gelegen. Figuur 6.6 Groepsrisico Helm Chemicals Ten oosten van het plangebied is tevens de Bevi‐inrichting Avery Dennison Materials Nederland B.V. gelegen. Het invloedsgebied van deze inrichting is 1.700 m. Het plangebied ligt op circa 1.650 m van de 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Woon‐ en leefklimaat 69 inrichting. Een klein deel van het plangebied is dan ook binnen het invloedsgebied gelegen. Volgens de Provinciale Risicokaart (www.risicokaart.nl) vindt er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico plaats. Ook is ten oosten van het plangebied de Bevi‐inrichting Hoogvliet B.V. gelegen. De PR 10‐6 risicocontour van deze inrichting is 30 m. Het invloedsgebied van het groepsrisico is 1670 m. Het plangebied ligt op circa 900 m van de inrichting. Een deel van het gebied is dan ook binnen het invloedsgebied gelegen. Volgens de Provinciale Risicokaart vindt er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico plaats. Van de overige Bevi‐inrichtingen die ten oosten van het plangebied zijn gelegen reikt het invloedsgebied niet tot het plangebied. De aanwezigheid van deze inrichtingen vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het invloedsgebied van l’Oreal (Boerhaaveweg 10‐16 in Alphen aan den Rijn) reikt wel tot over het plangebied. In dat deel van het plangebied is nauwelijks bebouwing gesitueerd. Ten zuiden van het plangebied is het tankstation De Weegbrug gelegen. Hier vindt verkoop van LPG plaats (vergunde jaardoorzet 999 m3). Het invloedsgebied van deze Bevi‐inrichting is 150 m. Het plangebied ligt op enkele meters van de inrichting, binnen het invloedsgebied. Gezien de personendichtheid rondom de inrichting vindt in de huidige situatie geen overschrijding van 0,1 maal de oriënterende waarde plaats. Transport van gevaarlijke stoffen Transport over de weg Over de N209 in het zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Volgens de risicokaart is de PR 10‐6 risicocontour niet buiten de weg gelegen. Het groepsrisico van de weg is in de huidige situatie kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Ook over de N455 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit tellingen blijkt dat over de weg 213 GF3 transporten per jaar plaatsvinden. Pas bij 500 transporten of meer is sprake van een PR 10‐6 risicocontour. Hiervan is bij deze weg dus geen sprake. De hoeveelheid transporten van GF3 is daarnaast dusdanig laag vergeleken met de drempelwaarden uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Ministerie van infrastructuur en milieu, d.d. 1 november 2011) dat er ook geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Buiten het plangebied vindt daarnaast vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N11. Uit de risicokaart blijkt dat de PR 10‐6 risicocontour niet buiten de weg is gelegen. De PR 10‐8 risicocontour, indicatief voor het groepsrisico, bedraagt 141 m. Uit het bijlagenrapport van het Basisnet Weg blijkt daarnaast dat er geen sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt op enkele meters vanaf de weg, binnen het invloedsgebied. Uit het Basisnet Weg blijkt dat in de huidige situatie het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Transport over het spoor Binnen het plangebied zijn twee spoorlijnen gelegen. Allereerst de Hogesnelheidslijn. Over de Hogesnelheidslijn vindt uitsluitend personenvervoer plaats. Deze spoorlijn levert dan ook geen externe veiligheidsrisico’s op voor de omgeving. Daarnaast is de spoorlijn Leiden – Woerden binnen het plangebied gelegen. Ook hier vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen over plaats. Transport door buisleidingen In en in de omgeving van het plangebied vindt tevens vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door meerdere leidingen, hoofdtransport aardgasleidingen en olieleidingen. De belangrijkste gegevens van deze leidingen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Plaatselijk ligt de PR 10‐6 risicocontour buiten de leidingen. Binnen deze contour zijn binnen het plangebied geen kwetsbare objecten gelegen. Delen van het plangebied liggen daarnaast binnen de effectafstand van de leidingen. Gezien de personendichtheden binnen het plangebied in de omgeving van de leidingen zal de hoogte van het Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 70 Woon‐ en leefklimaat groepsrisico beperkt zijn. Het groepsrisico van buisleidingen kan de oriëntatiewaarde overschrijden, de overschrijding wordt alleen niet veroorzaakt door aanwezige personen binnen het plangebied maar door personen buiten het plangebied. Tabel 6.5 Transport door buisleidingen Buisleiding PR 10‐6 contour Effectafstand Binnen het plangebied W‐517‐01 50 m 140 m A‐518 130 m 410 m A‐533 0 m 430 m A‐553 130 m 430 m DPO leiding P31B 0 m 30 m NPM‐leiding 31385 4 m 23 m NPM‐leiding 31384 4 m 23 m Buiten het plangebied A‐515 250 m 430 m In de structuurvisie buisleidingen wordt in het plangebied een strook gereserveerd voor toekomstige leidingen. De Structuurvisie Buisleidingen is een visie van het Rijk waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen voor het transport van aardgas, olieproducten en chemicaliën, die provinciegrens‐ en vaak ook landgrensoverschrijdend zijn. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. De Structuurvisie Buisleidingen is het vervolg op het Structuurschema Buisleidingen uit 1985. De breedte van de leidingstrook die wordt gereserveerd is in het plangebied over het algemeen 70 m. Deze breedte maakt het mogelijk om overal zes tot acht nieuwe leidingen aan te leggen op een onderlinge afstand van 5 tot 7 m. Figuur 6.7 Gereserveerde leidingstrook (Structuurvisie Buisleidingen 2012‐2035) 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Woon‐ en leefklimaat 71 Figuur 6.8 Risicobronnen binnen het plangebied (uitsnede provinciale risicokaart) Autonome ontwikkelingen 380 kV‐verbinding Binnen het plangebied wordt de aanleg van een nieuwe 380 kV‐hoogspanningsverbinding voorzien. Hiervoor is een inpassingsplan opgesteld (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Ministerie van Infrastructuur en Milieu, d.d. augustus 2012). Uit het inpassingsplan blijkt dat bij de realisatie van de verbinding rekening is gehouden met het aantal gevoelige bestemmingen die binnen de magneetveldzone komen te liggen. Er zijn maatregelen getroffen om het aantal gevoelige bestemmingen binnen de zone te beperken. Binnen de gemeente Rijnwoude komen 5 woningen binnen de specifieke magneetveldzone te liggen. Voor een aantal van deze woningen is reeds een procedure opgestart voor verplaatsing van de woningen tot buiten de zone. Gelet op het beperkt aantal gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone, wordt voldaan aan het voorzorgbeleid voor magneetvelden. Aardgastransportleiding Beverwijk ‐ Wijngaarden Binnen het buitengebied van de voormalige gemeente Rijnwoude wordt de aanleg van de aardgastransportleiding Beverwijk – Wijngaarden voorzien. Hiervoor is een inpassingsplan opgesteld (Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister van Infrastructuur en Milieu, d.d. oktober 2012). Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 72 Woon‐ en leefklimaat De PR 10‐6 risicocontour van de leiding komt binnen de belemmeringenstrook van de aardgastransportleiding te liggen. Binnen deze zone zijn geen kwetsbare objecten gelegen. De 1%‐
letaliteitscontour van de leiding is 580 m. Delen van het plangebied liggen binnen de ze contour. Uit het inpassingsplan blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde.. 6.5.3. Plansituatie Inrichtingen Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk binnen de PR 10‐6 contouren van de risicovolle inrichtingen in en rond het plangebied. Ook worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied. De neven‐ en vervolgfuncties kennen een dermate beperkte omvang dat deze geen gevolgen hebben voor de hoogte van het GR (0). Transport van gevaarlijke stoffen Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het invloedsgebied van de buisleiding en de wegen. De uitvoering van het bestemmingsplan zal dan ook geen gevolgen hebben voor de hoogte van het GR (0). 6.6.
Effectbeoordeling Navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de effectbeschrijvingen in dit hoofdstuk. Tabel 6.6 Effectbeoordeling woon‐ en leefklimaat
Aspect Beschrijving van het milieueffect (t.o.v. de autonome ontwikkeling) Geurhinder De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan leiden tot een Waardering van het effect ‐/0 beperkte toename van de geurbelasting binnen het plangebied. In de praktijk zal hierdoor echter geen onaanvaardbare geurhinder ontstaan. Luchtkwaliteit De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan leiden tot een ‐/0 beperkte toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen, maar in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden. Gezondheid 0 Gezien de aard en omvang de bedrijven binnen het plangebied spelen gezondheidsaspecten geen relevante rol rond de veehouderijen binnen het plangebied. Geluid 0 Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen bij recht mogelijk. Ook worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die negatieve gevolgen hebben voor de geluidbelasting binnen stiltegebieden. Externe veiligheid Het bestemmingsplan maakt geen kwetsbare objecten mogelijk binnen 0 ‐6
de PR 10 risicocontouren. Ook maakt het plan geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied en daarmee gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van het groepsrisico. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 73 7. Overige milieuaspecten 7.1.
Bodem en water 7.1.1. Toetsingskader Bodem De overheid streeft naar duurzaam gebruik van de bodem. Dit door middel van het schoonmaken van ernstig verontreinigde grond (saneren), licht en matig verontreinigde grond blijvend te beheren en schone grond schoon te houden. Deze algemene landelijke doelstellingen zijn vastgelegd in het Nationaal Milieubeleidsplan. In diverse wet‐ en regelgeving zijn deze doelstellingen nader uitgewerkt. Water Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer: Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet. De provincie en het hoogheemraadschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Wettelijke verankering van het waterbeleid vindt plaats in de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de hoogheemraadschappen, worden 'de Keur' genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen. De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond‐ en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het bestemmingsplan buitengebied vindt afstemming plaats met de waterbeheerder, in dit geval het Hoogheemraadschap van Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren. 7.1.2. Referentiesituatie Bodem Het buitengebied van Rijnwoude bestaat uit drie delen: het noordelijk en het zuidelijk veenweidegebied en de droogmakerij. Het noordelijk veenweidegebied vormt, door het ontbreken van bebouwing, één van de meest weidse open veenweidegebieden van het Groene Hart. Het grondgebruik bestaat Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 74 Overige milieuaspecten voornamelijk uit melkveehouderijen. Ook het zuidelijk veenweidegebied wordt gekenmerkt door openheid en grasland met grondgebonden veehouderijen als grondgebruik. De weidsheid is hier wel minder groot doordat hier meer bebouwing, opgaande beplanting en infrastructuur voorkomt. De droogmakerij kent verschillende vormen van agrarisch grondgebruik en is grootschalig en rationeel ingericht met grote blokvormige kavels en rechte wegen. Opvallend is de aanwezigheid van het grote veehouderijen, akkerbouw‐ en aantal sierteeltbedrijven, naast grondgebonden vollegrondstuinbouwbedrijven. De bodem in het noordelijk veenweidegebied bestaat hoofdzakelijk uit jonge rivierkleigrond. Ook zeekleigrond en veengrond komen hier voor. De bodem in het zuidelijk veenweidegebied bestaat hoofdzakelijk uit veen. Ook jonge rivierkleigrond en zeekleigrond komen hier voor. De bodem in de droogmakerij bestaat uit zeekleigrond. Naast de bodemsoort is het verschil in de drie deelgebieden ook duidelijk terug te zien in de maaiveldhoogtes. In het noordelijk veenweidegebied is de gemiddelde maaiveldhoogte circa NAP ‐1,30 m. In het zuidelijk veenweidegebied is de gemiddelde maaiveldhoogte circa NAP ‐1,80 m. In de droogmakerij is de gemiddelde maaiveldhoogte daarnaast circa NAP ‐5,00 m (bron: http://ahn.geodan.nl/ahn/#). Figuur 7.1 Bodemsoort (www.bodemkaart.nl) Bodeminformatiesysteem Gebleken is dat van een groot deel van het plangebied de bodemkwaliteit niet bekend is. In het plangebied zijn een aantal locaties aanwezig waar sterke verontreinigingen met zware metalen (vnl koper, lood en zink) zijn aangetroffen, waarschijnlijk als gevolg van langdurig gebruik en ophooglagen. Er bevinden zich in het gebied geen zogenaamde spoed locaties of locaties waar binnen een bepaalde termijn saneringen moeten worden uitgevoerd. Verder is in het BIS gekeken naar locaties die in het verleden zijn aangepakt in het kader van de Wbb en waarvoor de provincie beschikkingen heeft afgegeven. Ter plaatse van oude bebouwingslinten, met name langs de noordzijde van de Oude Rijn, zijn dergelijke locaties bekend. Verontreinigingsbronnen zijn doorgaans oude ophooglagen en bedrijfsactiviteiten. Ontwikkeling of bouw kan leiden tot een saneringsplicht. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Overige milieuaspecten 75 Historisch bedrijvenbestand In het plangebied zijn bedrijven aanwezig geweest die potentieel verdacht zijn op het veroorzaken van bodemverontreiniging. Historisch onderzoek en/ of oriënterend onderzoek moet hier nog worden uitgevoerd. Andere locaties zijn bij bouwwerkzaamheden al wel onderzocht. De Omgevingsdienst verwacht echter geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. Tankinformatiesysteem Verspreid over het plangebied is een aantal tanks aanwezig. Een groot aantal is conform KIWA‐
richtlijnen/ BOOT gesaneerd. Van andere tanks is geen informatie bekend. De Omgevingsdienst verwacht geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. Water Waterkwantiteit Het plangebied wordt doorkruist door verschillende watergangen. Het gaat hierbij om primair polderwater, primair boezemwater en overig polderwater. De belangrijkste watergangen zijn de Molenwatering; Molenboezem; Zwet; Bruine Wetering; Doespolderwatering; Papenvaart; Oostvaart; Westvaart; Tweede, Derde en Vierde Tocht, Brandwetering en Slingerwetering. Rondom de watergangen zijn beschermingszones aanwezig, een zone van 1 m rondom overig polderwater en een zone van 5 m rondom primaire watergangen. Binnen deze zones mag niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen worden. Dit moet voorkomen dat onderhoud aan de watergangen bemoeilijkt wordt. Grondwater In het plangebied komen verschillende grondwatertrappen voor. Ter plaatse van het noordelijk en zuidelijk veenweidegebied komen met name de grondwatertrappen II en III voor. Ter plaatse van de droogmakerij komen lagere grondwaterstanden voor, met name de grondwatertrap VI. Ook de grondwatertrappen II, III, IV en V komen voor (figuur 7.3). Binnen het plangebied zijn geen grondwaterbeschermingsgebieden gelegen. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 76 Overige milieuaspecten Figuur 7.3 Grondwatertrappen (www.bodemdata.nl) Watersysteemkwaliteit Binnen het buitengebied van Rijnwoude zijn geen Kader Richtlijn Water (KRW)‐lichamen gelegen. Wel worden in de Kaderrichtlijn Water ook algemene eisen aan de kwaliteit van polderwater en boezemwater gesteld. In het buitengebied overschrijden de gehaltes fosfor en stikstof deze normen in vrijwel het gehele veenweidegebied (Hoogheemraadschap ven Rijnland, Vlietpolder zoektocht naar verbetering van de waterkwaliteit in het veenweidegebied, april 2012). Afspoeling van landbouwgronden blijkt hiervan een grote oorzaak te zijn. Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied zijn geen primaire waterkering gelegen. Wel zijn er verschillende regionale waterkeringen gelegen. Het gaat hierbij onder andere om de keringen langs de Mattenkade, Hoogenwaard, Lagewaard, Papenvaart, Oostvaart en Westvaart. Rondom de keringen zijn beschermingszones aanwezig. Binnen deze zones mag niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen worden. Dit moet voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid van de waterkeringen wordt aangetast. In delen van het plangebied is sprake van overstromingsrisico. Ter plaatse van het noordelijk en zuidelijk veenweidegebied is het overstromingsrisico nihil, maar in de droogmakerij bestaat een aanzienlijk risico op overstromingen. Bij een eventuele overstroming is de maximale overstromingsdiepte hier 2 tot 5 m. Door de relatief grote maximale overstromingsdiepte zullen de gevolgen van een eventuele overstroming hier aanzienlijk zijn. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Overige milieuaspecten 77 Figuur 7.4 Overstromingsrisico (www.risicokaart.nl) Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is grotendeels aangesloten op een drukriolering. 7.1.3. Plansituatie Bodem In het bestemmingsplan worden geen functiewijzigingen bij recht mogelijk gemaakt. Bodemonderzoek is om deze reden in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bijdragen aan vervuiling van de bodem. Ten aanzien van agrarische activiteiten gelden voorschriften vanuit onder andere het Activiteitenbesluit en het Besluit mestbassins milieubeheer, zoals het toepassen van vloeistofdichte vloeren en dergelijke, om bodemverontreiniging te voorkomen. De ontwikkelingen die worden geboden in het bestemmingsplan hebben dan ook geen negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit ter plaatse. (0) Water Waterkwantiteit Ondanks de consoliderende aard van het bestemmingsplan worden binnen de bouwvlakken en via wijzigingsbevoegdheden ook daarbuiten ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Als van al deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt, leidt dit tot een toename van het verhard oppervlak. Bij deze toekomstige initiatieven zal een toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het plangebied moeten worden gecompenseerd. Binnen het gebied bestaat reeds een waterbergingsopgave om wateroverlast te kunnen voorkomen. Door deze reeds bestaande waterbergingsopgaven leiden de ontwikkelingsmogelijkheden mogelijk tot negatieve effecten op de waterkwantiteit. Doordat in de Keur gesteld is dat een toename in verharding gecompenseerd dient te worden, worden deze negatieve effecten voorkomen. (‐/0) Waterkwaliteit Het is van belang om bij toekomstige initiatieven diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet‐uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's‐houdende materialen), zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Eventueel benodigde maatregelen worden in overleg met de waterbeheerder vastgesteld. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw die in het bestemmingsplan worden geboden, kunnen resulteren in groei van de veestapel. Door intensivering van de landbouw worden er meer meststoffen verspreid. Dit kan leiden tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewater met vermestende stoffen (N en P) via af‐ en uitspoeling. De ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 78 Overige milieuaspecten bedrijven die in het bestemmingsplan worden geboden hebben dus mogelijk een negatief effect op de waterkwaliteit. (‐) Keur Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Hiermee worden negatieve effecten op het watersysteem voorkomen (0). 7.2.
7.2.1.
Verkeer en vervoer Toetsingskader Op basis van de Wro dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. 7.2.2.
Referentiesituatie Ontsluiting gemotoriseerd verkeer De hoofdwegenstructuur van het zuidelijke plandeel wordt gevormd door de Provincialeweg N209. De N209 sluit ter hoogte van de kern Hazerswoude‐Rijndijk aan op de autoweg N11. De N209 verbindt Hazerswoude‐Rijndijk / N11 via Hazerswoude‐Dorp en Benthuizen met Zoetermeer‐Oost. De N11 geeft verbinding met de A4 (bij Leiden) en met de A12 (Bij Bodegraven). De N209 en de N11 kruisen elkaar ongelijkvloers. Daarnaast bevinden zich in het plangebied een aantal erftoegangswegen die onderscheiden worden in erftoegangswegen met een ontsluitingsfunctie voor de kernen en plattelandswegen met een functie ter ontsluiting van woningen en bedrijven. Figuur 7.5 Ontsluitingsstructuur plangebied 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Overige milieuaspecten 79 Ontsluiting langzaam verkeer Het langzaam verkeer, met name (brom)fietsers, maakt gebruik van dezelfde wegen als het gemotoriseerd verkeer met uitzondering van de N209. Langs de N209 liggen vrijliggende fietspaden die een functie vervullen als regionale fietsroutes met zowel een utilitaire als een recreatieve functie. Door het plangebied zijn verder routes uit het knooppunten netwerk gelegen. Knooppuntroutes, oftewel fietsroutenetwerken, bestaan uit een groot aantal genummerde knooppunten. Tussen die knooppunten lopen in twee richtingen bewegwijzerde verbindingsroutes. Deze routes zijn voornamelijk gericht op recreatief verkeer en juist in het buitengebied, met diverse recreatieve voorzieningen, van belang. Tevens lopen door het plangebied lange afstandsfietspaden. Figuur 7.6 Fietsknooppunten (www.fietseropuit.nl) Ontsluiting openbaar vervoer Door het plangebied loopt de HSL, deels in een tunnelbak en deels bovengronds. In het plangebied van bestemmingsplan Tussen Rijn en Rijksweg ligt de spoorlijn Gouda‐Leiden. Ter hoogte van het plangebied bevindt zich geen NS‐station. Het plangebied worden ontsloten via busdiensten in de richtingen Alphen aan den Rijn, Leiden, Oegstgeest, Gouda en Zoetermeer. Deze buslijnen hebben hun route via de Rijndijk, de Hoogewaard en de N209 en halteren dan ook langs deze wegen. Vanuit het plangebied kan de afstand tot deze haltes oplopen tot een kilometer. Inmiddels is duidelijk geworden dat de eerder beoogde halte ter hoogte van de kern Hazerswoude‐
Rijndijk voor de RijnGouwelijn er niet komt. Wel wordt in het kader van HOV‐net Zuid‐Holland Noord gewerkt aan nieuwe plannen voor een NS‐station. Het station zal vermoedelijk gebouwd worden aan de westkant van Hazerswoude‐Rijndijk, bij de kruising van de spoorbaan met de Gemeneweg naar Hazerswoude‐Dorp. Als de huidige plannen doorgaan zal de halte in 2018 worden geopend. Verkeersveiligheid In het kader van Duurzaam Veilig zijn de wegen gecategoriseerd. De N11 is gecategoriseerd als stroomweg met een maximumsnelheid van 100 km/h. De N209 is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/h. De overige Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 80 Overige milieuaspecten wegen binnen het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h. Binnen het plangebied bevinden zich vrijliggende fietspaden langs de provinciale weg (N209). Het fiets‐ en voetgangersverkeer binnen het plangebied wordt op de erftoegangswegen (60 km/h) grotendeels samen met het gemotoriseerd verkeer afgewikkeld. Dit is conform de inrichting volgens Duurzaam Veilig. Verkeersafwikkeling De gemeente Rijnwoude heeft geen gemeentelijk verkeer‐ en vervoerplan. Wel wordt vanuit de regio Holland Rijnland, in samenwerking met de regiogemeenten, veel gedaan op het gebied van beleidsontwikkeling en projecten. Ten aanzien van de mobiliteitsprojecten is dit het Uitvoeringsplan van het Regionaal Verkeer en Vervoersplan (UP RVVP). Hieruit blijkt dat de groei van het verkeer op verschillende plaatsen op de N209 tot knelpunten leidt. Kruispunten kunnen het groeiende verkeersaanbod niet afdoende verwerken, de verkeersveiligheid is in het geding en het verkeer leidt tot meer hinder op het gebied van onder andere geluid en luchtkwaliteit. De herinrichting (Duurzaam Veilig) van de N209 voor het deel Hazerswoude Zoetermeer is met prioriteit opgenomen in het uitvoeringsprogramma. 7.2.3. Plansituatie Het toetsingscriteria verkeer en vervoer is van belang voor de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan. Vergroting agrarisch bouwperceel De ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen die het bestemmingsplan biedt kunnen leiden tot een toename van het aantal vervoersbewegingen van en naar de veehouderijen. Een toename van het verkeer op de erftoegangswegen kan door de beperkte capaciteit van deze wegen leiden tot knelpunten. Aangezien de ontwikkelingsmogelijkheden gaan om de uitbreiding/omschakeling van bestaande bedrijven, zullen de verkeerstoenames in de praktijk beperkt zijn (0). Overige ontwikkelingen Ook de overige ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, zijn kleinschalig. Voor de meer omvangrijke ontwikkelingen die via afwijking met een omgevingsvergunning en wijzigingsbevoegdheden worden mogelijk gemaakt, is als voorwaarde opgenomen dat geen sprake mag zijn van een onevenredige vergroting van de publieks‐ en/of verkeersaantrekkende werking. De beperkte aantallen extra vervoersbewegingen als gevolg van het bestemmingsplan buitengebied, leiden dan ook niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling op de ontsluitende wegen (0). 7.3.
effectbeoordeling Tabel 7.1 geeft een samenvattend overzicht van de effectbeschrijvingen in dit hoofdstuk en de bijbehorende effectbeoordelingen. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Overige milieuaspecten 81 Tabel 7.1 Effectbeoordeling overige milieuaspecten Aspect Beschrijving van het milieueffect (t.o.v. de autonome ontwikkeling) Bodem De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan heeft geen gevolgen Waardering van het effect Water Verkeer en vervoer Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam voor de bodemkwaliteit in het gebied. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw die in het bestemmingsplan worden geboden, kunnen resulteren in groei van de veestapel en daarmee van de meststoffen. Dit kan leiden tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewater. De ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan worden geboden hebben mogelijk een negatief effect op de waterkwaliteit. De beperkte aantallen extra vervoersbewegingen als gevolg van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden naar verwachting niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling op de ontsluitende wegen.
0 ‐/0 0 167200.18076.00 82 Overige milieuaspecten 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 83 8. Conclusies en doorvertaling in bestemmingsplan
8.1.
Conclusies Tabel 8.1 geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordelingen uit de voorgaande hoofdstukken. Tabel 8.1 Beoordeling effecten ontwikkelingsruimte bestemmingsplan Aspect Beschrijving van het milieueffect (t.o.v. de referentiesituatie) Waardering van het effect Natuur Natura 2000‐gebieden Ecologische Hoofdstructuur -
De maximale invulling van alle bouwmogelijkheden leidt tot een toename van tientallen mollen stikstof op de rand van de Natura 2000‐gebieden, met name in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het realistische ontwikkelingsscenario leidt tot een veel beperktere toename. Significant negatieve effecten zijn echter niet uit te sluiten. -
De extra recreanten maken gebruik van bestaande, intensief gebruikte infrastructuur, negatieve effecten treden niet op. -
Aantasting foerageergebied -
verstoring. -
Verandering waterhuishouding -
Uitbreidingsmogelijkheden binnen de bestaande bouwvlakken leidt niet tot aantasting of extra verstoring van de EHS. het oppervlak geschikt weidevogelleefgebied kan in beperkte mate afnemen door intensivering van de teelt van ruwvoeders. De extra recreanten maken gebruik van bestaande, intensief gebruikte infrastructuur, extra verstoring treedt niet op. Bij uitbreiding van het agrarisch bouwvlak kunnen leefgebied, rust‐ en verblijfplaatsen van beschermde soorten worden aangetast. Deze aantasting is vrij beperkt, maar vanwege het voorkomen van vleermuizen is dit als negatief beoordeeld. -
Beschermde soorten -
Landschap, cultuurhistorie en archeologie Landschappelijke en Verdergaande schaalvergroting en verbreding van agrarische cultuurhistorische bedrijven kan ertoe leiden dat landschappelijke en waarden cultuurhistorische waarden worden aangetast. Het betreft met name de openheid. Het vergroten van agrarische bouwvlakken en de realisatie van nieuwe agrarische bouwvlakken kan echter vaak zonder aantasting van waarden plaatsvinden. Hier wordt ook aan getoetst. De teelt van mais‐ en ruwvoeder kan verder intensiveren, gezien de beperkingen in het bestemmingsplan leidt dit slechts tot beperkt negatieve effecten. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam ‐‐ 0 0 0 0 0 ‐/0 0 ‐ ‐/0 ‐/0 167200.18076.00 84 Conclusies en doorvertaling in bestemmingsplan -
Archeologische waarden Woon‐ en leefklimaat Geurhinder Luchtkwaliteit Gezondheid Geluid Externe veiligheid Overige milieuaspecten Bodem Water Verkeer en vervoer Omschakeling naar akker‐ en tuinbouw is niet mogelijk, omschakeling naar grondgebonden veehouderij wel. Dit zou een licht positief effect op de herkenbaarheid van het landschap kunnen hebben. De recreatieontwikkelingen hebben slechts zeer beperkte negatieve landschappelijke en cultuurhistorische effecten. Bodemingrepen kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden. Door de onderzoeksplicht in het bestemmingsplan wordt echter wel gegarandeerd dat deze waarden worden gedocumenteerd. De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan leiden tot een beperkte toename van de geurbelasting binnen het plangebied. In de praktijk zal hierdoor echter geen onaanvaardbare geurhinder ontstaan. De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan kan leiden tot een beperkte toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen, maar in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden. Gezien de aard en omvang de bedrijven binnen het plangebied spelen gezondheidsaspecten geen relevante rol rond de veehouderijen binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen bij recht mogelijk. Ook worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die negatieve gevolgen hebben voor de geluidbelasting binnen stiltegebieden. Het bestemmingsplan maakt geen kwetsbare objecten mogelijk binnen de PR 10‐6 risicocontouren. Ook maakt het plan geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied en daarmee gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van het groepsrisico. De ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de bodemkwaliteit in het gebied. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw die in het bestemmingsplan worden geboden, kunnen resulteren in groei van de veestapel en daarmee van de meststoffen. Dit kan leiden tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewater. De ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan worden geboden hebben mogelijk een negatief effect op de waterkwaliteit. De beperkte aantallen extra vervoersbewegingen als gevolg van de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden naar verwachting niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling op de ontsluitende wegen. 0/+ ‐/0 ‐/0 ‐/0 ‐/0 0 0 0 0 ‐/0 0 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Conclusies en doorvertaling in bestemmingsplan 85 Toetsing aan wettelijke normen Uit de beschrijvingen en beoordelingen in de tabel blijkt dat effecten van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude (met uitzondering van het thema stikstofdepositie) beperkt zijn. Dit is het gevolg van: de aard en omvang van de ontwikkelingen die worden mogelijk gemaakt; de voorwaarden en eisen die in de bestemmingsplanregels worden gesteld aan toekomstige initiatieven; de over het algemeen gunstige milieusituatie in het plangebied (referentiesituatie). Natura 2000 Belangrijkste aandachtspunt dat volgt uit de effectbeschrijvingen in het planMER zijn de gevolgen van de mogelijke toename van stikstofdepositie. Uit de passende beoordeling blijkt dat met de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan Buitengebied significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de Natura 2000‐gebieden niet zijn uit te sluiten. Het volledig uitsluiten van significante negatieve effecten binnen het bestemmingsplan Buitengebied is alleen mogelijk met een ingrijpende aanpassing van de bestemmingsregeling. Concreet gaat het dan om maatregelen als het uitsluiten van bouwmogelijkheden voor nieuwe stallen of het vastleggen dat het aantal dieren niet mag toenemen. Ook kan er voor worden gekozen om in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen dat de bouw van stallen afhankelijk wordt gesteld van het niet optreden van significant negatieve effecten in Natura 2000‐gebieden. Uitbreiding of omschakeling is mogelijk zonder dat significante negatieve effecten op Natura 2000 optreden, door bijvoorbeeld gebruik te maken van saldering. Bij de beëindiging van agrarische activiteiten ontstaat stikstofsaldo waarmee elders de uitbreiding van veehouderijen kan worden mogelijk gemaakt. Voorwaarde is dat deze saldering plaatsvindt binnen hetzelfde Natura 2000 op dezelfde habitattypen. Daarnaast is van belang dat geborgd is dat de uitbreiding pas plaatsvindt op het moment dat de bedrijfsactiviteiten elders zijn beëindigd (en ook de vergunningen zijn ingetrokken en de bestemmingslegging is gewijzigd). Enkele veehouderijen van grote omvang en/of op korte afstand van Natura 2000 bieden voldoende saldo om binnen het plangebied een forse uitbreiding van het aantal stuks melkrundvee te kunnen realiseren. Er zijn echter ook mogelijkheden om buiten het bestemmingsplan om te voorkomen dat negatieve effecten optreden, bijvoorbeeld door beheersmaatregelen binnen Natura 2000 uit te breiden en/of te intensiveren. In het voorontwerpbestemmingsplan vindt een afweging van de voorgestelde maatregelen plaats. Overige milieuthema’s Er ontstaan verder geen knelpunten in relatie tot de wettelijke normen en grenswaarden die vanuit de sectorale toetsingskaders gelden. In de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat negatieve milieueffecten optreden. In verschillende flexibiliteitsbepalingen wordt als voorwaarde gesteld dat de ontwikkeling 'milieuhygiënisch inpasbaar' is. Daarnaast zijn er in het bestemmingsplan regelingen opgenomen ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden en ter bescherming (en versterking) van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Toetsing aan doelstellingen en ambities voor het plangebied Uit de beschrijvingen in hoofdstuk 2 blijkt dat binnen het plangebied sprake is van grote landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Naast de toetsing aan de harde wettelijke normen en grenswaarden is van belang of de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan gevolgen heeft voor deze waarden. Uit de sectorale analyses blijkt dat met de zonering die is opgenomen in het bestemmingsplan, de bouwmogelijkheden die daaraan zijn gekoppeld en de voorwaarden en uitgangspunten die daarbij in acht dienen te worden genomen, is op een goede manier invulling gegeven aan het behouden en versterken van de aanwezige waarden. De openheid van het gebied blijft behouden, dat geldt ook voor bestaande natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Vanuit de doelstellingen voor het buitengebied is er geen aanleiding om de bestemmingsplanregeling aan te vullen of aan te scherpen naar aanleiding van de uitkomsten van het planMER. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 86 Conclusies en doorvertaling in bestemmingsplan 8.2.
Leemten in kennis en monitoring Als gevolg van onvolledige informatie, het detailniveau van milieuonderzoeken, de beperkingen van rekenmodellen en het feit dat milieuonderzoeken soms door actuele (beleids)ontwikkelingen worden achterhaald, kunnen leemten in kennis ontstaan. Daarbij vormen de effecten op het gebied van stikstofdepositie, geurhinder en luchtkwaliteit bijzondere aandachtspunten: Door milieueffecten te monitoren en te evalueren kunnen leemten in kennis worden gedicht en tijdig maatregelen worden getroffen indien er sprake is van grotere milieueffecten dan gedacht. Voor een deel kan daarbij worden aangesloten bij bestaande evaluatieprogramma's (bijvoorbeeld de monitoring van de luchtkwaliteit in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Daarnaast kunnen actuele en meer gedetailleerde berekeningen worden gemaakt op het moment dat concrete vergunningaanvragen worden ingediend. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 1
Drempels besluit milieueffectrapportage Mer‐plichtig De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1. 85.000 stuks mesthoenders (Rav1) cat. E 3 t/m 5); 2. 60.000 stuks hennen (Rav cat. E 1 en E2); 3. 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3); 4. 900 stuks zeugen (Rav cat. D 1.2 en D 1.3). Mer‐beoordelingsplichtig De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 7)
40.000 stuks pluimvee (Rav cat. E, F, G en J); 2.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3); 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft); 3.750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1); 5.000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3); 1.000 stuks voedsters of 6.000 vlees‐ en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2); 1.
2.
3.
4.
5.
6.
200 stuks melk‐, kalf‐ of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2); 7.
340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3); 8.
340 stuks melk‐, kalf‐ en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3); 1.200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7); 2.000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3); 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld (Rav cat. K.2 en K.4); 1.000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3). 9.
10.
11.
12.
13.
7) Regeling ammoniak en veehouderij.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 2
Maatregelen beschermde soorten In onderstaande tabel is aangegeven welke soortgroepen bij welke werkzaamheden in het geding kunnen zijn. Tevens is aangegeven wat de kans is dat er een ontheffing van de Flora‐ en faunawet wordt verleend en welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn. De algemeen voorkomende, licht beschermde tabel 1 soorten zijn niet in de tabel opgenomen, omdat ze zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht in het kader van de Flora‐ en faunawet. 8
Ingrepen die kunnen Soorten / Beschermingsregime Kans dat hiervoor leiden tot aantasting soortgroe‐pen op basis van de Flora‐ ontheffing wordt verleend van beschermde Mitigerende maatregelen en faunawet soorten Sloop van (agrarische) Vleermuizen bebouwing Ffwet Tabel 3, Bijlage Kansrijk, zeker als gewerkt IV HR wordt met de -
Tijdig creëren van voldoende nieuwe verblijfplaatsen. -
Werken buiten kwetsbare periode. -
Tijdig aanbieden van voldoende nieuwe huisvestings‐
mogelijkheden. -
Werken broedseizoen. 9
soortenstandaards Broedvogels met Ffwet Kansrijk, zeker als gewerkt vaste nesten wordt met de soortenstandaards Het verleggen/dem‐
Vissen pen van waterlopen Er kan gewerkt worden met Ffwet Tabel 2 Ffwet Tabel 3, Bijlage I een gedragscode dan is geen AMvB ontheffing nodig. -
Voortplantingswateren worden tijdens het voortplantingsseizoen (medio februari – mei) en de winterrust gespaard. -
Voorafgaand aan het dempen van de watergang moeten tijdig nieuwe watergangen, aangrenzend aan het leefgebied van bestaande populaties, gemaakt worden of aan bestaande watergangen moeten maatregelen worden uitgevoerd zodat ze geschikt blijven of de kwaliteit verbeterd. -
Tijdig vooraf realiseren Is er geen gedragscode of is sprake van Tabel 3 Bijlage I AMvB soorten dan wordt ontheffing verleend, zeker als gewerkt wordt volgens de gedragscode of met de soortenstandaards Amfibieën Ffwet Tabel 3, Bijlage Kansrijk, zeker als gewerkt buiten 8
Maatregelen zijn maatwerk, afhankelijk van de aangetroffen soort en het belang van de locatie voor de
functionaliteit van de leefomgeving. In deze tabel worden veel voorkomende maatregelen benoemd.
9
Dienst Regelingen stelt voor alle matig en zwaar beschermde soorten een zogenaamde soortenstandaard op.
Diverse soortenstandaards zijn overigens nog in ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 IV HR van nieuw voor voortplanting geschikt water voor een vergelijkbaar aantal individuen en bereikbaar maken vanuit overwinteringsgebied. wordt met de soortenstandaards -
Zoogdieren Ffwet Tabel 3, Bijlage I Ontheffing wordt verleend, AMvB zeker als gewerkt wordt met de soortenstandaards of volgens gedragscode Werkzaamheden uitvoeren buiten voortplantingsperiode en winterrust. -
Gefaseerd (tijd en ruimte) verwijderen van oevervegetatie -
Direct grenzend aan bestaand habitat evenveel nieuw optimaal habitat realiseren als hetgeen verloren gaat door het beheer daarvan aan te passen of het gebied opnieuw in te richten ten gunste van de betreffende soort -
Voorafgaand aan de eigenlijke werkzaamheden moet het gebied ongeschikt gemaakt worden voor de betreffende soort -
Wegvangen individuen Vaatplanten Ffwet Tabel 2 Er kan gewerkt worden met Planten worden ‐ buiten de een gedragscode dan is geen bloeitijd ‐ uitgestoken en ontheffing nodig. elders in een geschikt biotoop Is er geen gedragscode dan teruggeplaatst. wordt ontheffing verleend, zeker als gewerkt wordt volgens de gedragscode of met de soortenstandaards Het kappen van bomen, verwijderen 167200.18076.00 Weekdieren Vleermuizen Ffwet Tabel 3, Bijlage Kansrijk. Soort is goed te IV HR verplaatsen. Ffwet Tabel 3, Bijlage Kansrijk, zeker als gewerkt IV HR wordt met de -
-
Direct grenzend aan bestaand habitat evenveel nieuw optimaal habitat realiseren als hetgeen verloren gaat door het beheer daarvan aan te passen of het gebied opnieuw in te richten ten gunste van de betreffende soort -
Enkele plukken watervegetatie met de betreffende soort verplaatsen naar nieuw gegraven wateren. Tijdig creëren nieuwe verblijfplaatsen. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam ruigte, houtstapels of soortenstandaards steenhopen Broedvogels met Ffwet Kansrijk, zeker als gewerkt vaste nesten -
Werken buiten kwetsbare periode. -
Tijdig alternatieve vliegroute creëren nabij of parallel aan de originele vliegroute. -
Tijdig alternatief foerageergebied creëren. -
Tijdig aanbieden van voldoende nieuwe huisvestingsmogelijkhede
n. -
Creëren voldoende dekkingsmogelijk‐heden en slaapgelegenheden. -
Zorgen voor voldoende zit‐ en uitkijkposten. -
Opwaarderen van marginaal habitat in de directe omgeving tot optimaal habitat. wordt met de soortenstandaards Amfibieën Ffwet Tabel 3, Bijlage Kansrijk, zeker als gewerkt IV HR wordt met de soortenstandaards Opwaarderen bestaand landhabitat of tijdig vooraf realiseren van nieuwe elementen die kunnen dienen als vaste rust‐ en verblijfplaats op het land voor een vergelijkbaar aantal individuen Ook voor niet of licht beschermde soorten geldt in het kader van de Flora‐ en faunawet een zorgplicht. Hieronder staan enkele zorgplichtmaatregelen beschreven: -
Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming); -
Werken buiten kwetsbare periodes van de aanwezige soorten; -
Soorten voorafgaand aan werkzaamheden zo veel mogelijk wegvangen en verplaatsen; -
Werkgebied afzetten, zodat soorten niet terugkomen en/of er zich niet vestigen; -
Bij werkzaamheden aan watergangen één kant op werken, zodat aanwezige dieren kunnen uitwijken; -
de werkzaamheden in de tijd en ruimte gefaseerd uit te voeren; -
Bij de uitvoering van de grondwerkzaamheden kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat (her)vestiging of (her)kolonisatie van beschermde soorten kan plaatsvinden, daarvoor kan het terrein regelmatig worden gemaaid, zodat er geen (natuurlijke) houtige beplanting kan groeien. Ook het vlak houden van het terrein kan de (her)vestiging van soorten tegengaan. Daarnaast is het dagelijks gebruik van het terrein een vorm van verstoring om (her)vestiging van beschermde soorten tegen te gaan. Echter verstoring mag alleen worden toegepast ter voorkoming van de (her)vestiging van soorten en niet ter bestrijding van al aanwezige soorten. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat de rugstreeppad (die namelijk aangetrokken wordt door grondwerkzaamheden in de nabijheid van water) zich vestigt door de werkzaamheden naadloos op elkaar te laten aansluiten en/of het plangebied voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden volledig af te schermendoor het plaatsen van een paddenscherm. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig beheerd worden Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Bij graafwerkzaamheden en/of tijdelijke opslag van grond kan voorkomen worden dat soorten als de oeverzwaluw gaan nestelen in de taluds door deze niet steiler te maken dan 1:3. Mochten ondanks deze voorzorgsmaatregelen onverhoopt toch beschermde dieren zich in het gebied vestigen, dan moeten de werkzaamheden worden stilgelegd, gewacht worden tot de nesten vrijwillig zijn verlaten of ontheffing worden aangevraagd. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Bijlage 3
Onderzoek stikstofdepositie Onderzoekssituaties Om de gevolgen van het bestemmingsplan voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen zijn berekeningen uitgevoerd. Het onderzoek stikstofdepositie is uitgevoerd met het rekenmodel AAgrostacks. Dit rekenmodel voor ammoniakdepositie als gevolg van veehouderijen is ontwikkeld in opdracht van het (toenmalige) ministerie van LNV. In het onderzoek zijn drie situaties doorgerekend: -
huidige situatie (huidige, feitelijke, legale situatie); -
de maximale invulling van de bouwvlakken; een realistische invulling op basis van CBS‐gegevens voor de voormalige gemeente Rijnwoude. In hoofdstuk 3 is op hoofdlijnen toegelicht welke uitgangspunten zijn gehanteerd bij het uitwerken van de verschillende onderzoekssituaties. Deze bijlage geeft een meer gedetailleerd overzicht van de berekeningsuitgangspunten. Uitgangspunten Huidige situatie Intensieve veehouderijen Voor de intensieve neventakken is per perceel een locatiespecifieke invulling bepaald: - In een passende beoordeling in het kader van een planMER buitengebied is het noodzakelijk om voor de huidige situatie uit te gaan van de feitelijk aanwezige dieraantallen en dus geen rekening te houden met niet benutte ruimte in de milieuvergunningen; - Om deze reden zijn de gegevens uit de milieuvergunningen vergeleken met de meest actuele CBS‐
gegevens (2012) over het aantal dieren binnen de Rijnwoude. De CBS‐gegevens zijn gebaseerd op de zogenaamde mei‐tellingen; - Daar waar de gegevens uit de vergunningen (cumulatief voor de gehele voormalige gemeente Rijnwoude) afwijken van de CBS‐gegevens is een correctie toegepast. Voor het aantal varkens zijn de CBS‐gegevens vrijwel gelijk aan de bij de Omgevingsdienst West‐Holland beschikbare gegeven. Het aantal vleeskuikens dat door het CBS is geregistreerd ligt echter aanzienlijk lager dan de vergunde aantallen. Door het toepassen van de correctie wordt met de cijfers aangesloten bij de feitelijke situatie (de CBS‐gegevens op basis van meitellingen zijn daarmee bepalend voor de berekeningsuitgangspunten en niet de vergunde dieraantallen). Grondgebonden veehouderijen Het grootste deel van de grondgebonden bedrijven valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Voor deze bedrijven is niet exact bekend welke dieraantallen zich in de huidige situatie op het bedrijf bevinden: - Door de Omgevingsdienst West‐Holland is per bedrijf inzicht gegeven in de aanwezige diercategorieën; Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 -
-
-
Vervolgens zijn op basis van de CBS‐gegevens de binnen het plangebied aanwezige dieraantallen verdeeld over de grondgebonden veehouderijen (in totaal circa 50 bedrijven), hierdoor is uitgegaan van de feitelijke situatie (de dieraantallen komen op gebiedsniveau overeen met de aantallen die volgens het CBS binnen het plangebied aanwezig zijn); Voor het melkrundvee > 2 jaar is een emissiefactor van 9,5 kg NH3 per dierplaats per jaar aangehouden, voor vrouwelijk jongvee 3,9 kg NH3 per dierplaats per jaar, voor schapen 0,7 kg NH3 per dierplaats per jaar, voor paarden 5 kg NH3 per dierplaats per jaar; door voor de grondgebonden bedrijven uit te gaan van een gemiddelde invulling, kan het de huidige situatie op perceelsniveau afwijken van de feitelijke situatie. Op gebiedsniveau komen de totale aantallen dieren echter overeen met de dieraantallen die volgens de CBS‐gegevens binnen het plangebied aanwezig zijn. Voor de huidige situatie is op gebiedsniveau zodoende (conform de vereisten van de Natuurbeschermingswet en jurisprudentie op dit vlak) uitgegaan van de feitelijk aanwezige dieraantallen. Maximale invulling bouwvlakken - In deze onderzoekssituatie benutten alle bestaande veehouderijen alle bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt maximaal (ook de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak tot 2 hectare); - Op andere bouwvlakken binnen de bestemming Agrarisch waar in de huidige situatie geen veehouderij is gevestigd, staat het bestemmingsplan omschakeling naar veehouderij toe. Het planMER houdt rekening met de theoretische situatie dat op ieder bouwvlak een veehouderij is gevestigd, dus dat waar mogelijk omschakeling naar veehouderij plaatsvindt; - Voor alle bouwvlakken is uitgegaan van een maximale invulling met melkrundvee. Voor de maximale invulling op perceelsniveau is aangesloten bij het rapport Megastallen in beeld van Alterra (rapport 1581). Daarin wordt voor de maximale invulling van een bouwvlak van 1 – 1.5 hectare uitgegaan van 250 stuks melkrundvee (excl. jongvee). In het verlengde daarvan is voor een bouwvlak van 2 hectare uitgegaan van een invulling met 350 stuks melkrundvee (excl. jongvee); - Voor de verhouding melkvee –jongvee is 0.7 aangehouden (245 stuks jongvee). Voor het melkrundvee > 2 jaar is uitgegaan van 9,5 kg NH3 per dierplaats per jaar aangehouden, voor vrouwelijk jongvee 3,9 kg NH3 per dierplaats per jaar; - Hiermee komt de totale maximale emissie voor een bouwvlak van 2 hectare op 4.280 kg NH3 per jaar; - De bestaande intensieve neventakken krijgen in het bestemmingsplan slechts zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden (10%). De emissies voor de intensieve neventakken vallen binnen de 4.280 kg NH3 per jaar die is aangehouden voor de maximale invulling met een grondgebonden veehouderij met een omvang van 2 hectare. Realistische invulling bouwvlakken - voor de uitwerking van de realistische invulling zijn de trends die volgen uit de CBS‐gegevens voor de voormalige gemeente Rijnwoude over de afgelopen 12 jaar als uitgangspunt gehanteerd (zie paragraaf 3.2.2 van het planMER); - voor de meeste diercategorieën is sprake van een afname van het aantal bedrijven en ook van het aantal stuks vee tussen 2000 en 2012. Gezien de trends is het niet aannemelijk dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt volledig zullen worden benut; - hoewel voor de melkrundveehouderijen binnen de voormalige gemeente Rijnwoude sprake is van een dalende trend, is er bij de uitwerking van de realistische invulling van uitgegaan dat vanwege het wegvallen van de melkquota in 2015 het aantal stuks melkrundvee binnen de planperiode zal 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam -
-
toenemen. Op grond van de ontwikkelingen de afgelopen 12 jaren die blijken uit de CBS‐gegevens was sprake van een afname van het aantal stuks melkrundvee met circa 10% (van circa 6.161 stuks melkrundvee in 2000 naar circa 5.570 in 2012). In het onderzoek stikstofdepositie is er van uitgegaan dat door het wegvallen van de melkquota de melkveestapel met 20% groeit ten opzichte van de huidige situatie; voor de intensieve neventak op het perceel Kruiskade 4 (varkens) heeft de ondernemer aangegeven de bedrijfsactiviteiten binnen de planperiode te beëindigen. Hiermee is dan ook rekening gehouden bij de realistische invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. voor de beide andere intensieve neventakken (pluimvee) is er bij de uitwerking van de realistische invulling van uitgegaan dat deze aanwezig blijven (in het bestemmingsplan wordt een uitbreiding met ten hoogste 10% toegestaan). Overige berekeningsuitgangspunten In het rekenmodel moet een aantal uitgangspunten worden ingevoerd. Daarbij gaat het om de kenmerken van de aanwezige stallen. Het gaat te ver om voor een planMER voor een bestemmingsplan Buitengebied op perceelsniveau de aanwezige stallen te modelleren. Dat is ook niet noodzakelijk om op gebiedsniveau conclusies te trekken over de mogelijke effecten als gevolg van de ontwikkelingsruimte die in het bestemmingsplan Buitengebied wordt geboden. Voor de kenmerken van de stallen en de emissiepunten is voor de grondgebonden veehouderijen uitgegaan van de defaultwaarden uit het rekenmodel. Dat wil zeggen een stalhoogte van 6 meter, een emissiepunthoogte van 5 meter, binnendiameter emissiepunt 0,5 meter en uittreesnelheid 0,4 meter / seconde. Voor de intensieve neventakken is voor de stalsystemen aangesloten bij de gegevens uit de vergunningen. Er is voor de intensieve veehouderijen verder uitgegaan van een uittreesnelheid van 4 meter / seconde. De navolgende tabel geeft een overzicht van de veehouderijen die in het onderzoek zijn meegenomen en de emissies zoals deze per onderzoekssituatie zijn doorgerekend. Tabel 1 Overzicht veehouderijen en emissies (in kg NH3 per jaar) Hoogeveenseweg Bentweg Kruiskade 2A 6 4 Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Galgweg Galgweg Galgweg Burmadeweg Vierheemskinderenweg Hoogeveenseweg Westeinde 6 5 4 12 5 8D 31 Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Grondgebonden Grondgebonden + Intensieve neventak Grondgebonden Intensieve neventak Grondgebonden + Intensieve neventak Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Maximale invulling Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Realistische invulling 2 6 Huidige , feitelijke , legale situatie Galgweg Burmadeweg Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Type bedrijf Plaats Hnr. Straat 3490 3230 4209 3806 4280 4280 42 1177 1833 83 1295 1955 4280 4280 4280 904 904 904 1055 904 904 1071 1091 1091 1091 2032 1091 1091 1420 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 167200.18076.00 Westeinde Vierheemskinderenweg Vierheemskinderenweg Westeinde Gemeneweg Noorddijk Vierheemskinderenweg Zuiddijk Vierheemskinderenweg Vierheemskinderweg Bent Westeinde Lagewaard Hondsdijk Hondsdijk Hondsdijk Lagewaard Lagewaard Lagewaard Lagewaard Hondsdijk Lagewaard Lagewaard Lagewaard Lagewaard Lagewaard Lagewaard Noordpolder Noordpolder Dijk Spookverlaat Spookverlaat Spookverlaat Spookverlaat Spookverlaat Spookverlaat Compierekade 1A 15 20 58 11 2 40 5 26 28/30 5 46 62 21 53 59 46 28A 25 20 33 69 79 76 57 47A 15 6 2 3 2 1A 3 4 8 11 8 Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐dorp Hazerswoude‐Dorp Hazerswoude‐dorp Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Benthuizen Benthuizen Benthuizen Hazerswoude‐Rijndijk Hazerswoude‐Rijndijk Hazerswoude‐Rijndijk Hazerswoude‐Rijndijk Hazerswoude‐Rijndijk Hazerswoude‐Rijndijk Alphen a/d rijn Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden Grondgebonden 904 904 904 1071 196 904 904 904 722 904 904 167 1071 413 904 1316 1071 904 1484 1071 904 904 904 904 167 904 904 1071 1071 30 904 904 904 904 904 1071 904 1091 1091 1091 1420 363 1091 1091 1091 1631 1091 1091 328 1420 1131 1091 2222 1420 1091 2550 1420 1091 1091 1091 1091 328 1091 1091 1420 1420 30 1091 1091 779 1091 1091 1419 1091 Toetsingspunten Figuur 1 geeft een overzicht van de ligging van de toetsingspunten binnen Natura 2000. Voor een beschrijving van de gebieden en aanwezige habitats wordt verwezen naar de passende beoordeling in hoofdstuk 4 van het planMER. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 4280 Figuur 1 Locatie toetsingspunten binnen Natura 2000 Berekeningsresultaten Tabel 2 geeft een overzicht van de toename (ten opzichte van de huidige situatie) voor een realistische invulling en bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Bij de maximale invulling is onderscheid gemaakt in de bijdrage van de uitbreiding van alle bestaande veehouderijen en de bijdrage van de omschakeling naar grondgebonden veehouderij (de laatste kolom geeft de totale bijdrage van alle ontwikkelingsruimte samen). Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Tabel 2 Berekeningsresultaten (toename ten opzichte van de huidige, feitelijke situatie) depositie (in mol/ha/jaar) Rekenpunten huidig realistisch maximaal omschakeling Totaal +34,05 +49.07 1 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1 4,38 +1,28 uitbreiding
+15,02 2 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 2,13 +0,63 +7,18 +16,34 +23.52 3 Coepelduynen 1 2,45 +0,75 +8,01 +18,36 +26.37 4 Coepelduynen 2 2,26 +0,71 +7,43 +17,01 +24.44 5 Meijendel & Berkheide 1 1,92 +0,59 +6,64 +15,02 +21.66 6 Meijendel & Berkheide 2 1,34 +0,43 +4,65 +10,51 +15.16 7 Kennemerland‐Zuid 1 2,00 +0,63 +6,56 +15,02 +21.58 8 Kennemerland‐Zuid 2 1,27 +0,40 +4,23 +9,65 +13.88 9 Kennemerland‐Zuid 3 0,91 +0,27 +3,03 +6,92 +9.95 In de passende beoordeling is een beschrijving opgenomen van de mogelijke gevolgen van deze toenames van stikstofdepositie en de wijze waarop deze toenames kunnen worden beperkt of gecompenseerd. Maatregelen In de passende beoordeling (hoofdstuk 4) zijn maatregelen beschreven waarmee de effecten op Natura 2000 als gevolg van de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt, kunnen worden beperkt. Om inzicht te geven in de mate waarin de maatregelen een bijdrage leveren aan het voorkomen van significante negatieve effecten zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd. Zoals beschreven kan om de (potentiële) toename van stikstofdepositie te beperken de omschakeling van akkerbouw naar grondgebonden veehouderij in het bestemmingsplan worden uitgesloten. Aanvullend daarop zou de omvang van de bouwvlakken wordt beperkt tot 1 ha (schrappen wijzigingsbevoegdheden). In de berekeningen is voor een bouwvlak van 2 hectare uitgegaan van 350 stuks melkrundvee > 2 jaar en 245 stuks jongvee. In het verlengde daarvan is voor een bouwvlak van 1 hectare uitgegaan van een invulling met 175 stuks melkrundvee > 2 jaar en 122 stuks jongvee. Tabel 3 geeft een overzicht van de berekeningsresultaten voor deze bijgestelde maximale invulling. Tevens zijn er mogelijkheden om emissiearme stalsystemen toe te passen. Deze kunnen niet alleen worden toegepast voor de nieuwe stallen, maar ook bij aanpassing aan of herbouw van bestaande stallen. Om inzicht te geven in de maximale winst die kan worden geboekt met dergelijke technische maatregelen is voor alle bestaande en nieuwe stallen binnen het plangebied uitgegaan van het meest gunstige stalsysteem uit de Regeling ammoniak en veehouderij. Het betreft een mechanisch geventileerde stal met een chemisch luchtwassysteem (BWL 2012.02). De emissie voor dit stalsysteem (met weidegang) bedraagt 3.5 kg NH3 per dierplaats per jaar. Tabel 3 geeft een overzicht van de berekeningsresultaten. Hieruit blijkt dat ook met een combinatie van de voorgenoemde maatregelen op locaties binnen de Natura 2000‐gebieden sprake is van significantie negatieve effecten. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Tabel 3 Berekeningsresultaten (toename ten opzichte van de huidige situatie) depositie (in mol/ha/jaar)
1. ID 1 2 naam Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 2.
3.
4.
Maximaal Uitsluiten Uitsluiten Uitsluiten omschakeling (benutting omschakeling omschakeling
bouwvlakken naar 2 ha) veehouderij + uitbreiding + uitbreiding tot ten hoogste 1 ha tot ten hoogste 1 ha + emissiearme stallen +49,07 +15,02 +5,32 +2,71 +23,52 +7,18 +2,53 +1,29 5. Voorwaardelijke verplichting ≤ 0 ≤ 0 3 Coepelduynen 1 +26,37 +8,01 +2,78 +1,42 ≤ 0 4 Coepelduynen 2 +24,44 +7,43 +2,59 +1,32 ≤ 0 5 Meijendel & Berkheide 1 +21,66 +6,64 +2,36 +1,20 ≤ 0 6 Meijendel & Berkheide 2 +15,16 +4,65 +1,66 +0,84 ≤ 0 7 Kennemerland‐Zuid 1 +21,58 +6,56 +2,28 +1,16 ≤ 0 8 Kennemerland‐Zuid 2 +13,88 +4,23 +1,48 +0,76 ≤ 0 9 Kennemerland‐Zuid 3 +9,95 +3,03 +1,06 +0,54 ≤ 0 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Bijlage 4
Onderzoek geurhinder Toetsingskader Rond veehouderijen kan sprake zijn van geurhinder. In paragraaf 6.1 is ingegaan op het wettelijk toetsingskader. In de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit wordt onderscheid gemaakt in diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld (voor deze diercategorieën geldt een geurnorm op de gevels van omliggende geurgevoelige objecten) en diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (voor deze diercategorieën dient een vaste afstand te worden aangehouden tot de gevels van omliggende geurgevoelige objecten). Een geurgevoelig object is gedefinieerd als: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt Grondgebonden veehouderijen Voor melkrundvee en paarden kunnen geen berekeningen worden uitgevoerd, omdat er geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld voor de betreffende diercategorieën. Om geurhinder te voorkomen dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen melkrundveehouderijen en omliggende geurgevoelige objecten (zoals woningen). Deze afstand wordt gemeten vanaf het meest nabijgelegen emissiepunt tot de gevel van het geurgevoelige object. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstandseis van 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom een afstandseis van 50 meter. De grondgebonden veehouderijen binnen het noordelijke deel van het plangebied (ten noorden van de N11) zijn geconcentreerd langs de Lagewaard en de Honsdijk. Deze veehouderijen liggen over het algemeen op korte afstand van geurgevoelige objecten van derden. Ook de onderling afstand tussen de veehouderijen is relatief klein. De begrenzing van de bouwvlakken is echter zodanig dat bij toekomstige initiatieven eventuele nieuwe dierverblijven zo binnen het bouwvlak te situeren dat wordt voldaan aan de geldende afstandseisen. In het deel van het plangebied ten zuiden van de N11 is zowel de afstand tussen de grondgebonden veehouderijen en de omliggende woningen als tussen de bedrijven onderling groter. Bij toekomstige initiatieven kan in vrijwel alle gevallen ruimschoots worden voldaan aan de geldende afstandseisen. Alleen langs het Westeinde is de situatie vergelijkbaar met de noordzijde van de N11. Hier dient bij de (her)inrichting op perceelsniveau nadrukkelijk rekening te worden gehouden met omliggende geurgevoelige objecten. Intensieve veehouderijen Berekeningsuitgangspunten Binnen het plangebied komen op beperkte schaal intensieve neventakken voor. Voor deze intensieve neventakken kan de geurbelasting in de omgeving wel worden berekend. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het rekenmodel V‐stacks gebied. Met dit rekenmodel kunnen meerdere veehouderijen worden opgenomen in het rekenmodel om op die manier ook inzicht te geven in een eventuele cumulatie van geurbelastingen. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Tabel 1 Veehouderijen Adres Vergund Huidige emissie Toekomstige emissie Bentweg 6 Vleeskuikens: 99.500 (E5.11) 23.880 26.268 Burmadeweg 6 Vleeskuikens: 54.000 (E5.10) 13.272 14.256 Kruiskade 4* Vleesvarkens: 85 (D3.100.1) 1.955 2.151 * Dit bedrijf heeft aangegeven uiterlijk 1 januari 2020 de bedrijfsactiviteiten te beëindigen. De geurbelasting is inzichtelijk gemaakt op de gevels van de maatgevende (meest nabijgelegen) woningen in de directe omgeving van de bedrijven. Figuur 1 geeft een overzicht van de ligging van de bedrijven en de toetspunten. Voor de berekeningsuitgangspunten (stalsystemen en kenmerken emissiepunt, stallen) is aangesloten bij het onderzoek stikstofdepositie. Naast de referentiesituatie is ook de geurbelasting doorgerekend bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Op basis van de vergunde dieraantallen en 10% groei zoals in het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt is per bedrijfsperceel de maximale invulling bepaald. Figuur 1 Veehouderijen (rood) en toetsingspunten (blauw) Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Berekeningsresultaten Tabel 2 geeft een overzicht van de geurbelastingen op de gevels van de maatgevende geurgevoelige objecten in de directe omgeving van de intensieve neventakken. Tabel 2 Berekeningsresultaten Toetsingspunt Geurbelasting (in ouE/m³)
Referentie
Maximaal
1 ‐ Bentweg 3 4.387 4.826
2 ‐ Burmadeweg 10 4.862 5.348
3 – Spookverlaat 11 0.169 0.186
Uit de berekeningsresultaten in tabel 2 blijkt dat de gevolgen van het bestemmingsplan voor de geurbelasting ter plaatse van de woningen op korte afstand van de intensieve neventakken relatief beperkt is. De afstand tussen de veehouderijen en de optredende geurbelastingen zijn zodanig dat geen sprake is van cumulatie. In de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij is aangegeven op welke wijze de geurbelastingen kunnen worden beoordeeld, door een hinderpercentage en milieukwaliteitscriteria te koppelen aan de geurbelastingen. Bij een (voorgrond)belasting van 4 ouE/m³ wordt de milieukwaliteit beoordeeld als ‘matig’. Bij een (voorgrond)belasting van 5 ouE/m³ wordt de milieukwaliteit beoordeeld als ‘tamelijk slecht’. De geurbelastingen liggen in alle gevallen onder de norm van 8 ouE/m³ die geldt voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Naast de geurbelasting op de gevels van een aantal specifieke woningen, wordt ook inzicht gegeven in de ligging van de geurcontouren in de referentiesituatie en bij de maximale invulling van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (10% groei). Figuur 2 Geurbelasting referentiesituatie De omvang van de berekende geurcontouren is beperkt. We is geen sprake van bebouwingsconcentraties binnen deze contouren. De uitvoering van het bestemmingsplan zal in geen geval relevante gevolgen hebben voor de geurbelastingen als gevolg van de intensieve neventakken binnen het plangebied. 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Figuur 3 Geurbelasting maximale invulling Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Bijlage 5
Luchtkwaliteit veehouderijen Handreiking fijn stof en veehouderijen In de paragraaf luchtkwaliteit (paragraaf 6.2) is ingegaan op de Handreiking fijn stof en veehouderijen (Infomil, mei 2010). Daarin zijn vuistregels opgenomen om zonder verdere berekeningen vast te kunnen stellen of een project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt. Met behulp van de emissiefactorenlijst van het voormalige Ministerie van VROM kan de emissie van de uitbreiding van het aantal stuks vee in beeld worden gebracht en af worden gezet tegen de vuistregels. Tabel 1 geeft een overzicht van de emissie waarbij mogelijk sprake is van een 'in betekende mate' toename van de concentraties fijn stof op een bepaalde afstand gemeten vanaf het dierverblijf. De betreffende emissies zijn worstcase, inclusief een veiligheidsmarge. Tabel 1 Vuistregel IBM conform Handreiking fijn stof en veehouderijen afstand tot te toetsen plaats 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m totale emissie in g / jr van uitbreiding / oprichting 324.000 387.000 473.000 581.000 817.000 1.075.000 1.376.000 Tabel 2 geeft voor de verschillende diercategorieën een overzicht van de fijnstof‐emissie per dierplaats. Voor een aantal diercategorieën (met name varkens en pluimvee) zijn deze emissies sterk afhankelijk van het stalsysteem. De tabel geeft inzicht in de maximale emissie (uitgaande van het minst gunstige stalsysteem). Tabel 2 Diercategorieën en emissies Diercategorie Fijn‐stofemissie (g/dier/jaar), afgerond Pluimvee ‐ vleeskuikens ‐ vleeskuikens (luchtmengsysteem) ‐ opfokhennen 22 19 84 Varkens ‐ gespeende biggen ‐ vleesvarkens ‐ kraamzeugen ‐ guste en dragende zeugen ‐ dekberen 74 153 160 175 180 Vrouwelijk jongvee 38
Melkrundvee (beweiden)
118
167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Veehouderijen binnen het plangebied In paragraaf 6.2 is gemotiveerd dat rond de grondgebonden veehouderijen binnen het plangebied in geen geval overschrijdingssituaties zullen ontstaan als gevolg van de ontwikkelingsruimte die in het bestemmingsplan Buitengebied wordt geboden. De toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen is zeer beperkt. Voor de intensieve veehouderijen (hoofdtakken en neventakken) in het plangebied is een locatiespecifieke beoordeling noodzakelijk. Tabel 3 geeft een overzicht van de betreffende bedrijven. Tabel 3 Intensieve veehouderijen binnen het plangebied Adres Vergund Huidige emissie Maximale emissie Toename (10% groei) (gram/jr) (gram/jr) Bentweg 6 Vleeskuikens: 99.500 1.890.500 2.079.550 +189.050 1.213.378 1.334.716 +121.338 32.605 35.866 +3.261 Vleeskuikens: 54.000 Burmadeweg 6 Vrouwelijk jongvee: 112 Melkrundvee: 179 Vleesvarkens: 85 Kruiskade 4 Vrouwelijk jongvee: 50 Melkrundvee: 150 Op basis van de vergunde dieraantallen en de groei van 10% die in het bestemmingsplan aan intensieve veehouderijen wordt geboden is per bedrijfsperceel de maximale invulling bepaald. Op basis van de dieraantallen is vervolgens de maximale fijn‐stofemissie berekend. Tabel 3 geeft een overzicht van deze emissies en de mogelijke toename als gevolg van een groei van de veestapel van 20%. Op basis van de gegevens in tabel 3 in relatie tot de vuistregels zoals opgenomen in tabel 1 kan worden geconcludeerd dat het effect bij een eventuele toekomstige uitbreiding met 10% kan worden beoordeeld als “niet in betekende mate”. Tevens kan worden geconcludeerd dat door de relatief lage achtergrondconcentraties binnen het plangebied (zie paragraaf 6.2) in geen geval overschrijdingssituaties ontstaan als gevolg van de ontwikkelingsruimte die in het bestemmingsplan wordt geboden aan de intensieve veehouderijen. Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 Bijlage 6
Neven‐ en vervolgfuncties Deze bijlage geeft (per zone) een overzicht van de neven‐ en vervolgfuncties die in het bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude bij recht en na afwijking worden toegestaan. In de kolommen is aangegeven hoeveel m2 van de bebouwing en/of de gronden mag worden benut voor de betreffende nevenfuncties. 6.1 Neven‐ en vervolgfuncties noordelijk veenweidegebied Rechtstreeks toegestane nevenfuncties Noordelijk veenweidegebied max. aantal m2 gronden in gebruik verkoop streekeigen producten 100 overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van 200 Bedrijfsactiviteiten kinderboerderij 100 paardrijactiviteiten 200 verhuur fietsen/kano's/roeiboten 100 Toegestane nevenfuncties na afwijking Noordelijk veenweidegebied nevenfunctie agrarisch loonbedrijf in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten intensieve kwekerij binnen bestaande bebouwing veearts/hoefsmederij ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten hoveniersbedrijf opslag/stalling van niet‐agrarische producten in bestaande bebouwing kleinschalig kamperen bed & breakfast kleinschalige horecagelegenheid sociale nevenfunctie (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg) museum/tentoonstellingsruimte kunst‐ of antiekhandel Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam max. aantal m2 bebouwing, niet zijnde kassen, in gebruik 500 ‐ ‐ 1.000 1.000 max. aantal m2 gronden in gebruik ‐ bestaand 200 200 400 bestaand ‐ ‐ ‐ 100 ‐ 300 300 100 200 3.000 200 500 ‐ 200 200 ‐ ‐ 167200.18076.00 Toegestane vervolgfuncties Noordelijk veenweidegebied vervolgfunctie Wonen/hobbyboeren intensieve kwekerij veearts/hoefsmederij ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten hoveniersbedrijf opslag/stalling van niet‐agrarische goederen in bestaande bebouwing overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kinderboerderij paardenstalling/paardrijactiviteiten hotel/restaurant sociale functies (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg) museum/tentoonstelling kunst‐ of antiekhandel 6.2 Neven‐ en vervolgfuncties Zuidelijk veenweidegebied Rechtstreeks toegestane nevenfuncties Zuidelijk veenweidegebied max. aantal m2 bebouwing, niet zijnde kassen, in gebruik 100 200 nevenfunctie max. aantal m2 gronden in gebruik verkoop streekeigen producten overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kinderboerderij 100 paardrijactiviteiten 200 verhuur fietsen/kano's/roeiboten 100 Toegestane nevenfuncties na afwijking Zuidelijk veenweidegebied nevenfunctie agrarisch loonbedrijf in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten intensieve kwekerij binnen bestaande bebouwing foeragehandel, handel in zaaigoed en pootgoed, opslag agrarische producten veehandelsbedrijf/africhtingsbedrijf voor paarden veearts/hoefsmederij ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten hoveniersbedrijf opslag/stalling van niet‐agrarische producten in bestaande bebouwing kleinschalig kamperen 167200.18076.00 ‐ ‐ 1.000 1.000 max. aantal m2 bebouwing, niet zijnde kassen, in gebruik 500 max. aantal m2 gronden in gebruik ‐ bestaand 200 ‐ ‐ 200 200 200 400 bestaand 500 ‐ ‐ 100 ‐ 300 3.000 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam bed & breakfast kampeerboerderij kleinschalige horecagelegenheid sociale nevenfunctie (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg) museum/tentoonstellingsruimte kunst‐ of antiekhandel Toegestane vervolgfuncties Zuidelijk veenweidegebied 300 500 100 200 200 200 500 ‐ 200 200 ‐ ‐ vervolgfunctie wonen/hobbyboeren agrarisch loonbedrijf in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten intensieve kwekerij veehandelsbedrijf/africhtingsbedrijf voor paarden, foeragehandel veearts/hoefsmederij ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten hoveniersbedrijf opslag/stalling van niet‐agrarische goederen in bestaande bebouwing overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kinderboerderij paardenstalling/paardrijactiviteiten kampeerboerderij hotel/restaurant sociale functies (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg) museum/tentoonstelling kunst‐ of antiekhandel 6.3 Neven‐ en vervolgfuncties Droogmakerij Rechtstreeks toegestane nevenfuncties Droogmakerij max. aantal m2 bebouwing, niet zijnde kassen, in gebruik 100 200 nevenfunctie verkoop streekeigen producten overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kinderboerderij paardrijactiviteiten verhuur fietsen/kano's/roeiboten Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 100 200 100 max. aantal m2 gronden in gebruik ‐ ‐ 1.000 1.000 167200.18076.00 Toegestane nevenfuncties na afwijking Droogmakerij nevenfunctie agrarisch loonbedrijf in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten intensieve kwekerij binnen bestaande bebouwing foeragehandel, handel in zaaigoed en pootgoed, opslag agrarische producten veehandelsbedrijf/africhtingsbedrijf voor paarden veearts/hoefsmederij ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten hoveniersbedrijf opslag/stalling van niet‐agrarische producten in bestaande bebouwing kleinschalig kamperen bed & breakfast kampeerboerderij kleinschalige horecagelegenheid sociale nevenfunctie (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg) museum/tentoonstellingsruimte kunst‐ of antiekhandel dierenpension/hondenfokkerij Toegestane vervolgfuncties Droogmakerij max. aantal m2 bebouwing, niet zijnde kassen, in gebruik 500 max. aantal m2 gronden in gebruik ‐ bestaand 200 ‐ ‐ 200 200 200 400 bestaand 500 ‐ ‐ 100 ‐ 300 300 500 100 200 3.000 200 200 500 ‐ 200 200 200 ‐ ‐ 100 vervolgfunctie Wonen/hobbyboeren agrarisch loonbedrijf in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten intensieve kwekerij veehandelsbedrijf/africhtingsbedrijf voor paarden, foeragehandel veearts/hoefsmederij ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten hoveniersbedrijf opslag/stalling van niet‐agrarische goederen in bestaande bebouwing overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kinderboerderij manege paardenstalling/paardrijactiviteiten kampeerboerderij hotel/restaurant sociale functies (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg) museum/tentoonstelling kunst‐ of antiekhandel dierenpension/hondenfokkerij 167200.18076.00 Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam 167200.18076.00 97
Bijlage 4 Monumenten
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
99
Bijlage 5 Ruimtelijke onderbouwing Westeinde 9
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
Rijnwoude
Westeinde 9
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Rijnwoude
Westeinde 9
ruimtelijke onderbouwing
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
15-04-2014
ontwerp
vastgesteld
projectnummer:
200506.18251.00
opdrachtleider:
Mw. ing. M. den Boer-Kolbeek
aangesloten bij:
Delftseplein 27b
postbus 150
3000 AD Rotterdam
T: 010-20 18 555
E-mail: [email protected]
© Rho Adviseurs bv
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder
voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming
niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Leeswijzer
7
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
2.1
Ligging projectgebied
9
2.2
Huidige situatie
10
2.3
Toekomstige situatie
10
Hoofdstuk 3
Vigerend ruimtelijk beleid
13
3.1
Inleiding
13
3.2
Rijksbeleid
13
3.3
Provinciaal beleid
13
3.4
Gemeentelijke beleid
14
3.5
Vigerend bestemmingsplan
15
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
17
4.1
Inleiding
17
4.2
Archeologie
17
4.3
Ecologie
18
4.4
Verkeer en parkeren
19
4.5
Externe veiligheid
19
4.6
Kabels en leidingen
20
4.7
Luchtkwaliteit
21
4.8
Bedrijven en milieuhinder
22
4.9
Bodem- en grondwaterkwaliteit
23
4.10
Water
23
4.11
Wegverkeerslawaai
27
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
31
5.1
Economische uitvoerbaarheid
31
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31
Hoofdstuk 6
Conclusies ruimtelijke onderbouwing
33
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
4
Bijlagen
35
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
37
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
39
Bijlage 3
Archeologisch onderzoek
41
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
5
Ruimtelijke onderbouwing
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
6
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Met het vaststellen van het rijksinpassingsplan voor de 380 kV leiding van Beverwijk naar Zoetermeer is
het nieuwe tracé voor de ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbindingen bepaald. De
bedrijfswoning van de familie Voets aan het Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp is in het kader van het
Randstad 380 kV-project aangemerkt als gevoelige bestemming. Na overleg tussen TenneT en de familie
Voets zal de bestaande woning worden gesloopt en een nieuwe woning buiten de magneetveldzone
worden gebouwd. Om in het bebouwingslint ruimte voor de nieuwe woning te creëren wordt de
bestaande agrarische bedrijfshal achter de woning verplaatst.
Daarnaast is de familie Voets voornemens een aantal wijziging in de indeling op het perceel door te
voeren. Deze wijzigingen worden ook meegenomen in deze ruimtelijke onderbouwing.
Doordat deze gewijzigde indeling van het perceel niet past binnen het bestemmingsplan is deze
ruimtelijke onderbouwing opgesteld, om de ontwikkeling te onderbouwen en mee te kunnen nemen in
het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Alphen aan den Rijn
1.2
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing geeft een beschrijving van het plangebied en de
toekomstige situatie.
In hoofdstuk 3 wordt het vigerende ruimtelijke beleid beschreven en wordt het voorgenomen bouwplan
hier aan getoetst.
Hoofdstuk 4 beschrijft en onderzoekt per sectoraal aspect het voorgenomen initiatief.
De maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid van het plan worden omschreven in hoofdstuk 5.
De algemene conclusie van deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen in hoofdstuk 6.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
8
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
9
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Ligging projectgebied
Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Alphen aan den Rijn net ten westen
van de kern Hazerswoude-Dorp. Het Westeinde is de uitloper van de oude lint vanuit de kern het
buitengebied in. Het projectgebied ligt aan de noordzijde van het Westeinde.
In onderstaand figuur is de exacte ligging van het projectgebied aangegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
10
2.2
Huidige situatie
In de huidige situatie is het perceel in gebruik als agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning. De woning
staat in de zuidoost hoek van het perceel, ongeveer 8 meter vanaf de weg. Rondom de woning is een
klein deel van het perceel ingericht als tuinbestemming.
De woning is vrijstaand en voorzien van één bouwlaag met kap.
Naast de woning, in de zuidwest hoek van het perceel, staan de drie aan elkaar geschakelde
bedrijfshallen/stallen.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan Buitengebied (bron: Gemeente Rijnwoude)
Achter de woning vinden de bedrijfsactiviteiten plaats bestaande uit agrarische akkerbouw, veehouderij,
paardenpensionstalling inclusief stalling van landbouwmachines en opslag van op het bedrijf
geproduceerde landbouwproducten. Naast de bedrijfsactiviteiten is ook een paardenpensionstalling
met rijbak aanwezig.
Ten oosten van het projectgebied liggen twee bestaande hoogspanningsverbindingen. Te weten een
boven- en ondergrondse 150 kV verbinding. Direct naast de bestaande inrit staat nu één van de masten
van deze hoogspanningsleiding.
2.3
Toekomstige situatie
Direct naast het projectgebied wordt een nieuwe 380 kV verbindiong gerealiseerd. Het tracé van de
nieuwe 380 kV leiding ligt ter hoogte van het projectgebied een stuk oostelijker dan het tracé van de
bestaande bovengrondse 150 kV verbinding.
De huidige woning is in het rijksinpassingplan Radstad 380 kV Noordring aangemerkt als gevoelige
bestemming. Het gemeentebestuur heeft aangegeven dat de nieuwe woning langs het lint moet worden
geplaatst en niet achter de bestaande bedrijfsbebouwing. Voor de woning is een zoekgebied
opgenomen overeenkomstig de bijlage 1.2 van de uitgevoerde bodemonderzoeken (Bijlage 2)
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
11
Dit heeft als gevolg dat de woning op de locatie van de bestaande bedrijfsbebouwing komt. Deze
bebouwing zal dan ook gesloopt worden. Achter de nieuwe bedrijfswoning zullen twee nieuwe loodsen
worden gerealiseerd. Één loods met een omvang van ca. 65,5 x 26,5 en daaraan grenzend een stal van
45,5 x 11 m, en één loods van 55,5 x 26,5 m. Ten westen van de bedrijfsbebouwing, achter huisnummer
15, wordt een buitenpaardenbak gerealiseerd.
Dit alles past binnen een bouwvlak dat de grens van 1 ha. niet zal overschrijden.
Hiermee voldoet het nieuwe bouwvlak aan de systematiek zoals deze wordt gehanteerd in het
momenteel in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Buitengebied'.
Ook de omvang van de nieuwe bebouwing zal aansluiten bij de systematiek uit het in voorbereiding
zijnde bestemmingsplan. De bedrijfswoning zal een maximale goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk
3
10 meter krijgen met een maximale inhoud van 750 m .
De bedrijfsbebouwing zal ook een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van
10 meter krijgen.
Figuur 2.2: Nieuwe situatie
In het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied, dat in voorbereiding is, wordt de nieuwe bebouwing en
binnen het nieuwe bouwvlak gesitueerd. Voor de nieuwe paardenbak zal een aanduiding worden
opgenomen die het planologisch mogelijk maakt deze buiten het bouwvlak te situeren. De
bedrijfswoning zal door middel van de aanduiding 'bedrijfswoning' aan de straatzijde van het nieuwe
bouwvlak worden vastgelegd.
In het figuur 2.3 is een voorbeeld gegeven van hoe het bouwvlak in het nieuwe bestemmingsplan kan
worden opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
12
Figuur 2.3: Voorstel bouwvlak bestemmingsplan Buitengebied
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
13
Hoofdstuk 3
3.1
Vigerend ruimtelijk beleid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de beoogde verplaatsing van de bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing getoetst
aan het vigerende (ruimtelijke) beleid. Dit om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke
ordening.
Hoewel het verplaatsen van de woning en de bedrijfsbebouwing een gevolg is van het nieuwe tracé van
de 380 kV-leiding, maakt het nieuwe tracé geen onderdeel uit van de toetsing. Deze toetsing heeft in
een eerder stadium plaats gevonden en maakt onderdeel uit van een zelfstandige planologische
procedure.
3.2
Rijksbeleid
Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit
algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest bepalende documenten. Deze documenten
richten zich op een hoog schaalniveau en hebben daardoor ook een zeker abstractieniveau, waardoor er
geen concrete beleidskaders uit voortkomen voor een (kleine) ontwikkeling als deze. Hierdoor draagt de
ontwikkeling niet bij aan het realiseren van het rijksbeleid, maar is deze evenmin niet in strijd met dit
beleid. Zodoende vormt het rijksbeleid geen belemmering voor de ontwikkeling.
3.3
Provinciaal beleid
Op provinciaal niveau zijn de provinciale structuurvisies 'Visie op Zuid-Holland (geconsolideerde versie
30-01-2013)' en de provinciale verordening 'Visie op Zuid-Holland - Verordening Ruimte' van toepassing,
inclusief de herzieningen die hebben plaats gehad.
Structuurvisie
De structuurvisie beschrijft de ruimtelijke visie tot en met 2020 (met een doorkijk naar 2040) en de daar
bij behorende uitvoeringsstrategie en instrumenten. In het document is uiteengezet hoe de provincie
om wil gaan met de beschikbare ruimte onder het motto 'lokaal wat kan, provinciaal wat moet'. Er
wordt gestuurd op ruimtelijke functies en ruimtelijke kwaliteiten, die in beeld zijn gebracht op een
functiekaart en een kwaliteitskaart. Deze kaarten hebben eenzelfde status en vullen elkaar aan.
Algemene doelstelling van de structuurvisie is het creëren van meer samenhang tussen stad en land.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
14
Figuur 3.1: Uitsnede functiekaart structuurvisie 'Visie op zuid-Holland'
Het gebied is opgenomen in de visie als 'agrarisch landschap - inspelen op de verbinding stad-land',
waarbij het stimuleren van verbrede landbouw één van de doelstellingen is.
Verordening
Het tweede relevante provinciale plan is de Verordening Ruimte, die voortvloeit uit de structuurvisie.
Feitelijk zijn de doelstellingen geformuleerd in de structuurvisie, en is de verordening het juridisch
instrument om deze doelstellingen uit te voeren. De verordening is dus minder beschrijvend en meer
juridisch van aard. De regels in de verordening zijn algemeen bindend, terwijl de visie in de
structuurvisie alleen bindend voor de provincie zelf zijn. Eén van de belangrijkste instrumenten uit de
verordening is de bebouwingscontour, welke het gebied begrenst waarbinnen gebouwd mag worden
ten behoeve van wonen en werken.
De provinciale verordening geeft in artikel 4.1 algemene regels voor gronden van agrarische bedrijven
die buiten de bebouwingcontour zijn gelegen. In deze regels worden o.a. gesteld dat agrarische
bebouwing binnen een bouwperceel van maximaal 2 ha wordt geconcentreerd en dat nieuwe
bebouwing alleen mogelijk is als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van
volwaardige agrarische bedrijven.
Met de noodzakelijke verplaatsing van de woning in verband met de magneetveldzone van de nieuwe
hoogspanningsverbinding zal ook verplaatsing van de agrarische bedrijfsbebouwing noodzakelijk zijn,
om een geconcentreerd bouwperceel te houden. De nieuwe bebouwing is dan ook nodig voor de
bedrijfsvoering van het bestaande agrarische bedrijf.
Tevens stelt het artikel uit de verordening ook dat er slechts één bedrijfswoning per bouwperceel is
toegestaan, mits eventueel al meer vergund. In dit geval zal het aantal bedrijfswoningen niet toenemen.
De bedrijfswoning wordt alleen verplaatst, en daarmee ook de bedrijfsbebouwing.
Het projectgebied is buiten de contour gelegen. Voor de herplaatsing van de bedrijfswoning en de
bedrijfsgebouwen is dat geen probleem, omdat er geen sprake is van het toevoegen van nieuwe
functies. Bovendien is in artikel 3 lid 2 onder j aangegeven dat hier een uitzondering op gemaakt kan
worden voor nieuwe woningen in bebouwingslinten als deze ter vervangen van bestaande woningen
zijn. Hier worden enkele voorwaarden aangesteld die in dit artikel verder worden verduidelijkt. Het
verplaatsen van de woning voldoet hier aan.
3.4
Gemeentelijke beleid
Samengestelde Structuurvisie Rijnwoude 2008
De 'Samengestelde Structuurvisie gemeente Rijnwoude 2008', vervangt de 'Structuurvisie Rijnwoude
2020; van droom naar daad' uit 2005. Het gedachtegoed uit deze visie is echter nog wel steeds het
actuele referentiekader voor overheidshandelen, toetsen en stimuleren van particuliere initiatieven en
blijft verder ongewijzigd. De Transformatievisie blijft gehandhaafd, deze omvat immers een groter
grondgebied dan alleen delen van de gemeente Rijnwoude.
Rijnwoude kiest ervoor om (visueel) niet vast te groeien met stedelijke functies aan Zoetermeer, Alphen
aan den Rijn of Zoeterwoude dat deel uitmaakt van het stedelijk gebied van Leiden. Rijnwoude wil haar
dorpse identiteit behouden en versterken. Kwaliteitsverhoging en optimalisatie van de bestaande
structuur is voor de kern het uitgangspunt.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
15
In de structuurvisie Rijnwoude is een aantal belangrijke keuzes gemaakt ten aanzien van de ruimtelijke
ontwikkelingsmogelijkheden van Rijnwoude. Evenals de andere kernen, geldt voor Hazerswoude-Dorp
dat kwaliteitsverhoging en optimalisatie van de bestaande situatie het uitgangspunt is van de
structuurvisie. De voorgenomen activiteit past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.
3.5
Vigerend bestemmingsplan
Het bestemmingsplan 'Buitengebied' uit 2004 is voor het projectgebied het vigerende bestemmingsplan.
In dit bestemmingsplan is het perceel aan het Westeinde 9 bestemd als 'Agrarisch doeleinden' met
subbestemming 'veeteelt, akkerbouw, vollegrondstuinbouw'. Op het perceel is ook een bouwvlak gelegd
rondom de huidige bebouwing.
De aanduiding 'archeologisch waardevol terrein' is opgenomen om de eventuele in de grond aanwezige
archeologische waardevolle objecten te beschermen.
De voorgenomen verplaatsing van de bedrijfswoning, de bedrijfsbebouwing en het plaatsen van een
paardenbak passen niet binnen het bouwvlak zoals dit is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan.
Om hier van af te wijken is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Middels deze ruimtelijke
onderbouwing wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat er geen
negatieve ruimtelijke consequenties zijn. In het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Buitengebied'
kan dan ook gemotiveerd worden afgeweken van de vigerende situatie en de nieuwe situatie
planologisch mogelijk gemaakt worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
16
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
17
Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Inleiding
In deze paragraaf zullen alle relevante omgevingsaspecten onderzocht worden. Deze hebben betrekking
op verkeer en infrastructuur, water, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, ecologie, cultuurhistorie
en bodem. Bij elk aspect worden de gevolgen van de ontwikkeling hierop onderzocht.
4.2
Archeologie
Regelgeving en beleid
Verdrag van Malta
Het Verdrag van Malta is in 1992 ondertekend en in 1995 in werking getreden. Doelstelling van het
Verdrag van Malta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit
verdrag moet worden onderzocht of er geen archeologische restanten worden beschadigd.
Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de
Nota Belvedère, het Structuurschema Groene Ruimte 2, de Nota Ruimte, de Wijziging van de
Monumentenwet 1988 en diverse publicaties van het Ministerie van OC&W.
Gemeentelijk archeologiebeleid
Sinds 2008 is de gemeente het bevoegd gezag voor archeologie en daarmee gehouden archeologische
waarden adequaat te beschermen. Het Archeologiebeleid is bedoeld om de in de grond aanwezige
archeologische waarden te beschermen, daar waar dat in bestemmingsplannen nog niet afdoende
geregeld is. In het gemeentelijke Archeologiebeleid wordt aan de hand van verschillende categorieën
bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de
archeologische verwachtingswaarde, die is aangegeven op de bijbehorende kaart (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1: Uitsnede gemeentelijke archeologie waarden- en verwachtingskaart (plangebied blauw
omlijnd)
Onderzoek en conclusie
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
18
Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid zijn de gronden grotendeels aangemerkt als
AMK-terrein met (hoge) waarde. Ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden die
binnen het projectgebied aanwezig zijn is in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied de
aanduiding 'archeologisch waardevol terrein' opgenomen. Ook in het in voorbereiding zijnde
bestemmingplan zal middels een dubbelbestemming de archeologische waarden worden beschermd.
In het vigerende bestemmingsplan is voor gebieden die zijn aangeduid als 'archeologisch waardevol
terrein' de voorwaarde opgenomen dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen op
het bouwverbod in deze gebieden, mits is aangetoond dat de archeologische belangen door de
bouwactiviteiten niet worden geschaad. Om dit aan te tonen is voor het projectgebied archeologisch
onderzoek uitgevoerd. De rapportage behorende bij dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3.
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied op een veenrestdijk ligt waarop
archeologische resten voor kunnen komen vanaf de 11e of 12e eeuw. Op basis van de resultaten van het
inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om voorafgaand aan de nieuwbouw archeologisch
vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden
in de vorm van een proefsleuf ter plaatse van de bouwkuip van de nieuwbouw met de mogelijkheid
direct door te starten naar een opgraving van de gehele bouwput.
Het initiatief is uitvoerbaar, mits voor de nieuwbouwwerkzaamheden (en sloop vanaf het maaiveld) een
proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd met de mogelijkheid dit onderzoek uit te breiden naar een
opgraving. daar waar nodig kan het werk worden uitgevoerd in combinatie met de grondsanering. Dit
geldt in principe voor het hele plangebied inclusief nieuwe stallen. De nadruk daarbij dient wel te liggen
op het terrein dat archeologisch kansrijk is, dus het lintdorp met de dubbelbestemming
Waarde-Archeologie 2. Voor de uitvoering van de werkzaamheden moet de initiatiefnemer vrijstelling
aanvragen van het bouwverbod.
4.3
Ecologie
Toetsingskader
Vogel- en Habitatrichtlijn
De natuurbescherming is onderverdeeld in gebiedsbescherming en soortbescherming. De
gebiedsbescherming vindt plaats via de Vogel- en Habitatrichtlijn, richtlijnen voor Natura 2000. Deze
richtlijnen zijn uitgewerkt in nationale wetgeving en niet rechtstreeks van toepassing.
Natuurbeschermingswet
De Natuurbeschermingswet (1998) regelt de bescherming van gebieden die in het kader van de Vogelen Habitatrichtlijn beschermd moeten worden. Alleen binnen die gebieden is de wet van toepassing.
Flora- en faunawet
De Flora- en faunawet (Ffw) regelt de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen die voorzien in een
bescherming van vogel-, planten- en diersoorten en hun leefomgeving. De planten en dieren kunnen op
drie manieren beschermd worden: de soort beschermen, de leefomgeving beschermen en schadelijke
handelingen verbieden.
De Ffw beschermt in beginsel alle flora en fauna. De in de Ffw opgenomen dier- en plantensoorten zijn
(middels de AMvB, Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten behorende bij de Ffw)
onderverdeeld in drie categorieën. Voor de soorten uit tabel 1 is geen ontheffing nodig bij ruimtelijke
ingrepen of bestendig beheer. Wel blijft voor deze soorten de zorgplicht uit de Ffw van kracht. Voor de
soorten uit tabel 2 kan een vrijstelling tot ontheffingsaanvraag gelden als de initiatiefnemer van
ruimtelijke ontwikkelingen en beheer over een goedgekeurde gedragscode beschikt. Dit geldt ook voor
de soorten uit tabel 3, als er sprake is van bestendig beheer en onderhoud. Voor andere ontwikkelingen
bij soorten uit tabel 3 blijft een ontheffingsaanvraag verplicht.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
19
Onderzoek en conclusie
De consequenties van de voorgenomen ontwikkeling op de in het plangebied voorkomende
natuurwaarden worden nader onderzocht en in het ontwerbestemmingsplan opgenomen. Vooralsnog
wordt er niet vanuit gegaan dat het plan voor wat betreft het aspect ecologie niet uitvoerbaar is.
De omgevingsvergunning voor het slopen van de bestaande opstallen zal vergezeld gaan met een
ecologisch onderzoek.
4.4
Verkeer en parkeren
Verkeersstructuur
Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer
Het projectgebied wordt ontsloten vanaf het Westeinde. Dit is het oude lint vanuit de kern
Hazerswoude-Dorp richting het westen. In de kern gaat het Westeinde over in de Dorpsstraat en vormt
de wijkonsluiting voor een groot deel van Hazerswoude-Dorp. De ontsluiting van de kern richting
Hazerswoude-Rijndijk en Zoetermeer/A12 wordt gevormd door de N209. Het Westeinde is
gecategoriseerd als erftoegansgweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h.
Langs het Westeinde is een vrijliggend fietspad gelegen. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede. Over
dit fietspad loopt een belangrijke recreatieve langzaamverkeersroute van en naar het buitengebied van
Hazerswoude-Dorp.
In de nabijheid van de locatie is geen openbaar vervoer aanwezig.
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling
Aangezien het verplaatsen van de woning en de bedrijfsgebouwen niet tot extra verkeer op de
ontsluitende wegen zal leiden, zal geen verandering in de verkeersafwikkeling merkbaar zijn.
Parkeren
In de huidige situatie vindt al het parkeren op eigen terrein plaats. Gezien het profiel van het Westeinde
is parkeren op of langs de rijbaan hier absoluut niet gewenst. Al het parkeren zal dan ook op eigen
terrein moeten blijven plaats vinden.
Conclusie
De bereikbaarheid van de locatie voor zowel het gemotoriseerd als het langzaam verkeer is goed. De
plannen leiden niet tot een toename in de verkeersintensiteit of parkeerbehoefte. Het aspect verkeer
en parkeren staat het initiatief dan ook niet in de weg.
4.5
Externe veiligheid
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden
gekeken, namelijk:
 bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
 vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het
plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk
wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag
gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt
weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans
per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval
waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
20
gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit
wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook
voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de
toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze
risicobenadering.
Onderzoek
Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in (de omgeving van) het projectgebied geen
risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Deze worden in de ruimtelijke onderbouwing ook niet mogelijk
gemaakt. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water of het
spoor.
Ten westen van het projectgebied vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door buisleidingen.
Het gaat hierbij om de hogedruk aardgasleidingen A-518 en A-553 met een effectafstand van
respectievelijk 410 en 490 m. Daarnaast is er tevens een olieleiding van de Defensie Pijpleiding
Organisatie gelegen (leiding 4405-P31B), met een effectafstand van 30 m. Bij geen van de leidingen is de
-6
PR 10 risicocontour buiten de leidingen gelegen. De aardgasleiding A-518 ligt op circa 210 m van het
projectgebied en de beide andere leidingen op ruim 340 m van het projectgebied. Het projectgebied ligt
dan ook binnen het invloedsgebied van beide aardgasleiding. Omdat de beoogde ontwikkeling bestaat
uit de verplaatsing van de aanwezige bedrijfswoning en bedrijfshallen en de oude locatie reeds binnen
het invloedsgebied van de leidingen was gelegen, is de ontwikkeling niet van invloed op de hoogte van
het groepsrisico.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het project voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe
veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het project niet in de weg.
4.6
Kabels en leidingen
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens
dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke
beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten
worden vervoerd:
 gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
 aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
 defensiebrandstoffen;
 warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met
een diameter groter of gelijk aan 18”.
Onderzoek
In de paragraaf externe veiligheid is reeds ingegaan op de in de omgeving van het projectgebied
aanwezige risicorelevante leidingen. Het projectgebied is buiten de zakelijke rechtsstrook van deze
leidingen gelegen. De aanwezigheid van de leidingen vormt dan ook geen belemmering voor de
bouwmogelijkheden binnen het gebied.
De verplaatsing van de bedrijfswoning vindt plaats omdat de bestaande bedrijfswoning aangemerkt is
als gevoelige bestemming. Het beleid is erop gericht om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
21
kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en
kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de zone. De bedrijfswoning wordt over een dusdanige
afstand verplaatst dat deze buiten de magneetzone van de hoogspanningsverbindingen komt te liggen
(figuur 4.1). De hoogspanningsverbindingen vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde
ontwikkeling.
Figuur 4.1
Ligging indicatieve magneetveldzone 150
& 380 kV-verbindingen
Naast deze hoogspanningsverbinding en de risicorelevante leidingen zijn er geen planologisch relevante
buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige
planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen,
drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening te
worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het
project niet in de weg staat.
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen staat het initiatief niet in de weg.
4.7
Luchtkwaliteit
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het
oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet
milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm)
bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide
en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor
stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van
de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
stof
toetsing van
stikstofdioxide
jaargemiddelde concentratie
(NO2)
jaargemiddelde concentratie
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde
60 µg/m³
geldig
2010 tot en met 2014
40 µg/m³
40 µg/m³
vanaf 2015
vanaf 11 juni 2011
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
22
hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet
leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in
betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen
voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties
onderscheiden:
 een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (=
1,2 µg/m³);
 een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze
categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.
Onderzoek en conclusie
De ontwikkeling in het projectgebied is met de verplaatsing van een bedrijfswoning en de agrarische
bedrijfshallen op hetzelfde perceel dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een
beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval
meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM 10 en NO2. Op het project is daarom het
besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het
projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die
bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2011 de
jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Westeinde (als maatgevende
doorgaande weg langs het projectgebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer
zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse
van het projectgebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af
naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele projectgebied sprake
van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.8
Bedrijven en milieuhinder
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven
in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
 ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
 rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in
voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en
milieuzonering (editie 2009).
Onderzoek en conclusie
In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen gelegen. Woningen zijn geen
hinder veroorzakende functies. De agrarische bedrijfsgebouwen die niet tot de eigen inrichting behoren,
liggen op ruim 100 m afstand van de beoogde bedrijfswoning. Voor bedrijfsgebouwen bij
akkerbouwbedrijven geldt een richtafstand van 30 m en voor bedrijven waar landbouwhuisdieren
worden gehouden geldt een aan te houden afstand van 50 m. Aan beide richtafstanden wordt voldaan.
Ter plaatse van de beoogde bedrijfswoning zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en
leefklimaat. Intensieve vormen van veeteelt zijn binnen de bestemming ,die voor het perceel Westeinde
9 geldt, niet toegestaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
23
De beoogde ontwikkeling houdt ook de verplaatsing van bedrijfshallen en de realisatie van een
paardenbak in. De agrarische bedrijfsgebouwen worden op ruim 60 m van de dichtstbijzijnde woning
gerealiseerd. Hiervoor wordt dan ook voldaan aan de richtafstand.
De paardenbak heeft zowel een hobbymatig als bedrijfsmatig gebruik en zal op minimaal 50 m afstand
van de woningen op nr. 17 en 25a worden gesitueerd. Hiermee voldoet ook de paardenbak aan de
minimale richtafstanden, zoals gesteld in de VNG-richtlijnen.
4.9
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Beleid en Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden
gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken
of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is
van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende
bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden
gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor
een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet
functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij
voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek en conclusie
Ter plaatse van het projectgebied is in oktober 2013 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door
IDDS. Het rapport van dit onderzoek is bijgevoegd bij de deze ruimtelijke onderbouwing als Bijlage 2. Uit
het onderzoek is gebleken dat er sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In het geval van ernstige
bodemverontreiniging geldt een saneringsnoodzaak. De sanering zal dan ook plaats vinden voordat de
daadwerkelijk bouwwerkzaamheden zullen plaats vinden.
Conclusie
Het aspect bodem is hier mee voldoende onderzocht. Voordat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden is
echter een sanering noodzakelijk. Hierover worden afspraken gemaakt met de initiatiefnemer, Tennet
en de gemeente.
4.10
Water
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een
ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met
duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap
van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand
komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De
opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. (PM reactie)
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de
waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze
paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het
hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
24
Waterschapsbeleid
Waterbeheerplan 2010-2015
Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit
plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in
het watersysteem worden getroffen Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De
drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft
veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening
wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het
erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij
wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekeninghoudend met
klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en
heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor
op deze ontwikkelingen. Het Waterbeheerplan 2010-2015 van Rijnland is te vinden op de website:
www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan
Keur en Beleidsregels 2009
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels die per 27
mei 2011 geactualiseerd zijn. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en
daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur
bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als
waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de
waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
 waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
 watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
 andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde
waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te
mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op
grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en
handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen,
is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de
website: www.rijnland.net/regels/keur_algemene.
Huidige situatie
Algemeen
Het projectgebied is gelegen aan de Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp en bestaat uit een agrarische
bedrijfswoning en bedrijfshallen.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem ter plaatse van het
projectgebied uit zeekleigrond. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde
hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,25 en 0,4 m beneden maaiveld en de gemiddelde laagste
grondwaterstand tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld.
Het projectgebied ligt in het peilgebied Polder de Noordplas met een zomerpeil van NAP -6,32 m en een
winterpeil van NAP -6,5 m.
Waterkwantiteit
Binnen het projectgebied is een overige polderwatergang gelegen. Rond deze watergang ligt een
beschermingszone van 1 meter. Binnen deze zone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om
het onderhoud aan de watergang niet te belemmeren.
De watergang behoort niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
25
Veiligheid en waterkeringen
Ten zuiden van het projectgebied is een regionale waterkering gelegen. Delen van het projectgebied
liggen dan ook binnen de kern- of beschermingszone van deze keringen. Binnen deze zones gelden
beperkingen voor bouwen en aanleggen om de stabiliteit van de waterkeringen te behouden.
Afvalwaterketen en riolering
Het projectgebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop en herbouw van de aanwezige bedrijfswoning en
bedrijfshallen.
Waterkwantiteit
Bij een toename in verharding dient deze toename gecompenseerd te worden. Volgens het beleid van
het hoogheemraadschap dient 15% van de toename in verharding gecompenseerd te worden bij een
2
toename vanaf 500 m .
Omdat de ontwikkeling bestaat uit de sloop en herbouw van de aanwezige bebouwing, zal het aandeel
verharding vrijwel gelijk blijven. Watercompensatie is voor de beoogde ontwikkeling dan ook niet
noodzakelijk.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen
van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.
Veiligheid en waterkeringen
Constructies in, op of nabij een waterkering vormen een potentieel gevaar voor de primaire functie van
de waterkering. Niet alleen kan bebouwing het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden, ook kan
het toekomstige dijkverzwaring in de weg staan. Het waterkerend vermogen van een dijk wordt bepaald
door de kruinhoogte, de fundering, alsmede de stabiliteit en de waterdichtheid van het beklede
dijklichaam. De aanwezigheid van bebouwing kan de faalmechanismen en daarmee het waterkerend
vermogen negatief beïnvloeden. Het hoogheemraadschap heeft daarom bouwactiviteiten in de
waterkering in haar Keur in beginsel verboden. Indien activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het
belang van de kering (bijvoorbeeld bouwwerken, kabels en leidingen, verhardingen, beplantingen, etc.)
moet een watervergunning op basis van de Keur aangevraagd worden bij het hoogheemraadschap van
Rijnland. Omdat het waterkeringbelang niet het enige belang is en bouwwerken in sommige gevallen
verenigbaar zijn met een veilige waterkering, kan het hoogheemraadschap via een vergunning
ontheffing verlenen van dit verbod.
Omdat het projectgebied binnen de kern- en beschermingszone van een regionale kering is gelegen, is
voor de beoogde ontwikkeling een vergunning noodzakelijk.
Riolering en afkoppelen
Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling
uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater
en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat
het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige
gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
d. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
26
overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd;
e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht;
De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het
gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke
afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet
staan.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater
Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve
maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de
bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen
hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater
mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt
voorkomen. Door bijvoorbeeld:
 duurzaam bouwen;
 het toepassen van berm- of bodempassage;
 toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van
verkeerde aansluitingen;
 het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten
(putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
 adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten
zuigen);
 het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
 de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist
gebruik hiervan;
 het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische
onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar
verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg
tussen gemeente en hoogheemraadschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een
verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de
gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze
moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
Water en Waterstaat in de ruimtelijke onderbouwing
In de ruimtelijke onderbouwing wordt het oppervlaktewater in het projectgebied bestemd als 'Water'.
Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde
dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' toebedeeld gekregen.
Conclusie
De in deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve
gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
27
4.11
Wegverkeerslawaai
Beoogde ontwikkeling
Volgens de Wet geluidhinder is een woning een geluidsgevoelig object waarvoor akoestisch onderzoek
uitgevoerd dient te worden. Voor de realisatie van de nieuwe agrarische bedrijfswoning aan het
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp is dit onderzoek gedaan.
Toetsingskader
Normstelling
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de
Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet
worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten
stedelijke ligging.
De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat L den (L day-evening-night).
Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde
geluidsniveau over een etmaal.
Nieuwe situaties
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen
binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde
gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden
verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van
geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende
bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of
financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Voor de
beoogde buitenstedelijke ontwikkeling geldt een uiterste grenswaarde van 58 dB (agrarische
bedrijfswoning).
De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemmingen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te
voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde normen. Krachtens artikel 110g van de Wet
geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband
met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Van deze aftrek, conform
artikel 3.4 uit het Reken– en Meetvoorschrift 2012, is gebruik gemaakt.
Onderzoek
De nieuwe bedrijfswoning is gelegen binnen de geluidszone van het Westeinde. Deze weg heeft een
buitenstedelijke ligging, 1-2 rijstroken en derhalve een geluidszone van 250m.
Rekenmethodiek en invoergegevens
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Rekenen Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. De berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 1.
Verkeersgegevens
Ten behoeve van dit onderzoek zijn verkeersgegevens noodzakelijk. Deze verkeersgegevens zijn
afkomstig uit verkeerstellingen in 2011 van de (voormalige) gemeente Rijnwoude. Voor het akoestisch
onderzoek is de weekdagintensiteit voor 2024 nodig. Hiervoor is een jaarlijkse autonome groei van 1%
gehanteerd. De verkeersintensiteit is opgenomen in tabel 4.2.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
28
De voertuig- en etmaalverdeling komen ook uit de verkeerstelling van de gemeente.
Gezoneerde weg binnen het plangebied
2024 weekdag
Westeinde
1.900
Tabel 4.2
Verkeersintensiteit in mvt/etmaal (afgerond op 50-tallen)
Voor de berekening van de geluidbelasting is uitgegaan van de maximale toegestane snelheid op het
Westeinde van 60 km/h. Het Westeinde is uitgevoerd in dicht asfaltbeton (DAB).
De nieuwe bedrijfswoning kan ten hoogste uit drie bouwlagen bestaan. De kleinste afstand tussen de
woning en de as van het Westeinde, zoals deze is opgenomen in het inrichtingsvoorstel, bedraagt circa
13 m. Het Westeinde heeft een wegbreedte van ca. 5 m.
Resultaten gezoneerde weg
Uit de berekening blijkt dat ten gevolge van het verkeer op het Westeinde de maximale geluidsbelasting
54 dB bedraagt, na aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De uiterste grenswaarde van 58 dB wordt
hierbij niet overschreden, maar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wel.
Maatregelen
Bezien is of met maatregelen de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Hiervoor is
een aantal maatregelen denkbaar. Een mogelijkheid is om de functie van de weg, samenstelling van het
verkeer of de maximumsnelheid te wijzigen.
Vanwege de bereikbaarheid van de functies langs de weg is functiewijziging, wijziging van samenstelling
of snelheid van het verkeer niet mogelijk en stuiten op overwegende bezwaren van verkeerskundige
aard.
Een andere maatregel aan de bron is het toepassen van geluidsreducerend asfalt op het Westeinde.
Gezien de hoge kosten van de aanleg van geluidsreducerend asfalt staat deze maatregel niet in
verhouding tot de baten van deze nieuwe woning.
Naast maatregelen aan de bron zijn maatregelen in het overdrachtsgebied mogelijk, bijvoorbeeld door
het vergroten van de afstand tot de weg of het plaatsen van geluidsschermen. Voor het Westeinde is
vanwege de inpasbaarheid binnen de bestaande bebouwingssituatie, het niet mogelijk om
geluidsschermen te plaatsen. Ook het vergroten van de afstand is vanwege de stedenbouwkundige
inpassing van de nieuwe woning niet mogelijk.
Geconcludeerd wordt dat redelijkerwijs geen maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting te
reduceren of dat maatregelen daartoe op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige,
landschappelijke, verkeerskundige of vervoerskundige aard stuiten.
Conclusie
Ten gevolge van het verkeer op het Westeinde wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB aan de gevels
van de nieuwe woning overschreden. Geconcludeerd wordt dat maatregelen om de geluidsbelasting te
verlagen niet mogelijk, wenselijk en/ of doelmatig zijn. Er dient dan ook een hogere waarde te worden
vastgesteld. Een overzicht van de vast te stellen hogere waarde staat in tabel 4.3.
ontwikkeling
aantal
Nieuwe agrarische bedrijfswoning 1
Westeinde 9
Tabel 4.3 Ontheffingswaarden
geluidsbelasting
54 dB*
geluidsbron
Westeinde
*De hogere waarde zal in het kadaster worden vastgelegd.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
29
De procedure voor het besluit hogere waarde zal gelijktijdig met de ter visie legging van het
ontwerpbestemmingsplan Buitengebied worden gestart.
Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning zal een akoestisch
onderzoek overlegd worden waar in aangetoond wordt dat het binnenniveau de grenswaarden van 33
dB niet zal overschrijden.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
30
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
31
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Wanneer er sprake is van een (ruimtelijke) ontwikkeling waar een bouwplan aan te pas komt, zijn er
vaak kosten voor een gemeente in de vorm van grondkosten. Deze bestaan onder andere uit het bouwen woonrijp maken van de te ontwikkelen locatie. Als een dergelijke ontwikkeling in een ruimtelijk plan
zoals een bestemmingsplan voorkomt, dan is een gemeente verplicht het kostenverhaal te
onderbouwen. Dit kan door middel van gronduitgifte, waar de grondkosten zijn verrekend met de
grondverkoop, of door middel van een exploitatieovereenkomst tussen de gemeente en de
initiatiefnemer. Indien bovengenoemde zaken niet van toepassing zijn omdat de grond niet in eigendom
van de gemeente is of omdat er geen overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer, verplicht de in
2008 in werking getreden Grondexploitatiewet de gemeente om een exploitatieplan op te stellen. Een
exploitatieplan maakt het voor gemeenten mogelijk de grondkosten voor de ontwikkeling te verhalen
op derden: bij het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen wordt een betalingsvoorschrift
opgenomen, waarin vermeld staat hoeveel er betaald moet worden en wanneer.
In voorliggende situatie is een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente
gesloten met betrekking tot de verplaatsing van de bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing en
eventuele gevolgen van planschade. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt, zodat
de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling is aangetoond.
In overleg met de gemeente, de eigenaar en Tennet wordt bezien op welke wijze de kosten voor de
bodemsanering worden verrekend. In het ontwerpbestemmingsplan zal hierop in deze paragraaf nader
worden ingegaan. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat dit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de
weg staat.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor dit plan wordt geen aparte procedure gevolgd. De beoogde ontwikkeling zal verwerkt worden in
het in opstelling zijnde bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Alphen aan den Rijn. Deze
ruimtelijke onderbouwing zal als bijlage bij dit bestemmingsplan worden gevoegd.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
32
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
33
Hoofdstuk 6
Conclusies ruimtelijke onderbouwing
Middels deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het verplaatsen van de agrarische
bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing naar de westzijde van het perceel past binnen het ruimtelijke
beleid van de diverse overheden en dat dit voornemen niet in strijd is met een goede ruimtelijke
ordening.
Hierdoor kan de ontwikkeling op een verantwoorde en beargumenteerde wijze worden opgenomen in
het ontwerpbestemmingsplan buitengebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
34
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
Bijlagen
36
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
37
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
Westeinde 9
200506.1825100
Ontvanger
Omschrijving
: Westeinde 9-1,5
Waarneemhoogte [m]
: Nieuwe bedrijfswoning Westeinde 9 op 1...
Rijlijn
: Westeinde
Wegdekhoogte [m]
Verhardingsbreedte [m]
Bodemfactor [-]
Objectfractie [-]
Zichthoek [grad]
Wegdektype [-]
:
0,00
:
2,60
:
0,64
:
0,15
:
127
: 0 - Referentiewegdek
Afstand horizontaal [m]
Afstand schuin [m]
Afstand kruispunt [m]
Afstand obstakel [m]
Q_etmaal
% Daguur
% Avonduur
% Nachtuur
Emissiegegevens distributie per voertuigcategorie per periode in dB(A)
m Categorie
Dag[%] Avond[%] Nacht[%]
km/u C_wegdek
1 Motorrijwielen
0,00
0,00
0,00
60
0,00
2 Lichte Motorvoertuigen
80,15
86,49
77,17
60
0,00
3 Middelzware Motorvoert...
14,01
7,84
7,97
60
0,00
4 Zware Motorvoertuigen
5,84
5,67
14,86
60
0,00
5 Bromfietsen
0,00
0,00
0,00
50
0,00
Totaal
100,00
100,00
100,00
C optrek
Resultaten in dB(A)
C_reflectie
C_zichthoek
D_afstand
D_lucht
D_bodem
D_meteo
:
:
:
:
:
:
Standaard rekenmethode 1 V2.00
0,22
0,00
11,15
0,10
2,31
0,72
LAeq, dag
LAeq, avond
LAeq, nacht
Aftrek Art.110g [dB]
Lden, excl. Art.110g [dB]
Lden, incl. Art.110g [dB]
:
:
:
:
:
1,5
13,00
13,02
0,00
0,00
:
:
:
:
1900,00
6,68
3,46
0,74
E_dag E_avond
0,00
0,00
68,57
66,04
66,65
61,27
65,72
62,73
0,00
0,00
71,92
68,60
---
:
:
:
:
:
:
E_nacht
0,00
58,85
54,64
60,22
0,00
63,24
--
57,86
54,54
49,19
5
59
54
1-10-2013 13:54:44, blz. 1
Westeinde 9
200506.1825100
Ontvanger
Omschrijving
: Westeinde 9-4,5
Waarneemhoogte [m]
: Nieuwe bedrijfswoning Westeinde 9 op 4...
Rijlijn
: Westeinde
Wegdekhoogte [m]
Verhardingsbreedte [m]
Bodemfactor [-]
Objectfractie [-]
Zichthoek [grad]
Wegdektype [-]
:
0,00
:
2,60
:
0,64
:
0,15
:
127
: 0 - Referentiewegdek
Afstand horizontaal [m]
Afstand schuin [m]
Afstand kruispunt [m]
Afstand obstakel [m]
Q_etmaal
% Daguur
% Avonduur
% Nachtuur
Emissiegegevens distributie per voertuigcategorie per periode in dB(A)
m Categorie
Dag[%] Avond[%] Nacht[%]
km/u C_wegdek
1 Motorrijwielen
0,00
0,00
0,00
60
0,00
2 Lichte Motorvoertuigen
80,15
86,49
77,17
60
0,00
3 Middelzware Motorvoert...
14,01
7,84
7,97
60
0,00
4 Zware Motorvoertuigen
5,84
5,67
14,86
60
0,00
5 Bromfietsen
0,00
0,00
0,00
50
0,00
Totaal
100,00
100,00
100,00
C optrek
Resultaten in dB(A)
C_reflectie
C_zichthoek
D_afstand
D_lucht
D_bodem
D_meteo
:
:
:
:
:
:
Standaard rekenmethode 1 V2.00
0,22
0,00
11,31
0,10
1,99
0,34
LAeq, dag
LAeq, avond
LAeq, nacht
Aftrek Art.110g [dB]
Lden, excl. Art.110g [dB]
Lden, incl. Art.110g [dB]
:
:
:
:
:
4,5
13,00
13,53
0,00
0,00
:
:
:
:
1900,00
6,68
3,46
0,74
E_dag E_avond
0,00
0,00
68,57
66,04
66,65
61,27
65,72
62,73
0,00
0,00
71,92
68,60
---
:
:
:
:
:
:
E_nacht
0,00
58,85
54,64
60,22
0,00
63,24
--
58,39
55,07
49,71
5
59
54
1-10-2013 13:54:44, blz. 2
Westeinde 9
200506.1825100
Ontvanger
Omschrijving
: Westeinde 9-7,5
Waarneemhoogte [m]
: Nieuwe bedrijfswoning Westeinde 9 op 7...
Rijlijn
: Westeinde
Wegdekhoogte [m]
Verhardingsbreedte [m]
Bodemfactor [-]
Objectfractie [-]
Zichthoek [grad]
Wegdektype [-]
:
0,00
:
2,60
:
0,64
:
0,15
:
127
: 0 - Referentiewegdek
Afstand horizontaal [m]
Afstand schuin [m]
Afstand kruispunt [m]
Afstand obstakel [m]
Q_etmaal
% Daguur
% Avonduur
% Nachtuur
Emissiegegevens distributie per voertuigcategorie per periode in dB(A)
m Categorie
Dag[%] Avond[%] Nacht[%]
km/u C_wegdek
1 Motorrijwielen
0,00
0,00
0,00
60
0,00
2 Lichte Motorvoertuigen
80,15
86,49
77,17
60
0,00
3 Middelzware Motorvoert...
14,01
7,84
7,97
60
0,00
4 Zware Motorvoertuigen
5,84
5,67
14,86
60
0,00
5 Bromfietsen
0,00
0,00
0,00
50
0,00
Totaal
100,00
100,00
100,00
C optrek
Resultaten in dB(A)
C_reflectie
C_zichthoek
D_afstand
D_lucht
D_bodem
D_meteo
:
:
:
:
:
:
Standaard rekenmethode 1 V2.00
0,22
0,00
11,66
0,11
1,99
0,24
LAeq, dag
LAeq, avond
LAeq, nacht
Aftrek Art.110g [dB]
Lden, excl. Art.110g [dB]
Lden, incl. Art.110g [dB]
:
:
:
:
:
7,5
13,00
14,65
0,00
0,00
:
:
:
:
1900,00
6,68
3,46
0,74
E_dag E_avond
0,00
0,00
68,57
66,04
66,65
61,27
65,72
62,73
0,00
0,00
71,92
68,60
---
:
:
:
:
:
:
E_nacht
0,00
58,85
54,64
60,22
0,00
63,24
--
58,14
54,82
49,47
5
59
54
1-10-2013 13:54:44, blz. 3
39
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
RAPPORT
betreffende een
verkennend
bodemonderzoek
Westeinde 9
te Hazerswoude-Dorp
Datum
Kenmerk
Auteur
: 26 november 2013
: 1309F700/DBI/rap1
: De heer D.D.C.A. Bijl
Vrijgave
: De heer C. Brouwer bba
(projectleider)
: ………………….
Opdrachtgever
: Rho adviseurs voor leefruimte
: Mevrouw M. den Boer-Kolbeek
: Postbus 150
: 3000 AD Rotterdam
© IDDS bv. Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd,
opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar
gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm,
elektronisch of anderszins zonder voorafgaande,
schriftel jke toestemming van de uitgever.
BRL SIKB 2000
VKB-protocollen 2001 & 2002
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ............................................................................................................................... 3
2.
VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET ................................................................... 4
2.1.
ALGEMEEN .................................................................................................................. 4
2.2.
REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................... 4
2.3.
BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................. 5
2.4.
HISTORISCHE INFORMATIE ...................................................................................... 6
2.5.
CONCLUSIES VOORONDERZOEK ............................................................................ 7
2.6.
ONDERZOEKSOPZET................................................................................................. 7
3.
VELDONDERZOEK ................................................................................................................. 8
3.1.
VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................... 8
3.2.
RESULTATEN VELDWERK ......................................................................................... 9
4.
CHEMISCH ONDERZOEK .................................................................................................... 10
4.1.
ANALYSESTRATEGIE ............................................................................................... 10
4.2.
RESULTATEN EN TOETSING CHEMISCHE ANALYSES ........................................ 11
5.
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN..................................................................... 13
6.
CONCLUSIES EN ADVIES ................................................................................................... 14
7.
BETROUWBAARHEID .......................................................................................................... 16
BIJLAGEN
1.
Kaarten en tekeningen
1.1.
overzichtskaart
1.2.
situatietekening
2.
Boorstaten en legenda
3.
Analysecertificaten grond en grondwater
3.1.
grond
3.2.
grondwater
4.
Toetsingsresultaten en -waarden grond en grondwater
4.1
grond
4.2
grondwater
5.
Fotoreportage
6.
Veldverslag
7.
Historische informatie
1.
INLEIDING
In opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte is een verkennend milieukundig
bodemonderzoek verricht op de locatie Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp.
Aanleiding en doelstelling onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd in verband met het opstellen van een bestemmingsplanwijziging en
de daaruit (voortvloeiende) aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het
kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een
omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage
inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.
Doel van het onderzoek is vast te stellen of het voormalige, dan wel het huidige, gebruik van de
onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend
bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en
concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem.
Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de
onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740 (onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, NNI,
januari 2009) gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de
onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid
van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit
van de bodem en eventueel vrijkomende grond.
Leeswijzer
De locatiegegevens, het vooronderzoek en de opzet van het onderzoek zijn beschreven in
hoofdstuk 2. De keuze van de opzet van het onderzoek is onder meer afhankelijk van het
huidige en het voormalige gebruik van het perceel.
Een beschrijving van het veldonderzoek en het analytisch onderzoek is weergegeven in de
hoofdstukken 3 en 4. De verzamelde gegevens zijn getoetst aan het toetsingskader van de Wet
bodembescherming, geïnterpreteerd en besproken in hoofdstuk 5.
Op basis van de verzamelde onderzoeksresultaten is de chemische bodemkwaliteit van de
onderzoekslocatie beoordeeld. Deze beoordeling is ondergebracht in hoofdstuk 6 (conclusies).
Daarnaast worden op basis van de onderzoeksresultaten aanbevelingen gedaan met
betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen.
In hoofdstuk 7 zijn de factoren, die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van het onderzoek,
toegelicht.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
3/16
2.
VOORONDERZOEK EN ONDERZOEKSOPZET
2.1.
ALGEMEEN
Bij toepassing van de NEN 5740 moet een hypothese worden opgesteld omtrent de aan- of
afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventueel te verwachten verontreinigingen.
Ten behoeve van het opstellen van de hypothese dient een vooronderzoek uitgevoerd te
worden overeenkomstig de NEN 5725 (Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij
verkennend, oriënterend en nader onderzoek, NNI, januari 2009).
In het kader van onderhavig onderzoek is het vooronderzoek uitgevoerd conform het standaard
niveau. In dit kader is informatie verzameld over de volgende aspecten van de locatie:
-
regionale bodemopbouw en geohydrologie (paragraaf 2.2);
huidig (en toekomstig) gebruik van de onderzoekslocatie (paragraaf 2.3);
historische informatie (paragraaf 2.4).
De verzamelde informatie is vastgelegd per bron en weergegeven in de genoemde paragrafen
van onderhavige rapportage. De conclusies van het vooronderzoek worden weergegeven in
paragraaf 2.5. Op basis van deze gegevens is in paragraaf 2.6 de onderzoeksopzet bepaald.
Als afbakening van de onderzoekslocatie, ten behoeve van het vooronderzoek, is gekozen voor
het te onderzoeken perceel alsmede de aangrenzende percelen tot maximaal 50 meter
gerekend vanaf de grens van het te onderzoeken perceel. Opgemerkt dient te worden dat de
genoemde afstand een arbitraire keuze betreft.
2.2.
REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Teneinde inzicht te kunnen verkrijgen in de samenstelling van de diepere bodemlagen is de
Grondwaterkaart van Nederland, kaartbladen 30D, 30 oost, 31 west (Den Haag-Utrecht)
geraadpleegd. Deze is uitgegeven door het Instituut van Grondwater en Geo-energie TNO
(IGG). De regionale geohydrologische opbouw kan als volgt worden omschreven:
Deklaag
Over het algemeen wordt de slecht doorlatende deklaag gevormd door middelfijn tot uiterst fijn
zand, klei en veenafzettingen van holocene ouderdom (Westlandformatie). De dikte van de
deklaag in de nabijheid van de onderzoekslocatie bedraagt circa 13 meter. Het maaiveld nabij
de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 1,2 m – N.A.P.
e
1 watervoerende pakket
Het eerste watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende afzettingen
tussen de slecht doorlatende deklaag en de scheidende laag. Het eerste watervoerende pakket
bestaat met name uit matig grof tot matig fijne zanden. In de nabijheid van de onderzoekslocatie bevindt dit pakket zich op een diepte van circa 14 m-NAP en bedraagt de dikte van dit
pakket ongeveer 29 meter. Het doorlaatvermogen (kD-waarde), zijnde het product van de
doorlaatbaarheidscoëfficiënt (k) en de dikte (D) van het eerste watervoerende pakket wordt
2
geschat op 1.400 m /d. De grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is zuidelijk
gericht.
e
1 scheidende laag
Het eerste en tweede watervoerende pakket worden gescheiden door kleiige en slibhoudende
afzettingen. De top van de scheidende laag in de nabijheid van de onderzoekslocatie ligt op een
diepte van circa 43 m - NAP en bedraagt de dikte van dit pakket ongeveer 10 meter. Verwacht
wordt dat de verticale hydraulische weerstand van de slecht doorlatende laag over het
algemeen enkele duizenden dagen zal bedragen.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
4/16
e
2 watervoerende pakket
Het tweede watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende afzettingen
(grind- of slibhoudende fijne tot grove zandhoudende afzettingen) beneden de scheidende laag.
De top van het tweede watervoerende pakket in de nabijheid van de onderzoekslocatie ligt op
een diepte van circa 53 m - NAP. De dikte en de kD-waarde voor het tweede watervoerende
pakket zijn niet bekend.
2.3.
BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE
De ligging van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven in de overzichtskaart van bijlage
1.1. Enkele locatiespecifieke aspecten zijn opgenomen in tabel 1.
TABEL 1: Locatiespecifieke gegevens
Locatiegegevens
Adres
Westeinde 9
Postcode en plaats
2391 JA Hazerswoude-Dorp
Gemeente
Rijnwoude
Provincie
Zuid-Holland
Kadastrale gemeente
Hazerswoude
Kadastrale gegevens
sectie F, nummers 444 en 445
Rijksdriehoekcoördinaten
X: 99.236
Oppervlakte in m
2
Y: 456.854
circa 250
Huidige gebruik
tuin en loods
Maaiveldtype
gras en beton
Huidig (en toekomstig) gebruik
Op 15 oktober 2013 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden (en is de gebruiker van de
locatie benaderd) inzake het (huidige) gebruik. Op aanwijzen van de opdrachtgever is de
onderzoekslocatie bepaald. De exacte locatie van de nieuw te bouwen woning is nog niet
bekend. Op de locatie is een loods aanwezig. Deze loopt verder door in noordelijke richting tot
buiten de onderzoekslocatie. In de loods vindt opslag plaats van diverse materialen. Daarnaast
is een bestrijdingmiddelen kast en een brandstoftank in de loods aanwezig. Deze vallen in het
gedeelte van de loods buiten onderhavige onderzoekslocatie. Overige aspecten ten aanzien
van de onderzoekslocatie staan hieronder beknopt omschreven:
-
tijdens de locatie-inspectie zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie geen
asbestverdachte materialen waargenomen;
op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen zakkingen, dan wel
ophogingen in het maaiveld waargenomen welke kunnen duiden op de aanwezigheid
van mogelijke (sloot)dempingen;
ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen (bodem)bedreigende activiteiten
waargenomen die een mogelijke bodemverontreiniging (hebben) kunnen veroorzaken.
Ter illustratie is in bijlage 6 een fotoreportage opgenomen.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
5/16
2.4.
HISTORISCHE INFORMATIE
Op 11 oktober 2013 is de Omgevingsdienst West-Holland geraadpleegd inzake het historische
gebruik van de onderzoekslocatie en de omliggende percelen. Voor de volledigheid is de
verkregen historische informatie opgenomen in bijlage 8 van onderhavige rapportage. Uit het
historisch onderzoek blijkt het volgende:
-
-
voor zover bekend hebben geen tanks gelegen binnen de onderzoekslocatie. In de loods is
wel een brandstoftank aanwezig op circa 3 meter afstand gelegen van de
onderzoekslocatie;
in de loods is tevens een bestrijdingsmiddelenkast aanwezig, welke evenens buiten de
onderzoekslocatie is gelegen;
de locatie is op basis van de voor ons bekende informatie niet verdacht op het voorkomen
van asbest;
de naastgelegen percelen zijn (of waren) in gebruik ten behoeve van wonen met tuin en
agrarische doeleinden;
naar verwachting hebben de activiteiten op de omliggende percelen de chemische
bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie niet negatief beïnvloed.
Luchtfoto’s onderzoekslocatie en omliggende percelen
Van het gebied is één luchtfoto bestudeerd. Op de foto zijn geen bijzonderheden waargenomen
die mogelijk een (bodem)verontreiniging (hebben) kunnen veroorzaken.
Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn voor zover bekend in het verleden geen
milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd. In de nabije omgeving van de onderzoekslocatie
zijn in het verleden wel milieukundige onderzoeken uitgevoerd. Echter, op basis van deze
onderzoeken worden in de nabijheid geen verontreinigingen verwacht waarmee rekening
gehouden dient te worden.
Voor een overzicht van de historische gegevens en de uitgevoerde onderzoeken wordt
verwezen naar bijlage 8 van onderhavige rapportage.
Bodemkwaliteitskaart
Gemeente Rijnwoude beschikt over een goedgekeurde bodemkwaliteitskaart. De
onderzoekslocatie is gelegen in zone RW02: Rijnwoude, lintbebouwing <1940. Deze zone
bestaat uit alle lintbebouwingen en oude kernen binnen de gemeente Rijnwoude. In het
verleden hebben plaatselijk bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden zoals het
ophogen met huishoudelijk afval rond de woningen, het gebruik van puin voor erfverhardingen
en het storten van koolas uit kachels. Uit de gegevens blijkt dat de verhoogde
achtergrondgehalten voor de parameters zink en PAK in de bovengrond verwacht kunnen
worden, voor een standaardbodem in deze zone.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
6/16
2.5.
CONCLUSIES VOORONDERZOEK
Op basis van het vooronderzoek kan worden afgeleid dat op het onderzoeksterrein geen
aandachtspunten aanwezig zijn met betrekking tot het veroorzaken van een mogelijke
bodemverontreiniging. Rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid van
ophooplagen met huishoudelijk afval (op basis van de bodemkwaliteitskaart). In de bovengrond
kunnen verhoogde gehalten aan zink en PAK voorkomen.
In de loods zijn een bestrijdingsmiddelenkast en een brandstoftank aanwezig. Deze vallen
buiten de formele projectlocatie en derhalve zijn hiernaar geen aanvullende inspanningen
verricht. Echter, tijdens de interpretatie van de onderzoeksresultaten zal rekening worden
gehouden hiermee.
2.6.
ONDERZOEKSOPZET
In tabel 2 is per onderzoeksaspect de gevolgde onderzoeksstrategie aangegeven.
TABEL 2: Onderzoekstrategie
Onderzoeksaspect
Kritische
parameters
Kritische
bodemlaag
(m-mv)
Strategie
Oppervlakte
algemene
bodemkwaliteit
zink en PAK
0 – 0,5
NEN 5740 : ONV*
circa 250 m2
*: uitgangspunt is dat de strategie onverdacht voldoende is. De kritische parameters zink en
PAK zijn opgenomen in het standaard NEN-pakket voor grond. Derhalve worden er geen
aanvullende inspanningen hiernaar verricht.
Uitsplitsing
In verband met het aantreffen van verontreiniging in de bodem tijdens het milieukundig
bodemonderzoek is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek zijn in één
mengmonster (M01) een sterke verhoging voor lood en matige verhogingen voor koper en zink
aangetoond. Betreffend mengmonster is uitgesplitst, waarbij betreffende grondmonsters uit M01
separaat zijn geanalyseerd op het zware metalen pakket. Dit teneinde inzicht te krijgen in de
aard van voorkomen en verspreiding van de aangetoonde verhogingen.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
7/16
3.
VELDONDERZOEK
3.1.
VELDWERKZAAMHEDEN
De veldwerkzaamheden zijn op 15 oktober 2013 uitgevoerd. Op 22 oktober 2013 heeft
bemonstering van het grondwater plaatsgevonden. De uitgevoerde boringen zijn beschreven in
tabel 3. De onderzoekslocatie en de posities van de meetpunten zijn weergegeven in de
situatietekening van bijlage 1.2.
TABEL 3: Aantal boringen en boordiepte (in m-mv)
Onderzoeksaspect
Aantal x diepte
[m-mv]
Boornummers
algemene bodemkwaliteit
1 x 2,1 met peilbuis
1 x 4,0
3 x 2,0
1 x 1,3*
01
02
03, 04 en 05
01a
*: gestaakte boring
Uitvoeringswijze
De veldwerkzaamheden zijn verricht door Brussee Grondboringen onder certificaat BRL SIKB
2000, VKB protocol 2001 en 2002 (meer informatie over ons bedrijf en kwalificaties kunt u
vinden op onze website www.idds.nl). Tijdens de veldwerkzaamheden is niet afgeweken van de
beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag (met daarin de namen van de veldwerkers) is opgenomen
in bijlage 7. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de
activiteiten met betrekking tot de veldwerkzaamheden en de overdracht van de monsters,
inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of de
opdrachtgever. Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn van het
terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft.
Tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zijn de grond en het grondwater zintuiglijk
beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen (organoleptisch onderzoek) en
is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodemlagen nauwkeurig
beschreven (lithologisch onderzoek).
Organoleptisch onderzoek
Het opgeboorde bodemmateriaal is visueel beoordeeld op het voorkomen van antropogene
bestanddelen (puin, slakken en dergelijke) en olieproduct (via olie/watertest). Het materiaal is
met name beoordeeld op de volgende aspecten: de aard, grootte en gradatie van voorkomen.
Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend
worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve
geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden
beschreven.
Asbest
Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van
asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van
de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de
aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
8/16
3.2.
RESULTATEN VELDWERK
Lithologisch onderzoek
De bodem van het terrein bestaat globaal vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 2,0 m-mv
uit veen. Vanaf een diepte van circa 2,0 m-mv tot een diepte van circa 3,2 m-mv bestaat de
bodem uit klei. Vanaf een diepte van circa 3,2 m-mv tot de geboorde diepte van 4,0 m-mv
bestaat de bodem uit zand. Een gedetailleerde beschrijving van de ter plaatse van de
onderzoekslocatie aangetroffen bodemopbouw (lithologie) is weergegeven in bijlage 2
(boorstaten).
Tijdens de veldwerkzaamheden is zintuiglijk een mogelijke gedempte sloot waargenomen.
Organoleptisch onderzoek
In tabel 4 zijn de zintuiglijk waargenomen relevante bijzonderheden weergegeven die mogelijk
gerelateerd kunnen worden aan een bodemverontreiniging.
Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte
materialen waargenomen.
TABEL 4: Zintuiglijk waargenomen afwijkingen
Boring
Diepte
[m-mv]
Samenstelling
Bijzonderheden
01
0 – 0,5
0,5 – 1,1
zwak kleiig veen
sterk zandig veen
matig baksteenhoudend en sporen aardewerk
sporen aardewerk
01a
0 – 0,4
sterk kleiig veen
sporen baksteen en kolen
02
0 – 0,5
0,5 – 2,2
zwak kleiig veen
zwak kleiig veen
zwak baksteenhoudend
zwak baksteenhoudend en matig glashoudend
03
0 – 0,6
0,6 – 1,9
matig zandig klei
zwak zandig veen
sporen baksteen
sporen baksteen
04
0,23 – 0,8
sterk kleiig veen
matig baksteen- en puinhoudend
05
0,24 – 1,7
zwak kleiig veen
sporen puin
Grondwatermetingen
In tabel 5 zijn de resultaten van de metingen die aan het grondwater zijn uitgevoerd
weergegeven.
TABEL 5: Metingen uitgevoerd aan het grondwater
Peilbuis
01
Filterstelling
(m -mv)
1,10 - 2,10
Grondwaterstand
(m -mv)
0,61
pH
(-)
7,6
EC
(µS/cm)
1.220
Troebelheid
(NTU)
8.2
De gemeten waarden van het grondwater vertonen geen afwijkende waarden ten opzichte van
een natuurlijke situatie.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
9/16
4.
CHEMISCH ONDERZOEK
Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de grond(water)monsters overgebracht
naar een RvA geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium.
4.1.
ANALYSESTRATEGIE
Algemene bodemkwaliteit
Ten behoeve van het vaststellen van de algemene chemische kwaliteit van de bodem zijn van
de boven- en ondergrond met bodemvreemd materiaal grondmengmonsters samengesteld. Als
ondergrond is de bodemlaag vanaf circa 0,5 m-mv aangemerkt.
De grond- en grondwatermonsters zijn geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Voorts zijn
ten behoeve van de correctie van de achtergrond- en interventiewaarden van zowel de bovenals de ondergrond de percentages lutum en organische stof vastgelegd.
Uitsplitsing
In verband met het aantreffen van verontreinigingen in de bodem tijdens het milieukundig
bodemonderzoek is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek zijn in één
mengmonster (M01) een sterke verhoging voor lood en matige verhogingen voor koper en zink
aangetoond. Betreffend mengmonster is uitgesplitst, waarbij betreffende grondmonsters uit M01
separaat zijn geanalyseerd op het zware metalen pakket.
Analysepakketten
In het standaard NEN-pakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen:
-
zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en
zink);
PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen);
minerale olie (GC);
PCB (PolyChloorBifenylen).
Het standaard NEN-pakket voor grondwater omvat de volgende analyses:
-
zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en
zink);
BTEXNS (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen);
VOCl (vluchtige organochloorverbindingen);
minerale olie.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
10/16
4.2.
RESULTATEN EN TOETSING CHEMISCHE ANALYSES
De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven op de analysecertificaten, die in
bijlage 3 zijn opgenomen.
Voor de interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters zijn de meetwaarden,
conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit, gecorrigeerd voor de gemeten percentages
lutum en/of organische stof. Voor de organische parameters PCB en minerale olie zijn ten
behoeve van de correctie percentages organisch stof aangehouden van minimaal 2,0 % en
maximaal 30,0 %. Voor de organische parameter PAK zijn ten behoeve van de correctie
percentages organisch stof aangehouden van minimaal 10,0 % en maximaal 30,0 %. Voor de
zware metalen zijn ten behoeve van de correctie minimale percentages lutum en organisch stof
van 2% aangehouden.
De gecorrigeerde meetwaarden zijn vergeleken met het toetsingskader van de Wet
bodembescherming. Dit toetsingskader bestaat uit de achtergrondwaarden, zoals opgenomen
in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en de interventiewaarden, zoals opgenomen in de
Circulaire bodemsanering (27 juni 2013).
Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de tussenwaarden,
zijnde het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarden voor de
betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de
tussenwaarde overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een geval van ernstige
bodemverontreiniging (Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb, versie 7.5 van het SIKB) en dient
overwogen te worden of het uitvoeren van nader bodemonderzoek noodzakelijk is.
De analyseresultaten, gecorrigeerde meetwaarden, de achtergrond- , tussen- en
interventiewaarden, alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsing, zijn weergegeven in
bijlage 4.1 (grond) en 4.2 (grondwater).
De overschrijdingen ten opzichte van het hierboven beschreven toetsingskader zijn als volgt
geclassificeerd:
*
**
***
het gehalte is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde
(grondwater), dan wel de rapportagegrens;
het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) en
is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd;
het gehalte overschrijdt de tussenwaarde en is lager dan of gelijk aan de
interventiewaarde, zijnde matig verontreinigd;
het gehalte overschrijdt de interventiewaarde, zijnde sterk verontreinigd.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
11/16
In tabel 6 zijn de gecorrigeerde meetwaarden en toetsingsresultaten voor grond weergegeven.
TABEL 6: Resultaten chemisch onderzoek grondmonsters (mg/kg.ds)
1
Monster
Humus
[%]
Lutum
[%]
Ba
Cd
Co
M01
10
6
388
0,95*
27*
M02
13
6,2
356
1,4*
-
Cu
Hg
Mb
Ni
Pb
Zn
PAK
PCB
Olie
Algemene bodemkwaliteit
125**
0,53*
-
37*
577***
570**
13*
-
-
96*
0,65*
1,6*
41*
359**
769***
14*
-
-
Uitsplitsing M01
M03
8
2,6
721
0,7*
26,1*
91*
0,46*
-
64*
519**
682**
-/-
-/-
-/-
M04
12
4,9
341
1,5*
-
90*
0,57*
-
-
626***
358*
-/-
-/-
-/-
M05
9,1
3,8
506
0,75*
115**
155**
0,32*
-
36*
257*
541**
-/-
-/-
-/-
M06
4,2
43
25
-
-
-
-
-
-
-
-
-/-
-/-
-/-
-/-: niet geanalyseerd
M01: 01(0-50)+02(0-50)+04(23-70)= veen, zwak tot matig baksteen- en puinhoudend en sporen aardewerk
M02: 02(50-100)+02(100-150)+02(150-200)= veen, zwak baksteenhoudend en matig glashoudend
M03: 01(0-50)= veen, matig baksteenhoudend en sporen aardewerk
M04: 02(0-50)= veen, zwak baksteenhoudend
M05: 04(23-70)= veen, matig baksteen- en puinhoudend
M06: 02(220-270)= klei
1
Barium
De interventiewaarde voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte
dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als
gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium.
In tabel 7 zijn de meetwaarden en toetsingsresultaten voor grondwater weergegeven.
TABEL 7: Resultaten chemisch onderzoek grondwatermonsters (µg/l)
Peilbuis
Ba
Cd
Co
Cu
Hg
Mb
Ni
Pb
Zn
VOCl
Olie
BTEXNS#
01
67*
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
xylenen 0,59*
#: overige parameters < detectiegrens
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
12/16
5.
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
Naar aanleiding van de verkregen onderzoeksresultaten blijkt met betrekking tot de chemische
bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie het volgende:
Bovengrond
De bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is overwegend opgebouwd uit veen. In de
bovengrond zijn zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (puin e.d.)
waargenomen.
In de bovengrond zijn over het algemeen lichte verontreinigingen aangetroffen voor de
geanalyseerde parameters. Echter, voor enkele zware metalen zijn tevens matige tot sterke
verontreinigingen aangetroffen.
Ondergrond
De ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is overwegend opgebouwd uit veen en
klei. In de ondergrond zijn zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (puin e.d.)
waargenomen.
In de ondergrond zijn over het algemeen lichte verontreinigingen aangetroffen voor de
geanalyseerde parameters. Echter, de parameters zink en lood zijn matig tot sterk verhoogd
aangetroffen.
Grondwater
De grondwaterstand bevindt zich op circa 0,60 m-mv. Tijdens het veldonderzoek zijn zintuiglijk
geen afwijkingen waargenomen aan het bemonsterde grondwater.
In het grondwater uit peilbuis 01 overschrijden de concentraties barium en xylenen de
desbetreffende streefwaarden. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn
alle lager dan de betreffende streefwaarden. De licht verhoogd aangetoonde concentratie
barium kan naar alle waarschijnlijkheid worden toegeschreven aan natuurlijke factoren. De
herkomst van de licht verhoogd aangetoonde concentratie xylenen is onbekend.
Bespreking/discussie
De lichte tot sterke gehalten aan zware metalen kunnen naar alle waarschijnlijkheid worden
gerelateerd aan het bodemvreemd materiaal in de bodem. Op basis van onderhavige gegevens
is ons inziens sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
13/16
6.
CONCLUSIES EN ADVIES
In opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte is een verkennend milieukundig
bodemonderzoek verricht op de locatie Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp.
Aanleiding en doelstelling onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd in verband met het opstellen van een bestemmingsplanwijziging en
de daaruit (voortvloeiende) aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het
kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een
omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage
inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.
Doel van het onderzoek is vast te stellen of het voormalige, dan wel het huidige, gebruik van de
onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend
bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en
concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem.
Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de
onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740 (onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, NNI,
januari 2009) gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de
onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid
van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit
van de bodem en eventueel vrijkomende grond.
Conclusies
Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Bovengrond
- in de bovengrond zijn bijmengingen met bodemvreemd materiaal waargenomen. Op het
maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte
materialen waargenomen;
- de bovengrond is over het algemeen licht verontreinigd met de onderzochte parameters;
- in de bovengrond zijn voor enkele zware metalen matige tot sterke gehalten aangetroffen.
Ondergrond
- in de ondergrond zijn bijmengingen met bodemvreemd materiaal waargenomen. In het
opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen
waargenomen;
- de ondergrond is over het algemeen licht verontreinigd met de onderzochte parameters;
- in de ondergrond worden de gehalten lood en zink matig tot sterk aangetroffen.
Grondwater
- het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen en is niet verontreinigd met de
overige onderzochte zware metalen, vluchtige aromaten, VOCl en minerale olie.
De in de grond aangetoonde gehalten zware metalen (overschrijding van de bijbehorende
tussenwaarde) geven formeel, ingevolge de Wet bodembescherming, aanleiding tot het
verrichten van een nader bodemonderzoek naar de omvang en mate van deze verontreiniging
in de bodem. Echter, ons inziens is de locatie in voldoende mate in kaart gebracht en is ons
inziens sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Van een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt gesproken indien de gemiddelde
3
3
concentratie van een verontreinigde stof in 25 m grond en/of 100 m grondwater of meer de
bijbehorende interventiewaarde overschrijdt.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
14/16
Aanbevelingen
Wij adviseren u om onderhavige rapportage voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde
Gemeente Rijnwoude, ter formalisering van de onderzoeksresultaten en conclusies.
Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten
de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit
bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan
de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden
verbonden.
Indien het bevoegd gezag instemt met de genomen conclusies, wordt geadviseerd om een
saneringsplan of BUS-melding op te laten stellen.
Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt, ingevolge de Wet bodembescherming,
een saneringsnoodzaak. De risico’s voor de volksgezondheid en het milieu die als gevolg van
de aangetoonde bodemverontreiniging aanwezig kunnen zijn, bepalen of het geval van ernstige
bodemverontreiniging spoedig moet worden gesaneerd. Als sprake is van een geval van
ernstige bodemverontreiniging zijn handelingen in de verontreinigde bodem alleen toegestaan
nadat het bevoegd gezag heeft ingestemd met een saneringsplan of BUS-melding hiervoor.
Van een geval van ernstige bodemverontreiniging wordt gesproken indien de gemiddelde
3
3
concentratie van een verontreinigde stof in 25 m grond en/of 100 m grondwater of meer de
bijbehorende interventiewaarde overschrijdt.
Gezien het feit dat de onderzoekslocatie archeologisch tevens nader onderzocht dient te
worden, adviseren wij om beide onderzoeken gelijktijdig uit te voeren. Hiermee kan op een
pragmatische en kostenefficiënte manier de locatie geschikt gemaakt worden voor wonen met
tuin.
IDDS bv
Noordwijk (ZH)
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
15/16
7.
BETROUWBAARHEID
Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke
inzichten en methoden. Echter, een bodemonderzoek is gebaseerd op het nemen van een
beperkt aantal monsters en chemische analyses.
IDDS streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Toch blijft het
mogelijk dat lokale afwijkingen in het bodemmateriaal voorkomen. IDDS acht zich niet
aansprakelijk voor de schade die hier mogelijkerwijs uit voortvloeit. Hierbij dient tevens te
worden gewezen op het feit dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is.
Beïnvloeding van de grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering
van dit onderzoek, bijvoorbeeld door het bouwrijp maken van de locatie, aanvoer van grond van
elders of verspreiding van verontreinigingen van verder gelegen terreinen via het grondwater.
Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten
langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden bij het gebruik van dit rapport. In
veel gevallen hanteren de beoordelende instanties een termijn (meestal maximaal 5 jaar)
waarbinnen de onderzoeksresultaten representatief zijn.
Bij het gebruik van de resultaten van dit onderzoek dient het doel van het onderzoek goed in
ogenschouw te worden genomen. Zo zullen de resultaten van een onderzoek naar het
voorkomen en/of verspreiding van één specifieke verontreinigende stof geen uitsluitsel bieden
omtrent de aanwezigheid aan verhoogde concentraties van overige, niet onderzochte
verontreinigende stoffen.
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp: 1309F700/DBI/rap1
16/16
BIJLAGE 1
1.1 OVERZICHTSKAART
1.2 SITUATIETEKENING
BIJLAGE 1.1
NOORDWIJK (Hoofdkantoor)
's-gravendijckseweg 37
Postbus 126
2200 AC Noordwijk
TEL 071 - 402 85 86
FAX 071 - 4035524
EMAIL [email protected]
www.idds.n l
LOCATIE-AANDUIDING
0
200
400
600
800
1000m
SCHAAL:
1:25.000
LIGG NG ONDERZOEKSLOCATIE
BIJLAGE 2
BOORSTATEN EN LEGENDA
Boring:
01
Boring:
01a
Datum:
15-10-2013
Datum:
15-10-2013
0
0
1
gazon
Veen, zwak kleiïg, zwak
zandhoudend, matig
baksteenhoudend, sporen
aardewerk, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
40
50
50
100
50
Veen, sterk zandig, sporen
aardewerk, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
2
3
0
0
60
1
Veen, mineraalarm, zwak
riethoudend, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
4
Zand, matig fijn, matig siltig, geen
olie-water reactie, lichtbruin,
Edelmanboor
Veen, zwak kleiïg, matig
houthoudend, matig slibhoudend,
geen olie-water reactie, bruin,
Edelmanboor, gestaakt op iets
100
110
gazon
Veen, sterk kleiïg, zwak
zandhoudend, sporen baksteen,
sporen kolen, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
130
150
5
190
200
6
210
Klei, sterk siltig, zwak humeus,
zwak plantenhoudend, zwak
riethoudend, geen olie-water
reactie, grijs, Edelmanboor
Boring:
02
Boring:
03
Datum:
15-10-2013
Datum:
15-10-2013
0
0
1
gazon
Veen, zwak kleiïg, zwak
zandhoudend, zwak
baksteenhoudend, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
50
50
Veen, zwak kleiïg, zwak
baksteenhoudend, matig
glashoudend, zwak zandhoudend,
geen olie-water reactie, bruin,
Edelmanboor
2
100
0
0
1
50
2
tuin
Klei, matig zandig, zwak humeus,
sporen baksteen, geen olie-water
reactie, grijs, Edelmanboor
60
Veen, zwak zandig, sporen glas,
sporen baksteen, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
3
100
3
4
150
150
4
5
190
200
200
6
5
200
Veen, zwak kleiïg, geen olie-water
reactie, bruin, Guts
220
250
300
Klei, matig siltig, sporen planten,
sporen riet, geen olie-water
reactie, grijs, Guts, zandlaag
tussen veen en klei
6
7
320
350
Zand, matig fijn, sterk siltig, zwak
kleihoudend, geen olie-water
reactie, grijs, Guts
8
9
400
400
Projectcode: 1309F700
Projectnaam: Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
Pagina 1 / 2
Boring:
04
Boring:
05
Datum:
15-10-2013
Datum:
15-10-2013
0
0
beton
Beton
0
0
23
50
2
100
150
24
Veen, sterk kleiïg, matig
baksteenhoudend, matig
puinhoudend, zwak zandhoudend,
geen olie-water reactie, grijsbruin,
Edelmanboor
1
beton
Beton
50
Veen, zwak kleiïg, sporen puin,
zwak zandhoudend, geen
olie-water reactie, bruin,
Edelmanboor
1
80
Veen, zwak zandig, geen
olie-water reactie, bruin,
Edelmanboor
3
100
150
4
2
3
170
Klei, matig siltig, geen olie-water
reactie, grijs, Edelmanboor
180
5
200
200
Projectcode: 1309F700
Veen, mineraalarm, zwak
riethoudend, geen olie-water
reactie, bruin, Edelmanboor
4
200
Projectnaam: Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
200
Pagina 2 / 2
Legenda (conform NEN 5104)
grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur
zwakke geur
matige geur
sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie
geen olie-water reactie
zwakke olie-water reactie
matige olie-water reactie
sterke olie-water reactie
Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde
>0
Zand, kleiïg
>1
>10
Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters
geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen
ongeroerd monster
zwak humeus
veen
Veen, mineraalarm
matig humeus
overig
bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand
grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand
slib
water
peilbuis
blinde buis
casing
hoogste grondwaterstand
gemiddelde grondwaterstand
laagste grondwaterstand
bentoniet afdichting
filter
BIJLAGE 3.1
ANALYSECERTIFICATEN GROND
ALcontrol B.V.
Steenhouwerstraat 15 · 3194 AG Rotterdam
Tel.: +31 (0)10 231 47 00 · Fax: +31 (0)10 416 30 34
www.alcontrol.nl
Analyserapport
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Postbus 126
2200 AC NOORDWIJK
Uw projectnaam
Uw projectnummer
ALcontrol rapportnummer
Blad 1 van 7
: Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
: 1309F700
: 11941799, versienummer: 1
Rotterdam, 25-10-2013
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij ontvangt u de analyse resultaten van het laboratoriumonderzoek ten behoeve van uw project
1309F700. Het onderzoek werd uitgevoerd conform uw opdracht. De gerapporteerde resultaten hebben
uitsluitend betrekking op de geteste monsters. De door u aangegeven omschrijvingen voor de monsters en
het project zijn overgenomen in dit analyserapport.
Het onderzoek is, met uitzondering van eventueel door derden uitgevoerd onderzoek, uitgevoerd door
ALcontrol Laboratories, gevestigd aan de Steenhouwerstraat 15 in Rotterdam (NL).
Dit analyserapport bestaat inclusief bijlagen uit 7 pagina's. In geval van een versienummer van '2' of hoger
vervallen de voorgaande versies. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het rapport. Alleen
vermenigvuldiging van het hele rapport is toegestaan.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben naar aanleiding van dit rapport, bijvoorbeeld als u nadere
informatie nodig heeft over de meetonzekerheid van de analyseresultaten in dit rapport, dan verzoeken wij u
vriendelijk contact op te nemen met de afdeling Customer Support.
Wij vertrouwen er op u met deze informatie van dienst te zijn.
Hoogachtend,
R. van Duin
Laboratory Manager
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Blad 2 van 7
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
Orderdatum
17-10-2013
Startdatum
17-10-2013
Rapportagedatum 25-10-2013
- 1
11941799
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
001
002
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
M01 M01 01 (0-50) 02 (0-50) 04 (23-70)
M02 M02 02 (50-100) 02 (100-150) 02 (150-200)
Analyse
Eenheid
Q
droge stof
gewicht artefacten
aard van de artefacten
gew.-%
g
g
S
S
S
72.1
30
stenen
65.5
<1
geen
organische stof (gloeiverlies)
% vd DS
S
10.3
12.5
KORRELGROOTTEVERDELING
lutum (bodem)
% vd DS
S
6.0
6.2
METALEN
barium
cadmium
kobalt
koper
kwik
lood
molybdeen
nikkel
zink
S
S
S
S
S
S
S
S
S
150
0.80
11
86
0.42
450
1.3
17
340
140
1.3
6.0
70
0.52
290
1.6
19
480
POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN
naftaleen
mg/kgds
S
0.12
fenantreen
mg/kgds
S
1.3
antraceen
mg/kgds
S
0.37
fluoranteen
mg/kgds
S
3.4
benzo(a)antraceen
mg/kgds
S
1.6
chryseen
mg/kgds
S
1.5
benzo(k)fluoranteen
mg/kgds
S
1.0
benzo(a)pyreen
mg/kgds
S
1.7
benzo(ghi)peryleen
mg/kgds
S
1.2
indeno(1,2,3-cd)pyreen
mg/kgds
S
1.3
pak-totaal (10 van VROM)
mg/kgds
S
14
(0.7 factor)
0.07
1.8
0.41
4.3
2.0
1.9
1.3
2.2
1.5
1.7
17
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB)
PCB 28
µg/kgds
PCB 52
µg/kgds
PCB 101
µg/kgds
PCB 118
µg/kgds
PCB 138
µg/kgds
PCB 153
µg/kgds
PCB 180
µg/kgds
som PCB (7) (0.7 factor)
µg/kgds
S
S
S
S
S
S
S
S
001
<1
<1
<1
<1
<1
<1
<1
4.9
1)
1)
002
<1
<1
<1
<1
<1
<1
<1
4.9
1)
1)
MINERALE OLIE
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning. Overige accreditaties zijn gemerkt met een Q.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Blad 3 van 7
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
Orderdatum
17-10-2013
Startdatum
17-10-2013
Rapportagedatum 25-10-2013
- 1
11941799
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
001
002
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
M01 M01 01 (0-50) 02 (0-50) 04 (23-70)
M02 M02 02 (50-100) 02 (100-150) 02 (150-200)
Analyse
Eenheid
fractie C10 - C12
fractie C12 - C22
fractie C22 - C30
fractie C30 - C40
totaal olie C10 - C40
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
Q
001
S
<5
7
19
23
50
002
<5
13
41
45
100
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning. Overige accreditaties zijn gemerkt met een Q.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11941799
- 1
Blad 4 van 7
Orderdatum
17-10-2013
Startdatum
17-10-2013
Rapportagedatum 25-10-2013
Monster beschrijvingen
001
*
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
002
*
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
Voetnoten
1
De sommatie na verrekening van de 0.7 factor conform AS3000
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Blad 5 van 7
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11941799
Orderdatum
17-10-2013
Startdatum
17-10-2013
Rapportagedatum 25-10-2013
- 1
Analyse
Monstersoort
Relatie tot norm
droge stof
gewicht artefacten
aard van de artefacten
organische stof (gloeiverlies)
lutum (bodem)
barium
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
cadmium
kobalt
koper
kwik
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
lood
Grond (AS3000)
molybdeen
nikkel
zink
naftaleen
fenantreen
antraceen
fluoranteen
benzo(a)antraceen
chryseen
benzo(k)fluoranteen
benzo(a)pyreen
benzo(ghi)peryleen
indeno(1,2,3-cd)pyreen
pak-totaal (10 van VROM) (0.7
factor)
PCB 28
PCB 52
PCB 101
PCB 118
PCB 138
PCB 153
PCB 180
som PCB (7) (0.7 factor)
totaal olie C10 - C40
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond: gelijkwaardig aan NEN-ISO 11465, Grond (AS3000): conform AS3010-2
Conform AS3000, NEN 5709
Idem
Grond/Puin: gelijkwaardig aan NEN 5754. Grond (AS3000): conform AS3010
Conform AS3010-4
Conform AS3010-5, conform NEN 6950 (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform NEN 6966) eigen methode (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform ISO 22036).
Idem
Idem
Idem
Conform AS 3010-5 en conform NEN 6950 (ontsluiting conform NEN 6961,
meting conform NEN-ISO 16772)
Conform AS3010-5, conform NEN 6950 (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform NEN 6966) eigen methode (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform ISO 22036).
Idem
Idem
Idem
Conform AS3010-6
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Conform AS3010-8
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Conform prestatieblad 3010-7 Gelijkwaardig aan NEN-EN-ISO 16703
Monster
Barcode
Aanlevering
Monstername
Verpakking
001
001
001
002
002
002
Y4525121
Y4525458
Y4525459
Y4525467
Y4525470
Y4525472
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
ALC201
ALC201
ALC201
ALC201
ALC201
ALC201
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11941799
- 1
Monsternummer:
001
Monster beschrijvingen
M01M01 01 (0-50) 02 (0-50) 04 (23-70)
Blad 6 van 7
Orderdatum
17-10-2013
Startdatum
17-10-2013
Rapportagedatum 25-10-2013
Karakterisering naar a kaantraject
benzine
C9-C14
kerosine en petroleum
diesel en gasolie
motorolie
C10-C16
C10-C28
C20-C36
stookolie
C10-C36
De C10 en C40 pieken zijn toegevoegd door het laboratorium en worden gebru kt als interne standaard.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11941799
- 1
Monsternummer:
002
Monster beschrijvingen
M02M02 02 (50-100) 02 (100-150) 02 (150-200)
Blad 7 van 7
Orderdatum
17-10-2013
Startdatum
17-10-2013
Rapportagedatum 25-10-2013
Karakterisering naar a kaantraject
benzine
C9-C14
kerosine en petroleum
diesel en gasolie
motorolie
C10-C16
C10-C28
C20-C36
stookolie
C10-C36
De C10 en C40 pieken zijn toegevoegd door het laboratorium en worden gebru kt als interne standaard.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
ALcontrol B.V.
Steenhouwerstraat 15 · 3194 AG Rotterdam
Tel.: +31 (0)10 231 47 00 · Fax: +31 (0)10 416 30 34
www.alcontrol.nl
Analyserapport
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Postbus 126
2200 AC NOORDWIJK
Uw projectnaam
Uw projectnummer
ALcontrol rapportnummer
Blad 1 van 4
: Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
: 1309F700
: 11948791, versienummer: 1
Rotterdam, 11-11-2013
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij ontvangt u de analyse resultaten van het laboratoriumonderzoek ten behoeve van uw project
1309F700. Het onderzoek werd uitgevoerd conform uw opdracht. De gerapporteerde resultaten hebben
uitsluitend betrekking op de geteste monsters. De door u aangegeven omschrijvingen voor de monsters en
het project zijn overgenomen in dit analyserapport.
Het onderzoek is, met uitzondering van eventueel door derden uitgevoerd onderzoek, uitgevoerd door
ALcontrol Laboratories, gevestigd aan de Steenhouwerstraat 15 in Rotterdam (NL).
Dit analyserapport bestaat inclusief bijlagen uit 4 pagina's. In geval van een versienummer van '2' of hoger
vervallen de voorgaande versies. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het rapport. Alleen
vermenigvuldiging van het hele rapport is toegestaan.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben naar aanleiding van dit rapport, bijvoorbeeld als u nadere
informatie nodig heeft over de meetonzekerheid van de analyseresultaten in dit rapport, dan verzoeken wij u
vriendelijk contact op te nemen met de afdeling Customer Support.
Wij vertrouwen er op u met deze informatie van dienst te zijn.
Hoogachtend,
R. van Duin
Laboratory Manager
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Blad 2 van 4
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
Orderdatum
05-11-2013
Startdatum
05-11-2013
Rapportagedatum 11-11-2013
- 1
11948791
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
001
002
003
004
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
M03 M03 01 (0-50)
M04 M04 02 (0-50)
M05 M05 04 (23-70)
M06 M06 02 (220-270)
Analyse
Eenheid
Q
droge stof
gewicht artefacten
aard van de artefacten
gew.-%
g
g
S
S
S
76.3
<1
geen
70.8
<1
geen
73.1
<1
geen
50.7
<1
geen
organische stof (gloeiverlies)
% vd DS
S
8.0
11.6
9.1
4.2
KORRELGROOTTEVERDELING
lutum (bodem)
% vd DS
S
2.6
4.9
3.8
43
METALEN
barium
cadmium
kobalt
koper
kwik
lood
molybdeen
nikkel
zink
S
S
S
S
S
S
S
S
S
200
0.52
7.9
54
0.34
370
1.5
23
340
120
1.3
4.7
62
0.45
490
0.9
13
210
160
0.59
39
98
0.24
190
1.4
14
290
39
<0.2
9.6
11
<0.05
20
0.9
28
80
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
mg/kgds
001
002
003
004
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning. Overige accreditaties zijn gemerkt met een Q.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11948791
- 1
Blad 3 van 4
Orderdatum
05-11-2013
Startdatum
05-11-2013
Rapportagedatum 11-11-2013
Monster beschrijvingen
001
*
*
002
*
*
003
*
*
004
*
*
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel
organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX,
vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige
parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters.
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel
organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX,
vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige
parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters.
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel
organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX,
vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige
parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters.
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
Na het nemen van deelmonsters ten behoeve van het bepalen van de bodemkenmerken (droge stof en eventueel
organisch stof, lutum en pH-CaCl2), alsmede eventuele deelmonsters voor vluchtige verbindingen (BTEX,
vluchtige halogenen, Cyanides), was geen 140 gram meer over voor de monstervoorbehandeling voor de overige
parameters. Daarom is minder dan 140 gram voorbehandeld voor deze parameters.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Blad 4 van 4
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11948791
Orderdatum
05-11-2013
Startdatum
05-11-2013
Rapportagedatum 11-11-2013
- 1
Analyse
Monstersoort
Relatie tot norm
droge stof
gewicht artefacten
aard van de artefacten
organische stof (gloeiverlies)
lutum (bodem)
barium
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
cadmium
kobalt
koper
kwik
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
lood
Grond (AS3000)
molybdeen
nikkel
zink
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond: gelijkwaardig aan NEN-ISO 11465, Grond (AS3000): conform AS3010-2
Conform AS3000, NEN 5709
Idem
Grond/Puin: gelijkwaardig aan NEN 5754. Grond (AS3000): conform AS3010
Conform AS3010-4
Conform AS3010-5, conform NEN 6950 (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform NEN 6966) eigen methode (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform ISO 22036).
Idem
Idem
Idem
Conform AS 3010-5 en conform NEN 6950 (ontsluiting conform NEN 6961,
meting conform NEN-ISO 16772)
Conform AS3010-5, conform NEN 6950 (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform NEN 6966) eigen methode (ontsluiting conform NEN 6961, meting
conform ISO 22036).
Idem
Idem
Idem
Monster
Barcode
Aanlevering
Monstername
Verpakking
001
002
003
004
Y4525458
Y4525459
Y4525121
Y4525469
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
ALC201
ALC201
ALC201
ALC201
Theoretische monsternamedatum
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
BIJLAGE 3.2
ANALYSECERTIFICATEN GRONDWATER
ALcontrol B.V.
Steenhouwerstraat 15 · 3194 AG Rotterdam
Tel.: +31 (0)10 231 47 00 · Fax: +31 (0)10 416 30 34
www.alcontrol.nl
Analyserapport
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Postbus 126
2200 AC NOORDWIJK
Uw projectnaam
Uw projectnummer
ALcontrol rapportnummer
Blad 1 van 5
: Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
: 1309F700
: 11944577, versienummer: 1
Rotterdam, 29-10-2013
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij ontvangt u de analyse resultaten van het laboratoriumonderzoek ten behoeve van uw project
1309F700. Het onderzoek werd uitgevoerd conform uw opdracht. De gerapporteerde resultaten hebben
uitsluitend betrekking op de geteste monsters. De door u aangegeven omschrijvingen voor de monsters en
het project zijn overgenomen in dit analyserapport.
Het onderzoek is, met uitzondering van eventueel door derden uitgevoerd onderzoek, uitgevoerd door
ALcontrol Laboratories, gevestigd aan de Steenhouwerstraat 15 in Rotterdam (NL).
Dit analyserapport bestaat inclusief bijlagen uit 5 pagina's. In geval van een versienummer van '2' of hoger
vervallen de voorgaande versies. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het rapport. Alleen
vermenigvuldiging van het hele rapport is toegestaan.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben naar aanleiding van dit rapport, bijvoorbeeld als u nadere
informatie nodig heeft over de meetonzekerheid van de analyseresultaten in dit rapport, dan verzoeken wij u
vriendelijk contact op te nemen met de afdeling Customer Support.
Wij vertrouwen er op u met deze informatie van dienst te zijn.
Hoogachtend,
R. van Duin
Laboratory Manager
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11944577
- 1
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
001
Grondwater
(AS3000)
01-01-1 01-01-1 01 (110-210)
Analyse
Eenheid
Q
METALEN
barium
cadmium
kobalt
koper
kwik
lood
molybdeen
nikkel
zink
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
S
S
S
S
S
S
S
S
S
67
<0.2
2.9
<2
<0.05
<2
<2
3.1
13
VLUCHTIGE AROMATEN
benzeen
tolueen
ethylbenzeen
o-xyleen
p- en m-xyleen
xylenen (0.7 factor)
styreen
naftaleen
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
S
S
S
S
S
S
S
S
<0.2
0.28
<0.2
0.21
0.39
0.59
<0.2
<0.05
GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN
1,1-dichloorethaan
µg/l
S
1,2-dichloorethaan
µg/l
S
1,1-dichlooretheen
µg/l
S
cis-1,2-dichlooretheen
µg/l
S
trans-1,2-dichlooretheen
µg/l
S
som (cis,trans) 1,2µg/l
dichloorethenen (0.7 factor)
dichloormethaan
µg/l
S
1,1-dichloorpropaan
µg/l
S
1,2-dichloorpropaan
µg/l
S
1,3-dichloorpropaan
µg/l
S
som dichloorpropanen (0.7
µg/l
S
factor)
tetrachlooretheen
µg/l
S
tetrachloormethaan
µg/l
S
1,1,1-trichloorethaan
µg/l
S
1,1,2-trichloorethaan
µg/l
S
trichlooretheen
µg/l
S
chloroform
µg/l
S
vinylchloride
µg/l
S
tribroommethaan
µg/l
S
MINERALE OLIE
fractie C10 - C12
µg/l
Blad 2 van 5
Orderdatum
24-10-2013
Startdatum
24-10-2013
Rapportagedatum 29-10-2013
001
<0.2
<0.2
<0.1
<0.1
<0.1
0.14
<0.2
<0.2
<0.2
<0.2
0.42
<0.1
<0.1
<0.1
<0.1
<0.2
<0.2
<0.2
<0.2
<25
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning. Overige accreditaties zijn gemerkt met een Q.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11944577
- 1
Nummer
Monstersoort
Monsterspecificatie
001
Grondwater
(AS3000)
01-01-1 01-01-1 01 (110-210)
Analyse
Eenheid
fractie C12 - C22
fractie C22 - C30
fractie C30 - C40
totaal olie C10 - C40
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
Q
S
Blad 3 van 5
Orderdatum
24-10-2013
Startdatum
24-10-2013
Rapportagedatum 29-10-2013
001
<25
<25
<25
<50
De met S gemerkte analyses zijn geaccrediteerd en vallen onder de AS3000-erkenning. Overige accreditaties zijn gemerkt met een Q.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11944577
- 1
Blad 4 van 5
Orderdatum
24-10-2013
Startdatum
24-10-2013
Rapportagedatum 29-10-2013
Monster beschrijvingen
001
*
De monstervoorbehandeling en analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000, dit geldt alleen
voor de analyses die worden gerapporteerd met het "S" kenmerk.
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
IDDS Milieu B.V.
D Bijl
Projectnaam
Projectnummer
Rapportnummer
Blad 5 van 5
Analyserapport
Westeinde 9 te Hazerswoude-Dorp
1309F700
11944577
Orderdatum
24-10-2013
Startdatum
24-10-2013
Rapportagedatum 29-10-2013
- 1
Analyse
Monstersoort
Relatie tot norm
barium
Grondwater (AS3000)
cadmium
kobalt
koper
kwik
lood
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
molybdeen
nikkel
zink
benzeen
tolueen
ethylbenzeen
o-xyleen
p- en m-xyleen
xylenen (0.7 factor)
styreen
naftaleen
1,1-dichloorethaan
1,2-dichloorethaan
1,1-dichlooretheen
cis-1,2-dichlooretheen
trans-1,2-dichlooretheen
som (cis,trans) 1,2dichloorethenen (0.7 factor)
dichloormethaan
1,1-dichloorpropaan
1,2-dichloorpropaan
1,3-dichloorpropaan
som dichloorpropanen (0.7 factor)
tetrachlooretheen
tetrachloormethaan
1,1,1-trichloorethaan
1,1,2-trichloorethaan
trichlooretheen
chloroform
vinylchloride
tribroommethaan
totaal olie C10 - C40
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Conform AS3110-3 en Conform NEN 6966 (meting conform NEN-EN-ISO
11885)
Idem
Idem
Idem
Conform AS3110-3 en conform NEN-EN-ISO 17852
Conform AS3110-3 en Conform NEN 6966 (meting conform NEN-EN-ISO
11885)
Idem
Idem
Idem
Conform AS3130-1
Idem
Idem
Idem
Idem
Conform AS3130-1
Conform AS3130-1
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Grondwater (AS3000)
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Idem
Conform AS3110-5
Monster
Barcode
Aanlevering
Monstername
Verpakking
001
001
001
B1087340
G8559504
G8559519
22-10-2013
22-10-2013
22-10-2013
22-10-2013
22-10-2013
22-10-2013
ALC204
ALC236
ALC236
Paraaf :
ALCONTROL B.V. IS GEACCREDITEERD VOLGENS DE DOOR DE RAAD VOOR ACCREDITATIE GESTELDE CRITERIA VOOR TESTLABORATORIA CONFORM ISO/IEC 17025:2005 ONDER NR. L 028
AL ONZE WERKZAAMHEDEN WORDEN UITGEVOERD ONDER DE ALGEMENE VOORWAARDEN GEDEPONEERD BIJ DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ROTTERDAM INSCHRIJVING
HANDELSREGISTER KVK ROTTERDAM 24265286
BIJLAGE 4.1
NORMERING WET BODEMBESCHERMING EN
GECORRIGEERDE MEETRESULTATEN GROND
Tabel 1: Aangetoonde gehaltes in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming
Toetsmonster
Humus (% ds)
Lutum (% ds)
Datum van toetsing
Monsterconclusie
Monstermelding 1
Monstermelding 2
Monstermelding 3
M01
10
6,0
11-11-2013
Overschrijding Interventiewaarde
Meetw
GSSD
METALEN
Barium [Ba]
Cadmium [Cd]
Kobalt [Co]
Koper [Cu]
Kwik [Hg]
Lood [Pb]
Molybdeen [Mo]
Nikkel [Ni]
Zink [Zn]
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
150
0,80
11
86
0,42
450
1,3
17
340
388 (6)
0,95
27
125
0,53
577
1,3
37
570
PAK
Anthraceen
Benzo(a)anthraceen
Benzo(a)pyreen
Benzo(g,h,i)peryleen
Benzo(k)fluorantheen
Chryseen
Fenanthreen
Fluorantheen
Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen
Naftaleen
PAK 10 VROM
Pak-totaal (10 van VROM)
(0.7 facto
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
0,37
1,6
1,7
1,2
1,0
1,5
1,3
3,4
1,3
0,12
14
0,36
1,6
1,7
1,2
1,0
1,5
1,3
3,3
1,3
0,12
13
GECHLOREERDE
KOOLWATERSTOFFEN
PCB (som 7)
PCB 180
PCB 153
PCB 138
PCB 118
PCB 101
PCB 52
PCB 28
PCB (7) (som, 0.7 factor)
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
µg/kg ds
<1
<1
<1
<1
<1
<1
<1
4,9
OVERIG
Droge stof
Artefacten
Aard artefacten
% w/w
g
g
72,1
30
72,0 (6)
OVERIGE
(ORGANISCHE)
VERBINDINGEN
Minerale olie (totaal)
Minerale olie C12 - C22
Minerale olie C22 - C30
Minerale olie C30 - C40
Minerale olie C10 - C12
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
50
7
19
23
<5
49
7 (6)
18 (6)
22 (6)
3 (6)
Projectcode: 1309F700
<4,8
<1
<1
<1
<1
<1
<1
<1
M02
13
6,2
11-11-2013
Overschrijding Interventiewaarde
Index
Meetw
0,03
0,07
0,57
0,01
1,1
-0
0,03
0,74
140
1,3
6,0
70
0,52
290
1,6
19
480
356 (6)
1,4
14,5
96
0,65
359
1,6
41
769
0,41
2,0
2,2
1,5
1,3
1,9
1,8
4,3
1,7
0,07
0,33
1,6
1,8
1,2
1,0
1,5
1,4
3,4
1,4
0,06
14
0,3
-0,02
17
<1
<1
<1
<1
<1
<1
<1
4,9
65,5
<1
-0,03
100
13
41
45
<5
GSSD
<3,9
<1
<1
<1
<1
<1
<1
<1
Index
0,06
-0
0,37
0,01
0,64
0,09
1,08
Meetw
200
0,52
7,9
54
0,34
370
1,5
23
340
GSSD
721 (6)
0,70
26,1
91
0,46
519
1,5
64
682
0,32
-0,02
66,0 (6)
80
10 (6)
33 (6)
36 (6)
3 (6)
M03
8,0
2,6
11-11-2013
Overschrijding Achtergrondwaarde
76,3
<1
-0,02
76,0 (6)
Index
0,01
0,06
0,34
0,01
0,98
0,45
0,93
Tabel 2: Aangetoonde gehaltes in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming
Toetsmonster
Humus (% ds)
Lutum (% ds)
Datum van toetsing
Monsterconclusie
Monstermelding 1
Monstermelding 2
Monstermelding 3
M04
12
4,9
11-11-2013
Overschrijding Interventiewaarde
Meetw
METALEN
Barium [Ba]
Cadmium [Cd]
Kobalt [Co]
Koper [Cu]
Kwik [Hg]
Lood [Pb]
Molybdeen [Mo]
Nikkel [Ni]
Zink [Zn]
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
OVERIG
Droge stof
Artefacten
Aard artefacten
% w/w
g
g
GTA
<
8,88
8,88
8,88
6
#
GSSD
Index
120
1,3
4,7
62
0,45
490
0,9
13
210
70,8
<1
GSSD
341 (6)
1,5
12,5
90
0,57
626
0,9
31
358
M05
9,1
3,8
11-11-2013
Overschrijding Achtergrondwaarde
Index
Meetw
0,07
-0,01
0,33
0,01
1,2
-0
-0,06
0,38
160
0,59
39
98
0,24
190
1,4
14
290
71,0 (6)
73,1
<1
: Geen toetsnorm aanwezig
: kleiner dan de detectielimiet
: <= Achtergrondwaarde
: <= Interventiewaarde
: > Interventiewaarde
: Heeft geen normwaarde
: verhoogde rapportagegrens
: Gestandaardiseerde meetwaarde
: (GSSD - AW) / (I - AW)
Tabel 3: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming
AW
I
METALEN
Cadmium [Cd]
Kobalt [Co]
Koper [Cu]
Kwik [Hg]
Lood [Pb]
Molybdeen [Mo]
Nikkel [Ni]
Zink [Zn]
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
mg/kg ds
0,6
15
40
0,15
50
1,5
35
140
13
190
190
36
530
190
100
720
PAK
PAK 10 VROM
mg/kg ds
1,5
40
GECHLOREERDE
KOOLWATERSTOFFEN
PCB (som 7)
mg/kg ds
0,02
1
OVERIGE (ORGANISCHE)
VERBINDINGEN
Minerale olie (totaal)
mg/kg ds
Projectcode: 1309F700
190
5000
GSSD
506 (6)
0,75
115
155
0,32
257
1,4
36
541
73,0 (6)
Index
0,01
0,57
0,77
0,43
-0
0,02
0,69
M06
4,2
43
11-11-2013
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Meetw
GSSD
39
<0,2
9,6
11
<0,05
20
0,9
28
80
25 (6)
<0,1
6,2
9
<0,03
17
0,9
18
60
50,7
<1
51,0 (6)
Index
-0,04
-0,05
-0,21
-0
-0,07
-0
-0,26
-0,14
BIJLAGE 4.2
TOETSINGSRESULTATEN GRONDWATER
Tabel 1: Aangetroffen gehaltes in grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming
monsternummer
Datum bemonstering
Filterdiepte (m -mv)
Datum van toetsing
Monsterconclusie
Monstermelding 1
Monstermelding 2
Monstermelding 3
01-01-1
22-10-2013
1,10 - 2,10
11-11-2013
Overschrijding Streefwaarde
Meetw
METALEN
Barium [Ba]
Cadmium [Cd]
Kobalt [Co]
Koper [Cu]
Kwik [Hg]
Lood [Pb]
Molybdeen [Mo]
Nikkel [Ni]
Zink [Zn]
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
PAK
PAK 10 VROM
-
AROMATISCHE VERBINDINGEN
Ethylbenzeen
Tolueen
Xylenen (som)
meta-/para-Xyleen (som)
ortho-Xyleen
Benzeen
Xylenen (som, 0.7 factor)
Styreen (Vinylbenzeen)
Naftaleen (BTEXN)
Som 16 Aromatische oplosmiddelen
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
<0,2
0,28
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN
1,3-Dichloorpropaan
1,1-Dichloorpropaan
Dichloorpropaan
cis + trans-1,2-Dichlooretheen
1,1-Dichlooretheen
cis-1,2-Dichlooretheen
trans-1,2-Dichlooretheen
Dichloormethaan
Trichloormethaan (Chloroform)
Tribroommethaan (bromoform)
Tetrachloormethaan (Tetra)
1,1-Dichloorethaan
1,2-Dichloorethaan
1,2-Dichloorpropaan
1,1,1-Trichloorethaan
1,1,2-Trichloorethaan
Trichlooretheen (Tri)
Tetrachlooretheen (Per)
Vinylchloride
1.2-Dichloorethenen (som, 0.7 facto
Dichloorpropanen (0,7 som, 1,1+1,2+1,3)
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
<0,2
<0,2
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN
Minerale olie (totaal)
Minerale olie C12 - C22
Minerale olie C22 - C30
Minerale olie C30 - C40
Minerale olie C10 - C12
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
Projectcode: 1309F700
67
<0,2
2,9
<2
<0,05
<2
<2
3,1
13
GSSD
67
<0,1
2,9
<1
<0,04
<1
<1
3,1
13
Index
0,03
-0,05
-0,21
-0,23
-0,04
-0,23
-0,01
-0,2
-0,07
0,00050 (11)
0,39
0,21
<0,2
0,59
<0,2
<0,05
<0,1
<0,1
<0,1
<0,2
<0,2
<0,2
<0,1
<0,2
<0,2
<0,2
<0,1
<0,1
<0,2
<0,1
<0,2
0,14
0,42
<50
<25
<25
<25
<25
<0,1
0,28
0,60
0,39
0,21
<0,1
-0,03
-0,01
0,01
-0
<0,1
-0,02
0,04
1,3 (2,14)
<0,1
<0,1
<0,42
<0,14
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1 (14)
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<0,1
<35
18 (6)
18 (6)
18 (6)
18 (6)
-0
0,01
0,01
-0,01
0,01
-0,01
-0,02
-0,05
0,02
-0,03
GTA
<
8,88
8,88
8,88
11
14
2
6
#
GSSD
Index
: Geen toetsnorm aanwezig
: kleiner dan de detectielimiet
: <= Streefwaarde
: > Streefwaarde
: > Interventiewaarde
: Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie
: Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing
: Enkele parameters ontbreken in de som
: Heeft geen normwaarde
: verhoogde rapportagegrens
: Gestandaardiseerde meetwaarde
: (GSSD - S) / (I - S)
Tabel 2: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming
S
METALEN
Barium [Ba]
Cadmium [Cd]
Kobalt [Co]
Koper [Cu]
Kwik [Hg]
Lood [Pb]
Molybdeen [Mo]
Nikkel [Ni]
Zink [Zn]
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
50
0,4
20
15
0,05
15
5
15
65
AROMATISCHE VERBINDINGEN
Ethylbenzeen
Tolueen
Xylenen (som)
Benzeen
Styreen (Vinylbenzeen)
Naftaleen (BTEXN)
Som 16 Aromatische oplosmiddelen
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
4
7
0,2
0,2
6
0,01
GECHLOREERDE
KOOLWATERSTOFFEN
Dichloorpropaan
cis + trans-1,2-Dichlooretheen
1,1-Dichlooretheen
Dichloormethaan
Trichloormethaan (Chloroform)
Tribroommethaan (bromoform)
Tetrachloormethaan (Tetra)
1,1-Dichloorethaan
1,2-Dichloorethaan
1,1,1-Trichloorethaan
1,1,2-Trichloorethaan
Trichlooretheen (Tri)
Tetrachlooretheen (Per)
Vinylchloride
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
µg/l
0,8
0,01
0,01
0,01
6
0,01
7
7
0,01
0,01
24
0,01
0,01
OVERIGE (ORGANISCHE)
VERBINDINGEN
Minerale olie (totaal)
µg/l
50
Projectcode: 1309F700
S Diep
Indicatief
200
0,06
0,7
1,3
0,01
1,7
3,6
2,1
24
I
625
6
100
75
0,3
75
300
75
800
150
150
1000
70
30
300
70
80
20
10
1000
400
630
10
900
400
300
130
500
40
5
600
BIJLAGE 5
FOTOREPORTAGE
BIJLAGE 6
VELDVERSLAG
BIJLAGE 7
HISTORISCHE INFORMATIE
Bodemrapportage
Westeinde 9 te HAZERSWOUDE-DORP
Legenda
Bodemlocaties
Wegen
Onderzoeksrapporten
Water
Historisch bodembestand
Afscheiding
Kadaster
Geselecteerd perceel
Bebouwing
25-meter buffer
Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting)
Middelpunt: X 99221
Y 456855 meter
Buffer: 25 meter
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 1 van 15 - 11-10-2013
Inhoudsopgave
Toelichting op de verstrekte informatie
3
Informatie over geselecteerd gebied
5
Overzicht bodemlocaties
5
Gegevens bodemlocaties
5
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
5
Informatie van objecten binnen een buffer van 25 meter rondom het geselecteerde
perceel
6
Overzicht bodemlocaties
6
Gegevens bodemlocaties
6
HBB: OFWEGEN VAN EN ZOON; Westeinde 10
6
- Statusoverzicht bodemlocatie
6
- Rapportinformatie
6
- Mogelijk onderzochte bodembedreigende activiteiten
6
- Activiteiten uit Historisch bodembestand
6
Westeinde 4-6
7
- Statusoverzicht bodemlocatie
7
- Rapportinformatie
7
- Mogelijk onderzochte bodembedreigende activiteiten
7
- Activiteiten uit Historisch bodembestand
7
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
7
Topografie
8
GBKN
9
Kadaster
10
Disclaimer
15
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 2 van 15 - 11-10-2013
Toelichting op de verstrekte informatie
De Omgevingsdienst West-Holland beheert van haar werkgebied een database met bodemgegevens
afkomstig van deelnemende gemeenten en de provincie Zuid-Holland. Deze bodemgegevens worden
toegankelijk gemaakt met behulp van een bodeminformatiesysteem (bis).
In deze rapportage zijn de bij de Omgevingsdienst bekende gegevens over de bodemkwaliteit van het
geselecteerde adres of perceel en de directe omgeving daarvan verwerkt.
Hieronder volgt een toelichting op de opbouw van het rapport en de weergegeven informatie. Heeft u vragen
naar aanleiding van dit rapport en/of behoefte aan advies? Neem dan contact op met de heer P. van Valen
van ons Bodem informatie punt via 071-4083276 of [email protected]
Opbouw van deze rapportage
De rapportage komt als volgt tot stand. Op basis van een geografische analyse wordt het bevraagde adres
of perceel gecontroleerd op de aanwezigheid van een bodemlocatie contour. Is deze aanwezig op het
perceel, of in de nabijheid hiervan, dan wordt de aanwezige informatie van het geselecteerde perceel
getoond in onderstaande volgorde:
• Overzicht bodemlocatie(s)
• Gegevens bodemlocatie(s)
• Statusoverzicht bodemlocatie
• Rapportinformatie
• Mogelijk onderzochte bodembedreigende activiteiten
• Activiteiten uit Historisch bodembestand
• Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
Naast de geografische analyse van het geselecteerde perceel wordt ook in een buffer van 25 meter rond het
perceel gekeken of er bodemlocaties aanwezig zijn. Als er geen gegevens van het bevraagde perceel bekend
zijn dan kan het zijn dat er alleen gegevens van bodemlocaties binnen het buffergebied van 25 meter
worden getoond.
Welke informatie wordt getoond?
De getoonde gegevens bestaan uit informatie over de bodemkwaliteit per locatie of perceel. Niet alle
bodemgegevens bij de Omgevingsdienst. Alleen bodeminformatie die bij ons is aangeleverd in het kader van
een bouwaanvraag, aankoop of verkoop, sanering van een ondergrondse olietank en/of
bodemverontreiniging wordt in deze rapportage opgenomen.
Onderstaande gegevens worden, indien aanwezig, getoond in het rapport:
• algemene bodemkwaliteit van een perceel
• historische informatie met betrekking tot bronnen van mogelijke bodemverontreiniging
• aanwezigheid van ondergrondse tanks op een perceel
• eventueel openstaande vervolgactie per perceel in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb)
Actualiteit getoonde bodemgegevens
De bodemgegevens worden door de Omgevingsdienst minimaal één per week geactualiseerd zodat
eventuele tussentijdse ingevoerde wijzigingen worden meegenomen. Bij grote wijzigingen kan de
updatefrequentie worden ingekort om de inhoud van het rapport zo actueel mogelijk te laten zijn.
Toelichting op getoonde informatie
Overzicht bodemlocatie
Op dit kaartje wordt het bevraagde perceel getoond met de buffer van 25 meter.
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 3 van 15 - 11-10-2013
Gegevens bodemlocatie
Hier worden gegevens getoond van de bodemlocatie zoals deze in het bodeminformatiesysteem bij de
omgevingsdienst bekend zijn. De bodemlocatie is bij ons bekend onder zowel de adresgegevens als een
locatiecode die altijd begint met ‘AA’. De locatiecode is een handige en unieke zoekingang in ons systeem bij
vragen over deze locatie.
Statusoverzicht bodemlocatie
In dit hoofdstuk wordt een samenvatting van de belangrijkste statusvelden op locatieniveau gegeven:
• Status laatste rapport: datum van het laatst uitgevoerde onderzoek op de locatie.
• Beoordeling verontreiniging: de mate van verontreiniging.
• Vervolgactie (Wbb): de vervolgactie van de locatie voor het bevoegd gezag.
• Besluit status: de conclusie van het besluit als er door het bevoegd gezag een beschikking over het geval
van bodemverontreiniging is afgegeven.
• Datum besluit: datum van bovengenoemd besluit.
• Bevoegd gezag Wbb: bij welke instantie de bevoegdheid in het kader van de Wbb ligt .
• Bepaalde risico’s: als er bij een verontreiniging risico’s zijn vastgesteld wordt hier weergegeven welke
risico’s dat zijn.
• Asbeststatus: de status van asbest in/op de bodem van de locatie.
Rapportinformatie
In dit hoofdstuk worden de eventueel uitgevoerde onderzoeken op een bodemlocatie samengevat
weergegeven:
• Datum rapport: datum van het rapport.
• Onderzoeksstatus: in welke fase van bodemonderzoek het onderzoek zich bevindt.
• Aanleiding: wat de aanleiding voor het bodemonderzoek is.
• Auteur: welk onderzoeksbureau/adviesbureau het onderzoek heeft gerapporteerd.
• Rapportnummer: kenmerk van de rapportage.
Mogelijk onderzochte bodembedreigende activiteiten
Hier worden eventueel bodembedreigende activiteiten afkomstig uit het Historisch bodembestand (Hbb)
en/of het bodemonderzoek vermeld.
• Gebruik: omschrijving van de bodembedreigende activiteit.
• Van/Tot: start- en eindjaar, indien bekend, van de bodembedreigende activiteit(en).
• Voldoende onderzocht: is de specifieke bodembedreigende activiteit voldoende onderzocht bij het
bodemonderzoek?
Activiteiten uit Hbb
Het Hbb is een bestand waarin alle bodembedreigende activiteiten afkomstig uit oude gemeentearchieven,
Hinderwetvergunningen, luchtfoto’s e.d. zijn vastgelegd. Dit statische bestand vormt de basis voor het
inschatten van mogelijke verontreinigingsrisico’s van de bodem op een locatie.
• Gebruik: omschrijving bodembedreigende activiteit.
• Bedrijfsnaam: naam van het bedrijf waar de activiteit(en) plaatsvonden.
• Vindplaats dossier: archiefbron van de activiteit (bijvoorbeeld KvK, Hw voor Hinderwet).
• Adres: straat, huisnummer en plaats van het (voormalig) bedrijf en/of bodembedreigende activiteit
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
Hier worden activiteiten weergegeven van locaties waarvan de Omgevingsdienst geen onderzoekgegevens
heeft, maar die de locatie verdacht maken van bodemverontreiniging.
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 4 van 15 - 11-10-2013
Informatie over geselecteerd gebied
Overzicht bodemlocaties
Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn hierover geen gegevens beschikbaar
Gegevens bodemlocaties
Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn hierover geen gegevens beschikbaar
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn hierover geen gegevens beschikbaar
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 5 van 15 - 11-10-2013
Informatie van objecten binnen een buffer van 25 meter rondom het
geselecteerde perceel
Overzicht bodemlocaties
Locatie code
Naam
onderzoeksterrein
Straat
Nummer
Postcode
Plaats
AA167204932
HBB: OFWEGEN VAN EN
ZOON; Westeinde 10
Westeinde
10
2391JA
HAZERSWOUDE DORP
AA167204731
Westeinde 4-6
Westeinde
4
2391JA
HAZERSWOUDE-DORP
Gegevens bodemlocaties
HBB: OFWEGEN VAN EN ZOON; Westeinde 10
Locatie code
AA167204932
Naam onderzoeksterrein
HBB: OFWEGEN VAN EN ZOON; Westeinde 10
Straat
Westeinde
Nummer
10
Postcode
2391JA
Plaats
HAZERSWOUDE DORP
- Statusoverzicht bodemlocatie
Status laatste rapport
PreHO
Beoordeling verontreiniging
Onverdacht/Niet verontreinigd
Vervolgactie (Wbb)
voldoende onderzocht
Besluit status
Datum besluit
Zuid-Holland
Bevoegd gezag Wbb
Bepaalde risico's?
Asbeststatus
- Rapportinformatie
Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn hierover geen gegevens beschikbaar
- Mogelijk onderzochte bodembedreigende activiteiten
Gebruik
Van
Tot
Voldoende
onderzocht
sierplanten- en sierstruikenkwekerij
1955
1970
Onbekend
- Activiteiten uit Historisch bodembestand
Gebruik
Bedrijfsnaam
Vindplaats
dossier
Straat
sierplanten- en
OFWEGEN VAN EN ZOON
ARA:KVK LEIDEN Westeinde
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 6 van 15 - 11-10-2013
Nr.
Plaats
10-0
HAZERSWOUDE
sierstruikenkwekerij
DORP
Westeinde 4-6
Locatie code
AA167204731
Naam onderzoeksterrein
Westeinde 4-6
Straat
Westeinde
Nummer
4
Postcode
2391JA
Plaats
HAZERSWOUDE-DORP
- Statusoverzicht bodemlocatie
Status laatste rapport
Onderzoek omvang/EUT
Beoordeling verontreiniging
niet ernstig, plaatselijk sterk verontreinigd
Vervolgactie (Wbb)
voldoende onderzocht
Besluit status
Datum besluit
Bevoegd gezag Wbb
Zuid-Holland
Bepaalde risico's?
Onverdacht op basis preHO
Asbeststatus
- Rapportinformatie
Datum
rapport
Onderzoekstatus
Aanleiding
Auteur
Rapportnummer
29-03-2012
Nader onderzoek
Voorgaand
Hoste
12074MOH
08-03-2012
Verkennend onderzoek NEN
5740
Bouwvergunning
Hoste
12028MOH
- Mogelijk onderzochte bodembedreigende activiteiten
Gebruik
Van
Tot
Voldoende
onderzocht
onverdachte activiteit
Onbekend
Heden
Nee
- Activiteiten uit Historisch bodembestand
Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn hierover geen gegevens beschikbaar
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn hierover geen gegevens beschikbaar
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 7 van 15 - 11-10-2013
Topografie
Bebouwing
Perceelgrenzen
Wegen
Geselecteerd gebied
Water
25-meter contour
Afscheiding
Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting)
Middelpunt: X 99221
Y 456855
Buffer: 25 meter
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 8 van 15 - 11-10-2013
GBKN
Bebouwing
Afscheiding
Wegen
Geselecteerd gebied
Water
25-meter contour
Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting)
Middelpunt: X 99221
Y 456855
Buffer: 25 meter
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 9 van 15 - 11-10-2013
Kadaster
Perceelgrenzen
Geselecteerd gebied
Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting)
Middelpunt: X 99221
Y 456855
Buffer: 25 meter
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 10 van 15 - 11-10-2013
25-meter contour
Verklaring vaktermen
Achtergrondwaarde (AW 2000)
Norm waaronder sprake is van schone grond. Overschrijding van deze waarde (AW2000) leidt tot licht
verontreinigde grond. De Achtergrondwaarde varieert met de bodemverontreinigende stof en de
bodemsoort.
Aanvullend onderzoek
Een beperkt onderzoek, dat meestal volgt op een verkennend of oriënterend onderzoek. Het heeft meestal
tot doel aanvullende informatie te vergaren, zodat een nader onderzoek niet meer nodig is.
Asbestonderzoek NEN 5707
De NEN 5707 beschrijft hoe onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem uitgevoerd wordt.
Asbestonderzoek NEN 5897
De NEN 5897 beschrijft hoe onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in puinhoudende bodem uitgevoerd
wordt.
Beschikking
Een beschikking is een officieel overheidsbesluit. Voor het grondgebied van de Omgevingsdienst WestHolland (ODWH) is de omgevingsdienst het bevoegd gezag dat beschikkingen in het kader van de Wet
bodembescherming afgeeft. Indien een vermoeden bestaat of al duidelijk is dat een geval van ernstige
bodemverontreiniging aanwezig is, kan de verontreiniging worden gemeld bij de ODWH. Deze zal, indien
voldoende gegevens aanwezig zijn, een beschikking afgeven. Hierin staat wat de ernst en risico’s van de
verontreiniging zijn en of sanering in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk is. De ODWH
geeft ook haar goedkeuring – middels het nemen van beschikkingen – over plannen om de bodem te
saneren. Een geval van ernstige bodemverontreiniging mag meestal alleen gesaneerd worden volgens een
saneringsplan dat met een beschikking is goedgekeurd. De uitzondering hierop geldt voor eenvoudige
standaard bodemsaneringen waarbij de mogelijkheid bestaat om te saneren op basis van een melding in het
kader van het Besluit Uniforme Saneringen (de zogenaamde BUS-melding). Tot slot geeft de ODWH ook
beschikkingen af over een uitgevoerde bodemsanering en eventueel nazorgplan, de zogenaamde evaluatie.
De beschikking geeft dan aan of de sanering afdoende is uitgevoerd, of er sprake is van een
restverontreiniging, of nazorgmaatregelen nodig zijn en of er gebruiksbeperkingen gelden.
Besluit Opslag Ondergrondse Tanks (BOOT)
Dit Besluit gaf regels voor de opslag van olieproduct of brandstof in ondergrondse tanks. Hieronder viel ook
de plicht tot het uitvoeren van bodemonderzoek bij in gebruik zijnde, ondergrondse tankinstallaties. Deze
regelgeving is in 2008 overgegaan in het ‘Activiteitenbesluit’.
Bodemonderzoek
Een bodemonderzoek wordt uitgevoerd om te kunnen bepalen of de bodem verontreinigd geraakt is met
schadelijke stoffen. Soms zijn meerdere bodemonderzoeken nodig om de soort verontreiniging, de
concentraties en de omvang van de verontreiniging te bepalen. Er zijn verschillende soorten
bodemonderzoek, afhankelijk van het specifieke doel.
Bodem sanering bedrijven (BSB-operatie)
Onderzoek uitgevoerd in het kader van de BSB-operatie.
Bodemsanering
Door grond te ontgraven, ter plekke te reinigen of te isoleren kan een geval van bodemverontreiniging
gesaneerd worden. Een locatie is succesvol gesaneerd zodra de bodemkwaliteit geen belemmering meer
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 11 van 15 - 11-10-2013
vormt voor het voorgenomen gebruik van de locatie, het zogenaamde ‘functiegericht saneren’. Dit wil dus
niet zeggen dat de bodem ter plaatse volledig is schoongemaakt.
Bodemverontreiniging
De bodem is verontreinigd als een van de in de NEN 5740 genoemde stoffen, in concentraties boven de
achtergrondwaarde/streefwaarde in de grond of het grondwater (bodem) aanwezig zijn.
BSB-operatie
In 1993 werd het Besluit ‘Verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen’ ingevoerd. Veel bedrijven werden
hierdoor verplicht de bodemkwaliteit van hun bedrijfsterrein in beeld te brengen. De stichting ‘Bodem
Sanering in gebruik zijnde Bedrijfsterreinen’ (BSB) heeft bedrijven hierbij geholpen door de mogelijkheid te
bieden gezamenlijk via de BSB-operatie aan die verplichting te voldoen. De stichting BSB is inmiddels
opgeheven.
Geval van ernstige bodemverontreiniging
Een geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is verontreinigd, dat de functionele eigenschappen
die de bodem heeft voor mens, plant of dier, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Er wordt
gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor een stof meer dan 25 kubieke meter
grond of
meer dan 100 kubieke meter met grondwater verzadigd bodemvolume boven de interventiewaarde
verontreinigd is. Voor asbest geldt dit volumecriterium niet. Boven een concentratie van 100 mg/kg in grond
is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.
Hbb
Historisch bodembestand waarin historische gegevens uit verschillende archieven (gemeentearchieven, KvK,
Hinderwetvergunningen etc.) zijn opgenomen mbt bodembedreigende activiteiten.
Historisch onderzoek (HO)
Archiefonderzoek naar het vroegere gebruik van een locatie. Hiermee kan ingeschat worden of er een risico
is op bodemverontreiniging. Het historisch onderzoek maakt onderdeel uit van een vooronderzoek NEN
5725.
Indicatief onderzoek
Een verkennend bodemonderzoek beperkt van omvang en niet uitgevoerd volgens de onderzoeksrichtlijnen.
Interventiewaarde (I)
Norm waarboven sprake is van een sterke bodemverontreiniging. De interventiewaarde varieert met de
bodemverontreinigende stof en de bodemsoort.
ISV-programmering
De gemeente heeft vanaf 2000 bodemonderzoeken en bodemsaneringen uitgevoerd en gesubsidieerd met
gelden uit het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). Per vijf jaar is een programma opgesteld.
Licht verontreinigd
De bodem is licht verontreinigd als voor een stof een bepaalde norm in de grond of het grondwater
overschreden wordt. Deze norm heet Streefwaarde (S). Tegenwoordig wordt voor grond de term
Achtergrondwaarde (A) gebruikt.
Locatiecode
Unieke code die in het bodeminformatiesysteem aan een locatie is gekoppeld.
Deze code begint altijd met ‘AA’ en wordt daarna gevolgd door de gemeentecode en een uniek volgnummer.
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 12 van 15 - 11-10-2013
Matig verontreinigd
Deze term wordt veel gebruikt door adviesbureau´s om aan te geven dat de concentratie van een stof in de
bodem de Tussenwaarde (T) overschrijdt (gemiddelde van Streefwaarde of Achtergrondwaarde en de
Interventiewaarde).
Meldingsformulier BUS saneringsplan
Standaard en eenvoudige saneringen kunnen op basis van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) middels
een standaardformulier gemeld worden bij het bevoegd gezag. Dit meldingsformulier vervangt het
saneringsplan.
Meldingsformulier BUS evaluatieverslag
De verslaglegging van een standaard sanering kan op basis van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS)
middels een standaardformulier ingediend worden bij het bevoegd gezag. Het formulier vervangt de
saneringsevaluatie.
Monitoring
Het periodiek meten van de grondwaterkwaliteit.
Nader onderzoek (NO)
Een vervolgonderzoek op een verkennend bodemonderzoek met als doel de aard, de mate (concentratie),
eventuele risico’s en omvang van de eerder aangetroffen verontreiniging vast te stellen. De gegevens van
het nader onderzoek zijn de basis voor de beoordeling van de ernst van de bodemverontreiniging en de
noodzaak voor een spoedige sanering.
Nazorg
Nazorg gaat om het zolang als nodig in stand houden van een situatie waarin onaanvaardbaar
milieuhygiënisch risico wordt voorkómen door ‘beheer’ en ‘beheersing’ na een bodemsanering. Hierbij kan
als voorbeeld worden gedacht aan het in stand houden van een leeflaag of periodieke
grondwatermonitoring.
Nulsituatie-onderzoek
Onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het verlenen van een milieuvergunning. De beginsituatie wordt
vastgelegd op de plekken waar volgens de milieuvergunning bodembedreigende activiteiten plaats gaan
vinden. Er wordt alleen gekeken naar de
bodembedreigende stoffen die gebruikt gaan worden. Na beëindiging van de activiteiten wordt op dezelfde
wijze een eindsituatie-onderzoek uitgevoerd.
Oriënterend onderzoek (OO)
Een eerste onderzoek naar aanleiding van een vermoeden dat sprake is van bodemverontreiniging.
PreHO
Deze term wordt gebruikt voor beperkte historische informatie uit bijvoorbeeld archieflijsten. Het betreft
geen volwaardig historisch onderzoek (HO).
Saneringsevaluatie
Een beschrijving van de uitgevoerde sanering, het resultaat van de sanering en de eventueel te nemen
nazorgmaatregelen.
Saneringsonderzoek (SO)
Inventarisatie van de manieren waarop een verontreiniging gesaneerd kan worden. Het saneringsonderzoek
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 13 van 15 - 11-10-2013
beschrijft de milieuhygiënische, technische en financiële aspecten en de kwaliteit van de bodem die met de
op die manier uitgevoerde sanering kan worden bereikt. Het resultaat van het onderzoek is een voorstel
voor een keuzevariant voor de wijze van sanering.
Saneringsplan (SP)
Een plan waarin de gekozen saneringsmaatregelen zijn beschreven en de effecten die met de maatregelen
worden beoogd (het saneringsresultaat).
Streefwaarde (S)
Norm waaronder sprake is van schone grond. Boven de Streefwaarde is sprake van lichte verontreinigde
grond of grondwater.
De streefwaarde varieert met de bodemverontreinigende stof en de bodemsoort. Voor grond is de
streefwaarde nu vervangen door de Achtergrondwaarde.
Sterk verontreinigd
De bodem is sterk verontreinigd als voor een stof de interventiewaarde (I) in de grond of het grondwater
overschreden wordt.
Tussenwaarde (T)
Het gemiddelde van de Streefwaarde (of Achtergrondwaarde) en de Interventiewaarde.
Verkennend onderzoek NEN 5740
De NEN 5740 beschrijft op welke wijze een verkennend onderzoek moet worden uitgevoerd. De norm biedt
de keuze uit diverse onderzoeksstrategieën, die gebruikt worden afhankelijk van de situatie.
Verkennend onderzoek NVN 5740
De NVN 5740 is de voorloper (voornorm) van de NEN 5740 en werd tot 1995 gebruikt.
Vooronderzoek NEN 5725
De NEN 5725 beschrijft op welke wijze een vooronderzoek bij een bodemonderzoek moet worden
uitgevoerd. Een vooronderzoek is een onderzoek naar het vroegere, huidige en toekomstige gebruik van een
locatie. Het onderzoek naar het vroegere gebruik wordt ook wel historisch onderzoek genoemd. Aan de hand
van het vooronderzoek wordt de strategie voor bodemkundig veldonderzoek bepaald.
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 14 van 15 - 11-10-2013
Disclaimer
Hoewel zorgvuldigheid is betracht bij het samenstellen van de informatie in dit rapport kan het zijn dat deze
mogelijk onvolledig is en/of onjuistheden bevat. Niet alle tanks, bodemonderzoeken en (historische)
bodemactiviteiten zijn bij ons bekend. Wij kunnen dan ook geen aansprakelijkheid aanvaarden ten aanzien
van deze informatie. Wij benadrukken dat alleen een bodemonderzoek uitsluitsel kan geven over de
bodemkwaliteit. U helpt de Omgevingsdienst door eventuele fouten of gebreken aan ons te melden.
(c) 2011 Omgevingsdienst West-Holland, Bodem Informatie Punt (BIP) - Pagina 15 van 15 - 11-10-2013
40
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
41
Bijlage 3 Archeologisch onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
200506.18251.00
NL.IMRO.1672.ROWesteinde9-ON01
Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend
Veldonderzoek, verkennende fase
Westeinde 9, Hazerswoude-Dorp
Gemeente Rijnwoude
IDDS Archeologie rapport 1600
Colofon
Projectnummer
In opdracht van
Auteur
Redactie
Versie
Status
39820913/58585
Rho adviseurs
dr. A.W.E. Wilbers
drs. S. Moerman
1.3
Concept
Autorisatie
A. Wilbers
Senior Prospector
28-10-2013
Goedkeuring
A. Ditmer
© IDDS Archeologie
Noordwijk, oktober 2013
ISSN 2212-9650
Gemeente Rijnwoude
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de uitgever.
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
SAMENVATTING:
In opdracht van Rho adviseurs heeft IDDS Archeologie in oktober 2013 een archeologisch
bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan het
Westeinde 9 in Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude. De aanleiding voor dit onderzoek is de
geplande verplaatsing van een bedrijfswoning. Het plangebied heeft op de archeologische
verwachtingskaart van de gemeente een hoge waardering, waardoor archeologisch onderzoek
noodzakelijk is. Gezien de vroege fase waarin de planvorming verkeert, zijn er nog geen
gedetailleerde bouwplannen en dus nog geen verstoringsdieptes bekend. De doelstelling van het
onderzoek is het opstellen en toetsen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het
plangebied.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied gelegen is
e
e
op een veenrestdijk. Hazerswoude is vanaf de 11 of 12 eeuw ontgonnen vanaf het Westeinde. Op
de veenrestdijk geldt dan ook een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf de Late
e
Middeleeuwen. Vanaf de 19 eeuw geldt een lage archeologische verwachting, aangezien het
plangebied op historische kaarten vanaf deze tijd als onbebouwd wordt aangegeven.
Archeologische resten worden verwacht in de top van het oorspronkelijke veen en in de op het veen
gelegen ophooglagen. Er kan vondstmateriaal worden aangetroffen zoals aardewerk, bouwmateriaal,
glas, metaal en natuursteen. Ook kunnen er sporen worden aangetroffen, bijvoorbeeld van houtbouw
of stenen bebouwing (funderingen, muur- en vloerresten, uitbraaksleuven), waterputten, afvalkuilen
en greppels ter percelering en/of afwatering. Vanwege het relatief hoge niveau van het grondwater en
de venige dan wel kleiige bodemmatrix geldt kunnen zowel anorganische als organische resten goed
geconserveerd zijn. Er kunnen goed geconserveerde archeobotanische resten aanwezig zijn, met
name in het veen.
Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre
de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, is er een Inventariserend Veldonderzoek,
verkennende fase, uitgevoerd. De diepe zand- en kleilaag die in het plangebied zijn aangetroffen, zijn
afgezet in een tijd dat het plangebied in een waddenzeeachtige situatie lag en behoren tot het
Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Hierop ligt Hollandveen, behorende tot de
Formatie van Nieuwkoop. De rietresten die zijn aangetroffen in de top van de wadafzettingen,
alsmede de humeuze top van de kleilaag in boring 4, duiden op een milieu dat geleidelijk steeds
natter werd. In boring 4 is de veenlaag veraard en zwak zandig. Deze laag wordt geïnterpreteerd als
opgebracht veen aangezien het veen hier van nature niet zandig is. In de overige boringen lijkt er
geen veen te zijn opgebracht. Wel is er in alle boringen sprake van een zandig en kleiig
e
ophoogpakket. In boringen 1 en 2 zijn in dit pakket archeologische indicatoren uit de 18 en mogelijk
e
e
e
e
19 eeuw aangetroffen en in boring 3 vondsten uit de 17 -19 en 20 eeuw. Het ophoogpakket in
boring 3 is relatief dik en wordt geïnterpreteerd als de opvulling van een sloot.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om
voorafgaand aan de nieuwbouw archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit
vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuf ter plaatse van de
bouwkuip van de nieuwbouw met de mogelijkheid direct door te starten naar een opgraving van de
gehele bouwput.
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
INHOUDSOPGAVE:
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ............................................................... 4
1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 5
1.1. Aanleiding ............................................................................................................................... 5
1.2. Doel- en vraagstelling van het onderzoek............................................................................... 5
1.3. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied ........................................................................... 5
2. BUREAUONDERZOEK .................................................................................................................... 7
2.1. Werkwijze ................................................................................................................................ 7
2.2. Geologie, geomorfologie en bodem ........................................................................................ 7
2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden ................................................. 8
2.4. Historische situatie en mogelijke verstoringen ........................................................................ 8
2.5. Huidig landgebruik .................................................................................................................. 8
2.6. Gespecificeerd verwachtingsmodel ........................................................................................ 9
3. VELDONDERZOEK ........................................................................................................................ 10
3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet ........................................................................ 10
3.2. Werkwijze .............................................................................................................................. 10
3.3. Resultaten ............................................................................................................................. 10
3.4. Interpretatie ........................................................................................................................... 11
4. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................................................. 12
4.1. Aanbevelingen ...................................................................................................................... 12
4.2. Betrouwbaarheid ................................................................................................................... 13
GERAADPLEEGDE BRONNEN ........................................................................................................ 14
LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN .................................................................................. 15
BIJLAGEN
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Topografische kaart
Archis-informatie
Boorlocatiekaart
Boorbeschrijvingen
Periodentabel
Vondstenlijst
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
Administratieve gegevens van het plangebied
Onderzoeksmeldingsnummer
58585
Toponiem
Westeinde 9
Plaats
Hazerswoude-Dorp
Gemeente
Rijnwoude
Kadastrale aanduiding
Hazerswoude F443 en F444
Provincie
Zuid-Holland
Kaartblad
30H
Coördinaten
Centrum
Hoekpunten
99.217 / 456.856
99.225 / 456.865 (NO)
99.225 / 456.850 (ZO)
99.210 / 456.850 (ZW)
99.210 / 456.865 (NW)
Oppervlakte
200 m2
Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Uitvoerder
IDDS Archeologie
Contactpersoon: drs. A.W.E. Wi bers
Postbus 126
2200 AC Noordw jk (ZH)
Tel: 071-4028586
E-mail: awi [email protected]
Bevoegde overheid
Gemeente Rijnwoude
Ruimtelijke en Maatschappelijke ontwikkeling/beleid
Contactpersoon: dhr. A. Ditmer
Postbus 115
2394 ZG Hazerswoude-Rijndijk
Tel: 071-3428282
E-mail: [email protected]
Adviseur namens de bevoegde
overheid
Omgevingsdienst West-Holland
Contactpersoon: mevr. J. van Zwienen
Postbus 159
2300 AD Leiden
Tel: 071-4083100
E-mail: j.van[email protected]
Beheer en plaats van
documentatie en vondsten
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de
provincie Zuid-Holland
Uitvoeringsdatum veldwerk
15 oktober 2013
4
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
1. Inleiding
1.1. Aanleiding
In opdracht van Rho adviseurs heeft IDDS Archeologie in oktober 2013 een archeologisch
bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan het
Westeinde 9 in Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude. De aanleiding voor dit onderzoek is de
geplande verplaatsing van een bedrijfswoning. Deze planontwikkeling zal worden meegenomen in de
herziening van het bestemmingsplan. Dit archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van
het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing. Het plangebied heeft op de archeologische
verwachtingskaart van de gemeente een hoge waardering, waardoor archeologisch onderzoek
noodzakelijk is. Gezien de vroege fase waarin de planvorming verkeert, zijn er nog geen
gedetailleerde bouwplannen en dus nog geen verstoringsdieptes bekend.
1.2. Doel- en vraagstelling van het onderzoek
De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische
verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en
verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het inventariserend
veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast
wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze
vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in
het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het
plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor
vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een
antwoord gegeven (Wilbers 2013):

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te
beschouwen?

Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten
opzichte van het maaiveld en het NAP?

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het
veldonderzoek bevestigd?

Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische
indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de
volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is
de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het
plangebied?

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de
voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.2 (Centraal College van Deskundigen 2010).
Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen
naar Bijlage 5. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van
afkortingen en begrippen).
1.3. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied
De ligging van het (her) in te richten gebied, ofwel het plangebied, is weergegeven in Bijlage 1. Het
plangebied ligt ten noorden van de straat Westeinde, gelegen ten westen van de kern van
2
Hazerswoude-Dorp. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 200 m en een gemiddelde
5
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
maaiveldhoogte van 2,5 m –NAP. De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn nader
weergegeven in Bijlage 3 en Figuur 1.
Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar
bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte
gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 1,1 km rondom het
plangebied gekozen. De straal is dusdanig gekozen dat de gehele historische dorpskern van
Hazerswoude-Dorp in beschouwing wordt genomen.
Figuur 1: Het plangebied op een vrij recente oblieke luchtfoto. Rechts het huidige woonhuis. (Bron:
Bing Maps).
6
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
2. Bureauonderzoek
2.1. Werkwijze
Tijdens het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over het onderzoeksgebied. Er is gekeken
naar bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, uitgevoerde
archeologische onderzoeken, de fysieke kenmerken van het oude en huidige landschap en naar
informatie over bodemverstoringen. Er is gebruik gemaakt van de verwachtingskaart van de
gemeente Rijnwoude en van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie ZuidHolland. Daarnaast is er gekeken naar de landelijke verwachtingskaart (de Indicatieve Kaart van
Archeologische Waarden; IKAW) en naar het Archeologisch Informatie Systeem (Archis II) van de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanvullende historische informatie is verkregen uit
e
beschikbaar historisch kaartmateriaal, waaronder het Minuutplan van begin 19 eeuw en enkele
historische topografische kaarten (watwaswaar.nl), en via de website van de Atlas Leefomgeving
(www.atlasleefomgeving.nl).
Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap is onder andere gebruik
gemaakt van de bodemkaart van Nederland (Stichting voor Bodemkartering 1982), de
stroomruggenkaart van het Nederlands rivierengebied (Cohen et al. 2012) en de geomorfologische
kaart van Nederland (DLO-Staring Centrum / Rijks Geologische Dienst 1994). Daarnaast is gebruik
gemaakt van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; ahn.geodan.nl).
Voor informatie omtrent bodemsaneringen en ontgrondingenvergunningen is het Bodemloket
(www.bodemloket.nl) geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met informatie uit
onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst).
2.2. Geologie, geomorfologie en bodem
2.2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap
Het plangebied is gelegen in het Hollandse veengebied. Het veengebied is gelegen achter de
(huidige) kust van Zuid-Holland. Gedurende een groot deel van het Holoceen was er een sterke
zeespiegelstijging. Het plangebied lag in die periode in een landschap gelijkend aan de huidige
Waddenzee. De afzettingen uit deze periode behoren tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van
Naaldwijk; de Mulder et al. 2003).
Vanaf circa 5.000 jaar geleden werd de waddenzee afgesloten door het ontstaan van strandwallen
langs de kust. Het gebied ten oosten van deze strandwallen was zeer nat door de hoge
grondwaterstand en daardoor was grootschalige veenvorming mogelijk, waarbij het Hollandveen
Laagpakket werd gevormd (Formatie van Nieuwkoop; de Mulder et al. 2003). Hazerswoude-Dorp ligt
ver ten zuiden van de Oude Rijn waardoor er geen invloed meer aanwezig was van de rivier. Het
veengebied is gedurende de Middeleeuwen ontgonnen en in gebruik genomen voor landbouw. De
ontginningsbasis lag bij de Dorpstraat ten zuiden van het plangebied. Toen door inklinking van het
ontwaterde veen de landbouw minder rendabel werd, zijn grote delen van het veen afgegraven voor
gebruik als brandstof. Het plangebied behoort waarschijnlijk tot de dorpskern en is als zodanig niet
afgegraven.
2.2.2. Geomorfologie en bodem
Volgens de geomorfologische kaart is het plangebied gelegen op een veenrestdijk, wat overeenkomt
met de ligging op een bovenlandstrook volgens de bodemkaart. Oorspronkelijk bestond het hele
e
e
landschap rondom Hazerswoude-dorp uit een veengebied. In de 17 -19 eeuw is het grootste deel
e
van dit veen afgegraven en in de 19 eeuw zijn de ontstane meren ingepolderd. De plaatsen die al
e
voor de 17 eeuw bewoond waren zijn niet afgegraven en liggen nu als een dijk van veen in het
landschap. Omdat het veen na ontginning en bij bebouwing sterk inklinkt is de top van de veenrestdijk
vaak sterk opgehoogd, in eerste instantie met veen en later met kleiig of zandig materiaal dat van
elders is aangevoerd.
Uit de kaart met stroomruggen van Cohen et al. 2012 blijkt dat onder de veenrestdijk bij het
plangebied een diep liggende stroomrug voorkomt. Het betreft de Waddinxveen waarvan de rivier
7
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
actief was tussen 5800 en 4600 voor Chr. De top van het zandpakket van deze stroomrug bevindt
zich op een niveau van ongeveer 9,5 m -NAP. Omdat het maaiveld op dit moment ligt op ongeveer
2,5 m -NAP ligt de stroomrug dus op ongeveer 7 m onder maaiveld.
2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden
Het plangebied staat op de gemeentelijke verwachtingskaart aangegeven als een gebied met een
hoge archeologische waarde. Op de provinciale CHS heeft het plangebied een redelijk tot hoge
trefkans vanwege de ligging op zeeafzettingen met restveen. Het plangebied ligt binnen een terrein
dat op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staat aangegeven als een monument van hoge
archeologische waarde (AMK-terrein 9384). Dit terrein omvat het westelijke deel van het dorpslint van
e
e
Hazerswoude-Dorp. Het veenontginningsdorp Hazerswoude is waarschijnlijk gesticht in de 11 of 12
eeuw en het Westeinde vormt een deel van de ontginningsas.
Binnen een straal van 1,1 km rondom het plangebied zijn diverse meldingen van archeologische
vondsten en eerder archeologisch onderzoek aanwezig. Op volgorde van afstand van het plangebied
gaat het om de volgende meldingen:
Ongeveer 50 m ten zuidwesten van het plangebied is een archeologisch bureau- en booronderzoek
uitgevoerd (onderzoeksmelding 46943) waarbij in de ophooglagen op het veen archeologische resten
werden aangetroffen uit mogelijk de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd (waarneming 430079). Een
2
archeologisch vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk geacht vanwege de kleine ingreep van 20 m .
Ongeveer 650 m ten zuidwesten van het plangebied zijn tijdens een veldkartering
(onderzoeksmelding 21789) vondsten aangetroffen die voornamelijk dateerden uit de Nieuwe tijd B
en C (waarneming 416996). Eén fragment van een kruik, mogelijk Siegburg, kan in de Late
Middeleeuwen B gedateerd worden. De boringen ter plaatse leverden geen vondsten op. De
vindplaats is niet verder onderzocht.
Circa 775 m ten zuidwesten van het plangebied zijn tijdens een archeologisch booronderzoek
(onderzoeksmelding
10018)
laatmiddeleeuwse
bewoningsresten
aangetroffen
in
de
veenontginningsrug (waarneming 127284). Deze resten bevonden zich tussen 1,0 en 4,0 m onder het
maaiveld. De vindplaats is niet verder onderzocht.
Circa 875 m ten zuidoosten van het plangebied is nederzettingsafval uit de Nieuwe tijd gemeld
(waarneming 8545). Deze melding is administratief geplaatst en zal in werkelijkheid waarschijnlijk ten
oosten van het plangebied liggen, dichter bij de Dorpsstraat (het verlengde van het Westeinde).
De overige onderzoeken in de omgeving van het plangebied, waaronder een booronderzoek 100 m
ten zuidoosten van het plangebied, hebben geen vondsten opgeleverd en geen aanleiding gegeven
tot het uitvoeren van vervolgonderzoek.
2.4. Historische situatie en mogelijke verstoringen
De oudst beschikbare kaart van het plangebied dateert uit 1615. Op deze kaart staat ter hoogte van
het plangebied aan beide zijden van het Westeinde bebouwing aangegeven. Op het minuutplan uit
e
begin 19 eeuw staat het plangebied aangegeven als tuin. Op basis van de daarna volgende
topografische kaarten bleef het perceel in gebruik als tuin of bouwland tot ten minste 1995. Aan de
weg lijken in sommige jaren kleine gebouwen voor te komen, maar omdat het plangebied niet tegen
de weg ligt is dit waarschijnlijk buiten het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen saneringen of
andere grootschalige verstoringen bekend (www.bodemloket.nl). De loodsen die tegenwoordig
e
voorkomen in het plangebied zijn pas in de 21 eeuw gebouwd.
2.5. Huidig landgebruik
Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied bebouwd met een loods (Figuur 1). De loods is
voor zover bekend niet onderkelderd. De vloer van de loods bestaat uit een circa 20 cm dikke laag
beton (zie paragraaf 3.3.1).
8
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
2.6. Gespecificeerd verwachtingsmodel
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied gelegen is
e
e
op een veenrestdijk. Hazerswoude is vanaf de 11 of 12 eeuw ontgonnen vanaf het Westeinde. Op
de veenrestdijk geldt dan ook een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf de Late
e
Middeleeuwen. Vanaf de 19 eeuw geldt een lage archeologische verwachting, aangezien het
plangebied op historische kaarten vanaf deze tijd als onbebouwd wordt aangegeven.
Archeologische resten worden verwacht in de top van het oorspronkelijke veen en in de op het veen
gelegen ophooglagen. Er kan vondstmateriaal worden aangetroffen zoals aardewerk, bouwmateriaal,
glas, metaal en natuursteen. Ook kunnen er sporen worden aangetroffen, bijvoorbeeld van houtbouw
of stenen bebouwing (funderingen, muur- en vloerresten, uitbraaksleuven), waterputten, afvalkuilen
en greppels ter percelering en/of afwatering. Vanwege het relatief hoge niveau van het grondwater en
de venige dan wel kleiige bodemmatrix geldt kunnen zowel anorganische als organische resten goed
geconserveerd zijn. Er kunnen goed geconserveerde archeobotanische resten aanwezig zijn, met
name in het veen.
Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre
de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, is er een Inventariserend Veldonderzoek,
verkennende fase, uitgevoerd.
9
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
3. Veldonderzoek
3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet
Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, is om de in het bureauonderzoek
opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen.
Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is
gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap,
voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden
uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek
bestond uit een booronderzoek. Een veldkartering was niet mogelijk vanwege de begroeiing en
bebouwing in het plangebied.
3.2. Werkwijze
In het plangebied zijn 5 boringen gezet, waarvan 4 boringen met een diepte van 2,0 m en 1 met een
diepte van 4,0 m beneden het maaiveld (bijlage 3 en 4). Deze boringen zijn verdeeld over het
plangebied, waarbij twee boringen zijn gezet in de loods en drie er buiten. Er is gebruik gemaakt van
een Edelmanboor met een diameter van 12 cm. Het veldonderzoek is uitgevoerd door A. Wilbers
(fysisch geograaf / senior prospector).
De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB;
SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma TerraIndex van I.T. Works. De
locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten vanuit de bebouwing. De hoogtes van de
boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland. De
opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid
van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot.
3.3. Resultaten
3.3.1. Lithologie en geologie
De lithologische opbouw van het plangebied bestaat van onder naar boven uit zand, klei, veen, zand
en in sommige gevallen nog een kleilaag. De onderste zandlaag is alleen aangetroffen in boringen 3
en 4 vanaf respectievelijk 290 en 320 cm –mv tot de maximaal geboorde diepte van 400 cm –mv. Het
zand is lichtgrijs, matig fijn en uiterst siltig. Hierop ligt een matig siltige slappe kleilaag die de onderste
aangeboorde laag vormt in boringen 1 en 2. In boring 4 is de top van deze kleilaag zwak humeus en
in boringen 1, 2 en 4 zijn rietresten aangetroffen in de klei. De top van de kleilaag ligt op 180 à 240
cm onder het maaiveld.
In alle boringen is een veenpakket aangetroffen. De dikte van dit pakket varieert van 10 cm in boring
3 tot 80 cm in boring 1. In boring 5 vormt het veenpakket de onderste laag en kan de dikte ervan
daardoor niet nader bepaald worden dan minimaal 30 cm. In het veenpakket zijn rietresten
aangetroffen, waardoor het geclassificeerd kan worden als rietveen. Ook zijn er houtresten aanwezig
in het veen. In de meeste boringen is de top van het veenpakket donkerbruin. Alleen in boring 4 is de
top van het veenpakket donker zwartbruin, en daardoor waarschijnlijk veraard te noemen. Veraard
veen heeft onder invloed gestaan van zuurstof, wat een indicatie is dat het aan de oppervlakte heeft
gelegen. Het veen is bovendien zwak zandig.
Op het veen ligt een ophoogpakket van 110 cm dik in boring 1 tot 220 cm dik in boring 3. Dit
ophoogpakket bestaat voornamelijk uit sterk humeus zand. In boringen 2 en 4 bestaat het bovenste
gedeelte van het ophoogpakket uit klei. In boringen 2 en 5 ligt op het ophoogpakket een ca. 20 cm
dikke betonlaag die de vloer vormt van de loods.
3.3.2. Bodemopbouw
Aangezien de bovenste 110 à 220 cm van de bodemopbouw bestaat uit een ophoogpakket is er geen
sprake van een natuurlijke bodem. De bodem is conform de verwachting als bovenlandstrook te
interpreteren.
10
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
3.3.3. Archeologische indicatoren
In boringen 1, 2 en 3 zijn in het ophoogpakket vondsten aangetroffen. De vondsten in boring 3
e
dateren vanaf de Nieuwe tijd B (1650-1850) tot in de 20 eeuw. In boringen 1 en 2 zijn in het
e
e
onderste, zandige gedeelte van het ophoogpakket vondsten uit de 18 en 19 eeuw aangetroffen. In
boring 1 gaat het om een gedeelte van een pijpenkopje met daarop een gestileerde roos en het
zijmerk “DH”, aangetroffen in de laag tussen 60 en 90 cm –mv. De pijp is waarschijnlijk geproduceerd
in Gouda. De pijpenmaker is onbekend (www.kleipijp.nl/paginas/merken.htm). De pijp wordt
gedateerd tussen 1710 en 1740. In boring 2 is tussen 50 en 100 cm –mv een fragment van een
roodbakkend deksel aangetroffen met loodglazuur aan binnen- en buitenzijde en een versiering van
mangaanoxide. Het aardewerk kan gedateerd worden tussen 1750 en 1850.
3.4. Interpretatie
De diepe zand- en kleilaag die in het plangebied zijn aangetroffen, zijn afgezet in een tijd dat het
plangebied in een waddenzeeachtige situatie lag en behoren tot het Laagpakket van Wormer
(Formatie van Naaldwijk). Hierop ligt Hollandveen, behorende tot de Formatie van Nieuwkoop. De
rietresten die zijn aangetroffen in de top van de wadafzettingen, alsmede de humeuze top van de
kleilaag in boring 4, duiden op een milieu dat geleidelijk steeds natter werd. In boring 4 is de veenlaag
veraard en zwak zandig. Deze laag wordt geïnterpreteerd als opgebracht veen aangezien het veen
hier van nature niet zandig is. In de overige boringen lijkt er geen veen te zijn opgebracht. Wel is er in
alle boringen sprake van een zandig en kleiig ophoogpakket. In boringen 1 en 2 zijn in dit pakket
e
e
archeologische indicatoren uit de 18 en mogelijk 19 eeuw aangetroffen en in boring 3 vondsten uit
e
e
e
de 17 -19 en 20 eeuw. Het ophoogpakket in boring 3 is relatief dik en wordt geïnterpreteerd als de
opvulling van een sloot.
11
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
4. Conclusie en aanbevelingen
In opdracht van Rho adviseurs zijn in oktober 2013 een archeologisch bureauonderzoek en een
inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in verband met de geplande
(her)ontwikkeling van het plangebied aan het Westeinde 9 in Hazerswoude-Dorp, gemeente
Rijnwoude. Ten behoeve van het onderzoek is een aantal vragen gesteld die als volgt beantwoord
kunnen worden:

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?
Het plangebied is gelegen op een veenrestdijk die is ontstaan op wadafzettingen.

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te
beschouwen?
In het plangebied is geen natuurlijke bodemopbouw aanwezig. Op het veen is een circa 2 m dik
ophoogpakket aangebracht, bestaande uit zand- en kleilagen. In boring 4 bestaat de onderste laag
van de ophoging uit zandig veen. In boring 3 is het ophoogpakket geïnterpreteerd als de opvulling van
een sloot.

Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte
ten opzichte van het maaiveld en het NAP?
Eventuele archeologische sporen en vondsten kunnen zich bevinden in het ophoogpakket en in de
top van het resterende Hollandveenpakket, vanaf het maaiveld of de onderzijde van de betonlaag tot
een diepte van 220 cm –mv.

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het
veldonderzoek bevestigd?
Uit het bureauonderzoek was gebleken dat het plangebied op een veenrestdijk gelegen was, namelijk
e
e
de ontginningsas Westeinde. Hazerswoude is vanaf de 11 of 12 eeuw vanaf deze dijk ontgonnen.
Op basis daarvan gold in het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf de
Late Middeleeuwen, zowel organisch als anorganisch. Het veldonderzoek heeft de ligging op een
e
veenrestdijk bevestigd. In het plangebied zijn archeologische indicatoren vanaf de 18 eeuw
aangetroffen. De hoge verwachting blijft daardoor intact.

Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische
indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de
volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is
de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het
plangebied?
In boringen 1, 2 en 3 zijn in het ophoogpakket dan wel in de slootvulling archeologische vondsten
e
e
aangetroffen daterende vanaf de 18 eeuw tot aan de 20 eeuw.

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de
voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
Aangezien de archeologische waarden worden verwacht vanaf het maaiveld zijn alle bodemingrepen
potentieel bedreigend.
4.1. Aanbevelingen
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied op een veenrestdijk ligt waarop
e
e
archeologische resten voor kunnen komen vanaf de 11 of 12 eeuw. Op basis van de resultaten van
het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om voorafgaand aan de nieuwbouw
archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden
in de vorm van een proefsleuf ter plaatse van de bouwkuip van de nieuwbouw met de mogelijkheid
direct door te starten naar een opgraving van de gehele bouwput.
12
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
NB. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in
dit geval de gemeente Rijnwoude. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen
procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan
worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen.
Voor alle gravende onderzoeken, waaronder proefsleuven, dient voorafgaand aan de uitvoering van
het onderzoek een Programma van Eisen geschreven te worden. Dit Programma van Eisen moet
goedgekeurd worden door de bevoegde overheid (de Gemeente Rijnwoude) alvorens met het
onderzoek kan worden begonnen.
4.2. Betrouwbaarheid
Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke
inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht
aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in
het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef
kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele
archeologische waarden niet gegarandeerd worden.
13
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
Geraadpleegde bronnen
ANWB, 2005: ANWB Topografische Atlas Zuid-Holland 1:25.000, Den Haag.
3
Berendsen, H.J.A., 2005 (1997): Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s, Assen.
Centraal College van Deskundigen, 2010: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.2,
Gouda.
Cohen, K.M./ E. Stouthamer/ H.J. Pierik/ A.H. Geurts, 2012: Rhine‐Meuse Delta Studies’ Digital
Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography, Utrecht.
DLO-Staring Centrum / Rijks Geologische Dienst, 1994: Geomorfologische kaart van Nederland,
1:50.000, blad 30 ’s-Gravenhage, Wageningen / Haarlem.
Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van
Nederland, Groningen/Houten.
SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda.
Stichting voor Bodemkartering, 1982: Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 30 ‘s-Gravenhage,
Wageningen.
Wilbers, A.W.E. 2013: Plan van aanpak. Westeinde 9 in Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude,
Noordwijk (Intern rapport, IDDS Archeologie).
Websites
ahn.geodan.nl
watwaswaar.nl
www.atlasleefomgeving.nl
www.bodemloket.nl
www.edugis.nl
14
IDDS Archeologie rapport 1600
Versie 1.3 (concept)
Lijst van afkortingen en begrippen
Afkortingen
Archis
AMK
CHS
GPS
IKAW
KNA
mv
NAP
PvA
PvE
RCE
Archeologisch Informatie Systeem
Archeologische Monumenten Kaart
Cultuurhistorische Hoofdstructuur
Global Positioning System
Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
maaiveld (het landoppervlak)
Normaal Amsterdams Peil
Plan van Aanpak
Programma van Eisen
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Verklarende woordenlijst
antropogeen
door menselijke activiteit veroorzaakt of gemaakt
artefact
door de mens vervaardigd voorwerp
Edelmanboor
een handboor voor bodemonderzoek
Hollandveen
Holocene formatie, ontstaan tussen 3500 en 1500 voor Chr.
horizont
kenmerkende laag binnen de bodemvorming
humeus
organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in
de bodem
silt
zeer fijn sediment met grootte 0,002-0,063 mm
strandwal
langs de kust gevormde langgerekte zandrug die uitsteekt boven het
gemiddelde hoogwaterniveau; geeft in Nederland de oude ligging van de
kustlijn weer
15
Bijlage 1: Topografische kaart
456500
457000
º
0
99000
Projectnaam: Westeinde 9, Hazerswoude-Dorp
Projectnummer: 39820913/58585
Legenda
plangebied
300 m
99500
Bijlage 2: Archis informatie kaart
457000
º
44685
44162
9384
430079
46943
16159
456500
41783
0
99000
Projectnaam: Westeinde 9, Hazerswoude-Dorp
Projectnummer: 39820913/58585
Legenda
plangebied
X
Waarden- en Verwachtingenkaart Rijnwoude
Waarnemingen
Onderzoeksmeldingen
Monumenten
WAARDE
Terrein van archeologische waarde
Terrein van hoge archeologische waarde
Terrein van zeer hoge archeologische waarde
Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd
300 m
99500
Bijlage 3: Boorlocatie Kaart
456875
º
4
5
456850
.
!
.
!
1
.
!
2
.
!
3
.
!
456825
Westeinde
0
99200
99225
Projectnummer: 39820913
Projectnaam: Westeinde 9, Hazerswoude-Dorp
Legenda
plangebied
.
!
boring
99250
12,5 m
99275
Bijlage 4: Boorbeschrijvingen
Bijlage 4: Boorbeschrijvingen
Boring:
1
Boring:
2
Boring:
3
Datum:
15-10-2013
Datum:
15-10-2013
Datum:
15-10-2013
X:
99231
X:
99220
X:
99242
Y:
456850
Y:
456846
Y:
456845
Hoogte (m NAP):
-3
Hoogte (m NAP):
-2.5
Hoogte (m NAP):
-2.1
Opmerking:
150 lager dan weg
Opmerking:
Opmerking:
60 lagerdan weg
-300
0
50
-360
gras
Zand, matig fijn, matig
siltig, matig humeus,
matig
baksteenhoudend,
sporen grind, sporen
puin, donkerbruin,
modern
Zand, matig fijn, matig
siltig, sterk humeus,
sporen aardewerk,
donker zwartbruin
100
-250
0
0
-210
-274
-300
50
Klei, matig siltig, zwak
baksteenhoudend,
zwak puinhoudend,
grijs
Zand, matig fijn, matig
siltig, sterk humeus,
matig
baksteenhoudend,
sporen puin, donker
zwartbruin
100
-410
Veen, mineraalarm,
matig riethoudend,
zwak houthoudend,
donkerbruin
150
beton
Volledig beton
50
gras
Zand, matig fijn, matig
siltig, sterk humeus,
zwak
baksteenhoudend,
zwak glashoudend,
sporen puin, zwak
houthoudend,
donkerbruin
100
-390
Veen, mineraalarm,
sporen riet, donkerbruin
150
150
-430
-490
200
-510
Klei, matig siltig, zwak
riethoudend, lichtgrijs,
slap
-450
200
Klei, matig siltig,
lichtgrijs, slap
200
-430
250
-440
Veen, zwak kleiïg,
donkerbruin
-460
Klei, matig siltig, zwak
riethoudend, lichtgrijs
Klei, matig siltig,
lichtgrijs, slap
300
-530
Zand, matig fijn, uiterst
siltig, lichtgrijs
350
0
Boring:
4
Boring:
5
Datum:
X:
15-10-2013
99238
Datum:
X:
15-10-2013
99224
Y:
456853
Y:
456852
Hoogte (m NAP):
-2.3
Hoogte (m NAP):
-2.5
Opmerking:
80lagerdan weg
Opmerking:
-230
gras
Klei, zwak zandig,
sporen wortels, zwak
baksteenhoudend,
licht grijsbeige
50
0
-250
-290
100
150
-330
beton
Volledig beton
Zand, matig fijn, matig
siltig, matig humeus,
matig
baksteenhoudend,
zwak puinhoudend,
donker grijsbruin
Zand, matig fijn, matig
siltig, sterk humeus,
donker zwartbruin
100
150
-400
200
-610
-273
50
Zand, matig fijn, matig
siltig, sterk humeus,
zwak
baksteenhoudend,
sporen grind, sporen
glas, donkerbruin
400
-430
-420
Veen, zwak zandig,
sporen hout, donker
zwartbruin
Veen, mineraalarm,
zwak riethoudend,
donkerbruin, gelaagd
200
-450
Veen, mineraalarm,
zwak riethoudend,
donkerbruin
-470
250
-480
-520
300
-530
Klei, matig siltig, zwak
humeus, zwak
riethoudend, licht
grijsbeige
Klei, matig siltig,
lichtgrijs, slap
Zand, matig fijn, uiterst
siltig, lichtgrijs
Projectcode: 39820913
Pagina 1 / 1
Legenda (conform NEN 5104)
grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur
zwakke geur
matige geur
sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie
geen olie-water reactie
zwakke olie-water reactie
matige olie-water reactie
sterke olie-water reactie
Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde
>0
Zand, kleiïg
>1
>10
Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters
geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen
ongeroerd monster
zwak humeus
veen
Veen, mineraalarm
matig humeus
overig
bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand
grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand
slib
water
Legenda afkortingen Archeologische Boorbeschrijving (conform ASB 2008)
Percentages en Mediaan
Klasse
Zandmediaan
Uiterst fijn
63-105 µm
Zeer fijn
105-150 µm
Matig fijn
150-210 µm
Matig grof
210-300 µm
Zeer grof
300-420 µm
Uiterst grof
420-2000 µm
Nieuwvormingen
(1=spoor, 2=weinig, 3=veel)
Afkorting Nieuwvormingen
FEC
IJzerconcreties
FFC
Fosfaatconcreties
FOV
Fosfaatvlekken
MNC
Mangaanconcreties
ROV
Roestvlekken
VIV
Vivianiet
VKZ
Verkiezeling
ZAV
Zandverkittingen
Bodemkundige interpretaties
Code Bodemkundige
interpretaties
BOD Bodem
BOV Bouwvoor
ESG Esgrond
GLE
Gleyhorizont
HIN
Humusinspoeling
INH
Inspoelingshorizont
KAT
Katteklei
KBR
Klei, brokkelig
LOO Loodzand
MOE Moedermateriaal
OMG Omgewerkte grond
OPG Opgebrachte grond
OXR Oxidatie-reductiegrens
POD Podzol
RYP
Gerijpt
TKL
Top kalkloos
TRP
Terpaarde
UIT
Uitspoelingshorizont
VEN
Vegetatieniveau
VNG Gelaagd vegetatieniveau
VRG Vergraven
Bodemhorizont
Code Bodemhorizont
BHA
A-horizont
BHAB
BHAC
BHAE
BHB
BHBC
BHC
BHE
BHEB
BHO
BHR
AB-horizont
AC-horizont
AE-horizont
B-horizont
BH-horizont
C-horizont
E-horizont
EB-horizont
O-horizont
R-horizont
Omschrijving
Minerale
bovengrond
Overgangshorizont
Overgangshorizont
Overgangshorizont
Inspoelingshorizont
Overgangshorizont
Uitgangsmateriaal
Uitspoelingshorizont
Overgangshorizont
Strooisellaag
Vast gesteente
Sedimentaire karakteristiek, laaggrens
Afkorting Afmeting
Klasse
overgangszone
BDI
≥ 3,0 - < 10,0 cm
Basis
diffuus
BGE
≥ 0,3 - < 3,0 cm
Basis
geleidelijk
BSE
< 0,3 cm
Basis
scherp
Kalkgehalte
Code Kalkgehalte
CA1
Kalkloos
CA2
Kalkarm
CA3
kalkrijk
Archeologische indicatoren
(1=spoor, 2=weinig, 3=veel)
Code Omschrijving
AWF
Aardewerkfragmenten
BST
Baksteen
GLS
Glas
HKB
Houtskoolbrokken
HKS
Houtskoolspikkels
MXX
Metaal
OXBO Onverbrand bot
OXBV Verbrand bot
SGK
Gebroken kwarts
SLA
Slakken/sintels
SVU
Vuursteen
SXX
Natuursteen
VKL
Verbrande klei
VSR
Visresten
Bijlage 5: Periodentabel
15-10-2013
KER
pijpaarde
pijp
3
3
3
3
3
3
3
3
2
3
3
3
3
3
3
3
3
2
50-200
50-200
50-200
50-200
50-200
50-200
50-200
50-200
50-100
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
15-10-2013
KBM
GLS
XXX
XXX
KBM
KER
KER
KER
KER
cement
mal
sintel
verf
roodbakkend
roodbakkend
roodbakkend
roodbakkend
roodbakkend
brok
vensterglas
brok
plak
plavuis
indet
indet
indet
deksel
1
1
aantal
60-90
kleur
1
2
grijs
2
2
1
1
1
1
1
1
2
2
1
1
1
1
1
1
1
grijs
transparant
zwart
wit
oranje
oranje
oranje
oranje
bruin
Gruis
datum
1
vorm
Wand
diepte (cm mv)
1
baksel/type
Bodem
boring
codering
(ABR)
Rand
vondstnr
Bijlage 6: Vondstenlijst
versiering
gestileerde roos
en 'DH' (zijmerk)
glazuur
plaats
glazuur
geribbeld
slib
loodglazuur
in
mangaanoxide
loodglazuur
loodglazuur
in
in en uit
daterings
code
datering
NTB
1710-1740
NTC
NTC
NT
NTC
NTAB
NTB
NT
NTAB
NTB
20e eeuw
20e eeuw
16e-20e eeuw
20e eeuw
17e-18e eeuw
1650-1850
16e-20e eeuw
1600-1750
1750-1850
opmerkingen
gespleten scherf
gespleten scherf
101
Bijlage 6 Nota van beantwoording vooroverleg
Rho adviseurs voor leefruimte
167200.18145.00
NL.IMRO.0484.126buitengebrijnw-VO01
Nota van
a beantwoording vooroverleg
o
naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
Gemeente Alphen aan den Rijn
Afdeling Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling
Versie: 2 april 2014
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
1
Hoofdstuk
o d tuk 1
Inleiding
I l id
1.1
1 Aanleiding
a
d
Bestemmingsplan Buitengebied Rijnwoude 2014
Het bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Rijnwoude wordt in het kader van de actualisatieprogramma
bestemmingsplannen herzien. Het buitengebied omvat het noordelijke veenweidegebied, nabij Koudekerk aan den Rijn, het zuidelijke
veenweidegebied, gelegen tussen Hazerswoude-Rijndijk en Hazerswoude-Dorp en het droogmakerijgebied, gelegen tussen Hazerswoude-Dorp
en het Bentwoud. Het bestemmingsplan heeft als doel het plangebied van een actueel planologische regeling te voorzien. Geldende rechten
voor gebruik en bebouwing worden overgenomen. Met het bestemmingsplan worden in planologische zin geen nieuwe ontwikkelingen of
functies mogelijk gemaakt. Voor eventuele nieuwe ontwikkelingen of nieuwe functies zullen in de toekomst aparte procedures gevolgd worden.
Het voorontwerpbestemmingsplan is op 12 september2013 toegezonden naar de vooroverleginstanties, waarbij zij in de gelegenheid zijn
gesteld om gedurende 4 weken te reageren. De resultaten van het vooroverleg worden in deze nota behandeld.
Notitie reikwijdte en detailniveau
Gelijktijdig heeft de gemeente op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 voor de
besluitvorming over het bestemmingsplan een planmilieu-effectrapport (planMER) opgesteld. Dit is het gevolg van de
ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt aan veehouderijen. De planMER-procedure is bedoeld om het milieubelang
volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvormingsprocedure een plaats te geven. Het planMER zal een passende beoordeling bevatten
vanwege de mogelijke effecten die het bestemmingsplan Buitengebied heeft op Natura 2000 gebieden.
Als eerste stap in de planMER-procedure is een Notitie reikwijdte en detailniveau opgesteld, die beschrijft hoe het planMER wordt opgezet en
op welke wijze de onderzoeken worden uitgevoerd.
De notitie reikwijdte en detailniveau heeft vanaf 5 september 2013 gedurende vier weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen
mondelinge en/ of schriftelijke zienswijzen ingediend.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
2
1.2
1.2
Resultaten
vooroverleg
s t
r g ex
x artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan
de volgende personen en/of instanties:
1. Provincie Zuid-Holland;
2. Ministerie van Defensie;
3. Cultureel Erfgoed;
4. Hoogheemraadschap van Rijnland;
5. gemeente Alphen aan den Rijn;
6. gemeente Boskoop;
7. gemeente Kaag en Braassem;
8. gemeente Leiderdorp;
9. gemeente Zoeterwoude;
10. LTO Noord;
11. N.V. Nederlandse Gasunie;
12. Regionale Brandweer Hollands Midden;
13. TenneT;
14. PipeLine Control;
15. Stedin;
16. Oasen;
17. Kamer van Koophandel, Den Haag;
18. Milieufederatie Zuid-Holland.
De instanties 4, 10, 12 en 13 hebben inhoudelijk gereageerd. De instanties onder 7 en 9 hebben aangegeven dat het plan geen aanleiding
geeft tot het maken van opmerkingen. In verband met de fusie per 1 januari 2014 van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en
Rijnwoude zijn de reacties onder 5. en 6. niet verder inhoudelijk behandeld, omdat in de nieuwe organisatie hierover afstemmingsoverleg heeft
plaatsgevonden. De overige instanties hebben niet gereageerd. De vooroverlegreacties naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan
zijn samengevat en beantwoord in hoofdstuk 2.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
3
Hoofdstuk
o d tuk 2
Resultaten
3.1.1
R
n vooroverleg
o
e artikel
r
3 .1 Bro
Nr.
Samenvatting
vooroverlegreactie
v i
re t
Reactie g
gemeente
e t
conclusie
2.
Hoogheemraadschap
van Rijnland
h
n
Beleid en regelgeving
De plantoelichting is aangepast aan de hand
De plantoelichting (paragraaf 5.2 Water) is
In het plan wordt het beleid van het
van de door het hoogheemraadschap
op dit onderdeel aangepast.
hoogheemraadschap onvolledig
toegezonden beknopte samenvatting van
beschreven.
beleid.
Bestemming Water
Vanuit oogpunt van planologie worden alleen
De plantoelichting, regels en verbeelding
Niet al het oppervlaktewater is als water
hoofdwatergangen als zodanig bestemd.
zijn op dit onderdeel aangepast.
bestemd. In principe behoren alle
Overig water is opgenomen binnen de
oppervlaktewateren als ‘water’ te worden
bestemmingsomschrijving van de
bestemd. Waterhuishoudkundige
desbetreffende bestemmingen. Dat wil
voorzieningen, zoals sluizen, bruggen,
overigens niet zeggen dat bestaand water kan
inlaten, gemalen taluds, duikers en
worden gedempt, omdat hiervoor naast het
aangrenzende onderhoudsstrook dienen
hebben van een Watervergunning van het
ook in de bestemming ‘water’ te worden
hoogheemraadschap, ook in een aantal
opgenomen. In de voorschriften dient
gevallen een aanlegvergunning is opgenomen.
rekening te worden gehouden met de
Daar waar de bestemming ‘Water’ ten
waterhuishoudkundige functie.
onrechte niet is opgenomen is dit alsnog
gecorrigeerd.
Spraakverwarring begrippen
Enkele begripsbepalingen worden
De plantoelichting en regels zijn hierop
Een aantal begrippen wordt omschreven
toegevoegd, zodat er geen spraakverwarring
aangepast.
zoals primaire waterkering,
ontstaat over begrippen met betrekking tot de
vrijwaringszone – dijk en de primaire
waterhuishouding.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
4
waterkeringsdoeleinden van de
waterkering. Verzocht wordt de termen
toe te voegen aan de regels
(begripsbepalingen) en deze consequent
door te voeren.
Er kunnen meerdere instanties bevoegd
In de artikelsgewijze toelichting wordt daar
gezag zijn die voor een activiteit
waar nodig opgenomen dat naast een
vergunning moeten nemen om een
vergunning van het bevoegd gezag ook
activiteit uit te voeren (zoals bij
andere vergunningen nodig kunnen zijn, zoals
dubbelbestemming Waterstaat –
een watervergunning van het
Waterkering en Vrijwaringszone – Dijk.
hoogheemraadschap.
Gevraagd wordt dit aan te passen.
Afmetingen oeverstroken
De maatvoering voor de beschermingszones
De afmetingen van oeverstroken zijn in
van watergangen zoals deze gelden vanuit het maatvoering voor de beschermingszones
paragraaf 5.2.2 van de toelichting ten
beleid van het hoogheemraadschap zijn
van watergangen opgenomen in paragraaf
onrechte niet opgenomen.
toegevoegd in deze paragraaf.
5.2.2 van de toelichting. Hiermee wordt
In het ontwerpbestemmingsplan wordt de
aan de opmerking tegemoet gekomen.
Riool en Rijnlands beleid
Dit bestemmingsplan is conserverend van
De vooroverlegreactie geeft geen
Het hoogheemraadschap vraagt aandacht
aard, waarin geen nieuwe ontwikkelingen
aanleiding tot aanpassing van het
voor het rioleringsbeleid. In het plan dient
mogelijk worden gemaakt. Een nadere
bestemmingsplan.
te worden aangegeven wat voor type
toelichting op dit onderdeel is dan ook niet
rioleringsstelsel wordt aangelegd voor het
nodig.
afvoeren van het afval- en regenwater.
Tevens dient te worden aangegeven of
ontwikkelingen zijn verwerkt in het
Rioleringsplan.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
5
Begrippen vaarwegbeheerder en
waterbeheerder
In de (artikelsgewijze) toelichting wordt daar
De toelichting is op dit onderdeel
waar nodig opgenomen wie in voorkomend
aangepast.
In het plan wordt diverse malen
geval het bevoegd gezag is.
aangegeven dat er toestemming moet
worden verleend of navraag moet worden
gedaan bij de vaarwegbeheerder of
waterbeheerder. Verzocht wordt het juiste
bevoegd gezag te vermelden en een goede
omschrijving op te nemen in de
begrippenlijst en deze consequent door te
voeren.
Dempen van oppervlaktewater
In 3.2.2 van de plantoelichting is een
De vooroverlegreactie geeft geen
In paragraaf 3.2.2 onder bepalingen met
opsomming gegeven van het provinciale
aanleiding tot aanpassing van het
betrekking tot Bescherming
beleid met betrekking tot de Verordening
bestemmingsplan.
veenweideverkavelingspatroon en
Ruimte.
graslanden ontbreekt de regelgeving van
De regelgeving van het hoogheemraadschap
het hoogheemraadschap.
wordt toegelicht in paragraaf 5.2 (Water).
Het aanleggen en de maatvoering van
steigers
Het plaatsen van steigers is op grond van de
De vooroverlegreactie geeft geen
bouwregels (artikel 13.2, lid b) niet
aanleiding tot aanpassing van het
In artikel 13.3.1 van de regels
toegestaan. Dit wordt slechts mogelijk
bestemmingsplan.
(bestemming Water) zijn eisen gesteld aan
gemaakt bij afwijking. Alvorens te beslissen
het aanleggen en de maatvoering van
op een aanvraag omgevingsvergunning wordt
steigers. Opgemerkt wordt dat dit niet
schriftelijk advies gevraagd bij het
overeenkomt met het huidige beleid van
hoogheemraadschap. Hierdoor zijn de
het hoogheemraadschap.
belangen van Rijnland voldoende geborgd.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
6
Vergunningplicht en bouwregels
In de artikelsgewijze toelichting is alsnog
De toelichting is op dit onderdeel
Er kunnen meerdere instanties bevoegd
opgenomen dat naast een vergunning van het
aangepast.
gezag zijn die voor een activiteit
bevoegd gezag ook andere vergunningen
vergunning moeten verlenen om een
nodig kunnen zijn, zoals een watervergunning
activiteit uit te voeren (zoals bij
van het hoogheemraadschap.
dubbelbestemming ‘Waterstaat –
Waterkering’ en ‘Vrijwaringszone – Dijk’.
Gevraagd wordt dit aan te passen
Opbarstgevoeligheid binnen de
droogmakerijen
De waterparagraaf is aangevuld met een
De toelichting is op dit onderdeel
passage over opbarstgevoeligheid.
aangepast.
Ruimte voor agrarische bedrijven
In het bestemmingsplan Buitengebied van de
De regels van de bestemming Agrarisch
In de bestemming ‘Agrarisch’ is voor
gemeente Boskoop is het volgende
zijn als volgt aangepast:
bedrijfsgebouwen een goot- en
onderscheid gemaakt:
Bestemming Agrarisch:
bouwhoogte opgenomen van
Bestemming Agrarisch:
respectievelijk 6 en 10 meter.
-
Binnen het bestemmingsplan bevindt zich
een aantal droogmakerijen. In deze diepe
polders zijn diepe watergangen niet altijd
gewenst, gezien de toename van
nutriëntrijk, zoute of zuurstofarme kwel.
Verzocht wordt in de waterparagraaf
aandacht te besteden aan de
opbarstgevoeligheid.
7.
LTO Noord
d
Bedrijven: max. goothoogte
Voor kassen is dat respectievelijk 5 en 6
meter ter plaatse van de aanduiding ‘kas’.
6m
max. bouwhoogte 10 m
-
Kassen: max. goothoogte
Verzocht wordt deze hoogten aan te
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
5m
max. bouwhoogte 8 m
Bedrijven: max. goothoogte
max. bouwhoogte
-
6m
10 m
Kassen in sierteeltconcentratiegebied:
max. goothoogte
5m
max. bouwhoogte 8 m
7
passen aan de hoogten die zijn
Voor bedrijven is een afwijking opgenomen
opgenomen in de bestemmingsplannen
voor een bouwhoogte tot 12 meter.
buitengebied voor Boskoop en Alphen aan
Bestemming Agrarisch – natuur- en
landschapswaarden:
den Rijn.
-
Bedrijven: max. goothoogte
5m
- Kassen buiten
sierteeltconcentratiegebied:
max. goothoogte
5m
max. bouwhoogte 8 m
max. bouwhoogte 7 m
Voor bedrijven is een afwijking opgenomen
De algemene afwijkingsbevoegdheid voor
voor een hogere bouwhoogte tot 8 meter.
maatvoering van bouwwerken wordt
aangepast tot 15%.
In de laatste bestemmingsplannen
Buitengebied van de gemeente Alphen aan
den Rijn is het volgende onderscheid
gemaakt:
Bestemming Agrarisch:
-
Bedrijven: max. goothoogte
7m
max. bouwhoogte 11 m
-
Kassen: max. goothoogte
6m
max. bouwhoogte 10 m
Over de aan te houden hoogten heeft in
Boskoop eerder overleg plaatsgevonden met
vertegenwoordigers van de sierteeltsector wat
erin heeft geresulteerd in dat
bestemmingsplan opgenomen goot- en
bouwhoogten. Wij conformeren ons hieraan,
omdat in het buitengebied voor dit
bestemmingsplan ook sierteeltbedrijven
voorkomen, zodat voor deze sector uniforme
randvoorwaarden van toepassing zijn.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
8
Het opnemen van een hogere goot- en
bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen van
respectievelijk 7 en 11/12 meter wordt niet
voorgestaan, omdat in de praktijk is gebleken
dat dit (nagenoeg) niet voorkomt. Daarbij
komt dat de algemene afwijkingsbevoegdheid
is verhoogd van 10% naar 15%, zodat in
voorkomend geval na een ruimtelijke
afweging alsnog kan worden tegemoet
gekomen aan een hogere maatvoering.
De regeling is hierop aangepast.
Archeologie in perspectief
De gemeenteraad van Rijnwoude heeft de
De vooroverlegreactie geeft geen
Gevraagd wordt de dubbelbestemmingen
Beleidsnota Archeologie (2012) vastgesteld
aanleiding tot aanpassing van het
‘Waarde – Archeologie’ zodanig aan te
dat erop is gericht om de in de grond
bestemmingsplan.
passen dat dat huidige erven en ingrepen
aanwezige archeologische waarden te
ondieper dan 50 cm zijn vrijgesteld van de behouden. Op basis hiervan is een
onderzoeksverplichting.
archeologische waarden- en
verwachtingenkaart opgesteld, waarin sprake
is van vier verschillende archeologische
verwachtingsgebieden. Voor de verschillende
verwachtingszones is een oppervlakte- en
dieptecriterium gehanteerd. Aan
bodemingrepen die groter zijn dan in de
betreffende artikelen (23 tot en met 26)
genoemde oppervlaktes en dieper gaan dan
het genoemde aantal centimeters zijn
voorwaarden verbonden worden die gericht
zijn op het behoud (in of ex situ) van de
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
9
aanwezige archeologische resten. Kleinere of
ondiepere bodemingrepen zijn vrijgesteld van
een dergelijke verplichting.
Vanuit oogpunt van archeologie is er geen
aanleiding deze voorwaarden aan te passen in
het bestemmingsplan.
9.
Brandweer
Midden
r n e Hollands
l
dde
Het bestemmingsplan is getoetst aan de
In haar toetsingsrapport wijst de brandweer
De vooroverlegreactie geeft geen
externe veiligheidsaspecten en de nu
erop dat het plangebied niet overal voldoet
aanleiding tot aanpassing van het
geldende ”Praktijkrichtlijn Bereikbaarheid’’ aan de Opkomststijden. Ook is niet overal
en ”Praktijkrichtlijn Bluswatervoorziening’’
voldoende capaciteit aanwezig van de
van de Regionale Brandweer Hollands-
primaire bluswatervoorziening. Voor de
Midden. Het voorgelegde
gebouwen geldt dat primaire
bestemmingsplan geeft de
bluswatervoorzieningen binnen 40 meter
Veiligheidsregio Hollands Midden geen
vanaf de brandweeringang dienen te zijn.
bestemmingsplan.
aanleiding tot het maken van opmerkingen
in het kader van het aspect externe
Hierover wordt opgemerkt dat de
veiligheid.
Opkomsttijden zoals beschreven in het Besluit
De Brandweer Hollands Midden is van
veiligheidsregio’s (artikel 3.2.1) en het bieden
mening dat de adequate hulpverlening in
van bluswatervoorzieningen geen
het plangebied ontoereikend is, het
onderwerpen zijn die via het
plangebied voldoet hiermee niet aan de
bestemmingsplan kunnen worden
aspecten bereikbaarheid en
gerealiseerd. Bovendien is hier sprake van een
bluswatervoorziening waardoor er
conserverend bestemmingsplan, waarin geen
bezwaren zijn tegen het onvoorwaardelijke nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden
instemmen van deze adviesaanvraag.
gemaakt.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
10
10.
TenneT
In het plangebied van het
De aanduidingen ‘magneetveldzone’ en ‘geen
bestemmingsplan zal TenneT de nieuwe
gevoelige bestemming’ zijn op de verbeelding onderdeel aangepast.
De verbeelding en legenda zijn op dit
hoogspanningsverbinding tussen
en in de legenda aangepast.
Beverwijk en Zoetermeer aanleggen,
Voorts is het juiste tracé van de bestaande
waarvoor het rijksinspassingsplan is
ondergrondse 150 kV-verbinding op de
vastgesteld door de Ministers van
verbeelding aangepast.
Economische Zaken en Infrastructuur en
Milieu (2012).
TenneT constateert dat de aanduidingen
‘magneetveldzone’ en ‘geen gevoelige
bestemming’ uit het Inpassingsplan wel
zijn opgenomen, doch dat deze niet overal
dezelfde kleur en aanduiding hebben
zoals opgenomen in de legenda.
De bestaande hoogspanningsverbinding is
niet correct op de verbeelding van het
bestemmingsplan weergegeven. Verzocht
wordt het correcte tracé op de verbeelding
weer te geven.
Het bestemmingsplan lijkt het mogelijk te
Het is geenszins de bedoeling om via een
De toelichting en regels zijn op dit
maken om via een wijzigings- of
afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid nieuwe
onderdeel zodanig aangepast dat nieuwe
afwijkingsbevoegdheid in de
gevoelige bestemmingen te realiseren binnen
gevoelige bestemmingen binnen de
onderliggende (enkel)bestemmingen ter
de magneetveldzone ter plaatse de
magneetveldzone van de nieuwe en
plaatse van de (dubbel)bestemming
(dubbel)bestemming
bestaande hoogspanningsverbinding zijn
‘hoogspanningsverbinding’ nieuwe
‘hoogspanningsverbinding’. In de toelichting
uitgesloten.
gevoelige bestemmingen te creëren
en regels zullen daar waar nodig deze
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
11
binnen de magneetveldzone van de
mogelijkheden expliciet worden uitgesloten.
bestaande of nieuwe
hoogspanningsverbinding. In het kader
van deze bevoegdheden wordt geen
aandacht besteed aan het
magneetveldzonebeleid.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
12
Hoofdstuk
o s k3
Nr..
Ambtshalve
bt a ve aanpassingen
a
i
Samenvatting
Toelichting
e
i
conclusie
n
i
Tussen de eigenaar van Westeinde 9
In de ruimtelijke onderbouwing is
De toelichting en verbeelding zijn
Hazerswoude-Dorp en TenneT zijn
aangetoond dat een verplaatsing van de
aangepast naar aanleiding van de
afspraken gemaakt over verplaatsing van
bedrijfswoning en het vergroten van het
opgestelde ruimtelijke onderbouwing,
Westeinde
e n 9,
9 Hazerswoude-Dorp
H z
de
de bedrijfswoning en het vergroten van het bouwvlak vanuit een goede ruimtelijke
welke als bijlage bij het bestemmingsplan
bouwvlak als vervolg op de Uitspraak van
ordening aanvaardbaar is. De economische
is opgenomen.
de Raad van State d.d. 5 juni 2013 inzake
uitvoerbaarheid is aangetoond door middel
het Inpassingsplan Randstad 380 kV
van een gesloten anterieure
verbinding Beverwijk – Zoetermeer
exploitatieovereenkomst.
(Bleiswijk). Deze afspraken zijn vastgelegd
in een op 5 december 2013 gesloten
exploitatieovereenkomst tussen de
gemeente en de eigenaar van Westeinde 9,
Hazerswoude-Dorp.
In verband hiermede is een ruimtelijke
onderbouwing opgesteld met de hierbij
behorende omgevingsonderzoeken. Deze
ontwikkelingsmogelijkheid wordt in dit
bestemmingsplan mogelijk gemaakt.
Overige
wijzigingen
r
n n
In het bestemmingsplan is nog een aantal
ondergeschikte tekstuele aanpassingen
doorgevoerd, die geen inhoudelijke
gevolgen hebben.
Nota van beantwoording vooroverleg bestemmingsplan “Buitengebied Rijnwoude 2014”
13