Document algemeen

Nieuwsbrief Aansprakelijkheid & Verzekering
Utrecht, 1 september 2014
In deze nieuwsbrief treft u de volgende onderwerpen aan:
Smartengeld in beweging
Shockschade
Concept wetsvoorstel Zorg- en Affectieschade
Smartengeld in beweging
Ondanks het feit dat de afgelopen jaren al veel literaire stemmen zijn opgegaan om de
smartengeldbedragen in Nederland te verhogen, lijkt die gedachte eerst onlangs door de rechterlijke
macht te zijn opgepakt.
De eerste opvallende uitspraak hierover betrof het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14
januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:181). De inhoud van het geschil had betrekking op een delay in
een medische behandeling. Bij een vrouw die in de woning van haar dochter van de trap was gevallen
en op haar hoofd was terechtgekomen, was in het ziekenhuis te laat de diagnose subduraal
hematoom gesteld, waardoor vertraging ontstond in de behandeling met als gevolg dat de vrouw
ernstige restverschijnselen hield. Ter zake van smartengeld had de rechtbank in deelgeschil een
bedrag ad € 100.000,-- toegewezen.
In hoger beroep vocht het ziekenhuis deze beslissing aan.
Voor het hof was dit aanleiding om een aantal overwegingen te wijden aan de hoogte van immateriële
schadevergoeding in Nederland, waarbij het enerzijds heeft gekeken naar de specifieke situatie van
de vrouw en daarbij gezocht heeft naar een vergelijkbaar geval in de smartengeldgids (2012) maar
anderzijds een correctie naar boven heeft toegepast van 10% wegens de in de literatuur gevoerde
discussie over de hoogte van het smartengeld dat door velen als laag ervaren wordt.
Een halfjaar later heeft de rechtbank Oost-Brabant (14 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4093) in een
deelgeschil uitgebreid aandacht besteed aan de factoren die in de discussie over de hoogte van het
smartengeld in Nederland genoemd worden. De maatschappelijke ontwikkelingen die een verhoging
van de toe te kennen smartengeldbedragen rechtvaardigen, zijn de groei van de economie, de
veranderde subjectieve gevoelswaarde van geld, een toegenomen aandacht voor onrecht en het feit
dat in de ons omringende landen significant hogere bedragen worden toegekend. De rechtbank
verwijst daarbij naar het in 2013 uitgegeven themanummer van het tijdschrift Verkeersrecht.
In deze zaak ging het om een galblaasoperatie bij een 38-jarige patiënte met galwegletsel als gevolg.
Er traden uitgebreide complicaties op en één van de vragen die de deelgeschilrechter diende te
beantwoorden, betrof de omvang van het smartengeld.
De aansprakelijkheid stond al vast.
Verzoekster maakte aanspraak op een smartengeld van € 25.000,--, waarbij zij verwees naar de in de
literatuur inmiddels breed gedragen visie dat smartengeldvergoedingen in Nederland in hoogte
achterblijven en moeten stijgen.
Het ziekenhuis meende dat een vergoeding van € 7.500,-- (met een voorbehoud voor eventuele
toekomstige immateriële schade) dan wel € 11.250,-- (zonder een dergelijk behoud) in dit geval
passend en redelijk is, waarbij het verwees naar een nummer uit de Smartengeldgids waarbij sprake
was van een vergelijkbare situatie. Mocht de rechtbank aanleiding zien om het smartengeldbedrag te
verhogen, dan zou dat volgens het ziekenhuis met maximaal 10% kunnen gezien de uitspraak van het
hof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2014 (zie hierboven).
De rechtbank kende uiteindelijk € 20.000,-- toe na uitgebreid te zijn ingegaan op pijn, lichamelijke
klachten, conditieverlies en littekenproblematiek bij verzoekster, welke omstandigheden van invloed
zijn op de hoogte van het smartengeld. Voorts overwoog de rechtbank niet strikt gebonden te zijn aan
eertijds toegekende bedragen en de vrijheid te hebben tot een (geleidelijke) verhoging van
smartengeldbedragen te komen waar de omstandigheden een dergelijke verhoging indiceren.
De inkt van voornoemd vonnis van de rechtbank Oost-Brabant was nog niet droog of het hof ArnhemLeeuwarden liet weer van zich horen (deze keer in een andere samenstelling) en wel op 5 augustus
2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6223).
Deze keer ging het wederom om een medische fout gelegen in een delay in de juiste diagnosestelling
en daarmee in de behandeling van de oogaandoening van de eisende partij. Vanwege het onzeker
causaal verband had de rechtbank het ziekenhuis voor 60% aansprakelijk geacht voor de geleden
schade en de rechtbank had het smartengeld bepaald op € 40.000,--. In hoger beroep kwam onder
andere aan de orde de vraag of het bedrag ad € 40.000,-- nog gecorrigeerd moest worden tot
€ 32.500,-- (60%) of dat in dit bedrag het percentage al verdisconteerd was.
Het hof geeft eerst aan op welke wijze het het smartengeld begroot. Dit dient naar billijkheid te worden
vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het
bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Bij de
beoordeling van de hoogte van het bedrag neemt het hof mede in aanmerking de bedragen die door
de Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend – daaronder begrepen de maximaal
toegekende bedragen – alsmede de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.
Vervolgens kijkt het hof naar de specifieke situatie van de vrouw die al een beperkt zicht had in haar
linkeroog en thans een zeer beperkt zicht heeft in het betrokken rechteroog. Het in hoger beroep door
de vrouw (appellante) gevorderde smartengeld ad € 60.000,-- acht het hof op zijn plaats. Van dat
bedrag wordt 60% (€ 36.000,--) toegewezen.
Vervolgens wijdt het hof een uitgebreide overweging aan de bestaande discussie over de hoogte van
het smartengeld, mogelijk als verklaring voor de eigen beslissing.
Het hof refereert aan de bedenkingen over de hoogte van het smartengeld zowel in de praktijk als in
de literatuur die er op neer komen dat in rechte toegekende smartengeldbedragen in Nederland
aanmerkelijk lager zijn dan de in ons omringende landen en dat de toegekende smartengeldbedragen
niet zijn meegestegen met de inflatie en geen recht doen aan de – onder meer door de invoering van
euro – veranderde gevoelswaarde van geld. Zo is, aldus het hof, € 1.000,--, afgerond Hfl. 2.200,-waard, maar lijkt Hfl. 2.200,-- meer geld dan € 1.000,--, terwijl de smartengeldbedragen in guldens
onverkort zijn doorgerekend naar euro‟s en bijvoorbeeld de lottoprijzen (als uitdrukking van de waarde
van geluk) gelijk zijn gebleven. Al met al is de kritiek breed gedragen dat de toegekende
smartengeldbedragen geen recht meer doen aan de (gewijzigde) maatschappelijke opvattingen over
de compensatie van leed. Het hof acht die kritiek terecht en begrijpelijk. Het ligt dan ook in de rede dat
in de toekomst veelal hogere smartengeldbedragen zullen worden vastgesteld dan in het verleden het
geval was. Het hof tekent daarbij wel aan dat een aanpassing van de hoogte van het smartengeld aan
de veranderende maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen in het buitenland eerder aan de
orde is in een recente schadezaak, zoals in het onderhavige geval, dan in een zaak waarin schade is
ontstaan voordat de desbetreffende maatschappelijke opvattingen zijn veranderd.
2
We moeten afwachten of hier sprake is van een trend en zo ja, of deze trend zich zal voortzetten.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de toon gezet en het zal niet de eerste keer zijn dat dit hof door
andere hoven en door rechtbanken gevolgd wordt….
Jacqueline Meyst-Michels
E: [email protected]
T: 030-2595726
Shockschade
Op grond van art. 6:106 lid 1 sub b BW kan immateriële schadevergoeding worden gevorderd, ook
ingeval van verwonding of overlijden van een ander. Voorwaarde is dat degene die gerechtigd is tot
deze immateriële schadevergoeding zelf letsel heeft of zelf op een andere wijze in zijn persoon is
aangetast. Dit is bijvoorbeeld het geval indien iemand een shock ondervindt omdat hij geconfronteerd
wordt met een ongeval, of met de ernstige gevolgen daarvan, waarbij een naaste betrokken is.
Om met succes een shockschadevordering in te stellen dient aan de door de Hoge Raad in het
1
Taxibus-arrest geformuleerde vereisten te zijn voldaan:
1.
2.
3.
4.
er moet sprake zijn van letsel of overlijden door de overtreding van een verkeers- of
veiligheidsnorm;
de benadeelde ondervindt een shock door waarneming van het ongeval of directe confrontatie
met de ernstige gevolgen hiervan;
deze shock moet hebben geleid tot geestelijk letsel;
en dit geestelijk letsel voldoet aan de criteria van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Met name het zogenaamde confrontatie vereiste is in de literatuur en rechtspraak veel discussie.
Deze eis houdt in dat de betrokkene (bij voorkeur op de plaats van het ongeval) een shock moet
oplopen, hetzij op het moment van het ongeval, hetzij kort daarna als gevolg van het zien van de
ongevalsgevolgen bij het slachtoffer.
Wanneer de betrokkene zelf aanwezig was bij het ongeval – en het ongeval heeft zien gebeuren – zal
het confrontatievereiste niet snel tot problemen leiden. Lastiger wordt het wanneer iemand pas op een
later moment wordt geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, bijvoorbeeld in het ziekenhuis
waar hij het slachtoffer ernstig verwond aantreft, en ten gevolge daarvan een shock ondervindt.
In de lagere rechtspraak is in die situaties met regelmaat gebruik gemaakt van de overweging dat
naarmate de normschending ernstiger is er minder hoge eisen aan het confrontatie vereiste worden
2
gesteld. De Hoge Raad heeft deze ontwikkeling een halt toegeroepen in het Vilt-arrest van 9 oktober
2009 door te overwegen dat de aard van de normschending geen reden is voor verruiming van de in
het Taxibus-arrest genoemde voorwaarden voor een vergoeding van shockschade.
Toch zijn ook na het Vilt-arrest verschillende uitspraken gewezen waarin het confrontatie vereiste ruim
wordt uitgelegd vanwege de ernst van de aard van de normschending. Een bekend voorbeeld is de
3
zaak Maja Bradaric waarin de rechtbank oordeelde dat de ouders van de vermoorde Maja Bradaric
recht hadden op vergoeding van shockschade. De ouders waren rechtstreeks geconfronteerd met de
1
HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 (Taxibus).
HR 9 oktober 2009, NJ 2010, 378 (Vilt).
3
Rb Arnhem 13 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ1757.
2
3
ernstige gevolgen van de moord op hun dochter, al waren zij geen getuige van de moord en hebben
zij het lichaam van hun dochter nadien niet gezien. De ouders hebben echter via de strafzaak en de
media kennis genomen van de gruwelijke omstandigheden waaronder hun dochter is overleden. Ook
werd door de rechtbank belang gehecht aan de omstandigheid dat de ouders het lichaam van hun
dochter niet meer konden zien omdat het te ernstig verminkt was.
4
Een recent voorbeeld is de zogenaamde Facebook-moord zaak. Een beïnvloedbare jongen is door
„vrienden‟ ingeschakeld om een vijftienjarig meisje te vermoorden. Hij belt aan bij de woning van het
meisje en steekt in op het meisje en haar vader. De vader overleeft het, maar het meisje sterft
uiteindelijk in het ziekenhuis in de armen van haar moeder. De moeder ontwikkelt PTSS en suïcidale
gedachten. Zij vordert shockschade. Hoewel zij niet bij het incident aanwezig is geweest, is zij wel met
de verwondingen van haar dochter geconfronteerd. Daarnaast is zij geconfronteerd met de strafzaak
waarin de moord gedetailleerd is behandeld en met de grote media-aandacht voor deze strafzaak. De
rechtbank wijst de vordering van de moeder (€ 50.000,-) toe.
5
Een ander recent voorbeeld betreft een zaak van de rechtbank Rotterdam. Een man en zijn
echtgenote zijn op weg naar de moskee. De vrouw gaat de moskee eerder binnen en wordt dan
gewaarschuwd dat haar man is neergestoken op straat. Op de plaats van het incident treft zij hem
dood aan, nadat hij 24 keer in zijn hoofd en lichaam is gestoken. De vrouw lijdt ten gevolge hiervan
aan ernstige psychische klachten en vordert vergoeding van shockschade. De rechtbank acht op
basis van de omstandigheden de conclusie gerechtvaardigd dat de vrouw, ondanks dat zij niet bij het
incident aanwezig is geweest, zij wel rechtstreeks is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van de
jegens haar man gepleegde gruwelijke handelingen. De rechtbank had het hierbij kunnen laten.
Echter, er volgt nog een toevoeging die geheel haaks staat op de bedoeling van de Hoge Raad zoals
verwoord in het Vilt-arrest, namelijk dat de rechtbank verder van oordeel is dat aan de mate van
rechtstreeksheid van de confrontatie minder strenge eisen dienen te worden gesteld naarmate de
normschending ernstiger is. Bij opzettelijke levensberoving met voorbedachten rade op de wijze zoals
die hier heeft plaatsgevonden is sprake van een zo ernstige normschending dat geen hoge eisen aan
de rechtstreeksheid van de confrontatie kunnen worden gesteld, aldus de rechtbank. De rechtbank
wijst € 25.000,- smartengeld toe.
In de literatuur gaan al stemmen op dat het recent gepubliceerde concept wetsvoorstel Zorg- en
Affectieschade – mocht dit worden aangenomen – mogelijk zal leiden tot een afname van het aantal
shockschadeclaims.
Ik vraag mij dat af. Het wetsvoorstel biedt zeker uitkomst voor nabestaanden die een naasten hebben
verloren door toedoen van een ander, maar niet kunnen voldoen aan de criteria om voor een
shockschadevordering in aanmerking te komen. Echter, gezien het verschil in toegekende bedragen
verwacht ik dat nabestaanden shockschadevorderingen zullen blijven indienen. In het wetsvoorstel
bedraagt de maximale vergoeding € 20.000,-, terwijl in de hierboven genoemde uitspraken bedragen
van € 25.000,- en € 50.000,- zijn toegekend. En dat staat nog los van eventuele vergoedingen van
geleden materiële schade.
Margot van Beurden
E: m[email protected]
T: 030-2595726
4
5
Rb Gelderland 29 januari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:520.
Rb Rotterdam 18 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10725.
4
Concept wetsvoorstel Zorg- en Affectieschade
De mogelijkheid voor naasten om aanspraak te maken op affectieschade is weer uit de
spreekwoordelijke 'ijskast' gehaald. Op 23 maart 2010 strandde het (eerste) wetsvoorstel
Affectieschade in de Eerste Kamer. Nu ligt er een nieuw wetsvoorstel en naast affectieschade wordt
voorgesteld om een recht van naasten op zorgschade in de wet te verankeren. Het wetsvoorstel en de
toelichting daarop zijn gepubliceerd op 27 mei 2014. Het voorstel heeft nog een lange staatsrechtelijke
weg te gaan en gezien de inmiddels al verschenen kritische noten is het zeker nog geen gelopen
race.
Affectieschade
Affectieschade is een vorm van smartengeld voor naasten. Het betreft een vergoeding voor het nadeel
(niet zijnde vermogensschade) dat een naaste lijdt doordat een persoon waarmee een affectieve band
bestaat ernstig gewond raakt of overlijdt.
De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij de vormgeving van het voorstel als uitgangspunt heeft
gegolden dat zoveel mogelijk vermeden moet worden dat de vaststelling van de vergoeding van
affectieschade leidt tot langdurige en onsmakelijke discussies over de intensiteit van het leed. Dit is
een logisch en begrijpelijk uitgangspunt, maar zal dat ook in de praktijk zo uitwerken?
Voor het recht op vergoeding van affectieschade moet sprake zijn van een affectieve band en ernstig
en blijvend letsel, dan wel overlijden. Het volgende schema - ten aanzien van de kring van
gerechtigden en de genormeerde bedragen - is opgenomen in de toelichting:
Ernstig en
blijvend letsel
Overlijden
Overlijden door een
geweldsmisdrijf
€ 17.500,00
Ernstig en blijvend
letsel door een
geweldsmisdrijf
€ 17.500,00
Echtgenoten en geregistreerd
partners
Levensgezellen
€ 15.000,00
Minderjarige kinderen en ouders
Meerderjarige thuiswonende
kinderen en ouders
Pleegkinderen en ouders
€ 15.000,00
€ 17.500,00
€ 17.500,00
€ 20.000,00
€ 15.000,00
€ 15.000,00
€ 17.500,00
€ 17.500,00
€ 17.500,00
€ 17.500,00
€ 20.000,00
€ 20.000,00
€ 15.000,00
€ 17.500,00
€ 17.500,00
€ 20.000,00
Meerderjarige niet thuiswonende
kinderen en ouders
Zorg in gezinsverband
€ 12.500,00
€ 15.000,00
€ 15.000,00
€ 17.500,00
€ 12.500,00
€ 15.000,00
€ 15.000,00
€ 17.500,00
Overige nauwe persoonlijke
relaties
€ 12.500,00
€ 15.000,00
€ 15.000,00
€ 17.500,00
€ 20.000,00
Er is nog een hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op
vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de „vaste‟ kring van gerechtigden
behoort. Om ingevolge de “overige” categorie recht te hebben op een vergoeding van affectieschade
moet worden aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van een hechte affectieve relatie, daarbij is
de feitelijke verhouding beslissend en van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur
i
van de relatie. Stichting PIV heeft al aangegeven te betreuren dat er geen nadere invulling wordt
5
gegeven aan het vereiste van een “daadwerkelijke hechte affectieve relatie”. Men verwacht discussies
en een aanzuigende werking.
Ten aanzien van het andere vereiste “ernstig en blijvend letsel” is in de toelichting aangegeven dat de
term in concrete gevallen mogelijk nadere uitleg in de rechtspraktijk zal behoeven. Ernstig en blijvend
letsel zal moeten worden aangetoond door degene die een beroep doet op vergoeding van
affectieschade. De staatssecretaris heeft expliciet aangegeven dat het zal gaan om medische
objectiveerbare letsels. Aangenomen kan worden dat bij een blijvend functioneel verlies van 70% of
meer in de praktijk sprake zal zijn van ernstig en blijvend letsel als in het wetsvoorstel is bedoeld.
Echter het genoemde percentage hoeft niet in alle gevallen doorslaggevend te zijn, aldus de
ii
toelichting. Hartlief vraagt zich nog af of bij kindermisbruik sprake is van ernstig blijvend letsel en zo
ja, is er dan sprake van een geweldsmisdrijf? Er zijn dus wat objectieve handvatten gegeven, maar
het subjectieve begrip „ernstig‟ zal zeker onderwerp van debat gaan worden.
Ten slotte benoem ik nog kort dat de verweren die de aansprakelijke partij heeft tegenover het
slachtoffer ook kunnen worden ingeroepen jegens de gerechtigden die aanspraak maken op
vergoeding van affectieschade. Het PIV heeft in dit kader al terecht opgemerkt dat in de toelichting
enkel wordt aangehaakt bij de situatie waarin sprake is van eigen schuld, omdat het slachtoffer zelf
een fout heeft gemaakt die mede oorzaak is van het letsel. Maar hoe zit het dan met andere
causaliteitsverweren zoals proportionele aansprakelijkheid en het leerstuk van het verlies van een
kans? En meer algemeen is de grondslag van de vordering van de naasten dezelfde als de grondslag
van het slachtoffer of kan een naaste alleen op grond van art. 6:162 BW claimen. Ik begrijp dat het
wenselijk is om daar meer duidelijkheid over te krijgen.
Zorgschade
Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om in ruimere mate dan nu mogelijk is de vergoeding van
zorgschade te vorderen. Het uitgangspunt is (en blijft) dat de behoefte aan zorg een schadepost van
de gekwetste zelf is en de gekwetste zelf vergoeding van de kosten daarvan kan vorderen.
Voorgesteld wordt om een onderdeel toe te voegen aan art. 6:96 lid 2 BW waarin wordt vastgelegd
dat de gekwetste een aanspraak heeft op vergoeding van redelijke door de gekwetste gemaakte
kosten ten behoeve van diens verpleging, verzorging, begeleiding en huishoudelijke hulp. De
gedachte is dat de gekwetste, om van een naaste op bestendige wijze zorg te kunnen (blijven)
ontvangen, als tegenprestatie voor de verleende zorg de naaste dient te compenseren voor diens
inkomensachteruitgang.
Op basis van de huidige jurisprudentie is nog vereist dat het inschakelen van professionele hulp in
een concreet geval normaal en gebruikelijk zou zijn. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om de
kosten te verhalen indien het in de concrete omstandigheden redelijk is professionele hulp in te
schakelen. De dubbele redelijkheidstoets ziet dan op de wijze waarop de gekwetste in zijn reële
zorgbehoefte voorziet, alsook op de omvang van de kosten.
Het PIV is zeer kritisch tegenover het plan om zorgschade op te nemen in het voorstel en de keuze
voor onderbrenging van de schadepost in art. 6:96 lid 2 BW. Los van de inhoudelijke bezwaren ben ik
met het PIV van mening dat de beoogde plaats in de wet niet logisch is. In de praktijk wordt art. 6:96
BW vrijwel altijd in een adem genoemd met de buitengerechtelijke kosten. Het PIV voorziet de nodige
problemen ten aanzien van de invulling van de dubbele redelijkheidstoets en daarnaast zijn er nog
allerlei (praktische) vragen onbeantwoord gebleven, zoals moet de inkomensschade netto of bruto
vergoed worden. Gezien de vele vragen en onduidelijkheden ten aanzien van de zorgschade wordt in
ieder geval gepleit voor een splitsing van de twee onderdelen, zodat de invoering van een vergoeding
6
voor affectieschade geen verdere vertraging oploopt. Daarbij vraagt men zich af of er wel een apart en
ingewikkeld wetsvoorstel moet komen en of het niet kan worden overgelaten aan een redelijke
invulling van de praktijk dan wel de rechter, bijvoorbeeld met als uitgangspunt een nieuw te
ontwikkelen Richtlijn van de Letselschaderaad.
Petra klein Gunnewiek
E: [email protected]
T: 030-2595726
i
ii
Commentaar PIV op conceptwetsvoorstel zorg- en affectieschade, mr F.Th. Kremer, 30 juli 2014
Beperkte kring van gerechtigden onder vuur, prof. mr T. Hartlief, NJB 2014/1270
Save the date!
11 november 2014: Seminar Aansprakelijkheid & Verzekering
7